-A +A

Tontine kan beëindigd bij relatiebreuk

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 06/03/2014
A.R.: 
C.13.0362.N

Een tontineovereenkomst die de strekking heeft voort te bouwen op een tussen de partijen bestaande feitelijke of juridische verhouding, houdt evenwel op te bestaan wanneer deze onderliggende verhouding een einde neemt, zodat hierdoor aan de verdere uitwerking van de overeenkomst iedere zin wordt ontnomen.

De rechter mag en kan dus oordelen dat, aangezien de oorzaak van de overeenkomst die gelegen is in de affectieve relatie van de deelgenoten en als doel heeft het goed samen te kunnen beheren en elkaar rechten te garanderen na het overlijden van één van hen, door de beëindiging van de relatie geen bestaansreden meer heeft, zodat het tontinebeding geen uitwerking meer heeft en er tussen de partijen bijgevolg een gewone onverdeeldheid is ontstaan, en op die gronden beslissen dat departijen of één van hen op grond van art. 815 BW de verdeling kan vorderen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
1625
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

uittreksel

M.C. t/ D.S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 11 maart 2013.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Tweede onderdeel

2. Het bestaan van een oorzaak in de zin van art. 1108 en 1131 BW moet in beginsel worden beoordeeld op het ogenblik van de totstandkoming van de rechtshandeling waarvan zij een geldigheidsvereiste is. De latere verdwijning ervan heeft in de regel geen gevolgen voor de geldigheid van de rechtshandeling.

Een tontineovereenkomst die de strekking heeft voort te bouwen op een tussen de partijen bestaande feitelijke of juridische verhouding, houdt evenwel op te bestaan, wanneer deze onderliggende verhouding een einde neemt, zodat hierdoor aan de verdere uitwerking van de overeenkomst iedere zin wordt ontnomen.

3. Uit de vaststellingen van het arrest en het beroepen vonnis blijkt dat:

– de partijen gedurende meer dan twintig jaar een affectieve relatie hadden;

– zij bij akte van 19 april 1991 “vanuit de onderlinge burgerlijke en fiscaalrechtelijke verzorgingsgedachte van de ene partner ten aanzien van de andere samenlevende partner bij het overlijden van één van de partijen” een woning kochten onder een beding van tontine krachtens welk de volledige eigendom zou toekomen aan de langstlevende partner;

– aan hun relatie een einde kwam;

– een overeenstemming tot de beëindiging van de overeenkomst niet mogelijk bleek;

– de verweerder de verdeling vordert van het onroerend goed.

4. Het arrest dat, oordeelt dat, aangezien de oorzaak van de overeenkomst die gelegen is “in de affectieve relatie van de deelgenoten en als doel [heeft] het goed samen te kunnen beheren en elkaar rechten te garanderen na het overlijden van één van hen”, door de beëindiging van de relatie “geen bestaansreden meer heeft”, zodat het tontinebeding geen uitwerking meer heeft en er tussen de partijen bijgevolg “een gewone onverdeeldheid” is ontstaan en op die gronden beslist dat de verweerder op grond van art. 815 BW de verdeling kan vorderen, is naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

...

integrale weergave van het arrest

Cassatie 06/03/2014, juridat

Samenvatting

Tontine houdt op te bestaan wanneer de onderliggende oorzaak, zijnde de samenleving, verdwijnt.

Het bestaan van een oorzaak in de zin van de artikelen 1108 en 1131 Burgerlijk Wetboek moet in beginsel worden beoordeeld op het ogenblik van de totstandkoming van de rechtshandeling waarvan zij een vereiste is; de latere verdwijning ervan heeft in de regel geen gevolgen voor de geldigheid van de rechtshandeling; een tontineovereenkomst die strekking heeft voort te bouwen op een tussen de partijen bestaande feitelijke en juridische verhouding, houdt op te bestaan, wanneer deze onderliggende verhouding een einde neemt derwijze dat hierdoor aan de verdere uitwerking van de overeenkomst iedere zin wordt ontnomen.

Tekst arrest

Nr. C.13.0362. N
M.,
eiseres,

tegen
D.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 maart 2013.
Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 815, 1102, 1104, 1106, 1108, 1131, 1134, 3168, 1175, 1181, 183, 1234, 1382, 1383 en 1964 Burgerlijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel van verbod van rechtsmisbruik.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest bevestigt het vonnis a quo, dat het verzoek van verweerder tot vereffening en verdeling van het onroerend goed te (...), gegrond verklaart, met volgende overwegingen :

"(De eiseres) laat, zoals in eerste aanleg, met betrekking tot de daarbij door (verweerder) in hoofdorde gestelde vordering wederom gelden dat, nu de akte van 18 april 1991 van notaris D. met kantoor te R. middels dewelke partijen het onroerend goed, gelegen te (...), hebben aangekocht, een tontineclausule bevat, er geen sprake is van een mede-eigendom of onverdeeldheid en dienvolgens de door geïntimeerde gevorderde uit onverdeeldheidtreding op grond van artikel 815 Burgerlijk Wetboek niet mogelijk is.

Waar (de eiseres) aldus doet gelden dat er bij een tontine beding geen medeëigendom of onverdeeldheid bestaat, wordt vooreerst vastgesteld dat dit wel het geval is, nu de omstandigheid op zich dat op het moment van overlijden van één der deelgenoten deze moet worden geacht nooit eigenaar te zijn geweest en de andere (langstlevende) deelgenoot moet worden geacht steeds eigenaar te zijn geweest niet wegneemt dat er voorafgaand aan het overlijden van een deelgenoot een periode is geweest, waarbinnen de deelgenoten juridisch hebben samengeleefd en, met andere woorden, medeëigenaars en dus in onverdeeldheid waren.

Door het tontinebeding wordt een doelvermogen gecreëerd/tot stand gebracht, hetgeen inhoudt dat het vermogen als dusdanig wordt losgeweekt van het persoonsbegrip enerzijds en het begrip subjectief recht anderzijds en dit dus een zelfstandige inhoud krijgt, die het voor de deelgenoten onmogelijk maakt om er eenzijdig afstand van te doen pendente conditione en aldus de uit onverdeeldheidtreding onder gelding van het tontinebeding te vorderen.

Vrijwillige onverdeeldheid, wat een tontineovereenkomst nu precies is, kan slechts worden beëindigd, wanneer het nagestreefde doel is bereikt, datzelfde doel niet meer mogelijk of realiseerbaar is of met wederzijds akkoord.

De oorzaak van de tontineovereenkomst is gelegen in de affectieve relatie van de deelgenoten en heeft als doel het goed samen te kunnen beheren en elkaar rechten te garanderen na het overlijden van één van hen.

Wanneer de oorzaak-beweegreden dan, ingevolge beëindiging van de affectieve relatie, wegvalt en de overeenkomst dus geen reden van bestaan meer heeft, vervalt deze, zodat de partij, die in deze omstandigheden aandringt op de uitvoering van deze overeenkomst, niet handelt overeenkomstig artikel 1134, alinea 3, Burgerlijk Wetboek, welke voorziet dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan te goeder trouw moeten worden uitgevoerd.

Gezien partijen geen levenspartners meer zijn en hun affectieve relatie midden 2008 werd beëindigd, dient te worden vastgesteld dat de oorzaak-beweegreden is weggevallen en dus ook het tontinebeding is vervallen en dat er dienvolgens tussen partijen een gewone onverdeeldheid is ontstaan, waarin artikel 815 Gerechtelijk Wetboek kan worden gebruikt om de verdeling te vorderen.

De eerste rechter heeft de vordering van (de verweerder) tot vereffening en verdeling van het door partijen, middels de notariële akte van 18 april 1991, aangekochte onroerend goed aldus terecht en om oordeelkundige redenen gegrond werd verklaard en tevens de openbare verkoop bevolen van de goederen die niet gevoeglijk kunnen worden verdeeld."

De redenen van de eerste rechter zijn de volgende :
"(De eiseres) is van oordeel dat er van enige onverdeeldheid geen sprake kan zijn, nu de deelgenoten slechts voorwaardelijke rechten hebben op de goederen die het voorwerp uitmaken van het tontinebeding, en er bovendien geen onverdeeldheid kan bestaan tussen een eigenaar onder opschortende voorwaarde en een eigenaar onder ontbindende voorwaarde.

De tontine zou slechts kunnen worden beëindigd in gemeen akkoord, waartoe (eiseres) niet wenst over te gaan.

De oorzaak van het opnemen van het tontinebeding in de aankoopakte, met name de onderliggende burgerlijke en fiscaalrechtelijke verzorgingsgedachte van de ene ten aanzien van de andere samenlevende partner bij overlijden van één van partijen is met het beëindigen van de samenleving weggevallen.

Wanneer de oorzaak-beweegredenen komt te verdwijnen heeft die omstandigheid het verval van de rechtshandeling tot gevolg, voor zover het gaat om een rechtshandeling onder kosteloze titel. Bij tontinebedingen geldt de regel niet, nu zodanige overeenkomst aangegaan werd onder bezwarende titel.

Het nastreven van de uitvoering door de medecontractant van een wederkerige overeenkomst die wegens gewijzigde omstandigheden zijn bestaansredenen en derhalve zijn oorzaak heeft verloren, moet worden beschouwd als rechtsmisbruik in de zin van artikel 1134, laatste lid, Burgerlijk Wetboek (miskenning uitvoering ter goede trouw van een overeenkomst).

Deze toestand doet zich voor wanneer de overeenkomst of een van haar bedingen ten gevolge van gewijzigde omstandigheden, en niet enkel op basis van bedoelingen van de contractant op het tijdstip van de contractsluiting, geen reden van bestaan meer heeft of wanneer de feitelijke toestand verdwijnt voor zover de partij voor wie deze feitelijke toestand determinerend was niet gecontracteerd zou hebben wanneer die zou geweten hebben van de feitelijke toestand.

Huidige situatie, relatiebreuk, beantwoordt aan deze toestand.

Gezien het verdwijnen van de bestaansreden en oorzaak van de tontineovereenkomst, dient deze als vervallen te worden beschouwd.

Overeenkomstig artikel 815 Burgerlijk Wetboek is het verzoek tot vereffening en verdeling van voormeld onroerend goed gegrond."

Grieven
(...)

Tweede onderdeel

1. Het tontinebeding, zoals hierboven geformuleerd, is, zoals trouwens ook blijkt uit zijn bewoording, een kanscontract. De rechters ten gronde spreken dit niet tegen.

Ten aanzien van een dergelijk contract heeft het verdwijnen van de oorzaak, na het tot stand komen van het contract, niet het tenietgaan van het contract tot gevolg (de artikelen 1102, 1104, 1106, 1108, 1131, 1134, tweede lid, 1234 Burgerlijk Wetboek).

2. Het bestreden arrest beslist het volgende : "Wanneer de oorzaakbeweegreden dan, ingevolge beëindiging van de affectieve relatie, wegvalt en de overeenkomst dus geen reden van bestaan meer heeft, vervalt deze (...)" en "Gezien partijen geen levenspartners meer zijn en hun affectieve relatie midden 2008 werd beëindigd, dient te worden vastgesteld dat de oorzaak-beweegreden is weggevallen en dus ook het tontinebeding is vervallen". Het steunt zich op dit verval om aan de eiseres rechtsmisbruik te verwijten, dat erin bestaat aan te dringen op de uitvoering van de overeenkomst die vervallen is. Het is dus, volgens het bestreden arrest, niet het rechtsmisbruik dat het verval van de tontineovereenkomst meebrengt, maar de verdwijning van de oorzaak van die overeenkomst.

Het bestreden arrest oordeelt aldus dat het wegvallen van de oorzaak van de bovenvermeld tontineovereenkomst het verval van die overeenkomst meebrengt.

De bovenvermelde tontineovereenkomst is evenwel een kanscontract, zijnde een wederkerig contract en een contract onder bezwarende titel (artikelen 1102, 1104, 1106, 1964 van het Burgerlijk Wetboek) en bij dergelijke contracten brengt het wegvallen van de oorzaak, die een geldigheidsvereiste van de overeenkomst is, niet het tenietgaan van de overeenkomst mee. Door anders te beslissen schendt het bestreden arrest de artikelen 1102, 1104, 1106, 1108, 1131, 1134 tweede lid, 1234 en 1964 Burgerlijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
(...)

1. Het onderdeel dat een juridische tegenstrijdigheid aanvoert en daartoe enkel artikel 149 Grondwet als geschonden aanwijst, is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

2. Het bestaan van een oorzaak in de zin van de artikelen 1108 en 1131 Bur-gerlijk Wetboek moet in beginsel worden beoordeeld op het ogenblik van de tot-standkoming van de rechtshandeling waarvan zij een geldigheidsvereiste is. De la-tere verdwijning ervan heeft in de regel geen gevolgen voor de geldigheid van de rechtshandeling.

Een tontineovereenkomst die de strekking heeft voort te bouwen op een tussen de partijen bestaande feitelijke of juridische verhouding, houdt evenwel op te be-staan, wanneer deze onderliggende verhouding een einde neemt derwijze dat hier-door aan de verdere uitwerking van de overeenkomst iedere zin wordt ontnomen.

3. Uit de vaststellingen van het arrest en het beroepen vonnis blijkt dat:
- de partijen gedurende meer dan twintig jaar een affectieve relatie hadden;
- zij bij akte van 19 april 1991 "vanuit de onderlinge burgerlijke en fiscaalrech-telijke verzorgingsgedachte van de ene partner ten aanzien van de andere sa-menlevende partner bij het overlijden van één van de partijen" een woning kochten onder een beding van tontine krachtens welk de volledige eigendom zou toekomen aan de langstlevende partner;
- aan hun relatie een einde kwam;
- een overeenstemming tot de beëindiging van de overeenkomst niet mogelijk bleek;
- de verweerder de verdeling vordert van het onroerend goed.

4. Het arrest dat oordeelt dat aangezien de oorzaak van de overeenkomst die gelegen is "in de affectieve relatie van de deelgenoten en als doel [heeft] het goed samen te kunnen beheren en elkaar rechten te garanderen na het overlijden van één van hen", door de beëindiging van de relatie "geen bestaansreden meer heeft", zodat het tontinebeding geen uitwerking meer heeft en er tussen de partijen dienvolgens "een gewone onverdeeldheid" is ontstaan en op die gronden beslist dat de verweerder op grond van artikel 815 Burgerlijk Wetboek de verdeling kan vorderen, is naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde en vijfde onderdeel
5.
(...)

Vierde onderdeel
(...)

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 954,22 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Andersluidende conclusie van het parket-generaal

C.13.0362.N
Advocaat-generaal Van Ingelgem heeft in hoofdzaak gezegd:

1. De betwisting betreft een tontineovereenkomst, waarbij elk van de partijen een voorwaardelijk recht van eigendom op een door hen aangekocht onroerend goed bekomt, onder de ontbindende voorwaarde van vooroverlijden, waardoor de langstlevende partij geacht wordt steeds de volledige eigendom van het goed te hebben genoten.

2. In deze werd de affectieve relatie tussen partijen (voor het overlijden van een van hen) beëindigd, en vraagt verweerder de vereffening en verdeling op grond van een uit onverdeeldheid treden conform artikel 815 BW.

3. Deze vordering wordt door het bestreden arrest ingewilligd.

4. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan dat op vijf onderdelen berust.

5. Zolang partijen samenwonen vormt het onroerend goed dat met een tontine werd aangekocht een doelvermogen dat voorbestemd is om op een gegeven ogenblik aan de langstlevende van de partijen toe te behoren. Dit begrip houdt in dat het vermogen als zodanig wordt losgeweekt van het persoonsbegrip enerzijds en van het begrip subjectief recht anderzijds.

Op zich vormt een tontineovereenkomst in feite een kanscontract (art. 1104 BW) waarvan de voor-en nadelen identiek zijn voor beide partijen, nu de gevolgen met betrekking tot winst en verlies afhangen van een onzekere gebeurtenis, namelijk het overlijden van een van hen.

6. Het verval als wijze van beëindiging van een rechtshandeling ten gevolge van het wegvallen van haar oorzaak werd de laatste jaren herhaaldelijk door de rechtspraak en rechtsleer in de verf gezet.

Zo oordeelde uw Hof d.d. 16 november 1989 (AR nr.8402, AC 1989-90, nr. 169) dat de oorzaak van een schenking niet enkel in het begiftigingsoogmerk ligt, maar ook in de hoofdzakelijke beweegreden die de schenker ertoe heeft gebracht de schenking te doen.

Wanneer de beweegreden die voor een schenking doorslaggevend is geweest, door een voorval buiten de wil van de schenker vervalt of verdwijnt, kan de feitenrechter volgens uw Hof vaststellen dat die schenking vervallen is, als zij, volgens de bewoording zelf van die beschikking of volgens de uitlegging van de wil van de beschikker, onlosmakelijk verbonden is met de omstandigheden die eraan ten gronde lagen en die haar enige reden van bestaan uitmaken.

In een later arrest van 21 januari 2000 (AR C.98.0335.F, AC 2000, nr. 56) voegde uw Hof, naast de twee eerdere (cumulatieve) objectieve toepassingsvoorwaarden (te weten het wegvallen van de doorslaggevende beweegreden buiten de wil van de schenker), daaraan nog een derde voorwaarde toe: opdat een testament kan vervallen wegens het verdwijnen van zijn oorzaak, is volgens uw Hof vereist dat deze verdwijning zich heeft voorgedaan vóór het overlijden van de testator.

In een nog recenter arrest van 12 december 2008 (AR C.06.0322.N, AC 2008, nr. 723) oordeelt uw Hof dat het bestaan van een oorzaak in beginsel moet worden beoordeeld op het ogenblik van de totstandkoming van de rechtshandeling waarvan zij een geldigheidsvereiste is, en dat de latere verdwijning ervan in de regel geen gevolgen heeft voor de geldigheid van de rechtshandeling; dit geldt ook voor schenkingen onder de levenden.

Op basis van voormelde evolutie van de rechtspraak van uw Hof (in combinatie met de ter zake - weze het voor sommigen niet overtuigende - in de rechtsleer naar voor geschoven argumenten tegen de principiële aanvaarding van het verval: te weten dat dit zou afbreuk doen aan de bindende kracht van de overeenkomst in het algemeen en de versterkte onherroepelijkheid van de schenking in het bijzonder, en de rechtszekerheid zou aantasten) komt het mij dan ook voor dat, wanneer het tontinebeding geen uitstapregeling bevat, niet beperkt is in de tijd en de uitwerking ervan niet afhankelijk werd gemaakt van het samenwonen van partijen, de ene partij - ondanks de relatiebreuk - de uitvoering van dat beding door de andere partij mag en kan nastreven, en daarbij niet handelt in strijd met de goede trouw.

Als dusdanig heeft de beëindiging van de relatie tussen de partijen niet het verval van de oorzaak tot gevolg (hof van beroep Antwerpen 19 maart 2008, RW 2008-09, 1436).

7. Bij dit alles kan trouwens nog de vraag worden gesteld of het tontinebeding, waarbij de deelgenoten reeds over hun rechten hebben beschikt in mekaars voordeel, eraan niet in de weg staat dat een van hen, met toepassing van artikel 815 BW, de verdeling van het betrokken goed vordert. We staan hier immers voor een vrijwillige of conventionele onverdeeldheid waarop niet dezelfde regels van toepassing zijn als op de gewone of toevallige onverdeeldheid (D. Michiels, Tontine en exclusief genot, RW 2012-13, (1300), 1302, nr. 4; zie ook hof van beroep Antwerpen, RW 2008-09, 1436).

Het Franse Hof van Cassatie heeft in een arrest van 9 november 2011 zijn eerdere rechtspraak ter zake bevestigd door te oordelen dat er geen sprake is van onverdeeldheid bij tontine, omdat de partijen (in afwachting van het overlijden van de eerststervende) slechts voorwaardelijke rechten verkrijgen (D. Michiels, o.c., 1302, nr. 6) en ook de eerste kamer F van uw Hof heeft op 20 september 2013 (AR C.08.0018.F) geoordeeld dat het recht om ten allen tijde de onverdeeldheid te vorderen krachtens artikel 815 BW niet geldt bij een vrijwillige onverdeeldheid in hoofdzaak.

8. Op grond van de hierboven vermelde benadering ben ik dan ook de mening toegedaan dat het bestreden arrest, dat oordeelt dat door de beëindiging van de relatie het tontinebeding is vervallen, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt, en dat het middel in zoverre gegrond is.

9. Ik concludeer derhalve tot VERNIETIGING.

Rechtsleer:

• D. Michiels, Actualia inzake tontine en aanwas in N. CARETTE en R. BARBAIX, Tendensen vermogensrecht 2013, 127-129
• X. Over rechtvaardigheid in het recht, T. Fam. 2014/8, 174
• noot onder voormeld arrest van E. Adriaens, TBBR 2014, 261
• F. PEERAER, RW 2013-2014, 1625 en T. Not. 2014, 231, noot C. ENGELS

Noot onder dit arrest in het RW 2014-2015 1625 wer een noot gepubliceerd van D. Michiels, Relatiebreuk beëindigt tontine

Bronvermeldingen in deze noot

• J. Bael, Het verbod van bedingen betreffende toekomstige nalatenschappen, Mechelen, Kluwer, 2006, nrs. 1040 e.v.;

• D. Michiels, Tontine en aanwas, Mechelen, Kluwer, 2008, nrs. 3 e.v.;

• V. Sagaert, “Tontine en aanwas door het oog van het goederenrecht” in B. Tilleman en A. Verbeke (eds.), Actualia vermogensrecht, Brugge, die Keure, 2005, 145).

• D. Michiels, “Aanwasbedingen en mede-eigendom” in Actuele reflecties over notariële materies (Familie – Vastgoed – Rechtspersoon – Fiscaal), Leuvense Notariële Geschriften, Brussel, Larcier, 2012, 87-94).

• Gent 21 december 2010, RW 2011-12, 1908.

• Beslagr. Luik 27 januari 1997, JLMB 1997, 727, Rev.not.b. 1997, 337, noot, Rev.trim.dr.fam. 1997, 193;

• Beslagr. Verviers 6 januari 2003, Rev.not.b. 2003, 179).

• Y.-H. Leleu, “Des clauses d’accroissement et de tontine: plus solide que le couple?” in KFBN (ed.), Familie op maat, Mechelen, Kluwer, 2005, 296).

• Rb. Brussel 12 september 1997, JLMB 1999, 1018;

• Rb. Gent 2 september 2003, T.Not. 2005, 409;

• Rb. Brussel 14 juni 2004, CABG 2006/6, 47, noot D. Michiels;

• Rb. Brussel 18 april 2005, CABG 2006/6, p. 54, noot D. Michiels

• Cass.12 december 2008 (RW 2008-09, 1690.

• R. Barbaix, “Verval van de schenking door het verdwijnen van de doorslaggevende beweegreden: het derde bedrijf”, RW 2008-09, 1666-1683

• Rb. Brussel 12 september 1997, JLMB 1999, 1018, noot Y.-H. Leleu;

• Rb. Gent 2 september 2003, T.Not. 2005, 409;

• Rb. Brugge 14 juni 2004, T.Not. 2005, 415;

• Gent 24 maart 2005, T.Not. 2005, 403;

• Bergen 12 januari 2010, Rev.not.b. 2013, 712;

• Luik 21 juni 2011, Rev.not.b. 2013, 717, noot L. Sauveur; F. Bouckaert, “Hoe tontine- en aanwasbedingen kunnen worden beëindigd? Bedenkingen bij het vonnis van de rechtbank te Gent van 2 september 2003, bij het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 maart 2005 en bij het vonnis van de rechtbank te Brugge van 14 juni 2004”, T.Not. 2005, 387-396;

• J.-F. Romain, “Actualité du droit de la tontine et de la clause d’accroissement” in Actualité en droit familial, Brussel, Bruylant, 2009, 122-128

• S. Van Loock, “De imprevisieleer in België: Quousque tandem abutere patientia nostra?”, TBBR 2013, 448

• Cass. 7 februari 1994, Arr.Cass. 1994, 146, RW 1994-95, 121; Cass. 14 april 1994, Arr.Cass. 1994, 369, RW 1994-95, 434).

• Cass. 10 september 1971, Arr.Cass. 1972, 31, Pas. 1972, 28, noot, RW 1971-72, 321, RCJB 1976, 300, noot P. Van Ommeslaghe).

• V. Sagaert, “De beëindiging van conventionele onverdeeldheden: ja, maar of neen, tenzij?” in Actuele reflecties over notariële materies (Familie – Vastgoed – Rechtspersoon – Fiscaal), Leuvense Notariële Geschriften, Brussel, Larcier, 2012, (71) 79-81

• Cass. 20 september 2013, C.08.0018.F, juridat

• Cass. 12 december 2008, RW 2008-09, 1690 met noot R. Barbaix,  RW 2008-09, 1666-1683).

• S. Stijns, Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure, 2005, 66 e.v.)

Noot: 

Vanderhulst, "Tontine verliest uitwerking na relatiebreuk",RABG 2015/4, 287

Elisabeth Adriaens, Cassatie biedt ex-partners uitweg uit tontine, De Juristenkrant, 288, 23 april 2014, pagina 1

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 11/06/2014 - 17:30
Laatst aangepast op: ma, 07/08/2017 - 15:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.