-A +A

Valse kribbel van ondertekenaar is geen geldige handtekening

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Westerloo
Datum van de uitspraak: 
woe, 15/03/2017

 

Er bestaat geen wettelijke definitie van het begrip «handtekening»? De wetgever heeft evenmin verduidelijkt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan opdat er sprake zou kunnen zijn van een rechtsgeldige handtekening.

De rechtspraak en rechtsleer hebben inhoudelijke invulling hebben verleend aan het begrip «handtekening» met als consensus dat een handtekening dient te worden beschouwd als «het eigenhandig geschreven teken waarmee de ondertekenaar zich gewoonlijk tegenover derden kenbaar maakt» (

In rechtspraak en rechtsleer bestaat er eensgezindheid over het feit dat om van een rechtsgeldige handtekening te kunnen spreken, cumulatief dient voldaan te zijn én aan een materieel én aan een intentioneel element (de «animus signandi»). In het verleden werd een handtekening hoofdzakelijk op vormelijke criteria (het materiële element) op haar geldigheid getoetst.

Hoewel een handtekening volgens de traditionele opvatting hoofdzakelijk op vormelijke criteria werd getoetst, is er sedert enige decennia toch een kentering merkbaar is waarbij het belang van het intentioneel aspect steeds zwaarder doorweegt.

Het intentioneel (of intellectueel) aspect verwijst naar de houding van de ondertekenaar, namelijk zijn intentie om zich door de plaatsing van zijn handtekening op een bepaald geschrift, te binden aan de integrale inhoud van het geschrift en zich deze integrale inhoud toe te eigenen. De betrokken partijen mogen daardoor aannemen dat de ondertekenaar de verantwoordelijkheid aanvaardt voor de inhoud die in het document is neergeschreven en dat hij zowel voor de waarachtigheid als voor de juistheid en de volledigheid van de inhoud van het geschrift instaat.

Wanneer deze «animus signandi» niet aanwezig is, kan niet van een rechtsgeldige handtekening worden gesproken.

Wie een kribbel plaatst onder een document die totaal afwijkt van de eigen handtekening met de duidelijke wil zich aldus niet te verbinden, is door deze kribbel niet gebonden.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
333
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

F.H. t/ LV H.-E., BVBA E.-A., C.H. en E.G.

...

Overwegende dat uit de bepalingen van art. 744, eerste lid, 4o Ger.W., art. 748bis Ger.W. en art. 780, eerste lid, 3o Ger.W. volgt dat de rechter enkel de laatste syntheseconclusie in aanmerking mag nemen en dat het onderwerp van de vordering uitsluitend wordt bepaald door het dictum in het beschikkend gedeelte van deze laatste syntheseconclusie (Cass. 6 februari 2015, AR C.13.0612.N, Arr.Cass. 2015, nr. 90, met verwijzing naar Cass. 24 januari 2013, AR C.11.0371.F, Arr.Cass. 2013, nr. 57; Cass. 8 maart 2013, TGR 2013, 187; Cass. 29 maart 2012, RABG 2012, 727, noot B. Maes, RW 2012-13, 1145). In het dictum van voormelde syntheseconclusie na persoonlijke verschijning vordert eisende partij voornamelijk te zeggen voor recht dat verwerende partijen de onroerende goederen, gelegen te H., (...) bezetten zonder recht noch titel, en tevens te zeggen voor recht «dat het gebruik dat verwerende partijen van de gronden maken geen pacht uitmaakt, zodat verzoeker vrij is deze gronden te verkopen en bijgevolg geen aanbieding van het recht van voorkoop met toepassing van art. 48 Pachtwet dient te gebeuren». Verwerende partijen verzoeken deze vordering ongegrond te verklaren.

Overwegende dat blijkens de stukken 1, 2 en 3 van het dossier van eisende partij (uittreksels uit de kadastrale legger en het kadastrale plan), de eisende partij alléén eigenaar is van de onroerende goederen gelegen te H. (...). Er bestaat geen betwisting over dat het woonhuis op de locatie (...) is opgedeeld in twee woonentiteiten met twee huisnummers, namelijk S. 4 (vroeger K. 25) en S. 6 (vroeger K. 26).

Overwegende dat verwerende partijen aanvoeren dat de vordering ongegrond dient te worden verklaard gelet op de inhoud van het document door hen voorgelegd in stuk 1 van hun stukkenbundel. Dit stuk wordt Ons als volgt vertoond:

«Ik, ondergetekende F.H., laat hierbij mijn boerderij over aan mijn zoon C.H. en vriendin E.G. onder de vennootschap LV H.-E.

«Hieronder ook de emissierechten, zoogkoeienpremie, pachtrechten en vruchtgebruik van de gronden die eigendom zijn van F.H. alsook de huurgronden.

«Voor de overname dient geen vergoeding betaald te worden.

«Voor de gebouwen, woonhuis en gronden in eigendom van F.H. wordt de prijs vastgesteld op 250.000 euro. Deze zal door de overnemers betaald worden bij verlijden van de akte bij de notaris. Dit zal gebeuren voor 1 januari 2023.

Voor akkoord,

De overnemers C.H. en E.G.

De overlater F.H.»

Overwegende dat eisende partij F.H. initieel zijn handtekening op het voormelde document ontkende. Dit document is een onderhandse akte in de zin van art. 1322 BW en heeft slechts bewijskracht indien deze erkend wordt door degene tegen wie men zich op beroept, wat in casu dus niet het geval is daar de h. F.H. initieel zijn handtekening ontkende. Teneinde tijd en kosten te besparen heeft Ons Ambt beslist om met toepassing van artt. 1322 en 1324 BW zelf een onderzoek in te stellen naar de al dan niet echtheid van de handtekening die door de h. F.H. werd ontkend. Daartoe werd er bij tussenvonnis van 19 oktober 2016 de persoonlijke verschijning bevolen van de h. F.H. en zijn zoon de h. C.H.

Overwegende dat de h. F.H. bij gelegenheid van zijn persoonlijke verschijning op 23 november 2016 het volgende verklaarde:

«Ik heb de nutriëntenemissierechten en de premierechten voor zoogkoeien aan mijn zoon C. overgedragen, zodat hij deze kon behouden en dit ging gepaard met een bedrijfsovername. Deze laatste had echter uitsluitend betrekking op de koeien en niet op gronden, gebouwen, werktuigen, alaam. Daarom stel ik dat C. een bezetter zonder recht noch titel is. Hij diende het vee elders onder te brengen. Ik wijs erop dat er tussen ons beiden was afgesproken dat C. voor de veestapel en de overgedragen premierechten aan mij 75.000 euro zou betalen, wat echter niet gebeurde. Had hij die wel betaald dan had hij de machines erbij gekregen.

«Wat nu het document betreft dat in het vonnis is weergegeven is het zo dat ik inderdaad een document heb gezien, maar in het document dat ik heb gezien stonden de vier laatste regels, die nu op het voorgelegde document blijken te staan, niet vermeld. De tekst die niet vermeld stond in het document dat ik heb gezien is de volgende:

«Voor de overname dient geen vergoeding betaald te worden.

Voor de gebouwen, woonhuis en gronden in eigendom van F.H. wordt de prijs vastgesteld op 250.000 euro. Deze zal door de overnemers betaald worden bij verlijden van de akte bij de notaris. Dit zal gebeuren voor 1 januari 2023.»

«Ik vraag dat het originele document wordt voorgelegd. Het document dat ik heb gezien, heb ik gezien een paar jaar geleden. Ik heb daar toen een kribbel onder gezet die vals was. Dat die kribbel vals was, blijkt uit de aanwezigheid van de lange lijn in het midden ervan zonder een y ervoor: in mijn handtekening zit namelijk altijd een y. Ik heb toen een valse kribbel gezet omdat ik mijn zoon C. wel ken en hem helemaal niet vertrouw.»

Overwegende dat uit deze verklaring van de h. F.H. blijkt dat hij het hiervoor weergegeven document wél ondertekende, maar dat de handtekening die hij toen plaatste volgens hem slechts «een kribbel was die vals was». Er blijkt verder uit dat dit vals karakter erin bestond dat hij doelbewust in het middel van zijn «kribbel» een lange lijn aanbracht in plaats van de letter «Y» zoals die altijd in zijn gewone handtekening aanwezig is.

Overwegende dat er geen wettelijke definitie van het begrip «handtekening» voorhanden is en de wetgever evenmin heeft verduidelijkt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan opdat er sprake zou kunnen zijn van een rechtsgeldige handtekening (P. Van Eecke, De handtekening in het recht, Brussel, Larcier 2004, p. 110, nr. 115; B. Van Baeyeghem, «De paraaf: «Slip of the pen» of geldige handtekening?», TBBR 2006, 597; B. Van den Bergh, «De paraaf als handtekening: «to sign or not to sign, that’s the question»» (noot onder Cass. 29 september 2014), RW 2015-16, 334-335, met verwijzing naar B. Vuylsteke, «Het voorontwerp van wet over de herziening van het bewijsrecht» in J. Dumortier (ed.), Recente ontwikkelingen in informatica- en telecommunicatierecht, Brugge, die Keure, 1999, 43; R. De Corte, «Elektronische handtekening en identificatie in de virtuele wereld», P&B 2001, (207), p. 219, nrs. 67 e.v.; D. Mougenot, Droit des obligations. La preuve, Brussel, Larcier, 2002, p. 139, nr. 83).

Overwegende dat rechtspraak en rechtsleer wél inhoudelijke invulling hebben verleend aan het begrip «handtekening» met als consensus dat een handtekening dient te worden beschouwd als «het eigenhandig geschreven teken waarmee de ondertekenaar zich gewoonlijk tegenover derden kenbaar maakt» (P. Van Eecke, o.c., p. 113, nr. 119; B. Van Baeveghem, o.c., TBBR 2006, 597; B. Van den Bergh, o.c., 335, met verwijzing naar Cass. 7 januari 1955, RW 1954-55, 1753; Cass. 2 oktober 1964, RW 1965-66, 1440; Brussel 8 november 1999, AJT 2000-01, 141; M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, «Overzicht van rechtspraak. Giften (2009-2011)», TPR 2013, (175), p. 743, nr. 732; M. Puelinckx-Coene, «Vormt de vereiste van handtekening de valstrik van het eigenhandig testament?» (noot onder Cass. 10 juni 1983), T.Not. 1986, (313), p. 315).

Overwegende dat deze invulling door rechtspraak en rechtsleer resulteerde in eensgezindheid over het feit dat om van een rechtsgeldige handtekening te kunnen spreken, cumulatief dient voldaan te zijn én aan een materieel én aan een intentioneel element (de «animus signandi»). In het verleden werd een handtekening hoofdzakelijk op vormelijke criteria (het materiële element) op haar geldigheid getoetst. P. Van Eecke (o.c., p. 124-182, nrs. 131-208) onderscheidt niet minder dan tien constitutieve vormkenmerken waaraan een rechtsgeldige handtekening naar Belgisch recht volgens hem behoort te voldoen. De handtekening behoort manueel (1) te worden aangebracht, door de inscriptie (2) van lettertekens (3) onderaan (4) de originele (5) akte. Naast de genoemde objectieve kenmerken, vermeldt de auteur evenveel subjectieve vormkenmerken: de handtekening behoort een eigenhandige (6), creatieve (7) en leesbare (8) weergave te zijn van de naam (9) van de ondertekenaar, zoals deze zich gewoonlijk (10) aan derden laat kennen. B. Van den Bergh wijst er terecht op dat, hoewel een handtekening volgens de traditionele opvatting hoofdzakelijk op vormelijke criteria werd getoetst, er sedert enige decennia toch een kentering merkbaar is waarbij het belang van het intentioneel aspect steeds zwaarder doorweegt (B. Van den Bergh, o.c., RW 2015-16, p. 335, nr. 3, en p. 336, nr. 7). Deze versoepeling van de vormcriteria deed haar intrede met het cassatiearrest van 13 juni 1986 (Cass. 13 juni 1986, Arr.Cass. 1985-86, 1410, T.Not. 1986, 282, Pas. 1986, I, 1269), het zgn. animus signandi-arrest.

Overwegende dat dit intentioneel (of intellectueel) aspect verwijst naar de houding van de ondertekenaar, namelijk zijn intentie om zich door de plaatsing van zijn handtekening op een bepaald geschrift, te binden aan de integrale inhoud van het geschrift en zich deze integrale inhoud toe te eigenen. De betrokken partijen mogen daardoor aannemen dat de ondertekenaar de verantwoordelijkheid aanvaardt voor de inhoud die in het document is neergeschreven en dat hij zowel voor de waarachtigheid als voor de juistheid en de volledigheid van de inhoud van het geschrift instaat. Wanneer deze «animus signandi» niet aanwezig is, kan niet van een rechtsgeldige handtekening worden gesproken.

Overwegende dat Ons Ambt derhalve in eerste instantie nagaat of de auteur van de door hem genoemde «kribbel» – eisende partij – de intentie had om zich het geschrift dat wordt voorgelegd, toe te eigenen in de voormelde zin (cf. B. Van den Bergh, o.c., RW 2015-16, p. 338, nr. 10).

Overwegende dat uit zijn verklaring van 23 november 2016 onbetwistbaar blijkt dat hij deze intentie niet had. Daaruit blijkt integendeel dat hij bewust zijn handtekening vervalste met de bedoeling niet gebonden te zijn door de inhoud van het «ondertekende» document, omdat hij zijn zoon C. niet vertrouwde.

Overwegende dat, aangezien vaststaat dat het intentionele element geheel ontbreekt, zelfs geen vormelijke verificatie (tweede constitutief onderdeel) van de handtekening meer noodzakelijk is en zonder meer dient te worden geconcludeerd dat deze handtekening geen rechtsgeldige handtekening is. Indien enerzijds het obstakel er enkel in zou bestaan hebben dat de h. F.H. niet met zijn gebruikelijke handtekening ondertekende, terwijl anderzijds bij hypothese afdoende zou blijken dat de gebruikte signatuur voldoende karakteristiek is om eruit af te leiden dat de ondertekenaar de wil had om zich de ondertekende tekst toe te eigenen, dan had eventueel alsnog tot een rechtsgeldige handtekening kunnen worden besloten (cf. Antwerpen 10 mei 1989, Rev.not.b. 1990, 551). Maar deze laatste hypothese is in het hier voorliggende geval in het geheel niet voorhanden.

Overwegende dat ingevolge de afwezigheid van een rechtsgeldige handtekening van de h. F.H. geen verbintenis ten laste van de h. F.H. wordt bewezen (cf. Antwerpen 2 april 2009, RW 2010-11, 25; Vred. Gent (4de Kanton) 28 april 2015, T.Vred. 2017, 70, noot A. Smets).

Overwegende dat om dezelfde reden (afwezigheid van het intentionele element) het voorgelegde document zelfs niet als een begin van bewijs door geschrift in de zin van art. 1347 BW kan worden gekwalificeerd. Een begin van bewijs is elk geschreven stuk dat is uitgegaan van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt. Dat het geschrift moet uitgegaan zijn van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, houdt minstens in dat het door hem moet erkend of goedgekeurd zijn (quod non dus voor wat de h. F.H. betreft) (cf. Cass. 12 februari 1987, Pas. 1987, I, 709).

Overwegende dat hetgeen voorafgaat evenwel niet betekent dat zich ter plaatse een bezetting zonder recht noch titel voordoet, gelet op hetgeen hierna volgt.

1. Met een aangetekend schrijven van 19 oktober 2013 meldden zowel de h. F.H. (overlater) als de landbouwvennootschap H.-E. (overnemer) aan het Vlaams Administratief Centrum een «volledige bedrijfsoverdracht» door eerstgenoemde aan laatstgenoemde, met ingang vanaf 1 januari 2014. Volgens de tekst zelf van het betreffende overdrachtdocument begrijpt deze overdracht «alle exploitaties, rechten, quota, dieren, percelen, verbintenissen en (beheer)overeenkomsten». Overlater-rubriek 4 van het document vermeldt dat als de overlater over nutriëntenemissierechten (NER) beschikt, deze door hem moeten worden overgedragen via een afzonderlijk overnameformulier. Overlater-rubriek 8 formuleert mysterieus het volgende: «Het individuele referentieareaal blijvend grasland van 9,33 ha wordt integraal toegevoegd aan dat van de overnemer.» Uit de overnemer-rubriek 1 blijkt dat hoewel de LV H.-E. de overnemer is en ook het ondernemingsnummer van deze LV H.-E. wordt opgegeven, daarna het persoonlijk rijksregisternummer van de h. C.H. wordt vermeld. Vervolgens blijkt uit de overnemer-rubrieken 2 en 3 dat mevr. E.G. (gekwalificeerd als partner) als medeondertekenaar bij het Agentschap voor Landbouw en Visserij wordt geïdentificeerd hoewel overnemer-rubriek 2 expliciet stipuleert dat dit enkel mogelijk is als de overnemer een natuurlijke persoon is (quod non dus aangezien de overnemer een landbouwvennootschap is). Uit de overnemer-rubriek 4 blijkt dan weer dat zowel de h. C.H. als mevr. E.G. het overdrachtdocument namens de landbouwvennootschap H.-E. ondertekend hebben, hoewel alleen de h. C.H. zaakvoerder van deze LV H.-E. is.

2. Met een niet gedateerd document meldde de h. F.H. vervolgens «als gevolg van een bedrijfsovername» de overdracht van zijn volledig zoogkoeienquotum (meer bepaald 15,7 premierechten voor zoogkoeien) aan de lanbouwvennootschap H.-E., zulks met ingang vanaf 1 januari 2014 («datum van volledige bedrijfsovername»). Hoewel LV H.-E. op de eerste bladzijde nogmaals als overnemer wordt aangeduid, ondertekenen de h. C.H. en mevr. E.G. op de tweede bladzijde in hun persoonlijk naam als «overnemers»... .

3. Met een beweerd aangetekend aan de h. F.H. verzonden schrijven van 8 januari 2014 bevestigde ten slotte het diensthoofd van de Mestbank Regio Oost, op datum van 12 december 2013 diens vraag te hebben ontvangen tot overdracht van 3.299,00 nutriëntenemissierechten – dieren (NER-D), zoals vermeld in het overdrachtdocument van 19 oktober 2013.

Overwegende dat uit hetgeen hiervoor sub 1 – 2 en 3 is vermeld, met zekerheid blijkt dat de landbouwvennootschap H.-E. de hoedanigheid heeft van bedrijfsovernemer, zodat deze LV H.-E. de litigieuze onroerende goederen niet bezet zonder recht noch titel. Hetzelfde geldt voor de h. C.-H. en mevr. E.G. voor zover zij handelen in het kader van de rechten en plichten van deze landbouwvennootschap H.-E. De BVBA E.-A. is ter plaatse wél bezetter zonder recht noch titel.

Overwegende dat hiermede ook de vraag naar al of niet «pacht» werd beantwoord: BVBA E.-A. kan als bezetter zonder recht noch titel geen pachter zijn, terwijl LV H.-E. als bedrijfsovernemer over een recht van een hogere orde beschikt dan een pachtrecht. Dit geldt ook voor de h. C.H. en mevr. E.G. voor zover zij handelen in het kader van de rechten en plichten van deze landbouwvennootschap H.-E.

Overwegende dat aan eisende partij voorbehoud dient verleend voor het eventuele latere opvorderen van eventuele schadevergoeding wegens eventuele vervuiling van gronden.

...

Noot: 

• Cass. 29/09/2014, RW 2015-2015, 333 met noot Bart Van den Bergh, De paraaf als handtekening: “to sign or not to sign, that’s the question”: Een paraaf kan als een handtekening worden beschouwd wanneer de ondertekenaar door het aanbrengen van een paraaf op een akte blijk geeft van de bedoeling zich deze akte toe te eigenen.

• B. Van Baeveghem, “De paraaf: slip of the pen of geldige handtekening?” (noot onder Cass. 13 mei 2005), TBBR 2006, (593) 596;

• B. Cattoir, Burgerlijk bewijsrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, p. 249, nr. 461;

• P. Van Eecke, “Over akten en handtekeningen in de XXIe eeuw” in Het vermogensrechtelijk bewijsrecht vandaag en morgen, Brugge, die Keure, 2009, (205), p. 208, nrs. 2-5

• B. Samyn, “Het spanningsveld tussen de bewijsmiddelen geschrift en bekentenis” (noot onder Antwerpen 26 oktober 2009), P&B 2011, (34), p. 35, nr. 3

• W. Van Gerven m.m.v. S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2010, 670

• P. Van Eecke, De handtekening in het recht: Van pennentrek tot elektronische handtekening, Brussel, Larcier, 2004, p. 257, nr. 323; R. Mougenot, o.c., p. 164, nr. 111

• P. Van Eecke, “De elektronische handtekening in het recht”, TBH 2009, (322), p. 329, nr. 7

 

• M. Van Quickenborne, “Quelques réflexions sur la signature des actes sous seing privé” (noot onder Cass. 28 juni 1982), RCJB 1985, 70).

• B. Vuylsteke, “Het voorontwerp van wet over de herziening van het bewijsrecht” in J. Dumortier (ed.), Recente ontwikkelingen in informatica- en telecommunicatierecht,Brugge, die Keure, 1999, 43;

• R. De Corte, “Elektronische handtekening en identificatie in de virtuele wereld”, P&B 2001, (207), p. 219, nrs. 67 e.v.;

• D. Mougenot, Droit des obligations. La preuve, Brussel, Larcier, 2002, p. 139, nr. 83).

Definitie handtekening: "Als handtekening wordt beschouwd het eigenhandig geschreven teken waarmee de ondertekenaar zich gewoonlijk tegenover derden kenbaar maakt" (zie o.a. B. Van den Bergh, De paraaf als handtekening: “to sign or not to sign, that’s the question”, noot onder Cass. 29/09/2014, RW 2015-2016, 333; Cass. 7 januari 1955, RW 1954-55, 1753; Cass. 2 oktober 1964, RW 1965-66, 1440; Brussel 8 november 1999, AJT 2000-01, 141; M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, “Overzicht van rechtspraak. Giften (2009-2011)”, TPR 2013, (175), p. 743, nr. 732; M. Puelinckx-Coene, “Vormt de vereiste van handtekening de valstrik van het eigenhandig testament?” (noot onder Cass. 10 juni 1983), T.Not. 1986, (313), p. 315).

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 05/12/2017 - 10:08
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 10:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.