-A +A

Toegewezen vordering begrip

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 07/10/2016
A.R.: 
C.15.0533.N

Een toegewezen vordering is een vordering die enkel opstaat aan de personen die in de wet worden opgesomd, dit in tegenstelling tot de andere vorderingengen die kunnen ingesteld worden door rechtssubject die hoedanigheid en belang heeft.

Zo is de rechtsvordering tot betwisting van het vaderschap een toegewezen vordering die enkel openstaat voor de in art. 318, § 1 BW opgesomde personen, zodat andere personen niet kunnen tussenkomen in dit geding en evenmin derdenverzet kunnen aantekenen. De erfgenamen van de vermeende biologische vader hebben bijgevolg geen belang en hoedanigheid om tussen te komen in een procedure tot betwisting van het vaderschap of derdenverzet aan te tekenen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
18
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0533.N
1. E. D.,
2. E. D.,
3. C. D.,
eisers,
tegen
1. I. D. W.,
2. J. D. W.,
3. L. D.,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, fami-liekamer, van 19 maart 2015.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 318, § 1, Burgerlijk Wetboek, in de versie van toepassing vóór 1 september 2014, kan het vermoeden van vaderschap betwist worden door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist, behoudens indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

2. De rechtsvordering tot betwisting van het vaderschap is een toegewezen vordering die enkel openstaat voor de in artikel 318, § 1, Burgerlijk Wetboek op-gesomde personen, zodat andere personen niet kunnen tussenkomen in dit geding, noch derdenverzet kunnen aantekenen.

De omstandigheid dat de beslissing over de rechtsvordering tot betwisting van va-derschap krachtens artikel 331decies Burgerlijk Wetboek aan andere personen zou kunnen tegengeworpen worden in een navolgende procedure tot vaststelling van vaderschap, doet daaraan niet af.

3. Hieruit volgt dat de erfgenamen van de vermeende biologische vader geen belang en hoedanigheid hebben om tussen te komen in een procedure tot betwis-ting van het vaderschap of derdenverzet aan te tekenen.
Het middel dat op een andere rechtsopvatting berust, faalt in zoverre naar recht.

4. Krachtens artikel 322, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, in de versie van toe-passing vóór 1 september 2014, kan het vaderschap, wanneer het niet vaststaat krachtens de artikelen 315 of 317 Burgerlijk Wetboek noch op grond van een er-kenning, bij vonnis worden vastgesteld onder de bij artikel 332quinquies bepaalde voorwaarden.

Indien een van de personen die gedagvaard moet worden overleden is, wordt de rechtsvordering tot inroeping van staat krachtens artikel 332quater, eerste lid, Burgerlijk Wetboek ingesteld tegen de anderen en de erfgenamen van de overle-dene.

5. De erfgenamen van de overleden persoon wiens vaderschap wordt onder-zocht, zijn partij in de procedure tot vaststelling van het vaderschap en kunnen de door de andere partijen aangedragen bewijzen omtrent het ingeroepen vaderschap weerleggen.

6. In zoverre het middel aanvoert dat de onmogelijkheid tot tussenkomst van de erfgenamen van de vermeende biologische vader in de procedure tot betwisting van het vaderschap het recht van verdediging miskent, kan het niet worden aange-nomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eisers op 1840,53 euro

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2016 uitgesproken 

C.15.0533.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Het bestreden arrest verklaart de vordering van eerste verweerster tot ontkenning van het vaderschap van tweede verweerder ontvankelijk en gegrond, en zegt voor recht dat tweede verweerder niet de (juridische) vader is van eerste verweerster, met alle juridische gevolgen van dien.

2. De vordering tot vrijwillige tussenkomst van eisers wordt niet-ontvankelijk verklaard.

3. Tegen deze beslissing voeren eisers een enig middel tot cassatie aan, waarin zij opwerpen dat het feit dat de procedure tot betwisting van het vaderschap voorbehouden is aan de limitatief in artikel 318, §1, Burgerlijk Wetboek opgesomde personen, niet wegneemt dat de procedure tot betwisting van het vermoeden van vaderschap van tweede verweerder de voorloper is van de procedure tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van wijlen de rechtsvoorganger van eisers, en dat de rechterlijke beslissing in deze voorafgaande procedure ingevolge artikel 331decies Burgerlijk Wetboek in de navolgende procedure aan eisers kan worden tegenworpen, zodat zij wel degelijk hoedanigheid en belang hebben om vrijwillig tussen te komen in de thans voorliggende procedure, vermits zij anders verplicht zouden zijn om desgevallend derdenverzet aan te tekenen tegen deze beslissing, welk buitengewoon rechtsmiddel voor hen openstaat ingevolge datzelfde artikel 331decies BW.

4. Eisers stellen voorop in ieder geval het vereiste belang te hebben om tussen te komen in de door eerste verweerster geïnitieerde procedure tot betwisting van het vermoeden van vaderschap van tweede verweerder, nu eerste verweerster, volgens de vaststellingen van de appelrechters, bezit van staat heeft als dochter van tweede verweerder, zodat haar vordering principieel niet ontvankelijk is, tenzij er afdoende uitzonderlijke omstandigheden voorliggen waardoor er van de principiële grond van niet-ontvankelijkheid kan worden afgeweken. Deze uitzonderlijke omstandigheden dienen volgens eisers door de bodemrechter te worden beoordeeld, rekening houdend met de belangen van alle betrokken partijen in het licht van de rust van de betrokken families en de rechtszekerheid van de familiale banden, zodat eisers, (als erfgenamen van de beweerde biologische vader van eerste verweerster en als betrokken partijen) wel degelijk belang hadden om in de door de eerste verweerster geïnitieerde procedure tot betwisting van het vermoeden van vaderschap van tweede verweerder tussen te komen.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL

1. Afstammingsvorderingen zijn vorderingen van staat. Aangenomen wordt dat het toegewezen vorderingen zijn die enkel openstaan voor de personen vermeld onder artikel 318, §1, BW: de moeder, het kind, de juridische vader en de beweerde biologische vader(1).

2. In deze gaan eisers uit van het idee dat het bezit van staat, waarvan melding wordt gemaakt in voormeld artikel, een grond van niet-ontvankelijkheid is, maar dat deze grond relatief is in zoverre de rechter hiervan kan afwijken indien er uitzonderlijke omstandigheden voorliggen die er voor zorgen dat de socio-affectieve realiteit niet dient te primeren(2).

3. In verschillende arresten heeft het Grondwettelijk Hof(3) in zijn beschikkend gedeelte geoordeeld dat artikel 318, §1, BW artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM, schendt in zoverre de vordering tot betwisting van vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft t.a.v. de echtgenoot van de moeder.

4. Waar het beschikkend gedeelte van deze arresten ruim en ongenuanceerd wordt geformuleerd, geeft deze formulering in de rechtsleer aanleiding tot verschillende strekkingen.

5. In de mate dat uit de overwegingen van het Grondwettelijk Hof wordt afgeleid dat het belang van het kind primeert, is een eerste strekking van oordeel dat het bezit van staat niet langer een grond van niet-ontvankelijkheid is, maar dat de rechter het bezit van staat (en van andere elementen, zoals het belang van het kind) in rekening moet brengen bij de beoordeling ten gronde, nu een afweging van de belangen in concreto enkel op het niveau van de beoordeling van de gegrondheid zou kunnen spelen(4).

6. In zoverre deze opvatting een ruime interpretatie geeft aan de arresten van het Grondwettelijk Hof, is dit naar mijn mening echter niet terug te vinden in de (meeste) arresten van het Hof. Zo stelt het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 7 maart 2013 (nr. 30/2013, B.7) weliswaar dat de wetgever bij het uitwerken van een wettelijke regeling inzake afstamming de bevoegde overheden de mogelijkheid dient te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen - wat lijkt te impliceren dat er steeds een belangenafweging mogelijk moet zijn -, maar in latere arresten worden deze bewoordingen door het Hof niet hernomen, en stelt het enkel in algemene bewoordingen dat de absolute grond van niet-ontvankelijkheid belet dat de rechter een mogelijkheid heeft om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen(5).

7. Bovendien kan er gewezen worden op een arrest van het Grondwettelijk Hof van 20 maart 2014 (nr. 48/2014, B.10) i.v.m. de vaststelling van het vaderschap, waarbij het Hof uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat de wetgever weliswaar bij het uitwerken van een regeling inzake afstamming de bevoegde overheden in beginsel de mogelijkheid dient te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen (...), maar dat beginsel geen absoluut karakter heeft, waarmee het Hof dan weer lijkt aan te geven dat een concrete belangenafweging niet in elke procedure vereist is. Een algemene regel dat er steeds een belangenafweging ten gronde moet zijn, kan hieruit m.i. aldus niet worden afgeleid: het gaat veeleer om het aanvaarden van een mogelijkheid tot afwijking van de te rigide regels van de wetgever, indien dit vereist is in de concrete omstandigheden van de zaak.

8. Daartegenover staat het arrest van 26 november 2015 (nr. 168/2015, B. 10) i.v.m. artikel 330, §1, eerste lid, BW inzake het bezit van staat als absolute grond van niet-ontvankelijkheid voor de erkenning, waarbij het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk stelt dat voor de rechter (aldus) geen enkele mogelijkheid bestaat om ten gronde rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen, wat dan toch lijkt te impliceren dat er een in concreto afweging ten gronde moet zijn (hoewel dat niet het voorwerp van de prejudiciële vraag was, dat enkel over de grond van niet-ontvankelijkheid ging)(6). In de arresten van 19 september 2014 (nr. 127/2014) en van 12 maart 2015 (nr. 35/2015) had het Grondwettelijk Hof i.v.m. artikel 330, §1, eerste lid, BW echter de "gebruikelijke" formulering gehanteerd i.v.m. de absolute onontvankelijkheid van het bezit van staat, in de mate dat aldus voor de rechter geen enkele mogelijkheid bestaat om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen.

9. Ook weze opgemerkt dat in het (meest recente) arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 februari 2016 (de zaak Delphine Boël) betreffende artikel 318 BW (waarin het kind het vaderschap betwistte), het Hof, benevens de "gebruikelijke" formulering, uitdrukkelijk vermeldt dat het aanvoeren van een grond van niet-ontvankelijkheid (...) er immers toe leidt dat de rechter op absolute wijze wordt verhinderd rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. Het Hof lijkt in dit arrest dus aan te geven dat het bezit van staat zelfs niet als onontvankelijkheidsgrond mag worden aangevoerd -omdat de rechter dan geen rekening kan houden met de belangen- zodat de belangenafweging waarnaar het Hof verwijst dan ook enkel ten gronde lijkt te kunnen gebeuren.

10. In zoverre de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dus niet eenduidig is (slechts twee arresten lijken als dusdanig naar een afweging ten gronde te verwijzen: GwH 26 november 2015 en 3 februari 2016) en ook de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geenszins verplicht tot een concrete belangenafweging in elke afstammingsprocedure(7), lijkt het mij vanuit voormelde benadering dan ook aangewezen om de gevolgen van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof veeleer strikt te interpreteren, en komt een verregaande interpretatie alsof een belangenneming ten gronde in elke afstammingsprocedure steeds vereist is, alleszins niet opportuun over(8).

11. Een andere strekking argumenteert dan ook voor een minder verregaande gevolgtrekking van de arresten van het Grondwettelijk Hof en wijst er op dat uit de overwegingen blijkt dat het Hof veeleer problemen heeft met het absolute karakter van de onontvankelijkheid van de vordering ingevolge het bestaan van het bezit van staat, omdat er op die wijze voor de rechter geen enkele mogelijkheid bestaat om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. De beoordelingsvrijheid van de rechter die uit de arresten van het Grondwettelijk Hof voortvloeit, is volgens die doctrine dan ook beperkt tot de absolute aard van de niet-ontvankelijkheid(9): de rechter moet kunnen oordelen of uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen dat er van de principiële grond van niet-ontvankelijkheid wordt afgeweken. Hij moet na het vaststellen van het bezit van staat derhalve nagaan of dit bezit van staat in de gegeven omstandigheden de onontvankelijkheid van de vordering rechtvaardigt. Hierbij mag hij alle belangen van partijen van partijen betrekken(10). Hoewel sommige auteurs de afwijking (m.b.t. het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden) n.a.v. het arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 februari 2011 (nr. 20/2011) nog restrictief opvatten (zoals enkel in het geval dat de eiser-echtgenoot niet wist of behoorde te weten dat er twijfels waren over het biologische vaderschap)(11), kan deze restrictie m.i. niet worden volgehouden na de overige arresten, gewezen in de verschillende hypothesen, en geeft het Grondwettelijk Hof daarin veeleer aan dat de rechter alle belangen moet betrekken in zijn beoordeling.

12. Ofschoon deze laatste strekking minder goed aansluit bij de bewoordingen van de hierboven reeds geciteerde arresten van 26 november 2015 en 3 februari 2016 van het Grondwettelijk Hof, leunt deze opvatting dan weer wel het beste aan bij de overwegingen van het Grondwettelijk Hof van 9 juli 2013 (nr. 105/2013, B. 7-9), waarin gesteld wordt dat de appreciatiemarge van de wetgever evenwel niet onbegrensd is: opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn(...), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap. Door het bezit van staat als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de man die het vaderschap opeist op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om het vermoeden van vaderschap van een andere man, t.a.v. wie het kind bezit van staat heeft, te betwisten. Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen.

13. Hoewel het in de context van de hierboven ontwikkelde stellingen aldus geenszins duidelijk is of de belangenafweging waarop het Grondwettelijk Hof alludeert zich op het niveau van de ontvankelijkheid dan wel ten gronde dient af te spelen, ga ik -op basis van de hoger ontwikkelde argumenten- in het hierna volgende dan ook uit van de premisse van het bezit van staat als relatieve grond van niet-ontvankelijkheid.

14. Om reden van het initieel reeds toegelichte "toegewezen" karakter van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap conform artikel 318, §1, BW, wordt doorgaans aangenomen dat andere dan de daartoe eveneens reeds eerder vermelde personen niet mogen tussenkomen in dit rechtsgeding (noch derdenverzet kunnen aantekenen)(12). Bovendien kan de biologische vader (conform voormeld artikel) maar tussenkomen (of derdenverzet aantekenen) indien hij zijn eigen vaderschap opeist(13), en vordert in dit geval de (vooroverleden) biologische vader het juridisch vaderschap evenwel niet op. In het verlengde hiervan kan eveneens worden opgemerkt dat de wetgever tevens niet de mogelijkheid voor de erfgenamen van de biologische vader voorziet om het vaderschap op vorderen. Artikel 322quater BW bepaalt in dat geval immers enkel de hypothese van het optreden door de erfgenamen indien een persoon "die gedagvaard moet worden" overleden is. Artikel 318, §2, voorlaatste lid, BW voorziet bovendien enkel de mogelijkheid voor de erfgenamen van de overleden echtgenoot (juridische) vader om een vordering tot betwisting in te stellen.

15. Op basis van al deze elementen vallen de erfgenamen van de biologische vader dus niet onder de personen vermeld onder artikel 318 BW(14).

16. In zoverre op die gronden de erfgenamen niet kunnen tussenkomen in dit geschil (noch er derdenverzet tegen kunnen aantekenen), stelt de voorziening evenwel dat deze opvatting niet volgehouden kan worden in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, waaruit blijkt dat het bezit van staat slechts een relatieve grond van niet-ontvankelijkheid is, en de rechter hiervan kan afzien indien er uitzonderlijke omstandigheden zijn. De voorziening geeft aan dat de rechter hierbij alle betrokken belangen moeten afwezen, waaronder het belang van de rust van de familie van de vermoedelijke (biologische) vader.

17. Met dit laatste belang wordt m.i. echter de jure reeds rekening gehouden door de principiële onontvankelijkheidsgrond van het bezit van staat in het huwelijksgezin. De rechter moet immers in dat verband enkel oordelen of er omstandigheden zijn die toelaten hiervan af te wijken, en in die context moet hij aldus enkel een afweging maken of de omstandigheden die pleiten voor de zoektocht naar de biologische waarheid gewichtig genoeg zijn om van de principiële niet-ontvankelijkheid af te wijken.

18. Het zou naar mijn aanvoelen trouwens bovendien voorbarig zijn om hic et nunc met deze belangen reeds rekening te houden, aangezien het in het kader van deze procedure immers (nog) niet vaststaat dat de vader van de erfgenamen de biologische vader is. In die zin komt het mij dan ook voor dat zij dus ook niet in hun rechten worden geschaad door een beslissing die enkel de bestaande juridische afstammingsband tenietdoet, nu zij ter zake immers wel degelijk verweer kunnen voeren in de (latere) procedure tot vaststelling van het vaderschap, zodat in die context artikel 6 EVRM zeker niet geschonden is vermits zij op dat vlak met gelijke kansen alsdan kunnen weerleggen dat hun vader de biologische vader is.

19. Het middel dat aanvoert dat de erfgenamen van de vermoedelijke biologische vader hoedanigheid en belang hebben om tussen te komen in een procedure tot betwisting van het vaderschap, faalt m.i. derhalve naar recht, en kan voor het overige (in zoverre het de miskenning van het recht van verdediging opwerpt ingevolge onmogelijkheid tot tussenkomst van de erfgenamen van de vermoedelijke biologische vader in de procedure tot betwisting van het vermoeden van vaderschap) niet worden aangenomen.

III. CONCLUSIE: VERWERPING.
____________________
(1) F. SWENNEN, Het personen- en familierecht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2015, 463, nr. 748.
(2) In het ter zake wettelijk voorziene evenwicht m.b.t. de rust van de betrokken families en de rechtszekerheid van de familiale banden werd het belang van het kind door de wetgever in abstracto in rekening gebracht door het voorzien van een grond van niet-ontvankelijkheid bij bezit van staat, waarbij de wetgever ervan uitging dat het kind steeds belang had bij de bestendigheid van de vastgestelde afstammingsband die overeenstemt met de socio-affectieve werkelijkheid.
(3) GwH 3 februari 2011, nr. 20/2011; 9 juli 2013, nr. 105/2013; 7 november 2013, nr. 147/2013, en 3 februari 2016, nr. 18/2016. Vergelijk met de oude regelgeving: GwH 7 juli 2011, nr. 122/2011.
(4) J. SOSSON, Cour constitutionnelle, filiation et intérêt de l'enfant, in Actualités de droit des personnes et des familles, CUP, 2013, 121.
(5) GwH 9 juli 2013 (nr. 105/2013) en 7 november 2013 (nr. 147/2013).
(6) Zie o.m. N. GALLUS en A. VAN GYSEL, Les décisions récentes de la Cour Constitutionnelle en matière de filitation, RNB 2013, 387.
(7) T. WUYTS, Het bezit van staat mag de betwisting van het juridische vaderschap niet op absolute wijze verhinderen, T. Fam. 2013, 225-228, nrs. 13, 14 en 19; G. VERSCHELDEN, De hervorming van het afstammingsrecht door het Grondwettelijk Hof, in Ouders en kinderen, Intersentia, 2013, 68, nr. 82; N. GALLUS en A. VAN GYSEL, Les décisions récentes de la Cour Constitutionnelle en matière de filiation, RNB 2013, 376-385; EHRM (Ahrens t. Duitsland), 22 maart 2012, en EHRM (Kautzur t. Duitsland), 22 maart 2012.
(8) J. SOSSON, "Cour Constitutionnelle, filiation et intérêt de l'enfant" in Actualités de droit des personnes et des familles, CUP, 2013, 122-123; G. VERSCHELDEN, "Pleidooi voor een hervorming van het afstammingsrecht", T.Fam. 2015, 57, nr. 8; G. VERSCHELDEN, "Het belang van het kind in het komende afstammingsrecht: considerans voor de wetgever, niet voor de rechter", T.Fam. 2013,98 -99. N GALLUS en A.VAN GYSEL, "Les décisions récentes de la Cour Constitutionnelle en matière de filiation", RNB 2013, 404-405; Anders: V. MAKOW, "Détricotage constitutionnel du droit de la filiation stimulé par une juridiction de fond", JLMB 2013, 413; Y.H. LELEU, "Le nouveau droit judiciaire de la filiation", TEP 2013, 6, nr. 5; A.C. RASSON en G. MATHIEU, "Les fins de non-recevoir en matière de filiation: entre verrous absolus et verrous relatifs. Etude de trois derniers arrêts de la Cour constitutionnelle", JT 2013, 436.
(9) F. SWENNEN, Afstamming en Grondwettelijk Hof, RW 2011-12, 1107-1108; F. SWENNEN, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2015, nr. 758.
(10) Y. H. LELEU, Le nouveau droit judiciaire de la filiation, TEP 2013, 2, nr. 2.
(11) F. SWENNEN, Afstamming en Grondwettelijk Hof, RW 2011-12, 1107.
(12) J. VAN COMPERNOLLE, Aspects judiciaires des actions relatives à la filiation, Dr. ann. Louvain, 1987, 342-343; B. LAMBERSY en C. VERGAUWEN, Kinderen van de biologische vader delven het onderspit in procedure tot betwisting van het vaderschap, RABG 2016, 290.
(13) G. VERSCHELDEN, Derdenverzet tegen een vonnis waarin het vaderschap van de echtgenoot succesvol werd betwist, noot onder Antwerpen 23 april 2008, NjW 2009, 413.
(14) B. LAMBERSY en C. VERGAUWEN, o.c., RABG 2016, (288), 289-289.
 

Noot: 

C. Vergauwen, De vaststelling van een juridische afstammingsband versus de uitoefening van de rechten die daaruit voortvloeien RABG2013/05, 244


Een waardige moeder ontneemt haar kind niet de kennis van het biologisch vaderschap en de rechten hieraan verbond.BAM moederschap is onzinnig.

In de nieuwe afstammingswet van 2006 werd het artikel 329bis, § 2, 3<le lid BW gewijzigd en werd de rol van de biologische werkelijkheid versterkt. De rechter behield slechts een opportuniteitsoordeel van het belang van het kind om de erkenning al dan niet toe te staan als het kind ouder is dan 1 jaar.

Sinds kort wordt de waarheid van het bloed (waar het niet kruipoen kan in alle omstandigheden en in alle termijnen erkend en dit uit respect voor het kind en de drijfveer van elk mans te weten wie zijn of haar vader is.

Klassiek wordt de vader onder vuur genimen als een nietsnut zonder opvoedingswaarde. Het is nuttig dat in deze zaak dit verweer aan bod kwam. Deze precepties en beweringen (die vaak zeer laag zijn) staan inderdaad niet ter discussie.

Rechtsleer

• G. VERSCHELDEN, "Art. 329bis BW" in X, Personen en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen Kluwer, 2010, p. 95, nr. 46;

•  GwH 16 december 2010, RABG 2011, afl. 13, 883, noot E. DE MAEYER en C. VERGAUWEN. 

Rechtspraak :

• Rb. Luik (3d' k.) 16 mei 2008 Rev.trim.dr.fam. 2009, afl. 1, 214, TJK 2009 (samenvatting C. Melkebeek), afl. 4-5, 358; F. SWENNEN, "De toets aan het belang van het kind van de vaderlijke erkenning'', T.Fam. 2011, afl. 4, 59-60.

• G. VERSCHELDEN, "Het hervormde afstammingsrecht: een nieuw compromis tussen biologisch en sociaal ouderschap'', RW 2007-08, nr. 9, 347.

• F. SWENNEN, "De toets aan het belang van het kind van de vaderlijke erkenning", T.Fam. 2011, afl. 4, 59-60.


Is er niet alleen een recht maar ook een morele plicht om als biologische vader een kind te erkennen en het het statuur van bastaardkind te ontnmenen?

Heeft de monarchie geen voorbeeldfunctie. Er zijn onzinnige geruchten dat de Koning der Belgen tot aan zijn dood Koning wil blijven om aldus een vordering van Delphine te ontlopen. Onzin. Maar de Monarchie heeft een voorbeeldfunctie en zou haar gellofwaardiheid en legitimatie bevestigen wanneer de Van Saksen-Coburgs of de Van Belgiës, zoals ze zich vandaag heten erkennen ook gewone mensen zijn met fouten en tekortkomingen en deze rechtzetten. En laat er geen twijfel over bestaan het gebaar tot erkenning van Delphine zal door de Belgen met open armen worden ontvangen als bewijs van menselijk respect, eerlijkheid en humanisme.


Hof van Beroep te Antwerpen, 25 juni 2014, RW 2015-2016, 549

Antecedenten

1. De heer B., geboren te Bazel (Zwitserland) op 14 februari 1973, met de Zwitserse nationaliteit, met woonplaats in Zwitserland (hierna “de man”), beweert de biologische vader te zijn van het minderjarige kind M.D.H., van het vrouwelijke geslacht, geboren op 4 april 2006 te Antwerpen, met de Belgische nationaliteit en met woonplaats te Antwerpen (hierna “het kind”).

De man heeft een tijdje, meer bepaald in 2005, een relatie gehad met mevrouw T.O., geboren te Tokyo (Japan) op 22 maart 1974, met de Japanse nationaliteit, met woonplaats te Antwerpen, die de moeder is van voornoemd kind (hierna “de moeder”).

De moeder is op 23 maart 2002 gehuwd met de heer Dirk D.H., geboren op 2 oktober 1967, met de Belgische nationaliteit en met woonplaats te Antwerpen (hierna “de vader”). Beiden zijn op heden nog steeds gehuwd.

Het vaderschap over het kind staat vast krachtens het wettelijk vermoeden, neergelegd in art. 315 BW. Het kind werd immers geboren tijdens en binnen het huwelijk van de moeder.

Teneinde zijn beweerd genetisch-biologisch vaderschap in rechte te laten vaststellen, heeft de man de moeder en de vader van dit kind gedagvaard.

Er werd, bij beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 17 augustus 2011, een voogd ad hoc aangesteld om te waken over de belangen van het minderjarig kind.

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen d.d. 3 januari 2013 werd, alvorens verder recht te doen, een deskundigenonderzoek (DNA-genetic finger print) bevolen.

...

Procedure – Voorwerp van de vorderingen

...

5. In eerste instantie rijst in deze zaak (die grensoverschrijdende eigenschappen in zich draagt) de vraag naar het op onderhavige vordering(en) toepasselijke recht.

De wet voorziet in de mogelijkheid voor de (beweerde) genetische vader van het kind om een vordering tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot in te leiden die, ingeval ze succesvol is, niet alleen de uitschakeling van het vaderschap van de echtgenoot meebrengt, maar tegelijk ook de vaststelling van zijn eigen vaderschap (art. 318, § 5 BW).

Logischerwijze is eerst de betwisting van het bestaande vaderschap van de echtgenoot aan de orde en pas in een tweede fase – in de beoordeling – de vestiging van het vaderschap van de genetische vader, ook al kan dit overeenkomstig de bepalingen van Belgisch recht thans in één enkele procedure (de zgn. “2 in 1-vordering”, c.q. de vaststelling en de betwisting van de afstamming).

De kwestie van het toepasselijke recht moet vanuit een monistische visie worden benaderd. Aangezien de vordering bedoeld in art. 318, § 5 BW niet enkel de betwisting van het vaderschap van de echtgenoot beoogt, maar tegelijkertijd ook een vordering tot vaststelling van het vaderschap van de genetische vader impliceert, is dit hof van oordeel dat overeenkomstig art. 62 WIPR – dat bepaalt dat de vaststelling van het vaderschap van een man beheerst wordt door het recht van de Staat waarvan deze man op het ogenblik van de geboorte de nationaliteit heeft – er reden is om deze wetgeving op het geheel van de vorderingen toe te passen.

Het hof past op deze vordering(en) het Belgische recht toe en dit op volgende gronden.

Aangezien het Zwitserse recht de vordering tot betwisting van het vaderschap aan te strikte beperkingen onderwerpt (zoals uit de bijgebrachte Zwitserse wetgeving duidelijk blijkt) en dit in het voorliggende geval een resultaat teweegbrengt dat onverenigbaar geacht wordt met de Belgische internationale openbare orde, wordt het Zwitserse recht uitgeschakeld ten voordele van de Belgische wet die wel, met ruimere modaliteiten, het vorderingsrecht toekent aan de genetische vader (toepassing van art. 21 WIPR).

Daarnaast kan ook verdedigd worden dat het Belgische recht wordt toegepast, aangezien de keuze voor dit recht discriminaties grotendeels uitsluit (het kan redelijkerwijs niet worden verantwoord dat op de rechtspositie van het kind een verschillende wetgeving zou moeten worden toegepast afhankelijk van de vraag welke partij de betwistingsvordering instelt) en bovendien een vaste aanknopingsfactor heeft met de nationaliteit van het kind, wiens belangen overigens centraal staan. In deze optiek zou zelfs toepassing kunnen worden gemaakt van art. 19 WIPR, de zgn. uitzonderingsclausule, aangezien de zaak zeer nauw met België verbonden is (het kind en de ouders wonen in België, terwijl het kind en de vader ook de Belgische nationaliteit hebben).

6. Vervolgens rijst de vraag of de exceptie van laattijdigheid van de vordering dient te worden aangenomen.

Met toepassing van art. 318, § 2 BW moet de vordering van de man die het vaderschap van het kind opeist, worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is.

De interpretatie van het begrip feit, in de zin van art. 318, § 2 BW, gebeurt door de rechter ten gronde, waarbij hem een ruime appreciatiebevoegdheid wordt verleend (vgl. P. Senaeve, “Ontwikkelingen in het afstammingsrecht 2011-2013” in P. Senaeve e.a. (eds.), Personen- en familierecht. Themis Vormingsonderdeel 85, Brugge, die Keure, 2014, (1), p. 14, nr. 30).

Naar hetgeen de man in conclusies aanvoert, moet er (nagenoeg absolute) objectieve zekerheid bestaan opdat er sprake zou zijn van “ontdekking”, als bedoeld in art. 318 BW. In die zin zou de man, naar eigen zeggen, pas sedert 2011 op de hoogte zijn van het feit dat hij de vader is van het kind: in dat verband verwijst de man naar een e-mailbericht, gedateerd op 2 maart 2011, verstuurd door de moeder aan de vader van de man.

Naar het oordeel van het hof is de vordering door de man echter duidelijk te laat ingesteld. Het staat immers buiten betwisting dat:

– het kind verwekt werd tijdens de periode dat de moeder bij de man in Zwitserland verbleef (volgens de, op dat vlak door de man niet tegengesproken, conclusies van de moeder en de vader tot einde 2005), gelet op het feit dat de geboorte van het kind dateert van begin april 2006;

– de man de moeder vergezelde bij het gynaecologisch zwangerschapsonderzoek in september 2005, ter gelegenheid waarvan de (per definitie nog relatief prille) zwangerschap vastgesteld werd;

– de man, kort na het vertrek van de moeder, een gesprek had met de behandelende gynaecoloog;

– de man in 2006 een website lanceerde die de naam van het kind droeg.

Het hof deelt het standpunt van de eerste rechter inzake het aanvangspunt van de hierboven vermelde (verval)termijn van art. 318, § 2 BW niet. Termijnen dienen in de regel de rechtszekerheid (in casu de stabiliteit en de rust van het kerngezin waarvan het kind deel uitmaakt) en zijn mede om die reden in beginsel ook van openbare orde (zie en vergelijk o.a.: GwH 5 december 2013, T.Fam. 2014, 39; GwH 28 maart 2013, T.Fam. 2014, 34). Vanuit die optiek volstaat het, om de vervaltermijn te doen lopen, dat de beweerde biologische vader redelijkerwijs in de overtuiging verkeert dat hij de vader zou kunnen zijn van het kind. Het besef of de wetenschap van een reële kans op vaderschap volstaat bijgevolg. Absolute zekerheid of aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (die in de regel slechts kan bestaan bij DNA-onderzoek, wat slechts uitzonderlijk op een adequate wijze buitengerechtelijk zal/kan gerealiseerd worden nog vóór het instellen van de eis door de biologische vader) kan dan ook niet gelden als aanvangspunt van de betreffende termijn; dit is geen zinvolle interpretatie van de bedoelde wetsbepaling, zelfs in het licht van de rechtspraak van het EHRM of van het Grondwettelijk Hof.

Afstammingsvorderingen moeten niet onbeperkt openstaan. Omdat de beperkingen die aan dergelijke vorderingen worden gesteld een overheidsinmenging opleveren in het recht op eerbiediging van het privéleven, moeten zij worden verantwoord op grond van art. 8, tweede lid EVRM: er moet een wettelijke grond zijn en die moet de toets van noodzaak en proportionaliteit in verband met een nagestreefde legitieme doelstelling doorstaan. Legitieme doelstellingen van algemeen belang zijn: de rechtszekerheid van familiebanden, de rust der families en het belang van het kind om diens wettelijk bestaande gezinscel zoveel als mogelijk te beschermen (zie o.a.: GwH 5 december 2013, T.Fam. 2014, 39; GwH 28 maart 2013, T.Fam. 2014, 34). De rechtspraak van het EHRM of van het Grondwettelijk Hof mag daarbij trouwens ook niet verabsoluteerd worden. Deze rechtscolleges erkennen dat termijnen het recht op toegang tot een rechter vermogen in te perken, zij het dat deze inperking proportioneel moet zijn ten aanzien van het nagestreefde doel. In die zin zijn alleen zgn. absolute termijnen strijdig met het recht op toegang tot de rechter, met name in zoverre de feitelijke onmogelijkheid om te handelen niet wordt erkend als reden tot afzwakking van wettelijk bepaalde volstrekte termijnen. Het recht op toegang tot de rechter zou immers worden geschonden indien aan een procespartij een excessief formalisme wordt opgelegd in de vorm van een termijn waarvan de haalbaarheid afhankelijk is van omstandigheden volledig buiten zijn wil. Centraal bij de beoordeling van wettelijke verjarings- of vervaltermijnen staat dan ook de vraag of de houder van een bepaald recht in de onmogelijkheid verkeert te handelen. Een correctief is nodig in de gevallen waarin de wettelijke betwistingstermijn al verstreken is nog vooraleer het vorderingsrecht effectief kan worden uitgeoefend.

Het besluit dat de vordering van de man te laat werd ingesteld, levert geen schending op van de grondrechten van de man. Het in art. 8 EVRM vervatte recht op eerbiediging van het privéleven van de vermeende of beweerde biologische vader wordt niet geschonden in gevallen waarin deze reeds op het ogenblik van de geboorte gronden had om te veronderstellen dat hij de biologische vader van het kind was, maar, om redenen die los stonden van het recht, had besloten de vordering niet binnen de daartoe bepaalde termijn in te leiden (zie reeds: EHRM 28 november 1984, arrest Rasmussen t/ Denemarken, §§ 41-42). Wettelijk bepaalde (korte) termijnen voor afstammingsvorderingen zijn enkel dan niet in overeenstemming met art. 8, tweede lid EVRM indien die termijn aan de betrokkene slechts een theoretische en illusoire kans heeft geboden om de vordering in te stellen. Er moet sprake zijn van een gewaarborgde daadwerkelijke kans om te vorderen. De betrokkene kan echter geen aanspraak maken op een uitzondering als hij om andere redenen niet tijdig handelde. Kende hij de waarheid eerder, of kon hij die kennen (zoals in onderhavige zaak duidelijk het geval is), dan mag zijn stilzitten of onoplettendheid niet worden beloond (zie en vergelijk ook: F. Swennen, “Afstamming en Grondwettelijk Hof”, RW 2011-12, (1102), p. 1109, nr. 17).

Toegepast op onderhavige zaak is de onderzoeksvraag derhalve beperkt tot de vraag of het – mogelijk – biologisch vaderschap van de man objectief onkenbaar was voor hem bij het verstrijken van de termijn bepaald in art. 318, § 2 BW): dit vergt een terugkoppeling naar de vraag of niet alleen (of niet zozeer) de wetgeving zelf, maar ook (of vooral) de houding van de eisende partijen ertoe leidden dat de vordering niet (meer) succesvol kon worden ingesteld.

In acht genomen bovenstaande feitelijke vaststellingen, die door dit Hof zijn geput uit het dossier, is de vordering van de man manifest te laat ingesteld. Deze vordering in rechte dateert pas van einde oktober 2011, toen het kind – dat geboren is begin april 2006 – reeds vijf en een half jaar oud was. Op dat ogenblik (en door het stilzitten van de man) had zich evenwel reeds een stabiele gezinssituatie ontwikkeld.

7. Het hof onderzoekt daarnaast evenwel ook het door de moeder en de vader ingeroepen bezit van staat.

Hoewel, volgens een strikte toepassing van de wet, de hierboven aangenomen laattijdigheid van de vordering reeds zou resulteren in de onontvankelijkheid van de vordering van de man, onderwerpt het hof ook deze afzonderlijke grond van niet-ontvankelijkheid aan een nader inhoudelijk onderzoek. Beide gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen elkaar zelfs conditioneren of tot het besluit leiden dat een correctief op het wettelijk regime niet vereist is (F. Swennen, “Afstamming en Grondwettelijk Hof”, RW 2011-12, p. 1107, nr. 10).

Luidens art. 318, § 1 BW kan het vaderschap dat volgt uit de vaderschapsregel worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist, tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

Bezit van staat geldt als voorbeeld van een juridische verankering (en bescherming) van een louter feitelijke toestand (socio-affectief ouderschap). Van wezenlijk belang in dat verband is de effectieve omgang met het kind na de geboorte, de aard en de omvang van de aangetoonde belangstelling voor het kind, de belofte om verantwoordelijkheden op te nemen vóór de geboorte en de daadwerkelijk opgenomen verantwoordelijkheden t.a.v. het kind na de geboorte. Uit voldoende gewichtige, voortdurende en overeenstemmende elementen moet blijken dat de betrokkenen zich gedragen – en door de omgeving zodanig ook worden beschouwd – als hebbende een door de wet vastgestelde afstammingsband jegens elkaar.

Feit is dat de vader het kind niet allen de facto heeft opgevoed en levensonderhoud heeft verschaft, maar kennelijk ab initio ook de intentie had om het als “zijn” kind op te voeden. In de persoon van de vader bestond de wil om een afstammingsband – met alle gevolgen die daaruit voortvloeien – te hebben met het kind.

Het hof neemt hierbij o.a. in overweging dat:

– het kind sedert zijn geboorte de (familie)naam van de vader draagt;

– de ambtelijke aangifte van de geboorte van het kind ook gebeurde door de vader (zie de geboorteakte van 7 april 2006);

– het kind op hetzelfde adres van de vader woont (volgens de attesten van woonplaats zijn het kind en de vader sedert 23 februari 2007 ingeschreven op het adres (...) te 2018 Antwerpen);

– het kind zijn leefwereld in en rond Antwerpen heeft opgebouwd (volgens het getuigschrift van woonplaats, ingeschreven in Antwerpen sedert 4 april 2006).

Er is bijgevolg bezit van staat dat deugdelijk en ononderbroken is: niet alleen worden voldoende betekenisvolle feiten aangevoerd die erop wijzen dat er een afstammingsbetrekking tussen het kind en zijn vader bestaat, maar daarnaast zijn alle aanwijzingen in dat verband ook convergerend. Er is geen enkel element voorhanden waaruit blijkt dat dit bezit van staat ondeugdelijk zou zijn.

Het staat te dezen dan ook vast dat de juridisch vastgestelde afstamming, ofschoon zij mogelijk niet aan de biologische werkelijkheid beantwoordt, alleszins wel aan de socio-affectieve werkelijkheid beantwoordt. Zowel de rust der families als de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, kunnen in concreto verhinderen dat de biologische werkelijkheid primeert op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

In situaties waarin de vordering tot betwisting wordt ingesteld door de man die het vaderschap van het kind opeist en er een actueel bezit van staat bestaat tussen de juridische vader en het kind, is er een gezinskern voorhanden, die – trouwens ook volgens eerdere rechtspraak van het Grondwettelijk Hof – beschermd mag worden. Het kan, zoals in onderhavig geval, gerechtvaardigd zijn om meer belang te hechten aan het belang van het minderjarige kind (en de familie waarin het leeft) dan aan het belang van verzoeker om zekerheid te verkrijgen over zijn biologisch vaderschap (zie o.a. EHRM 19 oktober 1999, Nylund t/ Finland, nr. 34308/96).

Het hof kan in dat opzicht ten slotte ook niet nalaten de voorrangspositie van het (belang van het) kind bij beslissingen betreffende de betwisting van de afstammingsband (inbegrepen beslissingen nopens de ontvankelijkheid van de vordering) te beklemtonen. In de afweging van de onderscheiden belangen die in het geding zijn (inbegrepen het belang van de beweerde biologische vader bij de vaststelling van de afstammingsband) staat het belang van het kind centraal. Zowel art. 22bis Gw. als art. 3, eerste lid Kinderrechtenverdrag verplichten de rechter trouwens om in de eerste plaats het belang van het (minderjarig) kind in aanmerking te nemen in de procedures die betrekking hebben op het kind. Deze bijzondere rol die aan het kind voorbehouden is, wordt verantwoord door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie.

8. Het hof ziet geen redenen om in te gaan op het verzoek van de man om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Het Grondwettelijk Hof heeft in diverse arresten geoordeeld dat het bezit van staat geen absolute grond van niet-ontvankelijkheid is (zie o.a. GwH. 9 juli 2013, T.Fam. 2013, 218; GwH. 7 maart 2013, T.Fam. 2013, 216): dit neemt echter niet weg dat het bezit van staat zijn relevantie kan blijven behouden. In de bewuste arresten is de slotsom van het Grondwettelijk Hof telkens dat bij tegenstrijdigheid tussen de biologische werkelijkheid enerzijds en de socio-affectieve werkelijkheid anderzijds, de wetgever de ene niet a priori mag laten prevaleren over de andere.

Mede in het licht van de rechtspraak van het EHRM en van het Grondwettelijk Hof kan worden beslist dat er (concrete, al dan niet uitzonderlijke) omstandigheden voorhanden moeten zijn die rechtvaardigen dat er van de principiële grond van niet-ontvankelijkheid wordt afgeweken. Men kan dus niet beweren dat het wettelijk kader overboord gegooid wordt ten voordele van een louter concrete feitelijke belangenafweging.

Dit heeft (enkel) tot gevolg dat de rechter een daadwerkelijke (en niet alleen een theoretische) mogelijkheid moet hebben om rekening te houden met de feiten en met de belangen van alle betrokken partijen. Een contextgevoelige en situatiespecifieke benadering van de zaak moet mogelijk blijven. Deze beoordeling is hier mogelijk gemaakt, zoals blijkt uit bovenstaande overwegingen.

Overigens heeft het Grondwettelijk Hof (zij het inzake art. 330, § 1, vierde lid BW) reeds geoordeeld dat het wettelijk voorschrift dat de vordering van de persoon die de afstamming opeist moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is, geen schending inhoudt van art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 en 14 EVRM en met het Kinderrechtenverdrag (GwH 5 december 2013, T.Fam. 2014, 39).

De ingeroepen bepalingen zijn dan ook klaarblijkelijk niet geschonden (art. 26, § 4, tweede lid, 2o bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof), zodat geen vraag gesteld wordt aan het Grondwettelijk Hof.

...

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 29/08/2017 - 16:52
Laatst aangepast op: di, 29/08/2017 - 16:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.