-A +A

Toegelaten draagwijdte van de vraag om inlichtingen va de fiscus

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
vri, 21/11/2014

De verplichting tot het voorleggen van de boeken en bescheiden, zoals voorzien in artikel 315 WIB 1992, is van toepassing op elke belastingplichtige die onderworpen is aan de inkomstenbelastingen.

Artikel 315 WIB 1992 bepaalt dat elke belastingplichtige op verzoek van de administratie zijn boeken en bescheiden, zonder verplaatsing, aan de administratie op haar verzoek moet voorleggen. Dit betekent dat de administratie te allen tijde - tijdens de wettelijke onderzoekstermijn - van de belastingplichtige kan eisen dat haar inzage wordt verleend van zijn boeken en bescheiden. De belastingplichtige kan enkel verzocht worden om zijn boeken en bescheiden “zonder verplaatsing” over te leggen. De aanslagambtenaren kunnen dus niet eisen dat de boeken en bescheiden naar de kantoren van de administratie zouden worden gebracht of, a fortiori, dat ze er eenvoudig zouden worden afgegeven met het oog op een latere bespreking. Het fiscale boekenonderzoek beperkt zich in de regel tot de “inzage” van de gevraagde stukken en bescheiden, wat tot gevolg heeft dat de administratie in de regel van de belastingplichtige niet kan eisen dat hij kopieën van zijn boeken en bescheiden zou overhandigen.

4.1.2. Artikel 316 WIB 1992, zoals in deze van toepassing, bepaalt:

“Onverminderd het recht van de administratie tot het vragen van mondelinge inlichtingen, is eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of van de belasting van niet-inwoners verplicht de administratie, op haar verzoek, binnen een maand na de datum van verzending van de aanvraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand.”

De verplichting te antwoorden op de vragen om inlichtingen van de administratie is van toepassing op elke belastingplichtige die onderworpen is aan de inkomstenbelastingen. Een vraag om inlichtingen moet een fiscaal belang hebben en moet betrekking hebben op aangelegenheden die de fiscale situatie van de belastingplichtige kunnen beïnvloeden.

Artikel 316 WIB 1992 voorziet allereerst dat de administratie de belastingplichtige kan uitnodigen om mondelinge uitleg te verstrekken omtrent zijn fiscale toestand, doch bepaalt nergens op welke plaats de administratie mondelinge vragen om inlichtingen kan stellen. De administratie kan de belastingplichtige ter plaatse bepaalde vragen stellen, bijvoorbeeld naar aanleiding van een boekenonderzoek of een fiscale visitatie. De controleambtenaar kan de belastingplichtige ook bij hem op kantoor uitnodigen om bepaalde vragen te beantwoorden. Hierbij kan de controleambtenaar, volgens de minister van Financiën, de belastingplichtige ook vragen om bepaalde documenten mee te brengen (Parl.Vr., senator De Clippele, 16 april 1986, Bull.Bel. 1986, nr. 655). Het kan dan slechts gaan om specifieke documenten waaromtrent de controleambtenaar bepaalde vragen heeft en er kan in geen geval gevraagd worden dat de belastingplichtige al zijn boekhoudkundige stukken zou meebrengen.

Naast mondelinge vragen kan de administratie ook schriftelijke vragen om inlichtingen aan de belastingplichtige stellen. De fiscale wet voorziet geen bijzondere, wettelijke vormvereisten voor de schriftelijke vraag om inlichtingen. De administratie dient, rekening houdend met de beginselen van behoorlijk bestuur, er wel voor te zorgen dat de vraag om inlichtingen voldoende duidelijk en ondubbelzinnig is en dat de belastingplichtige wordt geïnformeerd over de gevolgen die verbonden zijn aan het niet of onvoldoende antwoorden en het niet tijdig antwoorden op gestelde vragen. De administratie dient bij het stellen van vragen om inlichtingen ook rekening te houden met het redelijkheidsbeginsel; zij dient haar vraagrecht op een goed overwogen en gematigde wijze uit te oefenen, zij mag geen overbodige vragen stellen of vragen waarvan zij zelf het antwoord kent of waarvan zij het antwoord gemakkelijk kan achterhalen in de boeken en bescheiden van de belastingplichtige. De vragen mogen geen buitensporig karakter hebben, meer bepaald kunnen geen vragen gesteld worden die dusdanige opzoekingen en zoveel werk vragen dat ze een ongehoord tijdverlies en kosten zouden meebrengen.

Een vraag om inlichtingen mag niet worden gebruikt om van de belastingplichtige te eisen dat hij documenten naar de administratie opstuurt.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/10
Pagina: 
688
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(1. V.T., 2. B.J. / Belgische Staat)

(…)

I. FEITEN
(…)

II. DE VOORAFGAANDE PROCEDURE
(…)

III. VORDERINGEN EN STANDPUNTEN IN HOGER BEROEP
(…)

IV. BEOORDELING
4.1. Artikel 315 en 316 WIB 1992
4.1.1. Artikel 315 WIB 1992, zoals in deze van toepassing, luidt als volgt:

“Eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet-inwoners is verplicht de administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan alle boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen.

(…)

De verplichting tot het voorleggen van de boeken en bescheiden, zoals voorzien in artikel 315 WIB 1992, is van toepassing op elke belastingplichtige die onderworpen is aan de inkomstenbelastingen.

Artikel 315 WIB 1992 bepaalt dat elke belastingplichtige op verzoek van de administratie zijn boeken en bescheiden, zonder verplaatsing, aan de administratie op haar verzoek moet voorleggen. Dit betekent dat de administratie te allen tijde - tijdens de wettelijke onderzoekstermijn - van de belastingplichtige kan eisen dat haar inzage wordt verleend van zijn boeken en bescheiden. De belastingplichtige kan enkel verzocht worden om zijn boeken en bescheiden “zonder verplaatsing” over te leggen. De aanslagambtenaren kunnen dus niet eisen dat de boeken en bescheiden naar de kantoren van de administratie zouden worden gebracht of, a fortiori, dat ze er eenvoudig zouden worden afgegeven met het oog op een latere bespreking. Het fiscale boekenonderzoek beperkt zich in de regel tot de “inzage” van de gevraagde stukken en bescheiden, wat tot gevolg heeft dat de administratie in de regel van de belastingplichtige niet kan eisen dat hij kopieën van zijn boeken en bescheiden zou overhandigen.

4.1.2. Artikel 316 WIB 1992, zoals in deze van toepassing, bepaalt:

“Onverminderd het recht van de administratie tot het vragen van mondelinge inlichtingen, is eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of van de belasting van niet-inwoners verplicht de administratie, op haar verzoek, binnen een maand na de datum van verzending van de aanvraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand.”

De verplichting te antwoorden op de vragen om inlichtingen van de administratie is van toepassing op elke belastingplichtige die onderworpen is aan de inkomstenbelastingen. Een vraag om inlichtingen moet een fiscaal belang hebben en moet betrekking hebben op aangelegenheden die de fiscale situatie van de belastingplichtige kunnen beïnvloeden.

Artikel 316 WIB 1992 voorziet allereerst dat de administratie de belastingplichtige kan uitnodigen om mondelinge uitleg te verstrekken omtrent zijn fiscale toestand, doch bepaalt nergens op welke plaats de administratie mondelinge vragen om inlichtingen kan stellen. De administratie kan de belastingplichtige ter plaatse bepaalde vragen stellen, bijvoorbeeld naar aanleiding van een boekenonderzoek of een fiscale visitatie. De controleambtenaar kan de belastingplichtige ook bij hem op kantoor uitnodigen om bepaalde vragen te beantwoorden. Hierbij kan de controleambtenaar, volgens de minister van Financiën, de belastingplichtige ook vragen om bepaalde documenten mee te brengen (Parl.Vr., senator De Clippele, 16 april 1986, Bull.Bel. 1986, nr. 655). Het kan dan slechts gaan om specifieke documenten waaromtrent de controleambtenaar bepaalde vragen heeft en er kan in geen geval gevraagd worden dat de belastingplichtige al zijn boekhoudkundige stukken zou meebrengen.

Naast mondelinge vragen kan de administratie ook schriftelijke vragen om inlichtingen aan de belastingplichtige stellen. De fiscale wet voorziet geen bijzondere, wettelijke vormvereisten voor de schriftelijke vraag om inlichtingen. De administratie dient, rekening houdend met de beginselen van behoorlijk bestuur, er wel voor te zorgen dat de vraag om inlichtingen voldoende duidelijk en ondubbelzinnig is en dat de belastingplichtige wordt geïnformeerd over de gevolgen die verbonden zijn aan het niet of onvoldoende antwoorden en het niet tijdig antwoorden op gestelde vragen. De administratie dient bij het stellen van vragen om inlichtingen ook rekening te houden met het redelijkheidsbeginsel; zij dient haar vraagrecht op een goed overwogen en gematigde wijze uit te oefenen, zij mag geen overbodige vragen stellen of vragen waarvan zij zelf het antwoord kent of waarvan zij het antwoord gemakkelijk kan achterhalen in de boeken en bescheiden van de belastingplichtige. De vragen mogen geen buitensporig karakter hebben, meer bepaald kunnen geen vragen gesteld worden die dusdanige opzoekingen en zoveel werk vragen dat ze een ongehoord tijdverlies en kosten zouden meebrengen.

Een vraag om inlichtingen mag niet worden gebruikt om van de belastingplichtige te eisen dat hij documenten naar de administratie opstuurt.

4.1.3. Eisers in hoger beroep hebben voor de beide in betwisting zijnde aanslagjaren een aangifte in de personenbelasting ingediend. Bij deze aangifte hebben zij een aantal bijlagen gevoegd (in verband met hypothecaire leningen, levensverzekeringen, pensioensparen, sociale bijdragen, ziekenfondsbijdragen, giften, … ) alsmede een overzicht van de onder code 406 aangegeven beroepskosten.

De administratie heeft voor beide aanslagjaren een vraag om inlichtingen verzonden waarbij zij voor een aantal van deze kosten aan eisers in hoger beroep vraagt om uitleg te geven over de gehanteerde verhouding privé/beroep, om het beroepskarakter te omschrijven en om een afschrift te bezorgen van de verantwoordingsstukken.

De vraag heeft telkens betrekking op omzeggens alle door eisers in hoger beroep in de aangifte opgenomen beroepskosten.

De administratie kon middels de vraag om inlichtingen nadere informatie vragen over de beroepskosten, zonder evenwel het opsturen van de bewijsstukken te kunnen eisen of kon aan de belastingplichtigen de keuze geboden hebben om hetzij de nodige stukken over te maken hetzij deze bij hen in te zien.

Ingevolge het antwoord van eiser in hoger beroep was de administratie op de hoogte van het standpunt van eisers in hoger beroep. Zij kon alsnog een controle ter plaatse uitvoeren of eventueel de belastingplichtigen alsnog de mogelijkheid geven aan de vereisten te voldoen. Desalniettemin heeft zij onmiddellijk een kennisgeving van aanslag van ambtswege verzonden.

Het hof oordeelt dat de administratie aldus, in strijd met de artikelen 315 en 316 WIB 1992, de vragen om inlichtingen heeft gebruikt om van eisers in hoger beroep te eisen dat zij documenten opstuurden.

De betwiste aanslagen die zijn gesteund op het feit dat eisers in hoger beroep niet zijn ingegaan op de onterechte vraag van de administratie, zijn dan ook nietig. Gelet op de aldus vastgestelde nietigheid dienen de overige argumenten niet verder onderzocht te worden.

(…)

V. BESLISSING
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

(…)

Noot: 

• Herreman, W., « Vragen staat vrij, maar een afgedwongen toezending van de gevraagde stukken aan de fiscus kan niet », R.A.B.G., 2015/10, p. 683-688
• Malfait, E., « Omtrent de draagwijdte van het vraagrecht van de fiscus », R.A.B.G., 2015/10, p. 691-693
• Le Courrier Fiscal [Cour. fisc.] KELL, Livius; Commentaire sous cassation. 2015, n° 5, p. 653-656.
• De Fiscale Koerier [Fisc. koer.] KELL, Livius; Commentaar onder cassatie. 2015, nr. 5, p. 542-545.
• Fiscale Actualiteit [Fisc. Act.] JANSSENS, Koen; Noot 'Fiscus vraagt stukken op en verwijst naar sancties: ongeoorloofde druk' 2015, nr. 13, p. 10-12.
•M. Maus, “Het onrechtmatig optreden van de belastingadministratie bij de fiscale controle”, RW, 2003-04, 1597.

• M. Maus, “De Antigoon-leer in fiscale zaken. Quo Vadimus?”, Fisc.Act. 2011, afl. 4, p. 4.

• S. Gnedasj, “Wat zijn de gevolgen op fiscaal vlak als de speurders het zwijgrecht miskennen?”, Fisc.Act. 2014, afl. 18, 4-9.
[
• M. De Jonckheere, M. Maus en M. Delanote, De fiscale procedure, Brugge, die Keure, 2010, p. 53.

Rechtspraak:

• Rb. Brussel 19 september 2002, TFR 2003, 445 en Rb. Luik 28 oktober 2002, TFR 2003, 123.
• Gent 19 september 1996, Fisc.Koer. 1996, 555 en M. Maus, De fiscale controle, die Keure, 2005, 182.
• Luik 6 november 1970, Pas. 1971, II, p. 63 en Brussel 4 maart 1964, Rev.fisc. 1965,103.

zie ook:
• Circ. nr. Ci. RH.81/548.628. 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 09/07/2017 - 11:04
Laatst aangepast op: zo, 09/07/2017 - 11:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.