-A +A

Toepasselijk recht op verzekeringsovereenkomsten keuzerecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 04/11/2013

Bij een verzekeringscontract kunnen partijen vrij het toepasselijke recht kiezen.

Artikel 28ter, § 6 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (controlewet) bepaalt immers dat partijen - waar het grote risico's betreft, zoals in casu (zie bijlage I van KB 22 februari 1991; bijlage A (nr. 6) richtlijn nr. 73/239/EEG en art. 5 richtlijn nr. 88/357/EEG) - bij overeenkomst het toepasselijk recht vrij kunnen kiezen, wat volledig in overeenstemming is met artikel 27 richtlijn nr. 92/49/EEG.

Ter zake geldt dus een verregaande contractvrijheid. De keuze van de partijen voor een ander recht dan het Belgisch kan evenwel geen afbreuk doen aan de dwingende bepalingen van het Belgisch recht wanneer op het tijdstip van de keuze alle elementen van de overeenkomst op het grondgebied van België gelocaliseerd zijn (art. 28ter, § 6, laatste lid wet 9 juli 1975). Zelfs wanneer dit het geval zou zijn, kan reeds opgemerkt worden dat de bepalingen van de Belgische wetgeving inzake zeeverzekeringen net zoals de bewijsregels in de regel van suppletief recht zijn.

Overeenkomstig artikel 28ter, § 7 controlewet dient de rechtskeuze waarvan sprake in § 6 uitdrukkelijk te zijn of voldoende duidelijk te blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van de zaak. Deze bepaling is in overeenstemming met richtlijn nr. 88/357/EEG: “De in de vorige onderdelen bedoelde rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van bet geval.” (art. 7, 1.,h)).

De vraag of er overeenstemming tussen partijen is tot stand gekomen over de keuze van het toepasselijk recht, wordt beheerst door het recht dat toepasselijk zou zijn indien de rechtskeuzebepaling geldig zou zijn, in casu dus door het Engels recht. Dit volgt uit artikel 7, 3. richtlijn nr. 88/357/EEG.

23.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/12
Pagina: 
845
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(A.N.S. NV, R.S. NV, G.S.M., HDI.G.V. NV, A.S. NV, C. BV / Rederij A. BVBA (met als vereffenaars de heer J.D. en de heer P.D.))

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 20 februari 2012 waarbij:

het hoger beroep toelaatbaar werd verklaard en reeds deels gegrond,
het bestreden vonnis hervormd werd waar het besliste tot toepassing van het Belgisch recht op de verzekeringsovereenkomst,
opnieuw recht sprekend vastgesteld werd dat de overeenkomst beheerst wordt door Engels recht,
de debatten heropend werden conform het verzoek van partijen en
de kosten werden aangehouden.
De retroacten worden hieronder opnieuw beknopt weergegeven ter bevordering van de leesbaarheid van dit arrest.

1. De rederij A. was eigenares van het Belgisch zeevisserijschip “A.”, geregistreerd in de haven van Zeebrugge onder het nummer (…).

Het vissersschip was voor haar casco en toebehoren verzekerd bij huidige appellanten voor een totaal bedrag van 2.000.000 EUR, zoals vastgelegd in de polis 628.343.503, ondertekend op 26 maart 2007 en ingaand op 1 april 2007.

Op 11 juli 2007, nadat het schip 10 dagen had stilgelegen in de haven van Milford, is de bemanning van de A. aan boord van het schip gegaan om alles in gereedheid te brengen voor vertrek naar de gebruikelijke zeegronden in de daaropvolgende ochtend.

Op 12 juli 2007 omstreeks 5.30 u heeft het schip de haven van Milford verlaten richting Ierse Zee.

Omstreeks 9.20 u kwamen er twee alarmsignalen door in de stuurhut: één “bilgealarm” machinekamer en één alarm “oliedruk keerkoppeling”.

De stuurman heeft zich naar de machinekamer begeven en stelde vast dat er een hoeveelheid water in de machinekamer stond tot ongeveer een halve meter boven de laagste vloerplaat, op kniehoogte.

Omstreeks 9.46 u werd een radiobericht uitgezonden vanuit het schip met verzoek tot assistentie dat door de Ierse kustwacht werd opgevangen. Inmiddels was de machinekamer in amper 40 minuten (omstreeks 10.00 u) volledig volgelopen.

Om 10.45 u is een eerste reddingshelikopter ter plaatse gekomen die een pomp op het schip heeft neergelaten en tezelfdertijd 4 bemanningsleden heeft geëvacueerd. Aangezien deze pomp niet volstond om de toestroom van water te keren, werd anderhalf uur later nog een tweede pomp aangeleverd die echter niet goed bleek te werken.

Aangezien het schip water bleef maken en geen van de intussen ter hulp gesnelde schepen een goed werkende pomp met voldoende capaciteit aan boord had en er nog minstens 5 uur op een derde zwaardere pomp moest worden gewacht, werd door de schipper en de machinist besloten het zinkende schip te verlaten. De aanwezige pompen werden eerst nog gevuld met diesel zodat ze zo lang mogelijk zouden kunnen blijven draaien.

Om 13.30 u werden de laatste opvarenden geëvacueerd en werd het schip onbemand achtergelaten. De toestand van het schip werd ter plaatse niettemin nauwgezet verder opgevolgd.

Aangekomen in Waterford werden de toenmalige advocaat en de verzekeringsmakelaar van rederij A. telefonisch op de hoogte gebracht. Het schadegeval werd daarop gemeld aan appellanten via de makelaar.

Omstreeks 15.51 u werd Ir. C.M. door de verzekeraars gelast met een expertise ten einde de oorzaak en omvang van de schade vast te stellen.

Omstreeks 20.26 u meldde de heer C.M. aan de verzekeraars dat het schip nog altijd drijvende was en dat hij een sleepboot had gevonden die bereid was om het schip te slepen naar de haven voor 300 Britse pond per uur.

De schipper en de machinist werden door de Coast Guard (kustwacht) gevraagd om opnieuw aan boord te gaan in het kader van de reddingsoperatie, gelet op het feit dat een sleepboot onderweg was naar het schip.

Rond 22.15 u is de sleepboot uitgevaren maar na ongeveer een uur, toen de sleepboot net in volle zee was, werd hij door de verzekeraars teruggeroepen, naar zij beweren omdat zij ervan overtuigd waren geraakt dat de redding van het schip in de concrete omstandigheden van dat ogenblik niet mogelijk was, en werd de reddingsactie geannuleerd.

Van 10.45 u tot 21.45 u werd het schip bijgestaan door twee tankers en door een Oostends vissersschip. Uit de vanuit dit laatst genoemde schip gemaakte foto's moet blijken dat het inmiddels verlaten schip toch was blijven drijven.

Uiteindelijk is het schip op 13 juli 2007 omstreeks 2.16 u gezonken in de Ierse Zee alwaar de zee 100 m diep is, wat een berging zo goed als onmogelijk maakt.

Bij aangetekend schrijven van 13 september 2007 heeft rederij A. via haar toenmalige raadsman kennisgeving van abandonnement gedaan aan appellanten.

Bij brief van 12 oktober 2007 werd het verzoek om het abandonnement te aanvaarden door appellanten geweigerd doch werd rederij A. in een positie geplaatst alsof zij een dagvaarding zou hebben uitgebracht met het oog op de stuiting van een eventuele verjaring. De verzekeraars wensten immers eerst een expertiseonderzoek te voeren naar de oorzaken van het schadegeval. Hun aandacht ging in het bijzonder naar de wierpotten (dit zijn filters van het koelwatersysteem) van het schip omdat leden van de bemanning in hun verklaring te kennen hadden gegeven dat de oorzaak zou kunnen gelegen zijn in een ontoereikende borging van de sluitdeksels van de wierpotten.

De BVBA rederij A. werd kort nadien in vereffening gesteld (zie Bijl. BS 19 november 2007).

Op 27 februari 2008 vond in het laboratorium van TNO te Delft op verzoek van de verzekeraars een simulatieonderzoek plaats om na te gaan of, en zo ja, onder welke omstandigheden, de borgingen van het sluitdeksel van de wierpot van het hoofdzeekoelwatersysteem zodanig los kunnen trillen dat dit deksel de waterdruk van een varend schip niet meer zou kunnen weerstaan. De resultaten van het onderzoek werden neergeschreven in een onderzoeksrapport van 28 maart 2008. Het rapport besluit dat het onderzoek heeft vastgesteld dat de handvast aangedraaide knevelmoeren ten gevolge van de aangebrachte trillingen niet zouden verdraaien. De verzekeraars leidden hieruit af dat de knevelmoeren niet dermate kunnen lostrillen dat de deksels kunnen loskomen en dat hierdoor geen water kan indringen met een omvang van 110 m3 in 25 minuten tot gevolg.

Bij brief van 21 april 2008 hebben de verzekeraars medegedeeld dat zij niet tot dekking van het schadegeval konden overgaan omdat er geen bewijs zou zijn geleverd van een verzekerd risico.

Rederij A. i.v. (in vereffening) ging niet akkoord met dat standpunt en stelde dat er buiten de reeds aangehaalde oorzaak, ook nog andere oorzaken aannemelijk konden zijn, zoals bijvoorbeeld het falen van de romp, een terugslagklep of een buis. Zij verwees hiervoor naar een rapport dat werd opgesteld n.a.v. het zinken van een ander schip in vergelijkbare omstandigheden. De verzekeraars werden verzocht hun standpunt te herzien en tot dekking over te gaan.

Aangezien de verzekeraars hun standpunt niet hebben gewijzigd, werden zij bij aangetekend schrijven van 24 juni 2008 in gebreke gesteld door de raadsman van rederij A. i.v. en werden zij verzocht dekking te verlenen.

Zij gingen hier niet op in.

Rederij A. i.v. besloot tot dagvaarding van haar verzekeraars over te gaan.

(…)

M.b.t. de vraag naar welk recht bepaald dient te worden of zich een verzekerd risico heeft voorgedaan, werd bij tussenarrest van 20 februari 2012 als volgt geoordeeld:

“(…) De als eerste blz. aangehechte verzekeringsvoorwaarden vermelden letterlijk en in even grote letters als de hoofdbepalingen van de polis waaraan ze gehecht zijn: De waarborg is verleend aan de volle voorwaarden van de Institute Time Clauses Hull - CL280 en de Cascoverzekering Zeevisserij UK, inbegrepen alle schaden, welk ook de oorzaak is, met uitsluiting nochtans van slijtage en vermoeidheid van materiaal.'

Een identieke clausule is ook vermeld op het door makelaars R.v.O. BV' en door elk van de verzekeraars afzonderlijk ondertekend exemplaar van de polis, dat verwijst naar de eraan gehechte condities Algemene voorwaarden - Algemene voorwaarden casco zeevisserij (België)'.

De eerste bepaling daarvan luidt: WAARBORGEN CASCO EN MOTOREN. De waarborg is verleend aan de volle voorwaarden van de Institute Time Clauses Hull- CL 280 en de cascoverzekering zeevisserij VK, inbegrepen alle schaden, welk ook de oorzaak is, met uitsluiting nochtans van slijtage en vermoeidheid van materiaal.'

Gelet op deze overeenstemmende vermelding en de ondertekening namens de geïntimeerde van de offerte waarin reeds naar de aldus aangehechte en duidelijk leesbare clausules, waaronder de hoger geciteerde, werd verwezen, wordt de wilsovereenstemming bewezen geacht dat de waarborg verleend zou worden aan de volle voorwaarden van de Institute Time Clauses Hull- CL 280 en de cascoverzekering zeevisserij Verenigd Koninkrijk.

21.

De Institute Time Clauses Hull bepalen reeds in hun aanhef: “This insurance is subject to English law and practice.”(of vertaald: “Deze verzekering is onderworpen aan Engels recht en Engelse praktijk.”).

Uit het feit dat de tekst van de bedoelde basisvoorwaarden zeeschepenverzekering Hull zelf niet aan de polis gehecht was, leidt geïntimeerde af dat er geen wilsovereenstemming over de toepasselijkheid van het Engels recht bewezen zou zijn.

22.

Er is geen nuttige betwisting over mogelijk dat een rechtskeuze effectief mogelijk is.

Artikel 28ter, § 6 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (controlewet) bepaalt immers dat partijen - waar het grote risico's betreft, zoals in casu (zie bijlage I van KB 22 februari 1991; bijlage A (nr. 6) richtlijn nr. 73/239/EEG en art. 5 richtlijn nr. 88/357/EEG) - bij overeenkomst het toepasselijk recht vrij kunnen kiezen, wat volledig in overeenstemming is met artikel 27 richtlijn nr. 92/49/EEG.

Ter zake geldt dus een verregaande contractvrijheid. De keuze van de partijen voor een ander recht dan het Belgisch kan evenwel geen afbreuk doen aan de dwingende bepalingen van het Belgisch recht wanneer op het tijdstip van de keuze alle elementen van de overeenkomst op het grondgebied van België gelocaliseerd zijn (art. 28ter, § 6, laatste lid wet 9 juli 1975). Zelfs wanneer dit het geval zou zijn, kan reeds opgemerkt worden dat de bepalingen van de Belgische wetgeving inzake zeeverzekeringen net zoals de bewijsregels in de regel van suppletief recht zijn.

23.

Overeenkomstig artikel 28ter, § 7 controlewet dient de rechtskeuze waarvan sprake in § 6 uitdrukkelijk te zijn of voldoende duidelijk te blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van de zaak. Deze bepaling is in overeenstemming met richtlijn nr. 88/357/EEG: “De in de vorige onderdelen bedoelde rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van bet geval.” (art. 7, 1.,h)).

De vraag of er overeenstemming tussen partijen is tot stand gekomen over de keuze van het toepasselijk recht, wordt beheerst door het recht dat toepasselijk zou zijn indien de rechtskeuzebepaling geldig zou zijn, in casu dus door het Engels recht. Dit volgt uit artikel 7, 3. richtlijn nr. 88/357/EEG.

Het hof stelt vast dat de rechtskeuze voldoende blijkt uit de overeenkomst en de omstandigheden van de zaak, en kan dus het andersluidend oordeel van de eerste rechter ter zake niet bijtreden. Er werd immers uitdrukkelijk bepaald dat de waarborg verleend zou worden aan de volle voorwaarden van de Institute Time Clauses Hull- CL 280 en de cascoverzekering zeevisserij Verenigd Koninkrijk. De bepalingen waarnaar verwezen werd maakten integraal deel uit van de overeenkomst (zie randnr. 20). Geïntimeerde kan zich niet schuilen achter een vermeende onwetendheid over de inhoud van die volle voorwaarden van de Institute Time Clauses Hull. Er werd talrijke keren zeer uitdrukkelijk en in grote letters in verschillende contractuele documenten verwezen naar deze in de sector zeer courante voorwaarden.

Geïntimeerde, die zich als rederij bij de zoektocht naar een nieuwe verzekeraar heeft laten bijstaan door in zeeverzekeringen gespecialiseerde makelaars die in alle onafhankelijkheid de voorwaarden van kandidaat-verzekeraars hebben vergeleken en alle nuttige informatie over de inhoud en de draagwijdte van de clausules konden verstrekken, heeft wetens en willens een verzekeringsovereenkomst gesloten aan de volle voorwaarden van de Institute Time Clauses Hull.

Die Institute Time Clauses Hull zijn courante contractvoorwaarden in de maritieme verzekeringspraktijk die in het Engels zijn opgesteld, talrijke Engelse juridisch-technische begrippen bevatten en die in hun aanhef uitdrukkelijk bepalen dat de verzekeringsovereenkomst onderworpen is aan het Engels recht en de Engelse praktijk. Met het akkoord van geïntimeerde dat de waarborg verleend werd aan de volle voorwaarden van de Institute Time Clauses Hull, is naar Engels recht (vgl. N. Geoffrey Hudson en J.C. Allen, The Institute Clauses, LLP, Londen - Hong Kong, derde uitgave, 1999, p. 7; D.C. Jackson, Enforcement of Maritime Claims, Londen, Lloyd's of London Press Ltd., 1985, 331) een rechtskeuze gedaan die ook voldoet aan de vereisten van artikel 28ter, § 7 controlewet …”

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 07/07/2017 - 08:17
Laatst aangepast op: vr, 07/07/2017 - 08:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.