-A +A

Vader die de woning van zijn kind en diens partner bouwt heeft bij relatiebreuk recht op vergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 06/11/2014

Een vader, gepensioneerd aannemer, voert werken uit tot oprichting van de gemeenschappelijke woning van zijn dochter en diens partner.

Na relatiebreuk tussen zijn dochter en haar partner, vordert de vader een vergoeding voor de uitvoering van zijn werk tegen zijn ex-schoonzoon.

Hij roept in hoofdorde zaakwaarneming in (hetgeen door de rechtbank wordt afgewezen).
In ondergeschikte orde roept hij verrijking (vermogensverschuiving) zonder oorzaak in.

Opdat verrijking zonder oorzaak met succes zou kunnen worden ingeroepen, is vereist dat cumulatief aan vier voorwaarden is voldaan:

(1) een verrijking van het ene vermogen;
(2) een verarming van het andere vermogen;
(3) een correlatief verband tussen deze verrijking en verarming en
(4) het ontbreken van een geldige juridische oorzaak.

1. De niet betaalde arbeidsprestaties van de vader resulteren in een voordeel en dus in een verrijking.
2. Deze arbeidsprestaties werden kostellos en zonder voordeel door de vader uitgevoerd hetgeen een verarming in hoofde van de vader is.
3. Deze verarming staat in correlatie met de opgerichte woning die ontegensprekelijk een positieve waarde vertegenwoordigt en aldus een verrijking van het vermogen van de mede-eigenaar.
4. Voor deze verrijking en verarming die hiermee in relatie staat, is er geen juridische oorzaak.

Het feit dat de schoonzoon een relatie had met de dochter van de vader is geen juridische oorzaak geen hindernis. Het bestaan/de context van een affectieve relatie – die hoe dan ook niet kan worden gelijkgesteld met de bedoelde oorzaak – sluit op zich de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak niet uit.

Evenmin is het gegeven dat de vader deze vordering enkel instelt tegen zijn schoonzoon en niet tegen zijn eigen dochter een struikelblok. Vooreerst vordert E. De M. enkel “het aandeel” van de schoonzoon. Voorts impliceert het bestaan van een vrijgevigheid ten aanzien van zijn dochter niet per se een vrijgevigheid ten aanzien van zijn ex schoonzoon.

De juridische oorzaak kan gelegen zijn in een wettelijke verplichting, een overeenkomst, een onrechtmatige daad, een rechterlijke beslissing, de eigen wil van de verarmde of een natuurlijke verbintenis. Dat in casu de oorzaak zou zijn gelegen in een wettelijke verplichting, een overeenkomst, een onrechtmatige daad of een rechterlijke beslissing wordt niet beweerd en/of (zoals geoordeeld) niet aanvaard.

Blijven nog de wil van de verarmde of een natuurlijke verbintenis.

Ten onrechte legt de ex-schoonzoon. de natuurlijke verbintenis die rustte op hem en zijn vrouwtje om bij te dragen in de lasten van hun feitelijke samenwoning bij haar vader. Deze laatste diende geenszins in plaats van zijn dochter deze natuurlijke bijdrageverbintenis na te komen.

Daarenboven, nog abstractie gemaakt van het feit dat dergelijke inspanningen tot het oprichten van een woning (in de regel) de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden, ziet de ex-schoonzoon hierbij over het hoofd dat:

– het koppel (een tijdje) inwoonde bij de ouders van de dochter

– het koppel nooit in de opgerichte woning samenwoonde;

– de dochter en haar moeder de zorg van het gemeenschappelijke kind op zich namen;

– niet is aangetoond dat de schoonzoon zelf (veel) prestaties leverde tot het oprichten van de woning.

Anders dan de eerste rechter oordeelt het hof dat schenkingen/giften ten aanzien van de schoonzoon hier evenmin aan de orde zijn. Een mogelijke vrijgevigheid van de vader ten aanzien van zijn eigen dochter impliceert niet per definitie een vrijgevigheid ten aanzien van zijn schoonzoon (cf. Brussel 19 juni 2009, TBBR 2013, 520: betreffende de stortingen gedaan ten voordele van de persoon die toen de man van haar dochter was, heeft de moeder geen enkele vrijgevige bedoeling noch speculatief belang bezield.

De moeder heeft niet gehandeld met als overweging een belang voor zichzelf, zelfs onrechtstreeks, maar alleen met respect voor de ouderlijke gevoelsband met haar dochter. Dit motief kan niet worden aangenomen als de oorzaak van haar verarming. Er is ongerechtvaardigde verrijking van de ex-man van haar dochter).

De verklaring van de bouwheren in het licht van de btw doet hieraan geen afbreuk.

Terwijl de vader ten aanzien van zijn schoonzoon uit vrijgevigheid handelde, vloeien de handelingen evenmin voort uit beslissingen genomen in zijn eigen belang en met inachtneming van een mogelijk risico van verarming.

Om de hierboven vermelde redenen ontbreekt hier een juridische oorzaak en is ook aan de vierde voorwaarde voldaan.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
227
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

De M. E. t/ Van D. A.

I. Relevante feitelijke elementen

1. A. Van D. had gedurende enkele jaren een relatie met de dochter van E. De M., namelijk Ellen De M.

A. Van D. en Ellen De M. kochten in onverdeeldheid een perceel bouwgrond bestemd voor halfopen bebouwing, gelegen te (...), tegen de prijs van 75.000 euro. De notariële akte werd verleden op 22 juni 2006.

Op dit perceel bouwgrond werd in de periode van begin 2007 tot begin 2009 een woning gebouwd. Bij notariële akte van 6 mei 2008 ging het jonge koppel een lening aan van 37.600 euro, inzonderheid tot financiering van bouwmaterialen voor deze woning.

Ondertussen woonde het koppel, klaarblijkelijk (een tijdje) samen met hun gemeenschappelijk kind, in bij de ouders van Ellen De M.

De relatie eindigde vooraleer het huis volledig was afgewerkt, zodat A. Van D. en Ellen De M. het nooit bewoonden.

De woning werd in het kader van de vereffening en verdeling van de tussen het koppel tijdens hun feitelijke relatie ontstane onverdeeldheden in het najaar 2010 openbaar verkocht aan een derde tegen de prijs van 237.000 euro.

2. E. De M. maakt aanspraak op betaling door A. Van D. van de som van 25.000 euro, vermeerderd met de interesten als vergoeding voor het oprichten van de bedoelde woning.

...

II. Beroepen vonnis

Bij vonnis van 20 april 2012 wijst de achtste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde de vorderingen van E. De M. af als ongegrond.

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 25 mei 2012 stelt E. De M. tijdig en regelmatig hoger beroep in.

...

2. Met zijn hoger beroep beoogt E. De M. de betaling door A. Van D. van de som van 25.000 euro, vermeerderd met de interesten vanaf 24 januari 2011. (...).

...

3. A. Van D. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en van de in deze aanleg door E. De M. gestelde vorderingen als ongegrond.

...

IV. Beoordeling

1. E. De M. maakt aanspraak op vergoeding voor de werken die hij uitvoerde tot oprichting van de woning van zijn dochter Ellen en A. Van D.

E. De M. voert aan dat hij eigenhandig nagenoeg de volledige woning oprichtte, waarbij zijn dochter en zijn echtgenote af en toe kwamen helpen. Hij voegt eraan toe dat A. Van D. wel af en toe aanwezig was maar allesbehalve een ernstige bijdrage in de oprichting van de woning heeft geleverd.

A. Van D. spreekt dit tegen en voert aan dat hij grotendeels eigenhandig de woning heeft opgericht waarbij hij wel wat “hulp” kreeg van E. De M. en af en toe van Ellen en haar moeder, mevrouw De W.

Uit de voorliggende stukken en/of niet betwiste gegevens blijkt wat volgt.

– Het staat vast dat geen enkele aannemer werd aangesteld tot oprichting/afwerking van de bedoelde woning. Er ligt geen enkel(e) bestek of factuur van aannemingswerken voor.

– E. De M. is een gepensioneerde aannemer/metser en heeft aldus de kennis en kunde om een woning te bouwen. Het feit dat hij altijd in dienstverband heeft gewerkt, is daarbij irrelevant.

– Op verschillende foto’s is E. De M. aan het werk op cruciale momenten in de bouwfase, zoals het metsen van de ruwbouw, het plaatsen van de elektriciteitskast, het leggen van de dakpannen. Er ligt geen enkele foto voor waarop A. Van D. staat, laat staan waarop hij aan het werk is.

– Verschillende leveringsbons van bouwmaterialen voor de bedoelde werf werden door E. De M. afgetekend voor ontvangst. Er ligt geen enkele bon voor die ondertekend is door A. Van D.

– De NV D., die heel wat bouwmaterialen leverde (zoals blijkt uit de talrijke zendnota’s), verklaart dat alle bouwmaterialen die op deze werf werden geleverd, werden besteld door E. De M.

– Verschillende getuigen (uit de buurt) verklaren dat E. De M. in de periode begin 2007 tot 2009, nagenoeg dagelijks, meestal alleen op de werf werkte tot oprichting en afwerking van de woning. De verklaringen die A. Van D. voorlegt, spreken dit niet tegen en tonen evenmin aan dat hij “werkte” op de werf.

– De aangestelde architect verklaart dat E. De M. de volgende werken aan de bedoelde woning heeft uitgevoerd: “ruwbouwmetselwerken, daktimmerwerken, dakbedekking, sanitair, elektriciteit, vloer- en tegelwerken en binnenafwerking”.

De samenhang van deze stukken en het geheel van deze (niet-betwiste) feitelijke gegevens bewijst afdoende dat E. De M. de woning gelegen te (...) nagenoeg volledig alleen heeft opgericht en (grotendeels) afgewerkt.

...

3. E. De M. baseert zijn vordering tot vergoeding voor deze door hem uitgevoerde bouwwerken in de eerste plaats op de leer van de zaakwaarneming.

Onder zaakwaarneming verstaat men het vrijwillig, maar niet uit vrijgevigheid of uit eigenbelang, verrichten van een handeling ter behartiging van de belangen van een ander (de meester van de zaak) buiten elke specifieke wettelijke of contractuele verplichting om, met of buiten weten van die andere en waarvan men redelijkerwijze mag aannemen dat zij door de andere ook zou zijn verricht.

Krachtens art. 1375 BW moet de eigenaar wiens zaak behoorlijk is waargenomen de waarnemer schadeloosstellen voor alle persoonlijke verbintenissen en hem alle nuttige of noodzakelijke uitgaven die hij heeft gedaan, vergoeden.

E. De M. vordert geen vergoeding voor in het kader van de bouwwerken gedane uitgaven of gemaakte kosten, maar enkel een vergoeding voor de door hem geleverde arbeidsprestaties en inspanningen.

Het hof is van oordeel dat E. De M. – ook al omschrijft hij de gevorderde vergoeding in het kader van de ingeroepen zaakwaarneming als “schadevergoeding” – zich niet kan beroepen op de figuur van de zaakwaarneming, per definitie een daad van welwillendheid, die in de regel geen aanleiding kan geven tot enige bezoldiging.

4. Subsidiair beroept E. De M. zich op het algemene rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak.

Opdat verrijking zonder oorzaak met succes zou kunnen worden ingeroepen, is vereist dat cumulatief aan vier voorwaarden is voldaan: (1) een verrijking van het ene vermogen; (2) een verarming van het andere vermogen; (3) een correlatief verband tussen deze verrijking en verarming en (4) het ontbreken van een geldige juridische oorzaak.

Zoals geoordeeld, is bewezen dat E. De M. door zijn arbeidsprestaties en inspanningen de bedoelde woning heeft opgericht en (grotendeels) afgewerkt. De aanwending van arbeidskrachten en -mogelijkheden vertegenwoordigt een waarde die normaal resulteert in een loon en/of een eigen voordeel. Hier heeft E. De M. al deze arbeidsprestaties kosteloos en zonder eigen voordeel verricht, wat een verarming van zijn vermogen uitmaakt.

Deze verarming staat in correlatie met de opgerichte woning die ontegensprekelijk een positieve waarde vertegenwoordigt en aldus een verrijking van het vermogen van de mede-eigenaar ervan, in casu A. Van D., die hiervoor geen euro uitgaf.

Rest nog de vierde voorwaarde, het ontbreken van een juridische oorzaak.

Anders dan A. Van D. wil voordoen, is het feit dat hij een relatie had met de dochter van E. De M. geen hindernis. Het bestaan/de context van een affectieve relatie – die hoe dan ook niet kan worden gelijkgesteld met de bedoelde oorzaak – sluit op zich de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak niet uit.

Evenmin is het gegeven dat E. De M. deze vordering enkel instelt tegen A. Van D. en niet tegen zijn eigen dochter een struikelblok. Vooreerst vordert E. De M. enkel “het aandeel” van A. Van D (zie verder). Voorts impliceert het bestaan van een vrijgevigheid ten aanzien van zijn dochter – wat E. De M. erkent – niet per se een vrijgevigheid ten aanzien van A. Van D.

De juridische oorzaak kan gelegen zijn in een wettelijke verplichting, een overeenkomst, een onrechtmatige daad, een rechterlijke beslissing, de eigen wil van de verarmde of een natuurlijke verbintenis. Dat in casu de oorzaak zou zijn gelegen in een wettelijke verplichting, een overeenkomst, een onrechtmatige daad of een rechterlijke beslissing wordt niet beweerd en/of (zoals geoordeeld) niet aanvaard.

Blijven nog de wil van de verarmde of een natuurlijke verbintenis.

Ten onrechte legt A. Van D. de natuurlijke verbintenis die rustte op hem en Ellen De M. om bij te dragen in de lasten van hun feitelijke samenwoning bij haar vader E. De M. Deze laatste diende geenszins in plaats van zijn dochter deze natuurlijke bijdrageverbintenis na te komen.

Daarenboven, nog abstractie gemaakt van het feit dat dergelijke inspanningen tot het oprichten van een woning (in de regel) de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden, ziet A. Van D. hierbij over het hoofd dat:

– het koppel (een tijdje) inwoonde bij de ouders van Ellen De M.;

– het koppel nooit in de opgerichte woning samenwoonde;

– Ellen De M. en/of haar moeder de zorg van het gemeenschappelijke kind op zich namen;

– niet is aangetoond dat A. Van D. zelf (veel) prestaties leverde tot het oprichten van de woning.

Anders dan de eerste rechter oordeelt het hof dat schenkingen/giften ten aanzien van A. Van D. hier evenmin aan de orde zijn. Een mogelijke vrijgevigheid van E. De M. ten aanzien van zijn eigen dochter impliceert niet per definitie een vrijgevigheid ten aanzien van A. Van D (cf. Brussel 19 juni 2009, TBBR 2013, 520: betreffende de stortingen gedaan ten voordele van de persoon die toen de man van haar dochter was, heeft de moeder geen enkele vrijgevige bedoeling noch speculatief belang bezield. De moeder heeft niet gehandeld met als overweging een belang voor zichzelf, zelfs onrechtstreeks, maar alleen met respect voor de ouderlijke gevoelsband met haar dochter. Dit motief kan niet worden aangenomen als de oorzaak van haar verarming. Er is ongerechtvaardigde verrijking van de ex-man van haar dochter).

De verklaring van de bouwheren in het licht van de btw doet hieraan geen afbreuk.

Terwijl E. De M. ten aanzien van A. Van D. geenszins uit vrijgevigheid handelde, vloeien de handelingen evenmin voort uit beslissingen genomen in zijn eigen belang en met inachtneming van een mogelijk risico van verarming.

Om de hierboven vermelde redenen ontbreekt hier een juridische oorzaak en is ook aan de vierde voorwaarde voldaan.

5. Anders dan de eerste rechter oordeelt het hof aldus dat E. De M. zich terecht op de verrijking zonder oorzaak beroept om zodoende een vergoeding te vorderen voor de door hem geleverde arbeidsprestaties tot oprichting van de woning van A. Van D (en van zijn dochter Ellen De M.).

6. E. De M. begroot zijn vordering op 25.000 euro, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding. (...).

Eerder is voldoende aangegeven welke uitgebreide werken E. De M. tot oprichting van de bedoelde woning heeft uitgevoerd.

Daarbij zij herhaald dat geen enkele factuur/betaling van enige arbeidsprestatie (van wie dan ook) voorligt.

De bouwgrond werd in 2006 aangekocht tegen de prijs van 125.000 euro. Voor de bouwmaterialen werd in 2008 een bedrag geleend van 37.600 euro. De woning werd gebouwd in de periode 2007-2009 en werd verkocht in 2010 tegen de prijs van 237.000 euro.

Rekening houdende met deze (cijfer)gegevens, acht het hof de berekening van E. De M. waarbij hij komt tot een totaal bedrag aan (meer)waarde/kostprijs voor de door hem uitgevoerde werken van 75.000 euro aanvaardbaar, temeer daar noch de bedragen noch de berekening door A. Van D (gemotiveerd) worden weerlegd.

E. De M. halveert deze waarde, aangezien hij enkel “het aandeel” van A. Van D. vordert en vermindert dit bedrag van 37.500 euro dan nog (eens) tot 25.000 euro. Het gevorderde bedrag van 25.000 euro kan aldus worden toegekend.

...

Noot: 

Tijdschrift voor Belgisch Burgerlijk Recht [TBBR] LAMBRECHTS, Jonas; Noot 'De wil van de verarmde als rechtvaardiging voor vermogensverschuivingen inhoudelijk verduidelijkt' 2015, nr. 10, p. 559-562.

zie ook  Cass. 10 mei 2012, AR C.10.0707.F, AC 2012, nr. 291.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 15/10/2016 - 14:51
Laatst aangepast op: za, 15/10/2016 - 14:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.