-A +A

Uitlevering onmogelijk voor feiten die niet in België strafbaar zijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 13/12/2016
A.R.: 
P.16.1117.N

De rechter dient de dubbele strafbaarstelling van de ten laste gelegde feiten, waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, te onderzoeken los van de beoordeling van de schuld van de verdachte en hij dient aldus enkel te onderzoeken of de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd ook in België strafbaar zijn (1). (1) Cass. 11 april 2000, AR P. 00.0407.N, AC 2000, nr. 246.

Het onderzoeksgerecht mag de bewering dat het gevaar bestaat dat de verzoekende staat bij uitlevering de betrokkene zal vervolgen voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering wordt verleend, verwerpen met de vaststelling dat niet aannemelijk is dat de verzoekende staat het specialiteitsbeginsel niet zal respecteren en dit ongeacht de mogelijkheid om een aanvullend en opnieuw te beoordelen uitleveringsverzoek aan België te richten.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest
Nr. P.16.1117.N
O G,
persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, aangehouden,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 november 2016.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 2.1 Europees verdrag van 13 de-cember 1957 betreffende uitlevering (hierna Europees uitleveringsverdrag) en artikel 1, § 2, eerste lid, Uitleveringswet 1874: het arrest stelt dat aan de voorwaarde van de dubbele incriminatie is voldaan gezien de feiten van 9 en 12 september 2014 gekwalificeerd als overtreding van de toegestane bewegingsvrijheid aan de omschrijving van het misdrijf van belaging beantwoorden; belaging is evenwel slechts strafbaar indien de belager door zijn gedrag de rust van het slachtoffer ef-fectief en ernstig heeft verstoord; in casu is niet voldaan aan deze voorwaarden; het louter niet respecteren van een rechterlijk bevel is niet strafbaar naar Belgisch recht.

2. De rechter dient de dubbele strafbaarstelling van de ten laste gelegde feiten, waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, te onderzoeken los van de beoordeling van de schuld van de verdachte. De rechter dient aldus enkel te onderzoeken of de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd ook in België strafbaar zijn.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Het arrest oordeelt dat "Aan het vereiste van de dubbele incriminatie is vol-daan, nu de feiten van 09 & 12 september 2014 gekwalificeerd als overtreding van de toegestane bewegingsvrijheid, beantwoorden aan de omschrijving van het misdrijf van belaging (artikel 442bis van het Strafwetboek)."

Aldus verantwoordt het arrest naar recht zijn beslissing dat aan de voorwaarde van de dubbele strafbaarstelling van de ten laste gelegde feiten, waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, is voldaan.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat de datum van de feiten sub telastlegging A "op 09 en 12 september 2014" dient te zijn, miskennen de appelrechters de bewijskracht van het Israëlisch aanhoudingsbevel dat geen datum bevat waarop de feiten zou-den zijn gepleegd, alsook van het uitleveringsverzoek waaruit integendeel blijkt dat de feiten zich enkel op 9 september 2014 voordeden.

5. Het middel geeft niet aan hoe de aangevoerde miskenning van de bewijs-kracht van akten de beslissing tot uitvoerbaarverklaring onwettig kan maken.
Het middel is niet ontvankelijk.

Derde middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 14.1 Europees uitleveringsver-drag en artikel 2bis, eerste lid, Uitleveringswet 1874: de appelrechters oordelen dat een vervolging van de eiser voor zijn op religieuze grond gesteunde weigering om van zijn echtgenote te scheiden een inbreuk zou uitmaken op het specialiteits-beginsel, zodat niet aannemelijk is dat de verzoekende staat een dergelijke schen-ding van de toepasselijke verdragen zou begaan; de appelrechters gaan hierbij voorbij aan het feit dat de verzoekende staat om een uitbreiding kan vragen.

7. Het onderzoeksgerecht mag de bewering dat het gevaar bestaat dat de ver-zoekende staat bij uitlevering de betrokkene zal vervolgen voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering wordt verleend, verwerpen met de vaststelling dat niet aannemelijk is dat de verzoekende staat het specialiteitsbeginsel niet zal respecte-ren en dit ongeacht de mogelijkheid om een aanvullend en opnieuw te beoordelen uitleveringsverzoek aan België te richten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is ge-brekkig gemotiveerd; het beantwoordt niet eisers conclusie waarin werd aange-voerd dat er voor belaging vereist is dat de rust van het slachtoffer ernstig en ef-fectief moet verstoord zijn, wat niet het geval was, concrete gegevens werden aangehaald om het risico geloofwaardig te maken dat er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering gedaan is met de bedoeling de eiser te vervolgen of te bestraffen op grond van zijn godsdiensten en een schending van artikel 3 EVRM werd aangevoerd; het arrest vermeldt bovendien niet artikel 14 van het Europees uitleveringsverdrag waarin het specialiteitsbeginsel wordt voorzien.

9. De beslissing van een onderzoeksgerecht waarbij een door een buitenlandse overheid verleend aanhoudingsbevel uitvoerbaar wordt verklaard, is geen vonnis in de zin van artikel 149 Grondwet.
In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

10. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het onderzoeksgerecht al-leen moet onderzoeken of los van de beoordeling van de schuld van de verdachte, de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd ook in België strafbaar zijn.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

11. Met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal verwerpt en beantwoordt het arrest eisers aanvoering dat het uitleveringsverzoek is gedaan met de bedoeling hem te vervolgen of te bestraffen op grond van zijn godsdienst en betreffende de schending van artikel 3 EVRM.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

12. Geen wetsbepaling verplicht het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een door een buitenlandse overheid verleend aanhou-dingsbevel, om in zijn beslissing de verdragsbepaling met betrekking tot het spe-cialiteitsbeginsel te vermelden.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

Vijfde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het arrest gaat voorbij aan het feit dat de uitlevering de eiser blootstelt aan het risico van een levenslange gevangenisstraf; uit stuk 1 blijkt dat de eiser kan worden aangehouden op bevel van de rabbinale rechtbank en niet kan worden vrijgelaten, zelfs niet op borg, zonder rechterlijk bevel van de rabbinale rechtbank.

14. Het middel dat verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 74,31 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,  en op de openbare rechtszitting van 13 december 2016 uitgesproken

Noot: 

Rechtspraak:

• Cass. 20 augustus 2013, T.Strafr. 2014, 59, noot J.V.G.

Rechtsleer:

• S. Dewulf, Handboek uitleveringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2013, p. 55, nr. 102 en p. 74 e.v., nrs. 129 e.v.;

• H. Sanders, Handboek overleveringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 170 en 217 e.v.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/11/2017 - 09:43
Laatst aangepast op: do, 23/11/2017 - 09:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.