-A +A

Toelatingsexamen geneeskunde en tandheelkunde is één en ondeelbaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
don, 30/11/2017
A.R.: 
240.049

Op het eerste gezicht blijkt uit deze decretale bepaling dat een deelnemer aan het toelatingsexamen van arts en tandarts geslaagd is wanneer hij of zij cumulatief aan de volgende criteria voldoet: ten minste 10 op 20 punten behaald hebben voor elk van de examengedeelten «kennis en inzicht in de wetenschappen» en «informatie verwerven en verwerken» en ten minste 22 op 40 punten behaald hebben voor beide examengedeelten samen.

Uit deze bepaling lijkt bovendien het één en ondeelbare karakter van het toelatingsexamen voort te vloeien. De bepaling geeft op het eerste gezicht geen ruimte aan de examencommissie om daarvan af te wijken, welke ook voor het overige haar deliberatiebevoegdheid zou zijn over de examenprestatie van een deelnemer en de vaststelling van de resultaten.

Terecht lijkt de examencommissie in de bestreden beslissing dan ook te overwegen dat de slaagcriteria gelden per examen en dus niet over verschillende examens heen, zodat geen rekening mag worden gehouden met slaagcijfers voor een deel van het examen tijdens een vorige sessie. Alleen de resultaten behaald op de examensessie waarover de examencommissie een beslissing neemt, lijken bij de beraadslaging te mogen worden betrokken. 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1262
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

A.N. t/ Vlaamse Gemeenschap

Arrest nr. 240.049

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 20 november 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van «de beslissing van de examencommissie van het toelatingsexamen arts en tandarts van 6 november 2017 [...] waarbij [het] intern beroep [van A.N.] tegen haar examenresultaat voor het toelatingsexamen arts en tandarts als ongegrond werd verworpen».

...

V. Ernst van de middelen

...

B. Tweede middel

...

Beoordeling

16. Verzoekster is van oordeel dat zij geslaagd kan worden verklaard door rekening te houden met de resultaten voor het examengedeelte «informatie verwerven en verwerken» die zij behaalde tijdens vroegere edities van het toelatingsexamen.

17. Art. II.187, § 2 van de Codex Hoger Onderwijs luidt als volgt:

«Het toelatingsexamen arts en tandarts wordt georganiseerd volgens de hierna opgesomde nadere regels:

1° het wordt tweemaal per jaar vóór het begin van het academiejaar ingericht; de organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt;

2° de Vlaamse Regering kan een examengeld van ten hoogste 25 euro vastleggen als bijdrage in het dekken van de organisatiekosten. Vanaf 1998 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 1997;

3° de Vlaamse Regering organiseert het toelatingsexamen arts en tandarts volgens de nadere regels die zij daartoe bepaalt;

4° de examencommissie stelt een werkings- en examenreglement op;

5° de examencommissie, bedoeld in paragraaf 1, stelt de examenvragen op en evalueert de examenresultaten. Het maximumaantal punten van elk examengedeelte is 20. Geslaagd zijn de studenten die op elk examengedeelte ten minste 10 op 20 behalen en ten minste 22 op 40 voor beide examengedeelten samen. De voorzitter van de examencommissie maakt de resultaten bekend;

6° het slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt slechts aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde indien de student uiterlijk op 31 december van dat burgerlijk jaar in het bezit is van het diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig of gelijkgesteld studiebewijs.»

18. Op het eerste gezicht blijkt uit deze decretale bepaling dat een deelnemer aan het toelatingsexamen van arts en tandarts geslaagd is wanneer hij of zij cumulatief aan de volgende criteria voldoet: ten minste 10 op 20 punten behaald hebben voor elk van de examengedeelten «kennis en inzicht in de wetenschappen» en «informatie verwerven en verwerken» en ten minste 22 op 40 punten behaald hebben voor beide examengedeelten samen.

Uit deze bepaling lijkt bovendien het één en ondeelbare karakter van het toelatingsexamen voort te vloeien. De bepaling geeft op het eerste gezicht geen ruimte aan de examencommissie om daarvan af te wijken, welke ook voor het overige haar deliberatiebevoegdheid zou zijn over de examenprestatie van een deelnemer en de vaststelling van de resultaten.

Terecht lijkt de examencommissie in de bestreden beslissing dan ook te overwegen dat de slaagcriteria gelden per examen en dus niet over verschillende examens heen, zodat geen rekening mag worden gehouden met slaagcijfers voor een deel van het examen tijdens een vorige sessie. Alleen de resultaten behaald op de examensessie waarover de examencommissie een beslissing neemt, lijken bij de beraadslaging te mogen worden betrokken.

19. Verzoekster betwist niet dat zij voor het toelatingsexamen van 29 augustus 2017 niet voldoet aan één van de voormelde criteria, namelijk ten minste 10 op 20 punten behaald hebben voor het examengedeelte «informatie verwerven en verwerken».

Op grond van art. II.187 van de Codex Hoger Onderwijs vermocht de examencommissie haar als niet-geslaagd te beschouwen.

Daaraan kan het redelijkheidsbeginsel niet verhelpen, aangezien het anders contra legem zou worden toegepast.

20. Voor zover verzoekster in de uiteenzetting van haar middel beoogt een grondwettigheidsbezwaar met betrekking tot de voormelde decretale regeling op te werpen, namelijk een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, in de mate dat deze regeling volgens haar inhoudt dat de deelnemer aan het toelatingsexamen bij de deliberatie over zijn uitslag op het toelatingsexamen verschillend wordt behandeld ten aanzien van «bijvoorbeeld» de studenten van het hoger onderwijs die een schakelprogramma of voorbereidingsprogramma volgen, dient te worden opgeworpen dat de Raad van State niet bevoegd is om zich over dit bezwaar uit te spreken en dat slechts kan worden vastgesteld dat verzoekster in de huidige stand van de rechtspleging niet vraagt daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

21. Wat de werkelijke draagwijdte is van art. 42 van het werkingsreglement, lijkt onbeantwoord te kunnen blijven, omdat uit het bovenstaande vooralsnog blijkt dat de examencommissie op het eerste gezicht terecht op grond van art. II.187 van de Codex Hoger Onderwijs heeft besloten dat zij geen rekening vermocht te houden met andere cijfers van verzoekster tijdens eerdere edities van het toelatingsexamen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/04/2018 - 14:13
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.