-A +A

Toewijzing van de borgsom aan de staat bij niet-verschijning

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 07/03/2017
A.R.: 
P.15.0809.N

De bepalingen van artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet vereisen niet dat de mededeling die de veroordeelde opdraagt te verschijnen ter tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf gebeurt door middel van een opsluitingsbriefje met opgave van de plaats waar hij zich dient aan te bieden; deze mededeling kan eveneens gebeuren door elke kennisgeving waarbij de bevoegde overheid de veroordeelde duidelijk opdraagt zich op een bepaald moment of binnen een opgegeven tijdsspanne bij een aangeduide dienst aan te bieden en het feit dat de veroordeelde aan een dergelijk bevel geen gevolg geeft, kan leiden tot het verzuim van verschijning op grond waarvan de rechter kan oordelen dat de borgsom vervalt aan de Staat.

De rechter oordeelt op grond van alle gegevens die hem regelmatig ter kennis zijn gebracht op het moment van zijn uitspraak, onaantastbaar of de veroordeelde die niet is verschenen ter tenuitvoerlegging van zijn straf een wettige grond van verschoning voor dat verzuim aanvoert; aldus kan de rechter, ook al stelt hij vast dat de veroordeelde voorheen door zijn foutieve nalatigheid geen gevolg heeft gegeven aan een bevel van het openbaar ministerie om zich aan te bieden met het oog op die tenuitvoerlegging, de verschoonbaarheid van de veroordeelde afleiden uit het feit dat hij zich heeft aangeboden om zijn straf te ondergaan nadat hij door het openbaar ministerie werd gedagvaard tot vervallenverklaring van de borgsom. Contra G. TIMMERMANS, Etude sur la détention préventive, Gent, Hoste, 1878, p. 303, nr. 390.

weergave van dit arrest op juridat

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1215
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.15.0809.N

A.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 april 2015, gewezen na verwijzing bij arrest van het Hof van 9 december 2014.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van art. 35, § 4, vijfde en zevende lid Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat een veroordeelde kan verzuimen om te verschijnen in de zin van de vermelde bepalingen, ook al werd hem geen opsluitingsbriefje toegestuurd, maar enkel een vraag om zich binnen twee maanden aan te dienen «bij de Belgische politiediensten», waarbij niet wordt gepreciseerd over welke politiedienst het gaat en er ook geen adres wordt vermeld waar deze aanbieding zou moeten gebeuren.

2. Volgens art. 35, § 4, vijfde lid Voorlopige Hechteniswet wordt de borgsom toegewezen aan de Staat, zodra gebleken is dat de veroordeelde zonder wettige reden van verschoning niet verschenen is ter tenuitvoerlegging van het vonnis. Volgens het zevende lid van deze paragraaf wordt de niet-verschijning van de veroordeelde ter tenuitvoerlegging van het vonnis, op vordering van het openbaar ministerie, vastgesteld door de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken en verklaart dat vonnis tevens dat de borgsom aan de Staat vervalt.

Die bepalingen vereisen niet dat de mededeling die de veroordeelde opdraagt te verschijnen ter tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf, gebeurt door middel van een opsluitingsbriefje met opgave van de plaats waar hij zich dient aan te bieden. Deze mededeling kan eveneens gebeuren door elke kennisgeving waarbij de bevoegde overheid de veroordeelde duidelijk opdraagt zich op een bepaald moment of binnen een opgegeven tijdspanne bij een aangeduide dienst aan te bieden. Het feit dat de veroordeelde aan een dergelijk bevel geen gevolg geeft, kan leiden tot het hiervoor bedoelde verzuim op grond waarvan de rechter kan oordelen dat de borgsom vervalt aan de Staat.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Het arrest stelt vast:

«Op 28 augustus 2008 werd namens de procureur-generaal aan [de eiser] op zijn laatst vermeld adres een brief (met een Franse vertaling) gericht met volgende inhoud:

«Hierbij wordt U in kennis gesteld dat u bij voormeld arrest veroordeeld werd tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van drie jaar (met uitstel vijf jaar voor twee jaar).

«Teneinde deze gevangenisstraf te ondergaan dient u zich binnen twee maanden na ontvangst van dit schrijven aan te bieden bij de Belgische politiediensten in het bezit van onderhavig schrijven.

«Indien u nalaat u op vrijwillige basis aan te bieden zal de borgsom die op 29 januari 2007 gestort werd met het oog op uw invrijheidsstelling (zijnde 5.000 euro) niet teruggestort worden.»

«Deze brief werd op 29 september 2008 terugbezorgd aan het parket bij het Hof van Beroep te Gent met de vermelding dat de betrokkene niet woonde op het aangegeven adres.»

4. Het arrest oordeelt vervolgens:

«Anders dan [de eiser] staande houdt, moet de oproeping voor de uitvoering van de vrijheidsstraf niet noodzakelijk gebeuren aan de hand van een hechtenis- of gevangenisbriefje; de oproeping kan ook gebeuren door een duidelijk bevel van het openbaar ministerie, zoals te dezen, aan de hand van een aan [de eiser] gerichte, niet mis te verstane brief, aan het adres waarvan mag/moet worden aangenomen dat de veroordeelde er verblijft.»

...

«[De eiser] had zich kunnen aanbieden bij om het even welke Belgische politiedienst teneinde gevolg te geven aan het bevel tot uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf; de tekst van de brief van 28 augustus 2008 is duidelijk op dit punt; de sanctie bij niet-nakomen van het bevel eveneens.»

Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van de artt. 29 en 35, § 4, vijfde en zevende lid Voorlopige Hechteniswet: het arrest stelt vast dat de eiser de brief van het openbaar ministerie die hem opdroeg zich aan te bieden met het oog op de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf, niet heeft ontvangen; het stelt evenwel niet vast dat de eiser zijn adreswijziging opzettelijk niet heeft doorgegeven om zich aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling te onttrekken; het oordeelt eveneens ten onrechte dat de eiser na zijn definitieve veroordeling nog de verplichting had die adreswijziging aan het openbaar ministerie door te geven; art. 35, § 4, vijfde lid Voorlopige Hechteniswet vereist voor de toewijzing van de borgsom aan de Staat dat de veroordeelde zich vrijwillig heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling; dit veronderstelt dat hij het opzet heeft niet te verschijnen voor die tenuitvoerlegging en bijgevolg dat hij effectief kennis heeft van het verzoek om zich aan te bieden; dit is slechts anders wanneer hij zijn adres opzettelijk verborgen houdt om te verhinderen dat het verzoek hem bereikt; er is evenwel geen vrijwillige onttrekking wanneer dat verzoek hem niet bereikt omdat hij uit onachtzaamheid nalaat zijn adreswijziging door te geven; bovendien is de verplichting zijn adreswijzigingen door te geven aan het openbaar ministerie, zoals bepaald in art. 29 Voorlopige Hechteniswet, enkel van toepassing zolang de voorlopige hechtenis bestaat, dit is ten laatste tot aan de definitieve uitspraak van het vonnisgerecht over de strafvordering; bijgevolg wijst het arrest eisers borgsom ten onrechte toe aan de Staat.

6. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Het oordeelt ook: «Overigens, ook nadat hij op de hoogte was van de vordering tot vervallenverklaring aan de Staat van de door hem betaalde borgsom (dagvaarding van 29 november 2012), omdat hij vertegenwoordigd werd op de zittingen van deze kamer van het hof van 2 en 30 januari 2013, heeft [de eiser] zich (vóór de verjaring van de straf) niet aangeboden voor het uitvoeren van de hem opgelegde gevangenisstraf.»

Die zelfstandige reden draagt de beslissing dat de eiser zonder wettige reden van verschoning niet is verschenen ter tenuitvoerlegging van het veroordelend arrest en dat bijgevolg de borgsom vervalt aan de Staat.

Het middel dat niet opkomt tegen die reden, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Derde middel

7. Het middel voert schending aan van art. 35, § 4, vijfde en zevende lid Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser zich ook na de dagvaarding tot vervallenverklaring van de borgsom nog nuttig had kunnen aanbieden om zijn gevangenisstraf te ondergaan, en dit tot de verjaring van die straf; handelingen die pas na het vorderen van de vervallenverklaring van de borgsom worden gesteld, zijn zonder belang voor de vraag of de betrokkene zich al dan niet voor de tenuitvoerlegging van de veroordelende beslissing heeft aangeboden; de vraag is hier immers of de betrokkene al dan niet opzettelijk heeft nagelaten zich aan te bieden op het ogenblik waarop dit volgens de vordering van het openbaar ministerie had moeten gebeuren; het feit dat de betrokkene zich nadien al dan niet zou hebben aangeboden, kan daaraan niets meer wijzigen; wanneer de grondslag van de vordering van het openbaar ministerie onjuist is, is zijn vordering ongegrond, ongeacht wat de betrokkene later al dan niet nog deed.

8. De rechter oordeelt op grond van alle gegevens die hem regelmatig ter kennis zijn gebracht op het moment van zijn uitspraak, onaantastbaar of de veroordeelde die niet is verschenen ter tenuitvoerlegging van zijn straf een wettige grond van verschoning voor dat verzuim aanvoert. Aldus kan de rechter, ook al stelt hij vast dat de veroordeelde voorheen door zijn foutieve nalatigheid geen gevolg heeft gegeven aan een bevel van het openbaar ministerie om zich aan te bieden met het oog op die tenuitvoerlegging, de verschoonbaarheid van de veroordeelde afleiden uit het feit dat hij zich heeft aangeboden om zijn straf te ondergaan nadat hij door het openbaar ministerie werd gedagvaard tot vervallenverklaring van de borgsom.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

...

Noot: 

• F. Goossens en H. Berkmoes, De borgsom en de teruggave ervan, RW 2016-2017, 1096 (noot onder Cass. 9 december 2014)

• G. TIMMERMANS, Etude sur la détention préventive, Gent, Hoste, 1878, p. 303, nr. 390.

• Cass. 12 juni 2007, AR P.07.0237.N, AC 2007, nr. 318 met concl. eerste advocaat-generaal DE SWAEF;

• Cass. 19 juli 2005, AR P.05.1008.N, AC 2005, nr. 390, RDPC, 2006, p. 285 met noot G.-F. RANERI, 'La mise en liberté sous caution dans la jurisprudence de la Cour de Cassation'.

zie ook Wet betreffende de voorlopige hechtenis / 1990-07-20 / Art. 35, § 4, vijfde en zevende lid

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 25/03/2018 - 11:19
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 18:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.