-A +A

Toetsingsrecht van het stakingsbevel van de kortgedingrechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 26/06/2013

Het is de taak van de voorzitter in kort geding om na te gaan of het stakingsbevel terecht werd gegeven. De voorzitter in kort geding toetst hierbij het stakingsbevel op zijn externe en interne wettigheid en mag hierbij nagaan of het bevel een preventief karakter heeft dan wel berust op machtsoverschrijding. De opportuniteit van de gegeven maatregel mag niet worden beoordeeld. Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat de vraag of de werken al dan niet vergunningsplichtig waren, niet louter een aspect van de opportuniteit van de maatregel betreft, zodat deze vraag wel degelijk door het hof beantwoord dient te worden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
466

BVBA L.P. en NV N.G. t/ Vlaams Gewest

De antecedenten en de vorderingen

1. BVBA L.P. is eigenares van een onroerend complex, bestaande uit grond en bedrijfsgebouwen, gelegen te (...). Zij verhuurt dit onroerend goed aan NV N.G.

2. Het pand is volgens het gewestplan Hasselt-Genk gelegen binnen de grenzen van een industriegebied. Er werden twee stedenbouwkundige vergunningen teruggevonden voor dit pand:

– een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een schrijnwerkerij met werkhuis van 5 februari 1960 (RO1959/263);

– een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van twee werkplaatsen en een houtloods van 20 november 1963 (RO1963/442).

In maart 2010 werd het pand opgenomen op de lijst van leegstaande bedrijven.

3. Op 13 februari 2012 stelde de beëdigd bouwtoezichter van de stad Genk vast dat er werken plaatsvonden in de gebouwen op het perceel vermeld in randnr. 1. In opdracht van NV N.G. en BVBA L.P. werden er verbouwingswerken uitgevoerd aan het leegstaand pand en dit met het oog op de uitbating van een warenhuis.

De volgende interne bouwwerkzaamheden werden ter plaatse vastgesteld:

“– verwijderen van een niet-dragende scheidingsmuur tussen twee hallen;

– plafond van de onvergunde rechtsgelegen loods (plat dak) afgebroken;

– stockage van gebroken bouwpuin (vermoedelijk voor het ophopen van de vloer om niveauverschil weg te werken)”.

Er werd een bevel tot staking van de werken, handelingen en wijzigingen aangeplakt.

De politiezone GAOZ stelde vervolgens op 17 februari 2012 een proces-verbaal van vaststelling op.

Op 21 februari 2012 werd het gegeven bevel tot staking van de werken, handelingen en wijzigingen bekrachtigd door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur.

4. Op 27 april 2012 gingen NV N.G. en BVBA L.P. over tot het dagvaarden van het Vlaams Gewest voor de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren, rechtsprekend zoals in kort geding. Hun vordering strekte ertoe de opheffing te horen bevelen aan het Vlaams Gewest van het voormelde stakingsbevel (...).

In het bestreden vonnis van 2 november 2012 besliste de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren, rechtsprekend zoals in kort geding, tot de ongegrondheid van de vordering van NV N.G. en BVBA L.P.

5. Op 22 november 2012 werd hoger beroep ingesteld door NV N.G. en BVBA L.P. Hun hoger beroep strekt ertoe het vonnis van de eerste rechter te horen vernietigen en het stakingsbevel van 13 februari 2012, bekrachtigd op 21 februari 2012, te horen opheffen.

Het Vlaams Gewest concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en verzoekt het bestreden vonnis te willen bevestigen.

Beoordeling

1. Het voorwerp van de betwisting tussen partijen betreft het bevel tot staking van werken, handelingen en wijzigingen, dat bij beslissing van 21 februari 2012 door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur werd bekrachtigd.

Het is de taak van de voorzitter in kort geding om na te gaan of het stakingsbevel terecht werd gegeven. De voorzitter in kort geding toetst hierbij het stakingsbevel op zijn externe en interne wettigheid en mag hierbij nagaan of het bevel een preventief karakter heeft dan wel berust op machtsoverschrijding. De opportuniteit van de gegeven maatregel mag niet worden beoordeeld. Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat de vraag of de werken al dan niet vergunningsplichtig waren, niet louter een aspect van de opportuniteit van de maatregel betreft, zodat deze vraag wel degelijk door het hof beantwoord dient te worden.

2. Het Vlaams Gewest laat allereerst gelden dat de gebouwen deels niet vergund zijn en dat het stakingsbevel deels gebaseerd zou zijn op een gebrek aan vergunning voor de bestaande constructie.

Het hof merkt op dat uit het vaststellingsverslag van 13 februari 2012, opgesteld door de beëdigd bouwtoezichter van de stad Genk, geenszins blijkt dat de staking van werken, handelingen en wijzigingen, zoals bekrachtigd door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur op 21 februari 2012, gebaseerd werd op de vaststelling dat de constructie – en meer specifiek de rechts gelegen loods – onvergund gebouwd werd. In dit vaststellingsverslag van 13 februari 2012 wordt immers geen melding gemaakt van het feit dat de gebouwen niet werden uitgevoerd volgens de twee voorhanden zijnde stedenbouwkundige vergunningen. In casu liggen immers twee stedenbouwkundige vergunningen voor, één voor de bouw van een schrijnwerkerij met werkhuis van 5 februari 1960 (RO1959/263) en een andere voor de bouw van twee werkplaatsen en een houtloods van 20 december 1963 (RO1963/442).

Uit een brief van het Bestuur Economische Inspectie van het Ministerie van Economische Zaken van 24 juli 1995 blijkt bovendien dat “het betrokken handelscomplex” reeds bestond voor het in werking treden van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen, zodat NV N.G. en BVBA L.P. aantonen dat de gebouwen reeds aanwezig waren voordat het gewestplan Hasselt-Genk voor het eerst in werking trad.

De als bijlage bij het vaststellingsverslag gevoegde luchtfoto, waarop de tekst “onvergund gebouw” op de rechts gelegen loods eenzijdig werd geïmplementeerd, zonder dat in het vaststellingsverslag zelf enige verdere verduidelijking wordt gegeven aan de hand van onder meer de voormelde stedenbouwkundige vergunningen, volstaat niet om tot het besluit te komen dat een deel van de gebouwen onvergund en/of niet in overeenstemming met de stedenbouwkundige vergunningen werd gebouwd.

Er is in casu bijgevolg geen bewijs voorhanden dat de gebouwen in kwestie in overtreding en niet vergund werden gebouwd en dat het stakingsbevel gebaseerd zou zijn op een door het Vlaams Gewest beweerd onvergunde toestand van een deel van de gebouwen in kwestie.

3. Het stakingsbevel is daarentegen wel gebaseerd op de stelling dat een onterechte vergunningsplichtige functiewijziging werd doorgevoerd van “industrie en ambacht” naar “(klein)handel”.

De vergunningsplicht voor gebruikswijzigingen werd pas ingevoerd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1984. De wijziging van een gebouw bestemd voor industriële doeleinden naar een gebouw bestemd voor handelsdoeleinden, is sindsdien vergunningsplichtig geworden.

BVBA L.P. en NV N.G. voeren evenwel aan dat het gebouw – waarvan niet aangetoond wordt dat het onvergund werd opgericht – reeds vóór de inwerkingtreding van voormeld Besluit aangewend werd voor handelsdoeleinden, op een ogenblik dat de bestemmingswijziging van “industrie en ambacht” naar “handel” nog niet vergunningsplichtig was, zodat er geen sprake is van een wederrechtelijke bestemmingswijziging van “industrie en ambacht” naar “handel”.

Het hof is van oordeel dat BVBA L.P. en NV N.G. inderdaad aantonen dat het gebouw reeds vóór 1984 voor handel werd gebruikt. In zijn brieven van 3 april 1991, 3 november 1994 en 24 juli 1995 verwijst het Bestuur Economische Inspectie van het Ministerie van Economische Zaken immers reeds naar de uitbating van “het betrokken handelscomplex” vóór het in werking treden van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen.

Ook uit de door BVBA L.P. en NV N.G. neergelegde reclamefolder blijkt dat het “Doe-het-zelf-center L.” reeds in 1983 zijn doe-het-zelfzaak uitbaatte in de gebouwen.

Omdat de aangevochten functiewijziging in het verleden reeds werd doorgevoerd in een vergund gebouw, voordat de functiewijziging vergunningsplichtig werd, is er in casu geen sprake van een onwettige functiewijziging door de uitvoering van de werken.

4. De vaststelling dat het gebouw sedert 2010 niet meer werd gebruikt en op de lijst van de leegstaande gebouwen werd opgenomen, impliceert niet dat het gebouw in de tussentijd zijn functie als handelsruimte zou hebben verloren. Er is immers geen enkele basis om aan te nemen dat de leegstand de functie van het gebouw zou hebben doen vervallen.

5. Gelet op wat voorafgaat, staat vast dat de door BVBA L.P. en NV N.G. uitgevoerde werken geenszins vergunningsplichtig zijn.

Er zijn bijgevolg redenen voorhanden om het stakingsbevel, dat bij beslissing van 21 februari 2012 door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur werd bekrachtigd, op te heffen. De beschikking van de eerste rechter wordt aldus hervormd.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 16/11/2014 - 15:21
Laatst aangepast op: zo, 16/11/2014 - 15:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.