-A +A

Valsheid in geschrifte - Authenticiteitscertificaten en echtheidsgaranties van kunstwerken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 15/01/2013

Authenticiteitscertificaten en echtheidsgaranties van kunstwerken moeten worden beschouwd als strafrechtelijk beschermde geschriften. Dergelijke certificaten worden immers opgesteld met de bedoeling om ze als bewijs in feite of in rechte te laten gelden nopens de authenticiteit van een bepaald kunstwerk en dringen zich als zodanig op aan het openbaar vertrouwen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
708
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie, J.S. en I.B. t/ R.L. en E.V.

...

Het in de telastleggingen A.1, A.2, A.3 en A.4 bedoelde misdrijf heeft telkens louter betrekking op het gebruik van valse stukken (art. 197 Sw.); de beklaagden worden dienaangaande niet vervolgd als dader of mededader aan de desbetreffende valsheid zelf (art. 196 Sw.), zij het dat er uiteraard slechts sprake kan zijn van een strafrechtelijk gebruik van valse stukken in zoverre deze daadwerkelijk vals blijken te zijn. Het verweer van de beklaagden dat zij de gewraakte certificaten niet zelf hebben geschreven, maar dat deze hen werden afgegeven door de desbetreffende verkoper (of leverancier) van de kunstwerken en dat zij bij deze werken waren gevoegd, is dan ook niet relevant en doet geen afbreuk aan het strafbare gebruik dat de beklaagden van deze valse stukken hebben gemaakt zoals hierna omschreven.

Authenticiteitscertificaten en echtheidsgaranties van kunstwerken moeten worden beschouwd als strafrechtelijk beschermde geschriften. Dergelijke certificaten worden immers opgesteld met de bedoeling om ze als bewijs in feite of in rechte te laten gelden nopens de authenticiteit van een bepaald kunstwerk en dringen zich als zodanig op aan het openbaar vertrouwen.

Uit het strafdossier blijkt dat de authenticiteitscertificaten (“certificat d’authenticité”) met betrekking tot de werken van de kunstenaar Paul Delvaux vals zijn, nl. zowel het certificaat van het kunstwerk “Le Sommeil” (telastlegging A.1) als het certificaat van het kunstwerk “Mira Jacob” (telastlegging A.2), die beide vervalsingen inhouden. Het betreft hier materieel vervalste (nl. bedrieglijk nagemaakte) geschriften.

...

Beide certificaten gaan zogezegd uit van de instelling A.F., een onderneming die handel drijft in kunstwerken, maar dit werd formeel ontkend door de directeur van deze onderneming, (...), die erop wees dat het duidelijk om vervalsingen ging en wiens verklaringen door het hof betrouwbaar en overtuigend worden geacht. Aldus blijken de gegevens op het zogenaamde certificaat van het kunstwerk “Le Sommeil” over een ander kunstwerk te gaan (nl. “Discours”), terwijl het certificaat zelfs een opmerkelijke fout bevat in de schrijfwijze van het woord “lithographie”, dat op het valse certificaat zonder de letter h wordt geschreven. Ook de valsheid van het zogenaamde certificaat van het kunstwerk “Mira Jacob” blijkt bijzonder flagrant te zijn. Aldus wordt op dit certificaat vermeld dat het om een werk uit 1976 zou gaan, terwijl het bewuste werk blijkbaar van 1967 dateert. Deze beide certificaten werden aldus duidelijk vervalst, daar ze zonder meer namakingen (vervalsingen) inhielden van originele certificaten.

Bovendien is het bewezen dat de beklaagden wel degelijk ten volle op de hoogte waren van de valsheid van de desbetreffende certificaten. Zij waren immers professioneel actief in de sector van de kunstveilingen en hadden ontegensprekelijk opgemerkt dat de bewuste certificaten duidelijk waren vervalst, zodat hun verweer dat zij geen kunstkenners zijn die een speciale scholing hebben genoten, niet kan worden aanvaard. Dit klemt temeer daar de eerste beklaagde voorheen reeds lithografieën had gekocht bij A.F. en hierbij ook voor elke lithografie het desbetreffende originele certificaat had ontvangen. De eerste beklaagde was dan ook duidelijk vertrouwd met de certificaten van A.F., zodat hij heel goed besefte dat de in de telastleggingen A.1 en A.2 bedoelde certificaten vervalsingen inhielden. Hetzelfde geldt onverkort voor de tweede beklaagde, die de vriendin is van de eerste beklaagde, met wie zij in de loop van 2008 in het huwelijk is getreden. De tweede beklaagde was actief betrokken bij de exploitatie van de veilingzaal in het algemeen en met de verhandeling van de in de telastleggingen bedoelde kunstwerken, en was aldus via de eerste beklaagde heel zeker op de hoogte van de valsheid van de in de telastleggingen A.1 en A.2 bedoelde certificaten.

Dat de vervalsingen van de in de telastleggingen A.1 en A.2 bedoelde certificaten een mogelijk nadeel konden teweegbrengen, staat eveneens vast. De valse certificaten strekken er immers precies toe om op een wederrechtelijke wijze authenticiteit toe te schrijven aan kunstwerken die niet authentiek, d.w.z. niet van deze of gene kunstenaar zijn, zoals valselijk op het desbetreffende certificaat wordt geattesteerd. Hierdoor wordt ook de handelswaarde van het desbetreffende niet-authentieke kunstwerk op een bedrieglijke wijze opgedreven, wat op zich reeds de vaststelling verantwoordt dat de valse certificaten wel degelijk een nadeel kunnen teweegbrengen.

Voorts is het bewezen dat de beklaagden met een bedrieglijk oogmerk gebruik hebben gemaakt van de in de telastleggingen A.1 en A.2 bedoelde valse certificaten, namelijk door deze bedrieglijk aan te wenden om niet-authentieke werken van de kunstenaar Paul Delvaux te laten doorgaan voor authentieke werken, waardoor een hogere prijs kon worden verkregen. Het is dat laatste dat wordt bedoeld met het in de aanhef van de telastlegging A bedoelde “vragen van een hogere prijs”: hoewel de uiteindelijke prijs uiteraard niet vooraf werd “gevraagd”, maar door opbiedingen tot stand kwam, is het slechts door het bedrieglijke voorwenden van de authenticiteit van de werken dat de uiteindelijk geboden – en aldus kunstmatig opgedreven – prijs kon worden verkregen. Daar het veilinghuis wordt vergoed door een aandeel op de uiteindelijk te betalen prijs, staat het dan ook vast dat de beklaagden rechtstreeks een geldelijk voordeel hadden bij de bedrieglijk opgedreven prijs.

...

Wat de telastlegging B.5 betreft, is het bewezen dat de beide beklaagden zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting ten nadele van P.V. doordat zij zich door of minstens namens deze laatste geldsommen hebben doen afgeven voor de verkoop van twee lithografieën die beweerdelijk authentieke stukken van de hand van de kunstenaar Paul Delvaux zouden zijn, terwijl het om vervalsingen ging. De door de opbiedingen tot stand gebrachte koopprijs die de beklaagden voor deze kunstwerken ontvingen, werd aldus op een bedrieglijke wijze opgetrokken.

Het hof hecht in dit verband geloof aan de verklaring van het slachtoffer P.V. dat de eerste beklaagde als veilingmeester van de veilingzaal (...) tijdens de verkoop (bij opbod) meermaals had gezegd dat het om authentieke kleurenlitho’s ging, voorzien van een certificaat, wat voor de potentiële kopers (bieders) van doorslaggevend belang was (...).

...

Aldus stelden de beklaagden de bewuste werken op een bedrieglijke wijze voor als authentieke werken van Paul Delvaux, waarbij zelfs gebruik werd gemaakt van vervalste authenticiteitscertificaten, die door de beklaagden niet zomaar werden “meegeleverd”, maar door hen wel degelijk actief werden aangewend om de kandidaat-kopers van de authenticiteit te overtuigen. Een dergelijke handelwijze moet als een listige kunstgreep worden beschouwd waardoor de beklaagden het slachtoffer P.V. deden geloven aan de authenticiteit van de door hem aangekochte werken, terwijl dit niet het geval was, en waardoor zij aldus misbruik maakten van het vertrouwen dat deze in hen stelde (art. 496 Sw.).

...

Het verweer van de beklaagden dat een exemplaar van de algemene verkoopsvoorwaarden in de veilingzaal uithangt en tussen de tentoongestelde werken ligt en vooraf ook wordt voorgelezen, laat het bovenstaande onverlet.

Weliswaar worden in deze verkoopsvoorwaarden verschillende exoneratie- en andere clausules opgenomen, waarbij de kopers er onder meer toe worden aangemaand zich vooraf te vergewissen van “de aard en de staat” van de werken, terwijl voorts wordt gestipuleerd dat geen klacht aanvaard zal worden “van welke aard ook, zelfs indien ze slaat op de beschrijving in de catalogus” enz. De eventuele burgerrechtelijke gevolgen van deze verkoopsvoorwaarden impliceren evenwel niet dat de voormelde listige kunstgrepen waardoor de in de telastleggingen bedoelde oplichtingen werden gepleegd, niet meer strafbaar zouden zijn. Het is immers precies ingevolge de bedrieglijke kunstgrepen van de beklaagden dat de burgerlijke partijen ervan overtuigd waren dat de bewuste werken authentiek waren, zodat het hen niet ten kwade kan worden geduid dat zij vooraf geen deskundigenonderzoek hebben laten verrichten noch zich verdere vragen hebben gesteld. Dat de goederen volgens de algemene voorwaarden worden verkocht “in de staat waarin ze zich bevinden”, impliceert uiteraard niet dat de beklaagden zich schuldig zouden mogen maken aan oplichting.

Hetzelfde geldt voor de argumentatie die de beklaagden menen te kunnen putten uit de wettelijke regels inzake openbare verkopen van roerende goederen, en in het bijzonder aan de taak van de gerechtsdeurwaarder in dit verband (zie i.h.b. art. 226 W.Reg. waarnaar de beklaagden verwijzen). De wettelijke taak en de bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder, evenals het gezag dat uitgaat van diens aanwezigheid in de veilingzaal, doen immers geen afbreuk aan de als oplichting te kwalificeren feiten waaraan de beklaagden als organisatoren van de veiling (en de eerste beklaagde als veilingmeester) zich schuldig hebben gemaakt. De beklaagden betogen dan ook niet pertinent dat de taak van een veilingmeester bij een openbare verkoop beperkt is tot het “oproepen” van het te veilen goed, waaraan hij voor het overige part noch deel zou hebben.

...

Noot: 

• A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 24 e.v., nrs. 31 e.v.;

• L. Dupont, “Valsheid in geschriften” in Bijzonder strafrecht voor rechtspractici, Leuven, Acco, 1990, p. 147 e.v., nrs. 17 e.v.;

• M. Rigaux en P.-E. Trousse, Les crimes et les délits du code pénal, III, Brussel, Bruylant, 1957, p. 65 e.v., nrs. 80 e.v.;

• S. Van Dyck, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 199 e.v., nrs. 121 e.v.;

• F. Willio, “Het begrip “beschermd geschrift” in art. 193 e.v. Sw.”, RW 1995-96, 793-820. 

• L. Huybrechts, “Oplichting” in Comm.Straf., p. 8-13, nrs. 11-19.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 30/12/2014 - 23:22
Laatst aangepast op: di, 30/12/2014 - 23:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.