-A +A

Tuchtstraf wegens bedrog belet niet het recht om de tuchtstraf aan te vechten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 16/01/2018

Het algemeen rechtsbeginsel «fraus omnia corrumpit» staat er niet aan in de weg dat verzoeker, ten opzichte van wie door de tuchtoverheid een tuchtstraf is opgelegd, over het vereiste belang beschikt om die beslissing met een annulatieberoep bij de Raad van State aan te vechten, tenzij zou blijken dat dat beroep bij de Raad van State zelf door bedrog is aangetast.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1462

B.C. t/ stad Aalst

Arrest nr. 240.431

Uittreksel uit het verslag van eerste auditeur G. De Bleeckere

IV. Ontvankelijkheid

...

Beoordeling

«De opgeworpen exceptie vertrekt van het uitgangspunt dat een verzoeker slechts middelen mag aanvoeren die reeds in het kader van de administratieve procedure naar voor zijn gebracht. De verwerende partij verwijst daarbij onder meer naar het arrest nr. 216.520, Thoeye, waarbij zij aanvoert dat in dat arrest de aangevoerde middelen als onontvankelijk zijn verworpen en dat er geen reden is om hier anders te oordelen, aangezien verzoeker er zich minstens met een verregaande graad van lichtzinnigheid van onthouden heeft zijn rechten te doen gelden in de administratieve procedure.

«Ten aanzien van deze exceptie moet allereerst worden opgemerkt dat de Raad in het arrest nr. 216.520, Thoeye geoordeeld heeft over het al dan niet (tijdig) kenbaar maken van juridische bezwaren i.v.m. het verloop van de administratieve procedure en de gevolgen hiervan. De Raad heeft in die zaak dan vastgesteld dat een aantal middelen of middelenonderdelen die betrekking hadden op het verloop van de administratieve procedure en die niet opgeworpen werden tijdens die procedure, onontvankelijk waren. De overige middelen of middelenonderdelen heeft de Raad niet als onontvankelijk, maar als ongegrond afgewezen. Het arrest nr. 216.520 maakt het bijgevolg niet mogelijk te besluiten dat geen enkel middel – en derhalve geen enkel beroep – zou kunnen worden aangewend tegen een beslissing waarin de betrokkene nagelaten heeft die middelen aan te voeren in de administratieve procedure. Dit is enkel het geval ten aanzien van middelen die betrekking hebben op het verloop van de administratieve procedure en die in die procedure niet opgeworpen werden.

«Vastgesteld wordt dat verzoeker hier in het eerste middel de schending van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel aanvoert, wat niet gekwalificeerd kan worden als een middel dat betrekking heeft op het verloop van de administratieve procedure. Alvast dit middel is dan ook ontvankelijk, zodat de conclusie dat het beroep in zijn geheel onontvankelijk is (bij gebrek aan ontvankelijke middelen) niet aangenomen kan worden.

«Ten aanzien van deze exceptie moet er ook op gewezen worden dat de verzoeker in zijn derde middel betwist dat hij afstand heeft gedaan van de mogelijkheid om zijn verweer tijdens de administratieve procedure te laten gelden en dat het feit dat hij niet gehoord werd niet aan hem te wijten is, maar dat daarentegen de verwerende partij daarvoor verantwoordelijk is, wat hij in het derde middel aanvoert. De beoordeling van de exceptie hangt aldus ook ten minste gedeeltelijk samen met de beoordeling van het derde middel.

«In een tweede middel voert de verzoeker aan dat de tuchtprocedure gevoerd werd op grond van stukken van het gerechtelijk dossier, zonder dat hiervoor de vereiste toelating van de procureur des Konings werd verkregen en dat het vooronderzoek niet gevoerd werd door de daartoe aangestelde persoon.

«Deze wettigheidsbezwaren kunnen worden gekwalificeerd als juridische bezwaren die verband houden met de administratieve procedure. Of dit middel ontvankelijk is, zal mede afhangen van de beoordeling van het derde middel.»

V. De middelen

...

«2. Tweede middel: schending van de materiële motiveringsplicht, van art. 125 van het KB van 28 december 1950 «houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken», van art. 1380 Ger.W. en art. 458 Sw, van art. 32 van de politietuchtwet en van art. 10 van het uitvoeringsKB van de politietuchtwet

...

Beoordeling

«Zoals hierboven onder de rubriek «ontvankelijkheid» uiteengezet, kunnen deze grieven gekwalificeerd worden als juridische bezwaren die verband houden met de administratieve procedure. In de rubriek «ontvankelijkheid» werd ook reeds de vraag gesteld of dergelijke bezwaren voor het eerst voor de Raad van State kunnen worden aangevoerd, waarbij werd verwezen naar het arrest RvS, 28 november 2011, nr. 216.520, Thoeye. In dat arrest heeft de Raad hierover als volgt geoordeeld:

«18. De verplichting voor een tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar om in de loop van de administratieve procedure zelf het initiatief te nemen om juridische bezwaren in verband met het verloop van de tuchtprocedure aan het bestuur kenbaar te maken, moet worden beoordeeld in het kader van de toepassing van de rechtsspreuken «fraus omnia corrumpit» en «culpa lata dolo aequiparatur», die erop neerkomen dat als een vorm van bedrog kan worden aangemerkt, het er zich welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid van onthouden in een administratieve procedure zijn rechten te doen gelden om dan, als het bestuur zijn beslissing genomen heeft, zich bij de Raad van State over de miskenning van zijn rechten te gaan beklagen. Art. 6 EVRM sluit de toepassing van de algemene rechtsbeginselen niet uit.

«De zware sanctie van het verval van het recht om onregelmatigheden als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen kan slechts uitzonderlijk worden toegepast en de bewijslast berust bij het bestuur. Met name moet het bestuur aantonen dat de ambtenaar er tegenover hem blijk van heeft gegeven dat hij over een bepaalde onregelmatigheid, die onmiskenbaar het te nemen besluit zou vitiëren en die als zodanig aan de beide partijen bekend was, heen stapte. Met andere woorden, het bestuur moet kunnen aantonen dat het in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat de ambtenaar afstand deed van de mogelijkheid om de onregelmatigheid als middel tot vernietiging aan te voeren.»

«De verzoeker meent dat de tuchtoverheid hier niet aantoont dat zij in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat verzoeker afstand deed van de mogelijkheid om de onregelmatigheid als middel tot vernietiging aan te voeren, omdat hij naar aanleiding van de geplande (tweede) hoorzitting van 5 augustus 2014 om uitstel gevraagd heeft en aldus kenbaar gemaakt heeft nog gehoord te willen worden.

«Naast de vaststelling dat met betrekking tot het [derde] middel geoordeeld werd dat verzoeker zijn recht om te worden gehoord of om zich te verdedigen na 4 augustus 2014 verwerkt had, moet erop gewezen worden dat in het aangehaalde arrest Thoeye m.b.t. het aantonen dat in redelijkheid kon worden aangenomen dat de betrokkene afstand deed van de mogelijkheid om de onregelmatigheid als middel tot vernietiging aan te voeren, ook nog als volgt werd geoordeeld:

«19. Er is reden om de zware bewijslast die op het bestuur gelegd wordt te milderen in de gevallen waarin de reglementering voorziet in een administratief beroep, dat de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar de mogelijkheid biedt om zijn zaak reeds op louter administratief vlak ten goede te keren en dat voor hem dan ook de verplichting insluit om het bestuur te wijzen op de onregelmatigheden die volgens hem aan het beroepen besluit kleven om op die manier hetzij het stopzetten van de procedure te bewerkstelligen dan wel het rechtzetten van een misslag waarmee hij zijn voordeel kan doen. Het komt dan aan de verzoeker toe om in de procedure voor de Raad van State aannemelijk te maken dat hij goede redenen had om misstappen in de rechtsgang niet aan de beroepsinstantie voor te leggen.»

«Hoewel dit oordeel betrekking heeft op het niet aanbrengen van bezwaren in een administratief beroep (in casu verzoek tot heroverweging bij de Tuchtraad), zie ik niet in waarom niet in dezelfde zin geoordeeld zou kunnen worden ten aanzien van het verweer dat mogelijk is tegen een inleidend verslag (met name verweerschrift en recht om te worden gehoord). De verzoeker heeft hier geen gebruik gemaakt van zijn recht om een verweerschrift in te dienen en heeft zijn recht om gehoord te worden, met een naar mijn mening verregaande graad van lichtzinnigheid aan zich laten voorbijgaan, terwijl hij ook niet aannemelijk maakt dat hij goede redenen had om de procedurele tekortkomingen aan de tuchtoverheid mee te delen.

«Ik meen dan ook dat de verzoeker niet voor het eerst voor de Raad van State kan aanvoeren dat de tuchtprocedure gevoerd werd op grond van stukken van het gerechtelijk dossier zonder de vereiste toelating van de procureur des Konings en dat het vooronderzoek niet gevoerd werd door de daartoe aangestelde persoon.

Het middel is onontvankelijk.»

Arrest

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 3 oktober 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 8 augustus 2014 van de «korpschef van de politiezone Aalst en gewone tuchtoverheid waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing is opgelegd».

...

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

...

Beoordeling

...

7. Het algemeen rechtsbeginsel «fraus omnia corrumpit» staat er niet aan in de weg dat verzoeker, ten overstaan van wie door de tuchtoverheid een tuchtstraf is opgelegd, over het vereiste belang beschikt om die beslissing met een annulatieberoep bij de Raad van State aan te vechten, tenzij zou blijken dat dat beroep bij de Raad van State zelf door bedrog is aangetast.

De eventuele omstandigheid dat verzoeker er zich welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid van onthouden heeft zich te verdedigen voor de tuchtoverheid en aldus heeft nagelaten zijn rechten te doen gelden tijdens de administratieve procedure – wat de tuchtoverheid zou hebben belet de eventuele gebreken in de procedure recht te zetten op het ogenblik dat zij nog geen definitief nadeel hebben berokkend aan verzoeker – volstaat op zich niet om dat beroep wegens het voornoemd algemeen rechtsbeginsel als niet-ontvankelijk te beschouwen en om geen uitspraak te doen over het beroep. Voorts voert de verwerende partij niet aan dat het beroep bij de Raad van State zelf door een vorm van bedrog is aangetast.

...

V. Onderzoek van de middelen

...

A. Eerste midddel

...

De ontvankelijkheid van het middel

...

13. Van degene die moet verschijnen voor een bestuursorgaan dat over administratiefrechtelijke problemen, zoals een tuchtstraf, een uitspraak moet doen, mag worden verwacht dat hij aan dat orgaan direct zichtbare – direct zichtbaar voor hem of voor een raadsman op wie hij een beroep kan doen – administratiefrechtelijke bezwaren kenbaar maakt, zodoende dat orgaan voor de indruk behoedend dat hij over die bezwaren heenstapt. Wanneer iemand er zich welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid van onthoudt in een administratieve procedure zijn rechten te doen gelden en aldus belet dat de tuchtoverheid eventuele gebreken in de procedure rechtzet op het ogenblik dat zij nog geen definitief nadeel hebben berokkend, kan die persoon er zich niet ontvankelijk voor het eerst bij de Raad van State over beklagen dat zijn rechten geschonden zijn.

De zware sanctie van het verval van het recht om onregelmatigheden als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen kan evenwel slechts uitzonderlijk worden toegepast en de bewijslast berust bij het bestuur.

14. Te dezen betoogt de verwerende partij in essentie dat verzoeker, bijgestaan door een tuchtverdediger van zijn vakorganisatie, tijdens de administratieve procedure heeft nagelaten enig schriftelijk of mondeling verweer te voeren ten overstaan van de tuchtoverheid en aldus geen enkele wettigheidskritiek heeft geuit tegen de voorgenomen beslissing.

De wet van 13 mei 1999 «houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten» (hierna: «tuchtwet») noch enig algemeen rechtsbeginsel houden de verplichting in zich schriftelijk te verweren. De tuchtrechtelijk vervolgde politieambtenaar beschikt aldus over de vrije keuze om na de kennisneming van het inleidend verslag en binnen het dwingend tijdskader uiteengezet in de tuchtwet, zich schriftelijk dan wel mondeling of schriftelijk én mondeling te verweren op de in het inleidend verslag vervatte tuchtfeiten. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich derhalve onthoudt op grond van redenen die hem eigen zijn, om zich schriftelijk te verweren, mag hem derhalve niet worden toegerekend.

Verzoeker verzocht om mondeling te worden gehoord, maar uit de feiten van de zaak blijkt dat hijzelf noch zijn tuchtverdediger aanwezig waren op de hoorzitting. Uit de behandeling van het derde middel blijkt dat de geplande hoorzitting regelmatig was vastgesteld en dat verzoeker noch zijn tuchtverdediger het bestaan van overmacht aannemelijk maken ter rechtvaardiging van hun afwezigheid op het verhoor. De verwerende partij toont evenwel niet aan dat, gelet op wat is gesteld in het derde middel, die loutere afwezigheid van mondeling verweer de emanatie is van een bewuste keuze van verzoeker over de wijze waarop hij zich zou verdedigen, m.a.w. dat hij aldus welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid over de in het middel aangevoerde grieven is heengestapt om zodoende te vermijden dat de tuchtoverheid – voor zover mogelijk – het eventuele gebrek in de procedure zou rechtzetten, en om zich dan, als de tuchtoverheid zijn beslissing genomen heeft, bij de Raad van State over de miskenning van zijn rechten te gaan beklagen. Dat bewijs volgt evenmin uit de navolgende verwerping van het derde middel, zodat de verwerende partij ter adstructie van haar exceptie zich daar niet op kan baseren.

Er kan dan ook niet worden besloten dat in de concrete omstandigheden van de zaak, verzoeker door het enkele feit van zich niet mondeling te hebben verweerd, het recht heeft verwerkt om zich voor de Raad van State te beroepen op de miskenning van de thans geschonden geachte bepalingen.

15. De exceptie wordt verworpen.

...

B. Tweede middel

...

De ontvankelijkheid van het middel

...

23. Om dezelfde redenen als uiteengezet bij de behandeling van dezelfde exceptie bij het eerste middel, wordt de exceptie verworpen.

Ten gronde

24. Het auditoraat heeft zijn onderzoek over het middel beperkt tot de voormelde exceptie, waarvan blijkt dat het niet leidt tot een definitieve oplossing van het geschil.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 05/05/2018 - 14:07
Laatst aangepast op: wo, 09/05/2018 - 21:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.