-A +A

Tuchtrechtelijk sanctierecht wijst op ondergeschiktheid en sluit zelfstandige samenwerking uit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 10/10/2016
A.R.: 
AR nr. S.14.0074.N

De vaststelling dat één van de partijen in een arbeidsrelatie over het recht beschikt om tuchtsancties op te leggen aan de andere partij, sluit de mogelijkheid van een zelfstandige samenwerking uit, tenzij dit sanctierecht inherent is aan de uitoefening van het beroep en door of krachtens een wet is opgelegd.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1466
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. S.14.0074.N

A.V. t/ NV S.G.I. en RSZ

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 16 april 2013.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 333, § 1, vierde deelstreepje Arbeidsrelatiewet is een van de algemene criteria waarvan sprake in het vorige artikel en die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen, de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen.

Krachtens art. 6, § 1, 6o Arbeidsreglementenwet moet het arbeidsreglement vermelden: de straffen, het bedrag en de bestemming van de geldboeten en tekortkomingen die zij bestraffen.

2. Het aan een arbeidsovereenkomst inherente werkgeversgezag is de grondslag van het tuchtrechtelijke sanctierecht dat een werkgever toekomt.

De vaststelling dat een van de partijen in een arbeidsrelatie over het recht beschikt om tuchtsancties op te leggen aan de andere partij, sluit de mogelijkheid van een zelfstandige samenwerking uit, tenzij dit sanctierecht inherent is aan de uitoefening van het beroep en door of krachtens een wet is opgelegd.

3. Het arrest stelt vast dat de eerste verweerster over een tuchtrechtelijk sanctierecht beschikt bij de uitvoering van de opdracht van de bewakingsagent, zonder vast te stellen dat dit tuchtrechtelijke sanctierecht inherent is aan de uitoefening van het beroep en door of krachtens een wet is opgelegd.

Het verantwoordt aldus niet naar recht zijn beslissing dat dit tuchtrechtelijke sanctierecht niet volstaat om de kwalificatie van zelfstandigheid die de partij aan hun samenwerking hebben gegeven, uit te sluiten.

Het onderdeel is gegrond.

S.14.0074.N
Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden:

1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van de 9° kamer van het Arbeidshof te Antwerpen gewezen op 16 april 2013. Door eiser wordt er een middel aangevoerd.

2. Beoordeling.

a. het eerste onderdeel.

In het eerste onderdeel is de grief gericht tegen de beslissing van de appelrechters die na te hebben vastgesteld dat eerste verweerder over een tuchtrechtelijk sanctierecht beschikt bij de uitvoering van de opdracht van bewakingsagent, oordelen dat dit enige feit dat wijst op ongeschiktheid niet volstaat om de kwalificatie van zelfstandige die partijen aan hun samenwerking hebben gegeven uit te sluiten.

De appelrechters stellen vast dat dit sanctierecht kadert in een reglement van inwendige orde voor de bewakers/zelfstandige coöperatievennoten.

Uit de stukken waar uw Hof acht op mag slaan blijkt dat eerste verweerster gedurende de kwestieuze periode de rechtsvorm had van een CVBA. Tevens blijkt uit deze stukken dat eiser aandeelhouder was van deze coöperatieve vennootschap.

Het oordeel van de appelrechters is dan ook naar recht verantwoord.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

b. Tweede onderdeel.

De grief richt zich tegen het oordeel van de appelrechters die uit hun vaststelling dat de eiser als zodanig niet betwist dat partijen in de periode van 1 januari 2007 tot eind december 2008 "naar de buitenwereld toe" hun overeenkomst hebben gekwalificeerd als een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking en uit hun vaststellingen dat (1) de eiser zich (zonder dwang) tijdens de uitvoering van de overeenkomst met ingang van 1 januari 2007 heeft aangesloten bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen en een stopzettingsverklaring ondertekende m.b.t. zijn zelfstandige activiteiten op 31 december 2008, en dat (2) uit niets blijkt dat de eiser zich tijdens de uitvoering van de overeenkomst van januari 2007 tot en met 31 december 2008 ooit heeft beroepen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, afleiden dat de partijen, zowel in hun onderlinge verhouding als tegenover derden, hun overeenkomst hebben gekwalificeerd als een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking.

De problematiek betreft de toepassing van de diverse onderdelen van de Arbeidsrelatiewet.

1. eerste subonderdeel.

Bij het overlopen van de artikelen 331 e.v. van voormelde wet dient men vast te stellen dat het een gefaseerd systeem is dat in deze bepalingen wordt uitgewerkt.

Er wordt in de opbouw van de artikelen van uitgegaan dat de "partijenkwalificatie" en de "kwalificatie die uit de feitelijke uitvoering blijkt" twee verscheidene zaken zijn en dus niet kunnen worden gelijkgesteld(1).

De eerste fase wordt aangegeven in artikel 331. Het vertrekpunt is de kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven. Het gaat het dus om de juridische duiding van de gemaakte afspraken(2). De kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven kan rechtstreeks of onrechtstreeks zijn. Zo er een geschrift voorhanden is dan is er sprake van een rechtstreekse kwalificatie. Zo niet, dan zal de kwalificatie onrechtstreeks zijn(3).

In het geval dat voor Uw Hof wordt gebracht, betreft het een onrechtstreekse kwalificatie. De rechter gaat in dat geval aan de hand van de feitelijke elementen van de zaak na hoe de partijen hun samenwerking wensten te organiseren.(4) Hiervoor wordt gebruik gemaakt van verklaringen allerhande en zogenaamde formele elementen zoals het vervullen van bepaalde formaliteiten die verband houden met het statuut, bijvoorbeeld de inschrijving in de Kruispuntbank voor

Ondernemingen, inschrijving bij een instelling van de sociale zekerheid, ... (5).

Diegene die de partijenkwalificatie betwist zal, ingevolge de op hem rustende bewijslast, dienen aan te tonen dat deze kwalificatie niet overeenstemt met de feitelijke uitoefening(6). Zodoende belandt men in de tweede fase.

Gelet op het feit dat er betreffende de partijenkwalificatie een geschil is ontstaan, zal, overeenkomstig artikel 332 van de voormelde wet worden nagegaan of er in de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor komen die onverenigbaar zijn met de door de partijen aan de overeenkomst gegeven kwalificatie.

Deze elementen worden beoordeeld aan de hand van de vier criteria die opgesomd zijn in artikel 333, §1 van de voormelde wet. In de tweede paragraaf, van dezelfde bepaling, worden de elementen aangehaald die uitgesloten worden om te oordelen of er sprake is van een gezagsband. De derde paragraaf tenslotte haalt die elementen aan die als neutraal dienen te worden beschouwd bij deze oefening. Deze laatsten zijn op zich, dus afzonderlijk genomen, niet in staat om de arbeidsrelatie te kwalificeren(7). De opbouw van de regelgeving geeft aan dat de criteria en elementen van artikel 333 aan bod komen in het kader van de beoordeling van de (on)verenigbaarheid van de partijenkwalificatie met de wijze waarop de overeenkomst wordt uitgevoerd.

Het feit dat, in deze tweede fase, de elementen opgesomd in artikel 333, §3, als neutrale elementen moeten worden beschouwd staat dan ook niet in de weg dat de rechter, in zijn zoektocht naar de partijenkwalificatie van de overeenkomst, dus de eerste fase waarvan hoger sprake, deze mee in acht kan nemen. Bovendien, zelfs in het onderzoek naar de (on)verenigbaarheid van de door de partijen gegeven kwalificatie met de uitvoering, stelt de voormelde bepaling dat deze elementen "op zich genomen" niet in aanmerking komen om de arbeidsrelatie adequaat te kwalificeren. Dit houdt in dat zij samen met andere elementen wel in acht kunnen genomen worden voor de latere gebeurlijke herkwalificatie ingevolge de toepassing van de artikelen 332 en 333(8).

Dienvolgens kunnen de appelrechters op grond van de vaststellingen dat:

- eiser niet betwist dat partijen in de periode van 1 januari 2007 tot eind december 2008 naar de buitenwereld toe hun overeenkomst hebben gekwalificeerd als een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking;

- eiser zich tijdens de uitvoering van de overeenkomst met ingang van 1 januari 2007 aangesloten heeft bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen;

- eiser een stopzettingsverklaring met betrekking tot zijn zelfstandige activiteiten ondertekende op 31 december 2008;

- uit niets blijkt dat eiser zich tijdens de uitvoering van de overeenkomst van januari 2007 tot eind december 2008 ooit heeft beroepen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst;

naar recht oordelen dat de partijen hun overeenkomst hadden gekwalificeerd als een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking.
Het subonderdeel kan niet worden aangenomen.

2. tweede subonderdeel.

Het tweede subonderdeel gaat er geheel van uit dat, op grond van artikel 333, §1, eerste gedachtestreepje, in geval van een onrechtstreekse kwalificatie, de rechter die kwalificatie niet als vertrekpunt dient te nemen bij zijn beoordeling. Hij dient niet de onverenigbaarheid van de feitelijke elementen met die onrechtstreekse kwalificatie te onderzoeken, maar hij moet het al dan niet bestaan van een gezagsband beoordelen aan de hand van de andere algemene criteria dan de kwalificatie van de partijen.

Uit hetgeen in het eerste subonderdeel werd aangehaald, blijkt dat het startpunt de partijenkwalificatie is, en dit ongeacht of dit een rechtstreekse dan wel onrechtstreekse kwalificatie betreft. Het vermelde in artikel 333, §1, eerste gedachtestreepje, doet hier geen afbreuk aan.

Ik meen dan ook dat het standpunt van eiseres faalt naar recht.

c. Derde onderdeel.

Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het onderdeel wordt aangehaald, maar ook dat het tuchtrechtelijk sanctierecht waarover verweerster beschikt niet volstaat om de kwalificatie van zelfstandige arbeid uit te sluiten; dat niet blijkt dat door verweerster enige organisatie van werktijd werd opgelegd en dat eiser vrijheid had over de organisatie van zijn werk.

Op grond van deze vaststellingen oordelen de appelrechters wettig dat eiser geen afdoende feitelijke elementen aantoont die onverenigbaar zijn met de partijenkwalificatie.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

d. Vierde onderdeel.

Betreffende het vierde onderdeel dien ik vast te stellen dat niet gepreciseerd wordt met betrekking tot welke artikelen van het reglement van inwendige orde de appelrechters zouden nagelaten hebben het verweer van eiser te beantwoorden.

Het onderdeel is derhalve onnauwkeurig en mitsdien niet ontvankelijk.

3. Conclusie: verwerping.
______________________
(1) T. MESSIAEN en K. VAN DEN LANGENBERGH, Contractsvrijheid en de ontwijking van het werknemerschap: is de arbeidsrelatiewet een afdoende remedie tegen de schijnzelfstandigheid, in Actuele problemen van het arbeidsrecht 9, Intersentia, 2014, p. 138 en A. VAN REGENMORTEL, De arbeidsrelatiewet: continuering van de cassatierechtspraak?, in Rechts(on)zekerheid omtrent (schijn)zelfstandigheid, Antwerpen, Intersentie, 2008, p. 111-112.
(2) K. VAN DEN LANGENBERGH en A. VAN REGENMORTEL, Schijnzelfstandigheid na de Arbeidsrelatiewet: een eerste evaluatie, in CBR JAARBOEK 2008-2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, p.382.
(3) K. VAN DEN LANGENBERGH en A. VAN REGENMORTEL, o.c., p. 382.
(4) P. DE WULF; S. DIELS en M.-A. STAAR, De Arbeidsrelatiewet: 5 jaar rechtspraak, in Or., 2012, p. 183.
(5) K. VAN DEN LANGENBERGH en A. VAN REGENMORTEL, o.c., p. 384; T. MESSIAEN en K. VAN DEN LANGENBERGH, o.c., p. 145; A. VAN REGENMORTEL, o.c., p. 116 en P. DE WULF; S. DIELS en M.-A. STAAR. o.c., p 183.
(6) J. KERREMANS, "De wet betreffende de aard van de arbeidsrelaties: kroniek van een aangekondigde dood?", JTT, 2007, p. 152.
(7) J. KERREMANS, o.c., p. 153 en T. MESSIAEN en K. VAN DEN LANGENBERGH, o.c., p. 155.
(8) J. KERREMANS, o.c., p. 153 en T. MESSIAEN en K. VAN DEN LANGENBERGH, o.c., p. 155.
 

Noot: 

Vincent Dooms, Nogmaals over de kwalificatie van de overeenkomst, RABG 2012/14, 954

Aanvullende rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 26 maart 2013, RW 2013-2014, 1062

samenvatting:

De gezagsrelatie op grond waarvan tot een arbeidsovereenkomst kan worden besloten en elke andere overeenkomst moet worden uitgesloten, dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die thans zijn opgenomen in de Arbeidsrelatiewet, meer bepaald in art. 333 van deze wet, zijnde de vrijheid van organisatie van het werk, de mogelijkheid een hiërarchische controle op dat werk uit te oefenen en de al dan niet bestaande vrijheid van de organisatie van de werktijd.

De rechter dient na te gaan of de gegevens die worden aangevoerd om het bestaan van een gezagsrelatie te staven een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het raam van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.

tekst arrest:

II. Beslissing van het Hof

...

Beoordeling

...

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van art. 16 Voorafgaande Titel Sv. en art. 331, 332, 333 en 334 Arbeidsrelatiewet: het arrest veroordeelt de eiser op grond van een gezagsrelatie en bijgevolg van een arbeidsrelatie; het baseert zich evenwel op criteria die niet vallen onder die van art. 333 Arbeidsrelatiewet en die bovendien geen herkwalificatie van een overeenkomst als zelfstandige in een arbeidsovereenkomst kunnen rechtvaardigen; de arbeidsomstandigheden zijn niet onverenigbaar met het sociaal statuut van zelfstandige; het arrest toont niet aan dat erdoor in aanmerking genomen criteria onverenigbaar zijn met het bestaan van een overeenkomst als zelfstandige.

13. De gezagsrelatie op grond waarvan tot een arbeidsovereenkomst kan worden besloten en elke andere overeenkomst moet worden uitgesloten, dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die thans zijn opgenomen in de Arbeidsrelatiewet, meer bepaald in art. 333 van deze wet, zijnde de vrijheid van organisatie van het werk, de mogelijkheid een hiërarchische controle op dat werk uit te oefenen en de al dan niet bestaande vrijheid van de organisatie van de werktijd.

14. Het staat aan de rechter na te gaan of de gegevens die worden aangevoerd om het bestaan van een gezagsrelatie te staven een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het raam van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.

15. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel vermeldt, maar ook: “het hof verwijst in dit verband onder meer naar de afwezigheid van keuze om al dan niet de activiteit te presteren en het feit dat [de eiser] directe controle en toezicht kon uitoefenen op de prestaties uitgevoerd door de betrokkenen die exclusief een functie hadden van uitvoerder door enkel hun arbeidskracht ter beschikking te stellen. Uit de verklaringen van betrokkenen blijkt duidelijk dat zij niet de aan het statuut van zelfstandige eigen vrijheid hadden wat de organisatie van hun werk en werktijd betreft”.

16. Op grond van deze feitelijke vaststellingen oordeelt het arrest wettig dat deze vastgestelde gegevens een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het raam van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

...
Zie ook: Cass. 6 december 2010, RW 2011-12, 614.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 13/05/2017 - 10:57
Laatst aangepast op: zo, 07/01/2018 - 10:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.