-A +A

valse getuigenis kan terzelfdertid valsheid in geschrifte uitmaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 17/11/2009
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Referentie: 
2010/07
Jaargang: 
2010
Pagina: 
416
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Zie ook noot onder dit arrest: "Een valse  getuigenis sluit valsheid in geschrigte niet uit" P. Waeterinckx en K. De Schepper, lees deze bijdrage met paswoord RW

Nr. P.10.0119.N
I-III
M. Z.
beschuldigde, aangehouden,
eiser,
met als raadslieden mr. Mounir Souidi en mr. Joris A. Vercraeye, advocaten bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Jozef de Bomstraat 4, alwaar de eiser woonplaats kiest,
het cassatieberoep III tegen
M. M. M.
burgerlijke partij,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep I (akte nr. 27 van 17 december 2009) is gericht tegen het arrest nummer 09/59 van 10 december 2009 van het hof van assisen van de provincie Limburg, waarbij uitspraak gedaan wordt over de tegen de eiser ingestelde strafvordering.
Het cassatieberoep II (akte nr. 1697/09 van 22 december 2009) is gericht tegen het tussenarrest nummer 09/56 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 7 december 2009.
Het cassatieberoep III (akte nr. 1698/09 van 22 december 2009) is gericht tegen het arrest nummer 09/60 van 10 december 2009 van het hof van assisen van de provincie Limburg, waarbij uitspraak gedaan wordt over de tegen de eisers ingestelde burgerlijke rechtsvordering.
De bestreden arresten zijn gewezen op verwijzing ingevolge het arrest van het Hof van 19 mei 2009.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1  IVBPR en artikel 267, derde lid, (oud) Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het recht op een eerlijk proces en van het beginsel van de wapengelijkheid: het openbaar ministerie dat een partijdige instantie is, en de beschuldigde zijn gelijke procespartijen en volstrekte tegenstrevers; aan beide partijen dient dan ook een plaats in de zittingszaal te worden toebedeeld die als gelijk kan worden aangezien; dit geldt des te meer voor het hof van assisen waar een lekenjury dient te oordelen over de schuld of onschuld van de beschuldigde; krachtens artikel 267, derde lid, (oud) Wetboek van Strafvordering dient de voorzitter van het hof van assisen het openbaar ministerie te verbieden een bevoorrechte plaats in de zittingszaal in te nemen.
Te dezen heeft het openbaar ministerie een verhoogde plaats ingenomen ten overstaan van de andere partijen, aan dezelfde tafel als de beroepsmagistraten; bovendien droeg de advocaat-generaal die het openbaar ministerie vertegenwoordigde, dezelfde zwartrode toga als de voorzitter van het hof van assisen, in tegenstelling tot de assessoren van het hof van assisen en de advocaten die slechts een zwarte toga droegen; ten slotte kon het openbaar ministerie geenszins als onpartijdig worden beschouwd om reden dat zowel tijdens de behandeling bij verstek als tijdens de verzetsprocedure dezelfde advocaat-generaal het openbaar ministerie vertegenwoordigde en telkens een identieke vordering stelde.
Deze bijzondere positie biedt het openbaar ministerie de mogelijkheid de lekenjury op een meer voordelige wijze te benaderen dan de beschuldigde, minstens wordt hierdoor voor deze laatste die schijn gewekt.
2. Om te beoordelen of het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR al dan niet is miskend, moet onderzocht worden of de zaak, wanneer men het proces in zijn geheel beschouwt, op een eerlijke wijze is behandeld.
Het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht op wapengelijkheid valt en dat onder meer door artikel 6.1. EVRM en artikel 14.1 IVBPR wordt gewaarborgd, houdt alleen in dat iedere partij in het proces dezelfde processuele middelen moet kunnen aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van en vrij tegenspraak voeren over de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter die van de zaak kennisneemt, worden voorgelegd. Daaruit volgt niet dat partijen met een verschillende hoedanigheid en belang bij de uitoefening van deze mogelijkheden steeds in identieke omstandigheden moeten verkeren.
3. Zoals het bestreden arrest nr. 09/56 van 7 december 2009 oordeelt, zijn de posities van het openbaar ministerie en de beklaagde of beschuldigde in het strafproces niet volkomen gelijk. Het openbaar ministerie is weliswaar een partij in het strafgeding, maar een partij met een bijzonder karakter: het treedt op in het algemeen belang en vervult een openbare dienst die verband houdt met de opsporing en vervolging van misdrijven en het instellen van de strafvordering. De beschuldigde verdedigt slechts zijn persoonlijk belang.
Het feit dat het openbaar ministerie zowel tijdens de behandeling van de zaak bij verstek als tijdens de verzetsprocedure vertegenwoordigd wordt door dezelfde magistraat, verandert niets aan het bijzondere karakter van het openbaar ministerie als procespartij.
4. Uit het bestreden arrest nr. 09/56 van 7 december 2009 blijkt dat het openbaar ministerie heeft plaatsgenomen op de "voorziene plaats" die weliswaar "op dezelfde hoogte [is] en aan dezelfde tafel" als het hof van assisen zelf maar "wel duidelijk onderscheiden daarvan".
Hieruit blijkt niet dat de voorzitter van het hof van assisen personen waarvan de tegenwoordigheid niet verantwoord is, hetzij door het onderzoek van de zaak of door de dienst bij de rechtszitting, hetzij wegens hun ambt of beroep, heeft toegelaten op voorbehouden plaatsen, in strijd met artikel 267, derde lid, (oud) Wetboek van Strafvordering, zoals het van toepassing was op het ogenblik van de behandeling van deze zaak voor het hof van assisen.
5. Het verschil in plaats in de zittingszaal en in kledij is niet van dien aard dat de beschuldigde benadeeld wordt in vergelijking met het openbaar ministerie.
Uit de enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie op de rechtszitting heeft plaatsgenomen op dezelfde hoogte en aan dezelfde tafel als de beroepsmagistraten van het hof van assisen zelf en gekleed is in dezelfde maar overigens wettelijk voorgeschreven toga als de voorzitter van dat hof, kan niet worden afgeleid dat eisers recht op een eerlijk proces en in het bijzonder op wapengelijkheid werd miskend.
Het feit dat in het hof van assisen een lekenjury oordeelt over de schuld of onschuld van de beschuldigde, doet hieraan geen afbreuk.
6. Het louter subjectieve aanvoelen van de beklaagde of beschuldigde dat hij zou benadeeld kunnen worden door het verschil in plaats en kledij tussen het openbaar ministerie en zijn verdedigers, is niet van aard om te besluiten dat zijn recht op een eerlijk proces wordt miskend. 
Het bestreden arrest nr. 09/56 van 7 december 2009 oordeelt dat de door de juryleden afgelegde eed en het verloop van de rechtspleging voor het hof van assisen dat geleid wordt door de voorzitter en "waarbij aan het openbaar ministerie geen meerdere rechten van tussenkomst zijn toebedeeld dan aan de andere partijen", een waarborg zijn voor de wapengelijkheid en een eerlijk proces. Aldus verantwoordt het zijn beslissing naar recht.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, evenals miskenning van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter: het in het eerste onderdeel geschetste voorkeursstatuut van het openbaar ministerie kan al dan niet onbewust mede doorslaggevend zijn voor de beslissing van de lekenjury van het hof van assisen.
8. Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter heeft betrekking op de rechters die oordelen over de gegrondheid van de tegen een persoon ingestelde strafvordering. Dit beginsel geldt ook voor de juryleden van het hof van assisen.
Het feit dat de juryleden geen beroepsrechter zijn en "per definitie, geen juridische opleiding tot magistraat genoten [hebben] of minstens niet vertrouwd [zijn] met gerechtelijke procedures", is geen reden om te twijfelen aan hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Net als elke rechter worden zij vermoed onafhankelijk en onpartijdig te zijn tot bewijs van het tegendeel.
9. De beklaagde of beschuldigde vermag geen afhankelijkheid of partijdigheid van de rechter of de jury af te leiden uit de enkele omstandigheid dat er een verschil bestaat in plaats en kledij tussen het openbaar ministerie en de verdediging, zoals beschreven in het eerste onderdeel.
10. Of een rechter onafhankelijk is of niet, wordt bepaald aan de hand van de wijze van benoeming of aanstelling, de waarborg tegen invloed van buitenaf en de schijn van afhankelijkheid.
Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser heeft aangevoerd dat één of meerdere juryleden uitwendige gedragingen hebben gesteld aan de hand waarvan hun subjectieve partijdigheid zou blijken.
11. De objectieve onpartijdigheid van de rechter kan in het gedrang komen wanneer het rechtscollege waarvan hij deel uitmaakt, derwijze functioneert of georganiseerd is dat de waarborg van onpartijdigheid waarop de beklaagde of beschuldigde recht heeft, ter discussie kan worden gesteld.
12. De wijze waarop de jury wordt samengesteld, waarbij de beschuldigde de mogelijkheid heeft kandidaat-juryleden te wraken, en het feit dat elk jurylid afzonderlijk de bij artikel 312 (oud) Wetboek van Strafvordering voorgeschreven eed aflegt, zijn een waarborg voor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de jury. Aldus verantwoordt het bestreden arrest nr. 09/56 van 7 december 2009 zijn beslissing naar recht.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eiser in de kosten van zijn cassatieberoepen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 30/05/2010 - 20:04
Laatst aangepast op: zo, 30/05/2010 - 20:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.