-A +A

Valsheid in geschrifte door middel arglist bedrieglijk een handtekening te bekomen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 29/04/2014

De waarheidsvermomming waardoor een strafbare valsheid in geschrifte wordt gepleegd, bestaat evenwel niet noodzakelijk in een valse of vervalste handtekening, want het vermommen van de waarheid kan nog op andere wijzen worden gepleegd (art. 196 Sw.).

Aldus is het mogelijk dat een stuk met daarop een als zodanig niet-vervalste, oorspronkelijke handtekening, werd vervalst doordat er een tekst werd op aangebracht of aan toegevoegd waarmee de titularis van de handtekening nooit heeft ingestemd.

Het opmaken van een overeenkomst, een beschikking of een schriftelijke verklaring moet immers eveneens als een strafbare valsheid worden beschouwd wanneer de handtekening van een partij bedrieglijk werd verkregen en die partij aldus in dwaling werd gebracht en onwetend was over de aard en de inhoud van het geschrift dat hij of zij heeft ondertekend.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
1549
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie en H.K. t/ C.P.

...

De beklaagde P.C. en de burgerlijke partij K.H. waren voorheen (in 1986) gehuwd onder het stelsel van de scheiding van goederen en zijn sinds medio 2002 in een echtscheidingsprocedure verwikkeld, waarbij zij uiteindelijk einde 2005 uit de echt zijn gescheiden. Met het oog op de vereffening en verdeling werden notaris X en notaris Y aangesteld.

In het kader van de verrichtingen van vereffening en verdeling voor de notarissen, die bij proces-verbaal van 12 februari 2008 de werkzaamheden openden en op 23 november 2009 een akte “verderzetten werkzaamheden” opstelden, legde de beklaagde (een kopie van) drie stukken voor die het voorwerp vormen van de telastleggingen A en B van de voorliggende strafvervolging, namelijk:

1) een getypte en beweerdelijk door de burgerlijke partij ondertekende verklaring van 3 februari 1998 waarin zij bevestigt de som van 4.868.586 fr. te hebben ontvangen van de beklaagde voor de aankoop en de verbouwing van haar kantoor in de woning (...);

2) een getypte en beweerdelijk door de burgerlijke partij ondertekende verklaring van 29 (sic) februari 2002 met daarin een lijst waarin roerende goederen worden opgesomd die teruggegeven zouden zijn aan K.H.;

3) een getypte en beweerdelijk door de burgerlijke partij ondertekende verklaring van 21 maart 2002 met daarin een lijst waarin roerende goederen worden opgesomd die teruggegeven zouden zijn aan K.H.

De burgerlijke partij voerde onmiddellijk aan dat zij deze documenten nooit heeft ondertekend en diende op 2 december 2009 klacht met burgerlijkepartijstelling in bij de onderzoeksrechter te Gent tegen de huidige beklaagde en tegen onbekenden wegens valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en oplichting.

Naar aanleiding van het gerechtelijk onderzoek stelde de onderzoeksrechter de genaamde F.W. aan als schriftdeskundige. Deze stelde in zijn verslag van 28 november 2010 vast dat de hem toegezonden documenten fotokopieën inhielden van een beperkte kwaliteit, waarbij de handtekening op de fotokopie van de verklaring van 3 februari 1998 “vrijwel totaal onzichtbaar” was, waardoor enig vergelijkend onderzoek onmogelijk was. De handtekeningen op de kopieën van de verklaring van 29 februari 2002 en 21 maart 2002 waren volgens deskundige W. “met reële waarschijnlijkheid” van de hand van de burgerlijke partij, met dien verstande evenwel dat deskundige W. – na te hebben gewezen op de slechte kwaliteit van de kopieën en op de omstandigheid dat de beklaagde ook na aandringen van de politie geen originele documenten voorlegde – tevens vaststelde dat de mogelijkheid dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan “forgerie door gefotokopieerde/gescande reproductie wel zéér plausibel is”.

Eerst naar aanleiding van de procedure tot regeling van de rechtspleging voor de raadkamer kondigde de beklaagde aan dat hij de originelen zou voorleggen van de verklaringen van 3 februari 1998, van 29 februari 2002 en van 21 maart 2002, wat hij ter terechtzitting van de raadkamer van 9 februari 2011 effectief ook deed (...). Hierop verzocht de burgerlijke partij dat er een aanvullend onderzoek zou worden gevoerd, waarbij met name de door de beklaagde voorgelegde (beweerdelijk “originele”) documenten door een schriftdeskundige zouden worden onderzocht. Hierop schorste de raadkamer de rechtspleging en gelastte de onderzoeksrechter deskundige F.W. met een bijkomende opdracht.

In zijn verslag van 6 augustus 2011 stelde gerechtsdeskundige W. dat de navolgende documenten die de beklaagde had neergelegd wel degelijk originele documenten inhielden en geen kleurenkopieën, en volkomen conform waren aan de aanvankelijk toegezonden kopieën. Voorts stelde gerechtsdeskundige W. dat deze documenten “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” authentiek en aldus van de hand van de burgerlijke partij zijn, met inbegrip van de signatuur op de verklaring van 3 februari 1998.

...

Op grond van de gegevens van het strafdossier en de behandeling voor het hof zijn de feiten, voorwerp van de telastleggingen A.1, A.2, A.3, B.1, B.2, B.3 en C, en de schuld van de beklaagde aan die feiten bewezen.

...

Te dezen betwist de beklaagde dat hij de bewuste verklaringen zou hebben vervalst, waarbij hij met name beklemtoont dat de handtekeningen op die drie verklaringen wel degelijk afkomstig zijn van de hand van de burgerlijke partij.

Wat dit laatste betreft, is het hof van oordeel dat het niet bewezen is dat de handtekeningen die werden aangebracht op respectievelijk de verklaring van 3 februari 1998 (telastlegging A.1), de verklaring van 29 (sic) februari 2002 (telastlegging A.2) en de verklaring van 21 maart 2002 (telastlegging A.3), door de beklaagde materialiter zouden zijn vervalst. Uit het verslag van schriftdeskundige W. van 6 augustus 2011, dat op zichzelf (...) door het hof wetenschappelijk verantwoord en overtuigend wordt geacht, blijkt immers dat de originele documenten die de beklaagde – weliswaar pas tijdens de verwijzingsprocedure voor de raadkamer – had voorgelegd, “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” authentiek en aldus van de hand van de burgerlijke partij zijn. (...)

De waarheidsvermomming waardoor een strafbare valsheid in geschrifte wordt gepleegd, bestaat evenwel niet noodzakelijk in een valse of vervalste handtekening, want het vermommen van de waarheid kan nog op andere wijzen worden gepleegd (art. 196 Sw.). Aldus is het mogelijk dat een stuk met daarop een als zodanig niet-vervalste, oorspronkelijke handtekening, werd vervalst doordat er een tekst werd op aangebracht of aan toegevoegd waarmee de titularis van de handtekening nooit heeft ingestemd. Het opmaken van een overeenkomst, een beschikking of een schriftelijke verklaring moet immers eveneens als een strafbare valsheid worden beschouwd wanneer de handtekening van een partij bedrieglijk werd verkregen en die partij aldus in dwaling werd gebracht en onwetend was over de aard en de inhoud van het geschrift dat hij of zij heeft ondertekend. Een en ander werd bij tussenarrest van 24 december 2013 ter kennis gebracht aan de partijen, die dienaangaande verweer hebben kunnen voeren en hun standpunt hebben kunnen uiteenzetten.

Dienaangaande is het hof van oordeel dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan de in de telastleggingen A.1, A.2 en A.3 bedoelde valsheden in geschrifte doordat hij de handtekening van de burgerlijke partij op de verklaringen van 3 februari 1998, van 29 (sic) februari 2002 en van 21 maart 2002 bedrieglijk heeft verkregen, waarbij het hof het met name bewezen acht dat de beklaagde erin geslaagd is de burgerlijke partij in dwaling te brengen van wat zij in die zogenaamde verklaringen heeft ondertekend, hetzij omdat hij de handtekeningen aan de burgerlijke partij heeft weten te ontfutselen op blanco stukken waarop hij vervolgens op een bedrieglijke wijze de bewuste verklaringen heeft aangebracht, hetzij omdat hij er op enige andere bedrieglijke wijze in geslaagd is om de burgerlijke partij de voormelde verklaringen te doen ondertekenen, zonder dat zij besefte wat de aard en de inhoud van die verklaringen was, waardoor hij haar aldus doelbewust in dwaling heeft gebracht.

Het hof komt tot deze conclusie op grond van diverse met elkaar overeenstemmende feitelijk vermoedens, die in hun onderlinge samenhang beschouwd het bewijs opleveren van de schuld van de beklaagde in de voormelde zin.

Aldus is het in het licht van de feitelijke familiale en professionele situatie van de beklaagde en de burgerlijke partij volstrekt onwaarschijnlijk dat de burgerlijke partij in februari 1998 – blijkbaar in contanten – een bedrag van 4.868.586 fr. (thans 120.689,09 euro) zou hebben ontvangen van haar toenmalige echtgenoot, zijnde de beklaagde. Niet alleen ligt niet de minste plausibele verklaring voor waarom een verrichting van een dergelijke omvang tussen echtgenoten in contanten zou geschieden (en bv. niet bij wijze van overschrijving), maar ook is het ongeloofwaardig dat een dergelijke transactie zou zijn geschied voor de aankoop en de verbouwing van het architectenkantoor van de burgerlijke partij in de woning. Immers, hoewel in het betwiste geschrift van 3 februari 1998 door de burgerlijke partij inderdaad zou zijn verklaard dat zij het bedrag van 4.868.586 fr. heeft ontvangen “voor de aankoop en verbouwing van mijn kantoor in onze woning”, blijkt uit de notariële akte van 23 november 2009 houdende het “verderzetten werkzaamheden” dat die woning op 4 maart 1998 door de burgerlijke partij en de beklaagde samen werd aangekocht voor een bedrag van 3.500.000 fr., waarbij zij eveneens gezamenlijk een hypothecaire lening zijn aangegaan ten belope van 2.800.000 fr. De gezinswoning blijkt pas later, nl. in het voorjaar 2000 te zijn afgebrand, en werd onder de leiding van de burgerlijke partij heropgebouwd (...). Van verbouwingswerken die zouden dateren van vóór de brand in het voorjaar van 2000, wordt geen melding gemaakt.

In tegenstelling tot wat door de beklaagde wordt beweerd (...), kan uit de vaststelling dat het bewuste bedrag (4.868.586 fr., thans 120.689,09 euro) geen afgeronde som inhoudt, geenszins een argument worden afgeleid ter ondersteuning van de onschuld van de beklaagde.

Voorts ligt er, afgezien van de verklaring van 3 februari 1998, niet het minste stuk voor dat het ook maar enigszins aannemelijk zou maken dat, zoals geattesteerd in de voormelde verklaring, de burgerlijke partij op 2 februari 1998 een som van 4.868.586 fr. (thans 120.689,09 euro) zou hebben ontvangen. De beklaagde, die beweert dat het bedrag van 4.868.586 fr. afkomstig was van een effectenrekening, heeft overigens ook nooit enig rekeninguittreksel voorgelegd m.b.t. die effectenrekening waaruit een overschrijving of een afhaling ten belope van een bedrag van 4.868.586 fr. zou kunnen blijken, hoewel de burgerlijke partij daar reeds in 2009 tijdens de werkzaamheden van de vereffening en verdeling heeft om verzocht. De verklaring die de beklaagde in dit verband voor de notarissen aflegde, nl. dat hij wel degelijk stukken zou hebben opgevraagd bij de bank te Brussel, maar dat deze laatste daar “niet mee over de brug komt” (...), evenals de daarbij aansluitende uitleg in zijn conclusie voor het hof als zouden de rekeninguittreksels in de brand zijn gebleven en de bank die gegevens slechts gedurende tien jaar bewaart (...), zijn niet van aard om het hof tot een andere overtuiging te brengen.

Zo ook is het verweer van de beklaagde als zou de burgerlijke partij bewust foutieve vermeldingen hebben aangebracht in de documenten teneinde deze documenten achteraf te kunnen betwisten (...), volstrekt ongeloofwaardig, temeer daar hij tijdens het strafonderzoek uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij zelf de bewuste documenten heeft opgesteld en dat “(d)e materiële fouten (...) ten laste van (hem zijn)”.

Het hof acht het aldus bewezen dat de burgerlijke partij het bewuste bedrag van 4.868.586 fr. (thans 120.689,09 euro) nooit daadwerkelijk heeft ontvangen en dit ook nooit heeft bevestigd noch heeft willen bevestigen, en dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte door op een bedrieglijke wijze de burgerlijke partij ertoe te brengen haar handtekening te plaatsen op het document waarin de verklaring van 3 februari 1998 is vervat, zonder dat zij ooit heeft beseft dat zij een dergelijke verklaring ondertekende, waardoor hij haar doelbewust in dwaling heeft gebracht met de bedrieglijke bedoeling haar te benadelen bij de vereffening en verdeling. De telastlegging A.1 is dan ook bewezen.

Zo ook acht het hof het bewezen dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte door op een bedrieglijke wijze de burgerlijke partij ertoe te brengen haar handtekening te plaatsen op de documenten waarin de verklaring van 29 (sic) februari 2002 en 21 maart 2002 zijn vervat, zonder dat zij ook wat deze documenten betreft ooit heeft beseft dat zij dergelijke verklaringen heeft ondertekend. Ook hier heeft de beklaagde de burgerlijke partij doelbewust in dwaling gebracht met de bedrieglijke bedoeling haar te benadelen bij de vereffening en verdeling. Wat deze laatste verklaringen betreft, die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen A.2 en A.3, is het immers volstrekt ongeloofwaardig dat de burgerlijke partij, op een ogenblik dat de verstandhouding binnen het huwelijk reeds ver zoek was, verklaringen zou hebben ondertekend waarin niet alleen sprake is van de teruggave van roerende goederen door de beklaagde, maar waarin deze laatste ook melding maakt van zijn positieve houding in het relatieconflict en bovendien de negatieve ingesteldheid van de burgerlijke partij beklemtoont (...).

In het kader van de echtscheidingsprocedure werd bij beschikking in kort geding van 22 oktober 2002 overigens uitspraak gedaan over de wederzijds gevorderde voorlopige maatregelen, waaronder het gebruik van bepaalde roerende goederen (...). Volgens die beschikking dienden bepaalde goederen door de beklaagde (als verweerder in die procedure in kort geding) aan de burgerlijke partij (als eiseres in die procedure in kort geding) te worden bezorgd, waarbij het hof vaststelt dat zich daarbij goederen bevinden die, blijkens de verklaringen van 29 (sic) februari 2002 en 21 maart 2002, reeds aan de burgerlijke partij zouden zijn teruggegeven. Dit bevestigt dat ook de verklaringen van 29 (sic) februari 2002 en 21 maart 2002 door de beklaagde op de voormelde wijze werden vervalst. Derhalve zijn ook de telastleggingen A.2 en A.3 bewezen.

Ten overvloede wijst het hof er nog op dat het bijzonder eigenaardig is dat de beklaagde tijdens het aanvankelijke strafonderzoek verklaarde niet meer over de originele documenten te beschikken, maar tijdens de procedure houdende regeling van de rechtspleging voor de raadkamer – zijnde op een ogenblik dat hij wist dat het openbaar ministerie zijn verwijzing naar de correctionele rechtbank vorderde – de originele stukken voorlegde (waarna schriftdeskundige W. met een aanvullende opdracht werd belast). De uitleg van de beklaagde dat hij de originele stukken aanvankelijk niet heeft overhandigd aan de verbalisanten ingevolge zijn “zeer grote wantrouwen” tegenover de politiediensten (...), is andermaal volstrekt ongeloofwaardig.

Uit de stukken van het strafdossier blijkt ook dat de beklaagde gebruik heeft gemaakt van de voormelde stukken met de bedrieglijke bedoeling de burgerlijke partij te benadelen bij de afhandeling van de vereffening en verdeling, wat met name blijkt uit het feit dat hij de voormelde valse verklaringen heeft aangewend naar aanleiding van het verderzetten van de werkzaamheden door de notarissen op 23 november 2009. Derhalve zijn ook de telastleggingen B.1, B.2 en B.3 bewezen.

Zo ook blijkt uit het strafdossier dar de beklaagde heeft gepoogd om zich ten nadele van de burgerlijke partij het in de telastlegging A.1 bedoelde bedrag van 4.868.586 fr., thans 120.689,09 euro, en de in de telastleggingen A.2 en A.3 bedoelde goederen te doen afgeven en zich aldus toe te eigenen door het aanwenden van listige kunstgrepen, met name door het gebruik van de voormelde valse stukken, waarbij het voornemen om het wanbedrijf te plegen zich heeft geopenbaard door uitwendige daden die een begin van uitvoering van dat wanbedrijf uitmaken en alleen ten gevolge van omstandigheden, van de wil van de beklaagde onafhankelijk, zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist. Bijgevolg is ook de telastlegging C bewezen.

...

Noot: 

• A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, 39;

• M. Rigaux en P.-E. Trousse, Les crimes et les délits du code pénal, III, Brussel, Bruylant, 1957, p. 166, nr. 185 en p. 178-179, nr. 199;

• J. Vanhalewijn en L. Dupont, Valsheid in geschriften in APR, Gent, Story-Scientia, 1975, p. 100-101, nr. 319.

• S. Van Dyck, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 386-387, nr. 222.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 25/05/2016 - 19:47
Laatst aangepast op: wo, 25/05/2016 - 19:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.