-A +A

Testament met datum in de marge kan geldig zijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 23/02/2015

Het eigenhandige testament is één van de drie principieel toegelaten testeervormen in het Belgische recht. Art. 970 BW bepaalt dat het testament geheel met de hand van de erflater geschreven en door hem gedagtekend en ondertekend moet zijn. Daarbij houdt men voor ogen dat elke akte die laatste wilsbeschikkingen inhoudt als een testament beschouwd kan worden, zelfs indien ze geen uitdrukkelijke toebedeling van goederen inhoudt.

De eigenhandige testamentsvorm biedt het voordeel dat het door elke rechtzoekende die kan schrijven, gebruikt kan worden, met een minimum aan wettelijke vormvoorschriften met betrekking tot het geschrift, de dagtekening en de ondertekening en zonder dat een beroep op een derde persoon gedaan wordt. Het testament bij openbare akte en het internationale testament impliceren ook analoge vereisten, maar specifiek bij het eigenhandige testament is dat deze drie vormvoorschriften door de erflater zelf dienen te worden vervuld.

Het testament – ook het eigenhandige testament – is een vormelijke akte. Elk testament moet aan de voorgeschreven vormvereisten voldoen, niet louter met het oog op zijn bewijs, maar opdat het zou bestaan (forma dat esse rei). De vormvereisten zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid. Hoewel de basisvereisten voorgeschreven zijn ad solemnitatem en niet ad probationem, worden deze vormvereisten door de rechtspraak en de rechtsleer vaak eerder als bijkomende geldigheidswaarborgen beschouwd dan als vormvereisten sensu stricto. Dit houdt in dat men, in bepaalde gevallen waar de vorm niet volmaakt is, zal nagaan of deze de geldigheid van het testament nog waarborgt veeleer dan louter vast te stellen dat, omdat de vorm gebrekkig is, het hele testament nietig is. De rechtspraak legt bij het eigenhandige testament een zekere soepelheid aan de dag, wars van overdreven formalisme.

Over de plaats van de handtekening bij een eigenhandig testament is niets in de wet bepaald..

Dat het testament neergeschreven werd op een vel papier waarvan de onderkant niet volledig is en waarvan blijkbaar een reep papier is afgescheurd, maakt het testament niet ongeldig of nietig. De materiële drager van het eigenhandig handschrift is onbelangrijk, voor zover de voorwaarden van art. 970 BW vervuld zijn. Een testament kan worden opgesteld in de vorm van een afschrift, een huurcontract, een vestiging van een rente ten kostelozen titel, een voorstel, of in gelijk welke andere vorm indien blijkt dat de wil van de auteur van het geschrift erin bestond op die manier een definitieve beschikking van laatste wil te realiseren en de overige vereisten voorgeschreven door art. 970 BW vervuld zijn.

Dat het testament door de verbalisanten en door de verweerders omschreven werd als een “afscheidsbrief”, speelt hierbij geen enkele rol. Niet zelden aanvaardt men een testament dat in briefvorm is opgesteld. Dit is het geval indien deze brief door de auteur zelf als testament beschouwd werd en hij de intentie had zijn laatste wil in de brief neer te pennen, wat in deze casus duidelijk het geval is. Wijlen de heer D.T. heeft in de afscheidsbrief zijn laatste wil neergeschreven en hij heeft vervolgens zelfmoord gepleegd.

Het staat inderdaad vast dat er geen datering in de afscheidsbrief aanwezig is, maar dit hoeft niet te leiden tot de conclusie dat het voorgelegde eigenhandige testament nietig is. Een niet-gedateerd testament kan immers toch rechtsgeldig zijn als het tijdstip van het opmaken van het testament én door intrinsieke en extrinsieke elementen in zekere mate kan worden gesitueerd in de tijd én er met betrekking tot het desbetreffende testament geen probleem van volgorde van testamenten of hetzij ongezondheid van geest, hetzij onbekwaamheid van de erflater aan de orde is (zie voor een vergelijkbaar geval maar m.b.t. een onvolledige datering:

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
140
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C. t/ D.T.M. e.a.

II. Relevante feiten

2.1. Eiser is de voormalige raadsman van wijlen de heer D.T. geboren te (...) op 4 juni 1942 en overleden te Gent op 26 augustus 2012. De eerste tot derde verweerders zijn de broers van de overledene en de vierde en vijfde verweerders zijn de kinderen van zijn vooroverleden broer.

2.2. Wijlen de heer D.T. heeft op 26 augustus 2012 zelfmoord gepleegd. Omdat zijn buurvrouw reeds enkele dagen geen contact meer had gehad met hem, werd zij ongerust en heeft zij op 27 augustus 2012 de hulpdiensten gecontacteerd. De brandweer heeft de deur geopend en de zelfmoord door verhanging vastgesteld. Kort nadien zijn de politiediensten ter plaatse gearriveerd.

In de woning werd op de tafel van de woonkamer een gsm-toestel aangetroffen samen met een adreskaartje van de eiser waarop handgeschreven het gsm-nummer van de eiser was vermeld evenals het nummer van de kluis die zich in de woning bevond met de melding “alleen advocaat open doen”. Eiser werd door de politie op de hoogte gebracht en begaf zich samen met de politie naar de woning waar de kluis werd geopend in aanwezigheid van de eiser en twee verbalisanten. In de kluis werden diverse rekeninguittreksels, een brief van het uitvaartcentrum M., een adreskaartje van een notaris, een geldsom (9.620 euro) en een document aangetroffen dat door de politie een “afscheidsbrief” wordt genoemd en dat eiser als “een eigenhandig testament” beschouwt.

De tekst ervan luidt als volgt:

“Mijn laatste wens en wil.

“Ik ben naar mijn vriend. Ik mis hem te veel. Niets aan familie.

“Mijn vermogen wordt onze deze mensen verdeeld: C krijgt 100.000 €. De rest allemaal naar mijn advocaat M.C. Die weet alles wat ik meegemaakt heb hier waar ik woon en ginder vroeger mijn thuis.

“Meubelen als ze niets moeten hebben; alleen de kringwinkel aan geen andere.

“In de kluis boven zitten de brieven, de foto voor de grafkelder en de papieren en geld voor de begrafenis. Niemand in de kerk (...)straat of de personen die in de brief staan.

“Uitvaart M

“Gelijk mijn vriend, hij weet wat doen.

“Alles in stilte en ook de grafkelder doen en een beetje later laten opkuisen.

“Getekend en goedgekeurd,

“D.T.”

2.3. Notaris B. heeft op 27 augustus 2012 een kwijting afgeleverd aan de politie van de lokale politiezone Gent voor een bedrag van 9.620 euro aan liquide middelen die in de kluis werden teruggevonden en ook een tweede kwijtschrift voor een verkoopovereenkomst voor de woningen A en B te G. en de sleutel van de woning C te G.

2.4. Eiser heeft het eigenhandige testament met toepassing van art. 976 BW op 30 januari 2013 aangeboden aan notaris B., die vervolgens proces-verbaal opgemaakt heeft voor de beschrijving van de staat van het eigenhandige testament toegeschreven aan de heer D.T.

Op 12 februari 2013 leverde de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent aan de notaris een ontvangstbewijs af voor de neerlegging van een gelijkvormig afschrift van het proces-verbaal van opening en beschrijving van het eigenhandige testament, niet gedateerd, toegeschreven aan wijlen D.T., laatst wonende te G. en overleden te G. op 26 augustus 2012, samen met een gewaarmerkte fotokopie van dit testament.

2.5. Bij eenzijdig verzoekschrift neergelegd op 29 april 2013 heeft de eiser aan de voorzitter van deze rechtbank overeenkomstig art. 1006 en 1008 BW de inbezitstelling van de nalatenschap gevraagd. Op basis van de op dat ogenblik voorliggende elementen heeft de voorzitter het verzoek bij bevelschrift van 3 juni 2013 als ongegrond afgewezen. De relevante passages van dit bevelschrift luiden als volgt:

“De algemene legataris treedt door de dood van de erflater van rechtswege in het bezit van de nalatenschap mits art. 1008 BW wordt nageleefd. In het licht van deze wetsbepaling dient door mijn ambt een prima facie

-

onderzoek te gebeuren (zie en vgl.: R. Dekkers en H. Casman, Handboek burgerlijk recht, IV, Antwerpen, Intersentia, 2010, nr. 1234; L. Vet, “De inbezitstelling van de algemene legataris – art. 1008 BW”, TBBR 2011, 120).
“Uitgangspunt voor deze marginale toetsing is art. 970 BW: “Het eigenhandig testament is niet geldig als het niet geheel met de hand van de erflater geschreven, gedagtekend en ondertekend is. Het is aan geen andere formaliteiten onderworpen.”

“Het geschrift begint met de woorden: “mijn laatste wens en wil”, is geheel met de hand van de erflater geschreven en door hem ondertekend. Tot zover doorstaat dit geschrift de toetsing van een eigenhandig testament.

“Er rijzen echter heel wat vragen in rechte, die slechts voor een deel worden ontmoet in de motieven van het verzoekschrift:

– er is geen enkele afgelijnde dagtekening voorhanden in het testament, noch expliciet, noch impliciet;

– de verwijzing naar de dood van zijn vriend (volgens de grafconcessie te identificeren als I.P.) maakt het mogelijk te stellen dat het testament is opgesteld na de overlijdensdatum van deze laatste (jaren geleden);

– het onderste deel van het A4-blad waarop het testament is geschreven, is weggeknipt; op de tweeëntwintigste regel zijn restanten van letters zichtbaar;

– de erflater stierf geen natuurlijke dood.

“Reeds bij tussenbeschikking is aangegeven dat de testator drie broers heeft, maar geen reservataire erfgenamen. Hoewel art. 1006 BW strikt genomen niet vereist dat de concluant afgifte zou vragen aan de wettige erfgenamen van de testator, kunnen hun eventuele aanspraken op de nalatenschap worden miskend door huidig verzoek in te willigen zonder dat voorafgaandelijk enige tegenspraak is gevoerd.

“Op basis van de hierboven vermelde vaststellingen kan aan het eenzijdig verzoek tot inbezitstelling van de nalatenschap op basis van de thans voorliggende elementen alsnog geen gevolg worden gegeven. Het behoort aan de verzoeker als meest gerede partij om een procedure op tegenspraak ten gronde in te leiden”.

In navolging van deze beoordeling door de voorzitter heeft de eiser op 15 juli 2013 de huidige (contradictoire) procedure ingeleid.

2.6. Bij bevelschrift van 17 juli 2013 heeft de voorzitter van deze rechtbank notaris B. aangesteld tot voorlopig beheerder van de nalatenschap van wijlen de heer D.T.

III. De vorderingen

3.1. De vordering van de eiser strekt ertoe om in een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis met uitsluiting van de borgstelling en van het kantonnement:

– te zeggen voor recht dat het eigenhandige testament zoals opgesteld door wijlen de heer D.T. en neergelegd onder de minuten van notaris B., notaris met standplaats te L., rechtsgeldig is, zodat de eiser de enige algemeen legataris is van wijlen de heer D.T., met uitsluiting van de wettige erfgenamen (verweerders) en met de verplichting tot afgifte van het in het testament vermelde bijzondere legaat aan de vrijwillig tussenkomende partij;

– minstens alvorens verder recht te doen D., hoofdinspecteur van politie, te horen als getuige met betrekking tot het doorzoeken door de politie van de kluis van de overledene en het in beslag nemen van de afscheidsbrief als enige afscheidsbrief die in de kluis werd aangetroffen;

– de incidentele vordering van de verweerders strekkende tot de gerechtelijke vereffening – verdeling van de nalatenschap van wijlen hun moeder/grootmoeder in aanwezigheid van de eiser (als rechtsopvolger van wijlen D.T.) ontvankelijk en gegrond te verklaren en een boedelnotaris aan te stellen;

– de vorderingen van de vrijwillig tussenkomende partij enkel maar gegrond te verklaren in de mate dat daardoor haar rechten voortvloeiend uit het testament worden vastgesteld en voor het overige als ongegrond af te wijzen;

...

3.2. De verweerders (op hoofd- en tussenvordering) stellen de volgende vorderingen in:

– zij verzoeken de rechtbank om akte te nemen van het feit dat zij geen betwisting voeren over de herkenning van het handschrift van de decujus;

– zij vragen dat voor recht zou worden gezegd dat het eigenhandige testament dat wordt toegeschreven aan wijlen de heer D.T. niet voldoet aan de vereisten van art. 970 BW en dat het derhalve niet kan gelden als eigenhandig testament houdende de laatste wilsbeschikking van wijlen D.T.;

– te zeggen voor recht dat bij gebrek aan een geldig testament de nalatenschap van wijlen D.T. volgens de wettelijke devolutie (art. 750 BW) toekomt aan de verweerders (voor 1/4, respectievelijk 1/8);

– de door de eiser en de vrijwillig tussenkomende partij ingestelde rechtsvorderingen als ongegrond af te wijzen;

– subsidiair de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij tot afgifte van roerende goederen en een geldsom als bijzonder legaat, af te wijzen als ongegrond;

– in het geval de hoofdvordering gegrond zou worden bevonden, de gerechtelijke vereffening-verdeling te bevelen, mede ten aanzien van de eiser, van de nalatenschap van V. en overleden te G. en te dien einde een notaris-vereffenaar aan te stellen (en de kosten ten laste van de boedel te leggen);

...

3.3. De vrijwillig tussenkomende partij vordert:

– de gedwongen voorlegging door de eiser/verweerders van de aangifte van de nalatenschap van wijlen D.T.;

– te zeggen voor recht dat het eigenhandige testament zoals opgesteld door wijlen de heer D.T. en neergelegd onder de minuten van notaris B., notaris met standplaats te L., waarvan de expeditie van de akte houdende de neerlegging ter griffie werd neergelegd op 13 februari 2013, rechtsgeldig is;

– te zeggen voor recht dat de vrijwillig tussenkomende partij tot de nalatenschap wordt geroepen ten belope van 100.000 euro, te vermeerderen met de vruchten van deze gelden vanaf de datum van het overlijden, minstens vanaf de datum van de neerlegging van het verzoek tot tussenkomst en in alle geval vanaf de uitspraak van het vonnis;

– te zeggen voor recht dat de vrijwillig tussenkomende partij krachtens het testament aanspraak kan maken op een foto van de decujus en op zijn Cartier uurwerk;

– ten laste van de eiser en minstens ten laste van de verweerders de afgifte te bevelen van het bijzondere legaat van 100.000 euro, te vermeerderen met de vruchten en van de foto en het uurwerk, dit laatste op straffe van een dwangsom van 500 euro per dag vertraging vanaf de achtste dag na de betekening;

– voorbehoud te verlenen voor het vorderen van de aanstelling van een notaris met het oog op de gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van wijlen de heer D.T. alsook voor het vragen van rekening en verantwoording;

...

IV. Beoordeling

4.2. De essentie van de ingestelde vordering komt erop neer dat de eiser zijn recht als algemeen legataris van wijlen de heer D.T. wenst erkend te zien en dientengevolge ook de rechtsgeldigheid van het document dat hij beschouwt als het eigenhandige testament van de decujus en waarvan de verweerders aanvoeren dat dit een loutere afscheidsbrief betreft die in alle geval niet kan worden beschouwd als een rechtsgeldig eigenhandig testament, zodat niet de eiser maar enkel en alleen de verweerders mogen worden beschouwd als de wettige erfgenamen van wijlen de heer D.T. De vrijwillig tussenkomende partij steunt (uiteraard) de stelling van de eiser, gelet op het feit dat hij in het testament (afscheidsbrief) een bijzonder legaat krijgt toegewezen.

Hoewel het niet alledaags is dat de advocaat van een bepaalde persoon ook de (hoofd-)begunstigde wordt in zijn testament, waarbij deze persoon dan ook nog eens via zelfdoding om het leven komt, is hier prima facie geen bezwaar tegen te formuleren en is er in elk geval geen wettelijke regel die dit zou verhinderen.

...

4.3. De verweerders voeren aan dat het eigenhandige testament niet voldoet aan de voorwaarden van art. 970 BW en dat het derhalve niet als een rechtsgeldig testament kan worden beschouwd, zodat bij gebrek aan een testament alleen de verweerders als de wettige erfgenamen van wijlen de heer D.T. kunnen worden beschouwd.

Hoewel dit in eerste instantie anders was, betwisten de verweerders het handschrift van hun overleden broer/oom niet langer. Zij voeren wel aan dat de lijnen 22 (en volgende) ontbreken, zodat het niet zeker is of men wel het volledige testament in handen heeft en of dit testament wel volledig is. Zij betogen tevens dat het onduidelijk is wat er ten tijde van het overlijden allemaal in de kluis van de woning lag (zodat er misschien nog andere documenten of testamenten zijn). Het testament is volgens de verweerders niet het eindresultaat van het spontane en weloverwogen werk van de testator. De handtekening, die in de linkermarge werd geplaatst en niet onderaan het document, doet ook de nodige twijfels omtrent de inhoud en het afgewerkt zijn rijzen. Bovendien is er geen enkele afgelijnde dagtekening (expliciet noch impliciet) aanwezig en wordt nergens melding gemaakt van dag, maand en jaar van de ondertekening van het beweerde testament. Het beweerde testament dient bijgevolg als nietig te worden beschouwd en de verweerders zijn als enigen tot de nalatenschap geroepen.

4.4. Het eigenhandige testament is één van de drie principieel toegelaten testeervormen in het Belgische recht. Art. 970 BW bepaalt dat het testament geheel met de hand van de erflater geschreven en door hem gedagtekend en ondertekend moet zijn. Daarbij houdt men voor ogen dat elke akte die laatste wilsbeschikkingen inhoudt als een testament beschouwd kan worden, zelfs indien ze geen uitdrukkelijke toebedeling van goederen inhoudt.

De eigenhandige testamentsvorm biedt het voordeel dat het door elke rechtzoekende die kan schrijven, gebruikt kan worden, met een minimum aan wettelijke vormvoorschriften met betrekking tot het geschrift, de dagtekening en de ondertekening en zonder dat een beroep op een derde persoon gedaan wordt. Het testament bij openbare akte en het internationale testament impliceren ook analoge vereisten, maar specifiek bij het eigenhandige testament is dat deze drie vormvoorschriften door de erflater zelf dienen te worden vervuld.

Het testament – ook het eigenhandige testament – is een vormelijke akte. Elk testament moet aan de voorgeschreven vormvereisten voldoen, niet louter met het oog op zijn bewijs, maar opdat het zou bestaan (forma dat esse rei). De vormvereisten zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid. Hoewel de basisvereisten voorgeschreven zijn ad solemnitatem en niet ad probationem, worden deze vormvereisten door de rechtspraak en de rechtsleer vaak eerder als bijkomende geldigheidswaarborgen beschouwd dan als vormvereisten sensu stricto. Dit houdt in dat men, in bepaalde gevallen waar de vorm niet volmaakt is, zal nagaan of deze de geldigheid van het testament nog waarborgt veeleer dan louter vast te stellen dat, omdat de vorm gebrekkig is, het hele testament nietig is. De rechtspraak legt bij het eigenhandige testament een zekere soepelheid aan de dag, wars van overdreven formalisme.

De ratio van de vormvereisten gesteld aan een eigenhandig testament bestaat erin te verzekeren dat het testament de bewuste wil van de testator zelf bevat. De vormvereisten waarborgen dat de inhoud van het testament het werkelijke werkstuk van de testator is.

Art. 970 BW bepaalt letterlijk dat er geen bijkomende vormregels worden opgelegd en dat, met andere woorden, de voorgeschreven vormvereisten limitatief opgesomd zijn. Zo zijn niet vereist: de aanwezigheid van getuigen of van een notaris, de voorlezing of toelichting. De plaats waar het testament werd opgemaakt of ondertekend, moet evenmin worden vermeld. Er dient geen gezegeld papier of ander papier waarop een fiscale zegel aangebracht is, gebruikt te worden. Hoewel een eigenhandig testament vaak vóór het overlijden in bewaring wordt gegeven bij een notaris en bekendgemaakt wordt in een centraal register van testamenten, zijn deze handelingen niet vereist voor de geldigheid van het testament.

4.5. De rechtbank komt in casu tot de conclusie dat het voorgelegde document als het (enige) rechtgeldige testament van wijlen de heer D.T. dient te worden beschouwd.

Het staat vast dat de testator het testament eigenhandig geschreven heeft, dat het volledig in zijn handschrift is opgesteld en door hem is ondertekend.

De echtheid van deze handtekening wordt door de verweerders niet betwist. Over de plaats van de handtekening bij een eigenhandig testament is niets in de wet bepaald. Aangenomen wordt dat de plaats waar de handtekening op een eigenhandig testament voorkomt, niet beslissend is. Het volstaat dat er geen twijfel bestaat over het verband tussen de uiterste wilsbeschikking en de handtekening. Gewoonlijk wordt de handtekening onderaan in de wilsbeschikking geplaatst, maar de plaats van de handtekening is volledig vrij. Dat de handtekening van de testator in casu in de linkermarge van het testament werd geplaatst (hetgeen duidelijk te verklaren is door plaatsgebrek), speelt dus geen enkele rol. Het testament is geldig ondertekend wanneer de handtekening een voldoende intellectuele en materiële band heeft met de rest van het testament en dat is in casu het geval.

Dat het testament neergeschreven werd op een vel papier waarvan de onderkant niet volledig is en waarvan blijkbaar een reep papier is afgescheurd, maakt het testament niet ongeldig of nietig. De materiële drager van het eigenhandig handschrift is onbelangrijk, voor zover de voorwaarden van art. 970 BW vervuld zijn. Een testament kan worden opgesteld in de vorm van een afschrift, een huurcontract, een vestiging van een rente ten kostelozen titel, een voorstel, of in gelijk welke andere vorm indien blijkt dat de wil van de auteur van het geschrift erin bestond op die manier een definitieve beschikking van laatste wil te realiseren en de overige vereisten voorgeschreven door art. 970 BW vervuld zijn.

Dat het testament door de verbalisanten en door de verweerders omschreven werd als een “afscheidsbrief”, speelt hierbij geen enkele rol. Niet zelden aanvaardt men een testament dat in briefvorm is opgesteld. Dit is het geval indien deze brief door de auteur zelf als testament beschouwd werd en hij de intentie had zijn laatste wil in de brief neer te pennen, wat in deze casus duidelijk het geval is. Wijlen de heer D.T. heeft in de afscheidsbrief zijn laatste wil neergeschreven en hij heeft vervolgens zelfmoord gepleegd.

Ook voor wat het ontbreken van een dagtekening van het testament betreft, zoeken de verweerders spijkers op laag water. Het staat inderdaad vast dat er geen datering in de afscheidsbrief aanwezig is, maar dit hoeft niet te leiden tot de conclusie dat het voorgelegde eigenhandige testament nietig is. Een niet-gedateerd testament kan immers toch rechtsgeldig zijn als het tijdstip van het opmaken van het testament én door intrinsieke en extrinsieke elementen in zekere mate kan worden gesitueerd in de tijd én er met betrekking tot het desbetreffende testament geen probleem van volgorde van testamenten of hetzij ongezondheid van geest, hetzij onbekwaamheid van de erflater aan de orde is (zie voor een vergelijkbaar geval maar m.b.t. een onvolledige datering: Gent, 3 december 2009, 2008/AR/1900, onuitg., geciteerd in M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, “ Overzicht van rechtspraak (1999-2011). Giften”, TPR 2013, (175), p. 735, nr. 721). Het eigenhandige testament is duidelijk te situeren in de tijd, aangezien (1) erin vermeld wordt dat het opgesteld is na het overlijden van de vriend van de testator, waarmee zonder enige twijfel P. wordt bedoeld die overleden is op 17 november 2004 en aangezien (2) uit de inhoud van deze “afscheidsbrief” blijkt dat de testator deze geschreven heeft kort vóór hij zich heeft verhangen, wat op 26 augustus 2012 is gebeurd. Bovendien staat het vast dat er door wijlen de heer D.T. geen ander testament is opgesteld en wordt het evenmin door de verweerders betwist dat hij gezond van geest was. De ontstentenis van datering dient bijgevolg niet tot de conclusie te leiden dat het testament nietig zou zijn. Integendeel, het voorgelegde testament is perfect rechtgeldig, zodat het als de laatste wil van wijlen de heer D.T. dient te worden beschouwd en ook als zodanig dient te worden uitgevoerd.

4.6. Aangezien het eigenhandige testament als rechtsgeldig wordt beoordeeld, dient ook het erin vermelde bijzondere legaat te worden uitgevoerd zodat de vrijwillig tussenkomende partij inderdaad recht heeft op een bedrag van 100.000 euro.

Krachtens ditzelfde testament kan de vrijwillig tussenkomende partij echter geen aanspraak maken op een foto van de testator noch op een uurwerk van het merk Cartier waarvan bovendien zelfs niet kan worden uitgemaakt of dit überhaupt tot de nalatenschap zou behoren. Het zal door de algemeen legataris dienen te worden beslist of deze gevolg wenst te geven aan de desbetreffende vragen van de tussenkomende partij.

4.7. De door de verweerders geformuleerde incidentele vordering strekt tot het bevelen van de gerechtelijke verdeling van de nalatenschap van wijlen de moeder/grootmoeder van de verweerders (V). Eiser verzet zich hier niet tegen.

Niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en de verdeling kan te allen tijde worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling of overeenkomst. Indien niet alle mede-eigenaars met een minnelijke verdeling instemmen, geschiedt de verdeling gerechtelijk op vordering van de meest gerede partij ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg.

De nalatenschap van wijlen mevrouw Van K.I. werd naar verluidt nog niet vereffend en verdeeld. Tot op heden bestaat deze boedel derhalve in onverdeeldheid tussen de verweerders en de eiser (als rechtsopvolger van wijlen D.T.), wat niet wordt betwist. In die omstandigheden is de vordering tot gerechtelijke vereffening-verdeling van deze boedel alleszins gegrond.

Indien de rechtbank de verdeling beveelt, verwijst zij de partijen naar de notaris-vereffenaar over wie de partijen het eens zijn, of, op een met redenen omkleed verzoek van de partijen, naar twee notarissen-vereffenaars van wie zij gezamenlijk de aanstelling vragen. Indien de partijen niet tot een akkoord komen of indien de rechtbank oordeelt dat de aanstelling van twee notarissen-vereffenaars niet gerechtvaardigd is, verwijst zij de partijen naar een andere notaris-vereffenaar die zij aanwijst.

In de gegeven omstandigheden zal de rechtbank de partijen dan ook ambtshalve verwijzen naar een door haar aangeduide notaris, namelijk meester B., notaris met standplaats te L.

Het opstellen van een boedelbeschrijving, het verzamelen van alle noodzakelijke informatie (ook bij derden) en de samenstelling van de fictieve massa behoren automatisch tot de taak van de aangeduide notaris-vereffenaar en dienen niet uitdrukkelijk te worden bevolen door de rechtbank.

...

Noot: 

Wettelijke bepalingen inzake testamenten (uitrekesel uit het burgerlijk wetboek:

HOOFDSTUK V. - BESCHIKKINGEN BIJ TESTAMENT.

AFDELING I. - ALGEMENE REGELS BETREFFENDE DE VORM DER TESTAMENTEN.

Art. 967. Een ieder kan bij testament beschikken, hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, hetzij onder elke andere benaming die geschikt is om zijn wil te kennen te geven.

Art. 968. Geen testament kan in een zelfde akte door twee of meer personen worden gemaakt, hetzij ten voordele van een derde, hetzij als wederkerige en onderlinge beschikking.

Art. 969. <W 02-02-1983, art. 19> Een testament kan eigenhandig, of bij openbare akte of in de vorm van het internationaal testament, gemaakt worden.

Art. 970. Het eigenhandig testament is niet geldig, indien het niet geheel met de hand van de erflater geschreven, gedagtekend en ondertekend is; het is aan geen andere formaliteiten onderworpen.

Art. 971. <W 16-12-1922, art. 1> Een testament bij openbare akte is het testament dat voor een notaris in tegenwoordigheid van twee getuigen, of voor twee notarissen verleden wordt.

Art. 972.[1 Wanneer het testament wordt verleden voor één of twee notarissen wordt het, zoals het hem of hun door de erflater werd gedicteerd, [2 op papier opgemaakt overeenkomstig artikel 13]2 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt.]1
[In beide gevallen moet het aan de erflater worden voorgelezen. Indien er slechts één notaris is, geschiedt de voorlezing in tegenwoordigheid van de getuigen.] <W 16-12-1922, art. 1>
Van een en ander wordt uitdrukkelijk melding gemaakt.
----------
(1)<W 2009-05-06/03, art. 31, 015; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

(2)<W 2010-12-29/01, art. 22, 016; Inwerkingtreding : 10-01-2011>

Art. 973. Dit testament moet door de erflater getekend worden; indien hij verklaart dat hij niet kan tekenen of daartoe niet in staat is, wordt in de akte uitdrukkelijke melding gemaakt van zijn verklaring, alsook van de oorzaak die hem verhindert te tekenen.

Art. 974. (opgeheven) <W 1999-05-04/03, art. 46, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2000>

Art. 975. (opgeheven) <W 1999-05-04/03, art. 46, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2000>

Art. 976. <W 02-02-1983, art. 20> Wanneer een erfenis is opengevallen waarvoor een eigenhandig testament of een testament in de internationale vorm werd gemaakt, moeten de volgende formaliteiten worden verricht :
1° Ieder eigenhandig testament wordt, voordat het wordt ten uitvoer gelegd, aangeboden aan een notaris.
Dit testament wordt door laatstgenoemde geopend indien het verzegeld is. De notaris maakt een proces-verbaal op van de opening en van de staat waarin het testament zich bevindt.
Dit testament zal samen met gezegd proces-verbaal onder de minuten van de notaris worden gerangschikt.
Binnen de maand volgend op de datum van het proces-verbaal, zal de notaris een gelijkvormig afschrift ervan samen met een gewaarmerkte fotocopie van het testament deponeren ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen.
Wanneer de erfenis in het buitenland is opengevallen gebeurt de deponering ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de notaris zijn standplaats heeft.
In een daartoe gehouden register maakt de griffier melding van de deponering en overhandigt aan de notaris een ontvangstbewijs.
2° In het geval van het internationaal testament zal de notaris, bij wie het testament in bewaring werd gegeven, een proces-verbaal van de opening en van de staat van het testament opmaken.
Het internationaal testament zal samen met genoemd proces-verbaal onder de minuten van de notaris worden gerangschikt.
Binnen de maand volgend op de datum van het proces-verbaal zal de notaris een gelijkvormig afschrift ervan, samen met een gewaarmerkte fotocopie van het testament en van de verklaring, deponeren ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen.
Wanneer de erfenis in het buitenland is opengevallen gebeurt de deponering ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de notaris zijn standplaats heeft.
In een daartoe gehouden register maakt de griffier melding van de deponering en overhandigt aan de notaris een ontvangstbewijs.
3° De voornoemde beschikkingen zijn ook toepasselijk ten opzichte van de Belgische diplomatieke en consulaire ambtenaren met notariële bevoegdheid, onder de voorwaarden die door de Ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie worden bepaald.

Art. 977. (Opgeheven) <W 16-12-1922, art. 1>

Art. 978. (Opgeheven) <W 02-02-1983, art. 22>

Art. 979. (Opgeheven) <W 02-02-1983, art. 22>

Art. 980. (Opgeheven) <W 03-07-1974, art. 1>

AFDELING II. - BIJZONDERE REGELS BETREFFENDE DE VORM VAN BEPAALDE TESTAMENTEN.

Art. 981. Testamenten van militairen en van personen in dienst bij het leger kunnen, in welk land ook, verleden worden voor een bataljons- of eskadronscommandant of voor iedere andere officier van een hogere graad, in tegenwoordigheid van twee getuigen, of voor twee oorlogscommissarissen, of voor één van die commissarissen in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Art. 982. Zij kunnen, indien de erflater ziek is of gewond, ook verleden worden voor de officier van gezondheid, hoofd van de geneeskundige dienst, bijgestaan door de militaire bevelhebber die met de politie van (het hospitaal) belast is. <W 15-12-1949, art. 23>

Art. 983. De bepalingen van de vorige artikelen zijn alleen van toepassing op hen die zich te velde, in kwartier, in garnizoen buiten het Belgisch grondgebied of in krijgsgevangenschap bij de vijand bevinden; zij zijn niet van toepassing op hen die binnenslands in kwartier of in garnizoen zijn, behalve wanneer dezen zich in een belegerde plaats bevinden, of in een vesting of een andere plaats waarvan de poorten gesloten zijn en waarmee het verkeer ten gevolge van de oorlog verbroken is.

Art. 984. Het in de hierboven bepaalde vorm gemaakte testament wordt waardeloos, zes maanden nadat de erflater is teruggekeerd in een plaats waar het hem mogelijk is de gewone vormen in acht te nemen.

Art. 985. Testamenten gemaakt in een plaats waarmee alle verkeer verbroken is ten gevolge van de pest of een andere besmettelijke ziekte, kunnen worden gemaakt voor de vrederechter, of voor een van de municipale ambtenaren der gemeente, in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Art. 986. Deze bepaling geldt zowel ten opzichte van hen die door die ziekten zijn aangetast, als ten opzichte van hen die zich in de besmette plaats bevinden, ook al zijn zij op dat ogenblik niet aangetast.

Art. 987. De in de twee vorige artikelen vermelde testamenten worden waardeloos, zes maanden nadat het verkeer hersteld is met de plaats waar de erflater zich bevindt, of zes maanden nadat hij in een plaats gekomen is, waarmee het verkeer niet verbroken is.

Art. 988. Testamenten gemaakt op zee, gedurende de loop van een reis, kunnen worden verleden :
Aan boord van oorlogsbodems en andere schepen van de Staat, voor de officier die het bevel voert over het schip, of, bij gebreke van deze officier, voor degene die hem volgens de dienstregeling vervangt, de ene of de andere samen met de officier van administratie of met degene die diens ambt vervult;
En, aan boord van koopvaardijschepen, voor de scheepsschrijver of voor degene die diens ambt vervult, de ene of de andere samen met de kapitein, de gezagvoerder of de schipper of, bij gebreke van dezen, voor degenen die hen vervangen.
In ieder geval moeten die testamenten verleden worden in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Art. 989. Het testament van de kapitein of van de officier van administratie, op schepen van de Staat, en dat van de kapitein, de gezagvoerder of schipper, of van de schrijver, op koopvaardijschepen, kunnen worden verleden voor degenen die volgens de dienstregeling na hen komen, met inachtneming, voor het overige, van de bepalingen van het vorige artikel.

Art. 990. In ieder geval wordt het origineel van de in de twee vorige artikelen bedoelde testamenten in tweevoud opgemaakt.

Art. 991. Wanneer het schip een vreemde haven aandoet, waar zich een consul van België bevindt, moeten degenen voor wie het testament verleden is, een van beide originelen, gesloten of verzegeld, bij die consul in bewaring stellen; deze zal het doen toekomen aan de minister (van Verkeerswezen), die het zal doen neerleggen op de griffie van het vredegerecht van de woonplaats van de erflater. <W 15-12-1949, art. 7>

Art. 992. Bij de terugkeer van het schip in België, hetzij in de haven waar het is uitgerust, hetzij in een andere haven dan die waar het is uitgerust, moeten beide originelen van het testament, eveneens gesloten en verzegeld, of het origineel dat overblijft, indien het andere, overeenkomstig het vorige artikel, gedurende de reis in bewaring is gegeven, op het kantoor van de (waterschout) afgegeven worden; (deze laatste) zal de originelen zonder verwijl doen toekomen aan de minister (van Verkeerswezen), die de neerlegging daarvan zal bevelen, zoals in hetzelfde artikel bepaald is. <W 15-12-1949, art. 5, 7 en 24>

Art. 993. Op de scheepsrol wordt, nevens de naam van de erflater, op de kant vermeld dat de originelen van het testament zijn afgegeven hetzij in handen van een consul, hetzij op het kantoor van de (waterschout). <W 15-12-1949, art. 5>

Art. 994. Een testament wordt niet beschouwd als gemaakt op zee, hoewel het in de loop van de reis gemaakt is, indien het schip, ten tijde dat het testament verleden is, een vreemd land of een onder Belgische heerschappij staande land had aangedaan, waar zich een Belgisch openbaar ambtenaar bevond; in dat geval is het slechts geldig voor zover het is opgemaakt overeenkomstig de vormen die in België voorgeschreven zijn of overeenkomstig de vormen die gebruikelijk zijn in het land waar het gemaakt is.

Art. 995. De voorafgaande bepalingen zijn ook van toepassing op testamenten gemaakt door gewone passagiers die niet tot de bemanning behoren.

Art. 996. Een testament gemaakt op zee, in de vorm bij artikel 988 voorgeschreven, is slechts geldig voor zover de erflater sterft hetzij op zee, hetzij binnen drie maanden nadat hij aan land is gegaan, en in een plaats waar hij het testament in de gewone vorm opnieuw heeft kunnen maken.

Art. 997. Een testament gemaakt op zee mag geen beschikking bevatten ten voordele van de officieren van het schip, indien zij geen bloedverwanten van de erflater zijn.

Art. 998. De testamenten in de vorige artikelen van deze afdeling vermeld, worden ondertekend door de erflaters en door hen voor wie zij verleden worden.
Indien de erflater verklaart dat hij niet kan tekenen of daartoe niet in staat is, wordt melding gemaakt van zijn verklaring, alsook van de oorzaak die hem verhindert te tekenen.
In de gevallen waarin de tegenwoordigheid van twee getuigen vereist is, wordt het testament ten minste door een van beiden ondertekend, en wordt melding gemaakt van de oorzaak waarom de andere niet getekend heeft.

Art. 999. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 6°, 011; Inwerkingtreding : 01-10-2004>

Art. 1000. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

Art. 1001. De formaliteiten waaraan de onderscheiden testamenten, krachtens de bepalingen van deze en van de vorige afdeling, zijn onderworpen, moeten worden in acht genomen op straffe van nietigheid.

AFDELING III. - ERFSTELLINGEN EN LEGATEN IN HET ALGEMEEN.

Art. 1002. Uiterste wilsbeschikkingen zijn of algemeen, of onder algemene titel, of onder bijzondere titel.
De gevolgen van ieder van deze beschikkingen, gemaakt hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, worden bepaald overeenkomstig de regels hierna vastgesteld voor de algemene legaten, voor de legaten onder algemene titel en voor de bijzondere legaten.

AFDELING IV. - ALGEMEEN LEGAAT.

Art. 1003. Een algemeen legaat is de uiterste wilsbeschikking waarbij de erflater aan een of meer personen de algemeenheid van de goederen geeft die hij bij zijn overlijden zal nalaten.

Art. 1004. Wanneer, bij het overlijden van de erflater, erfgenamen bestaan aan wie de wet een voorbehouden erfdeel op zijn goederen toekent, treden deze erfgenamen, door zijn dood, van rechtswege in het bezit van alle goederen van de nalatenschap; en de algemene legataris moet hun de afgifte van de in het testament begrepen goederen vragen.

Art. 1005. Evenwel heeft de algemene legataris in die gevallen het genot van de in het testament begrepen goederen, te rekenen van de dag van het overlijden, indien de vordering tot afgifte is ingesteld binnen het jaar na dit tijdstip; bij gebreke daarvan, vangt het genot eerst aan op de dag waarop de rechtsvordering is ingesteld of waarop de afgifte vrijwillig is toegestaan.

Art. 1006. Wanneer, bij het overlijden van de erflater, geen erfgenamen bestaan aan wie de wet een voorbehouden erfdeel op diens goederen toekent, treedt de algemene legataris, door de dood van de erflater, van rechtswege in het bezit, zonder de afgifte te moeten vragen.

Art. 1007. (Opgeheven) <W 02-02-1983, art. 22>

Art. 1008. <W 02-02-1983, art. 21> In het geval van artikel 1006 moet de algemene legataris, indien het een eigenhandig of een internationaal testament betreft, zich in het bezit doen stellen door een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen, geschreven onderaan op een verzoekschrift, waarin melding wordt gemaakt van de deponering bedoeld in artikel 976.

Art. 1009. De algemene legataris die tot de erfenis komt samen met een erfgenaam aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, is, persoonlijk voor zijn aandeel en hypothecair voor het geheel, gehouden tot betaling van de schulden en lasten der nalatenschap van de erflater; en hij is verplicht alle legaten uit te keren, behoudens het geval van inkorting, zoals in de artikelen 926 en 927 is bepaald.

AFDELING V. - LEGAAT ONDER ALGEMENE TITEL.

Art. 1010. Een legaat onder algemene titel is dat waarbij de erflater een gedeelte vermaakt van de goederen waarover hij volgens de wet mag beschikken, zoals de helft, een derde, of al zijn onroerende goederen, of al zijn roerende goederen, of een bepaald gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen.
Ieder ander legaat is slechts een beschikking onder bijzondere titel.

Art. 1011. De legatarissen onder algemene titel moeten de afgifte vragen aan de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent; bij gebreke van zodanige erfgenamen, aan de algemene legatarissen; en bij gebreke van dezen, aan de erfgenamen die tot de nalatenschap geroepen zijn in de volgorde bepaald in de titel Erfenissen.

Art. 1012. De legataris onder algemene titel is, evenals de algemene legataris, persoonlijk voor zijn aandeel en hypothecair voor het geheel, gehouden tot betaling van de schulden en lasten der nalatenschap van de erflater.

Art. 1013. Wanneer de erflater slechts over een gedeelte van het beschikbaar gedeelte heeft beschikt, en zulks onder algemene titel, is de legataris met de natuurlijke erfgenamen gehouden tot het uitkeren van de bijzondere legaten, naar evenredigheid van zijn aandeel.

AFDELING VI. - BIJZONDERE LEGATEN.

Art. 1014. Ieder zuiver en onvoorwaardelijk legaat verleent aan de legataris, van de dag van het overlijden van de erflater, een recht op de vermaakte zaak, welk recht op zijn erfgenaam of rechtverkrijgenden overgaat.
Nochtans kan de bijzondere legataris geen bezit nemen van de vermaakte zaak, noch aanspraak maken op de vruchten of interesten daarvan, dan van de dag waarop hij de vordering tot afgifte heeft gedaan, overeenkomstig de in artikel 1011 bepaalde volgorde, of van de dag waarop de afgifte hem vrijwillig is toegestaan.

Art. 1015. De interesten of vruchten van de vermaakte zaak lopen ten voordele van de legataris, te rekenen van de dag van het overlijden, en zonder dat hij een rechtsvordering heeft ingesteld :
1° Wanneer de erflater zijn wil daartoe in het testament uitdrukkelijk heeft te kennen gegeven;
2° Wanneer een lijfrente of een pensioen is vermaakt als levensonderhoud.

Art. 1016. De kosten van de vordering tot afgifte komen ten laste van de nalatenschap, doch zonder dat daaruit een vermindering van het wettelijk voorbehouden erfdeel kan volgen.
De registratierechten zijn door de legataris verschuldigd.
Een en ander, indien het testament daaromtrent niet anders heeft beschikt.
(Lid 4 opgeheven) <W 15-12-1949, art. 28>

Art. 1017. De erfgenamen van de erflater of andere schuldenaars van een legaat, zijn persoonlijk gehouden tot het uitkeren daarvan, ieder naar evenredigheid van het aandeel dat hij uit de nalatenschap geniet.
Zij zijn hypothecair voor het geheel gehouden, ten belope van de waarde der onroerende goederen van de nalatenschap waarvan zij houder zijn.

Art. 1018. De vermaakte zaak wordt geleverd met het noodzakelijk toebehoren, en in de staat waarin zij zich op de dag van het overlijden van de schenker bevindt.

Art. 1019. Wanneer hij die de eigendom van een onroerend goed vermaakt heeft, dit goed naderhand door enige verkrijging vergroot, wordt het verkregene, ook al paalt het aan het goed, niet geacht, zonder een nieuwe beschikking, van het legaat deel uit te maken.
Het voorafgaande vindt geen toepassing op verfraaiingen, of op nieuwe bouwwerken die op het vermaakte erf worden aangebracht, of op een omheind erf waarvan de erflater de omheining vergroot.

Art. 1020. Indien, voor het testament of daarna, op het vermaakte goed een hypotheek is gevestigd voor een schuld van de nalatenschap, of zelfs voor de schuld van een derde, of indien het goed met een vruchtgebruik is bezwaard, is hij die het legaat moet uitkeren, niet verplicht het goed vrij te maken, tenzij hij door een uitdrukkelijke beschikking van de erflater hiermee belast is.

Art. 1021. Wanneer de erflater eens anders zaak vermaakt heeft, is het legaat nietig, onverschillig of de erflater al dan niet geweten heeft dat de zaak hem niet toebehoorde.

Art. 1022. Wanneer het legaat in een niet bepaalde zaak bestaat, is de erfgenaam niet verplicht de beste soort te geven, doch hij mag evenmin de slechtste aanbieden.

Art. 1023. Een legaat aan een schuldeiser wordt niet geacht gemaakt te zijn tot voldoening van zijn schuldvordering, noch een legaat aan een dienstbode tot betaling van zijn loon.

Art. 1024. De legataris onder bijzondere titel is niet gehouden tot betaling van de schulden der nalatenschap, behoudens de inkorting van het legaat, zoals hiervoren bepaald is, en behoudens de vordering van de hypothecaire schuldeisers.

AFDELING VII. - UITVOERDERS VAN UITERSTE WILSBESCHIKKINGEN.

Art. 1025. De erflater kan één of meer uitvoerders van zijn uiterste wilsbeschikkingen aanstellen.

Art. 1026. Hij kan hun het bezit verlenen van al zijn roerende goederen of slechts van een gedeelte daarvan; dit bezit kan echter niet langer duren dan jaar en dag te rekenen van zijn overlijden.
Indien hij hun dit bezit niet verleend heeft, kunnen zij het niet eisen.

Art. 1027. De erfgenaam kan het bezit doen ophouden, mits hij aanbiedt aan de uitvoerders der uiterste wilsbeschikkingen een som ter hand te stellen die voldoende is om de roerende legaten uit te keren, of mits hij doet blijken dat deze legaten reeds zijn uitgekeerd.

Art. 1028. Hij die geen verbintenis kan aangaan, mag geen uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen zijn.

Art. 1029. (Opgeheven) <W 30-04-1958, art. 7>

Art. 1030. Een minderjarige mag, zelfs met machtiging van zijn voogd of curator, geen uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen zijn.

Art. 1031. De uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen doen de nalatenschap verzegelen, indien onder de erfgenamen minderjarigen, onbekwaamverklaarden of (vermoedelijk afwezigen) zijn. <W 2007-05-09/44, art. 36, 11°, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Zij doen, in tegenwoordigheid van de vermoedelijke erfgenaam, of deze behoorlijk opgeroepen zijnde, een boedelbeschrijving van de goederen der nalatenschap opmaken.
Zij doen de roerende goederen verkopen, indien het vereiste geld om de legaten uit te keren niet voorhanden is.
Zij dragen zorg dat het testament wordt uitgevoerd; en zij kunnen, in geval van geschil omtrent de uitvoering van het testament, tussenkomen om de geldigheid ervan staande te houden.
Zij moeten, na verloop van een jaar sinds het overlijden van de erflater, rekening en verantwoording afleggen van hun beheer.

Art. 1032. De bevoegdheden van de uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen gaan niet over op zijn erfgenamen.

Art. 1033. Indien verscheidene personen de uitvoering van uiterste wilsbeschikkingen op zich hebben genomen, kan een van hen, bij gebreke van de anderen, alleen handelen; en zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de roerende goederen die hun zijn toevertrouwd, tenzij de erflater hun werkzaamheden heeft verdeeld en ieder van hen zich tot de hem opgedragen taak heeft beperkt.

Art. 1034. De kosten door de uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen gemaakt voor de verzegeling, de boedelbeschrijving, de rekening en verantwoording, alsook de verdere uitgaven in verband met zijn werkzaamheden, komen ten laste van de nalatenschap.

AFDELING VIII. - HERROEPING EN VERVAL VAN TESTAMENTEN.

Art. 1035. Testamenten kunnen noch in hun geheel noch ten dele herroepen worden dan door een later testament of door een akte voor notaris verleden, waarin de verandering van de wil wordt te kennen gegeven.

Art. 1036. Latere testamenten die de vroegere niet uitdrukkelijk herroepen, vernietigen in deze testamenten alleen de beschikkingen die met de nieuwe onverenigbaar of strijdig zijn.

Art. 1037. De in een later testament gedane herroeping behoudt al haar kracht, al blijft die nieuwe akte onuitgevoerd wegens de onbekwaamheid van de benoemde erfgenaam of van de legataris, of wegens hun weigering om te aanvaarden.

Art. 1038. Wanneer de erflater de vermaakte zaak geheel of ten dele vervreemdt, zelfs door verkoop met beding van wederinkoop, of door ruil, heeft zulks altijd herroeping van het legaat ten gevolge, ten aanzien van alles wat vervreemd is, zelfs indien de latere vervreemding nietig is en de zaak in handen van de erflater is teruggekeerd.

Art. 1039. Iedere uiterste wilsbeschikking vervalt, indien degene ten voordele van wie zij gemaakt is, de erflater niet overleeft.

Art. 1040. Iedere uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder een voorwaarde die van een onzekere gebeurtenis afhangt, en van zodanige aard dat, volgens de bedoeling van de erflater, de beschikking slechts moet worden uitgevoerd indien de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft, vervalt, indien de benoemde erfgenaam of de legataris voor de vervulling van de voorwaarde overlijdt.

Art. 1041. De voorwaarde die, volgens de bedoeling van de erflater, alleen de uitvoering van de beschikking opschort, belet niet dat de benoemde erfgenaam of de legataris een verkregen recht bezit, dat op zijn erfgenaam overgaat.

Art. 1042. Het legaat vervalt, indien de vermaakte zaak bij het leven van de erflater geheel teniet gaat.
Hetzelfde heeft plaats, indien de vermaakte zaak teniet gaat na de dood van de erflater, buiten toedoen en schuld van de erfgenaam, hoewel de erfgenaam in gebreke was gesteld om de zaak te leveren, ingeval deze zou zijn teniet gegaan ook in handen van de legataris.

Art. 1043. De uiterste wilsbeschikking vervalt, wanneer de benoemde erfgenaam of de legataris de beschikking verwerpt of onbekwaam is om deze te verkrijgen.

Art. 1044. Aanwas heeft plaats ten voordele van de legatarissen, ingeval een legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gemaakt is.
Een legaat wordt geacht gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer het gemaakt is bij een en dezelfde beschikking, en de erflater het aandeel van ieder der medelegatarissen in de vermaakte zaak niet heeft bepaald.

Art. 1045. Een legaat wordt eveneens geacht gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer een zaak die niet verdeeld kan worden zonder schade te lijden, bij dezelfde akte aan verscheidene personen, zelfs afzonderlijk, gegeven is.

Art. 1046.De gronden waarop, volgens artikel 954 en de eerste twee bepalingen van artikel 955, herroeping van een schenking onder de levenden kan worden gevorderd, gelden ook voor de eis tot herroeping van uiterste wilsbeschikkingen.
[1 De erfgenamen kunnen de herroeping wegens ondankbaarheid enkel vorderen indien :
1° de erflater overleden is binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het misdrijf, hetzij van de dag waarop het misdrijf de erflater bekend kon zijn; de erfgenamen moeten de eis dan instellen binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het misdrijf, hetzij van de dag waarop het misdrijf de erflater bekend kon zijn;
2° de erflater overleden is zonder dat het misdrijf hem bekend kon zijn; de erfgenamen moeten de eis dan instellen binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het overlijden, hetzij van de dag waarop het misdrijf hen bekend kon zijn, hetzij van de dag waarop het legaat hen bekend kon zijn.]1
----------
(1)<W 2012-12-10/14, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 21-01-2013>

Art. 1047.Indien deze eis steunt op een grove belediging de nagedachtenis van de erflater aangedaan, moet hij worden ingesteld binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf [1 of van de dag waarop het misdrijf de erfgenamen bekend kon zijn.]1.
----------
(1)<W 2012-12-10/14, art. 35, 017; Inwerkingtreding : 21-01-2013>

HOOFDSTUK VI. - GEOORLOOFDE BESCHIKKINGEN TEN VOORDELE VAN DE KLEINKINDEREN VAN DE SCHENKER OF ERFLATER, OF TEN VOORDELE VAN DE KINDEREN VAN ZIJN BROEDERS EN ZUSTERS.

Art. 1048. Ouders kunnen de goederen waarover zij het recht van beschikking hebben, geheel of ten dele, bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil, aan een of meer van hun kinderen geven, met last om deze goederen uit te keren aan de van deze begiftigden afstammende kinderen die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, doch niet verder dan in de eerste graad.

Art. 1049. Indien de overledene geen kinderen achterlaat, is de beschikking geldig die de overledene bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil ten voordele van een of meer van zijn broeders of zusters gemaakt heeft voor het geheel of een gedeelte van de goederen van de nalatenschap die door de wet niet zijn voorbehouden, met last om die goederen uit te keren aan de van deze begiftigde broeders of zusters afstammende kinderen die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, doch niet verder dan in de eerste graad.

Art. 1050. De bij de twee vorige artikelen geoorloofde beschikkingen zullen slechts gelden voor zover de last van uitkering bedongen is ten voordele van alle kinderen van de bezwaarde, die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, zonder uitzondering en zonder voorrang van leeftijd of geslacht.

Art. 1051. Indien, in de hierboven vermelde gevallen, hij die met de last van uitkering ten voordele van zijn kinderen bezwaard is, overlijdt met achterlating van kinderen in de eerste graad en van afstammelingen van een vooroverleden kind, verkrijgen deze laatsten, bij plaatsvervulling, het aandeel van het vooroverleden kind.

Art. 1052. Indien het kind, de broeder of de zuster aan wie, bij akte onder de levenden, goederen zonder de last van uitkering geschonken zijn, een nieuwe, bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil gedane gift aanneemt, die gemaakt is onder voorwaarde dat de vroeger geschonken goederen zullen bezwaard zijn met die last, dan is het hun niet meer geoorloofd de twee te hunnen voordele gemaakte beschikkingen van elkaar te scheiden en de tweede te verwerpen om zich aan de eerste te houden, ook al bieden zij aan, de in de tweede beschikking begrepen goederen terug te geven.

Art. 1053. De rechten van de verwachters nemen aanvang op het tijdstip waarop het genot van het kind, van de broeder of van de zuster die met de uitkering bezwaard zijn, uit welke oorzaak ook ophoudt; de vervroegde afstand van het genot ten voordele van de verwachters kan geen nadeel toebrengen aan de schuldeisers van de bezwaarde, wier schuldvorderingen dagtekenen van voor de afstand.

Art. 1054. De vrouwen van de bezwaarden kunnen, ingeval de vrije goederen ontoereikend zijn, zich niet subsidiair verhalen op de uit te keren goederen, behalve voor de hoofdsom van het als huwelijksgoed aangebrachte geld, en alleen ingeval de erflater zulks uitdrukkelijk mocht hebben bevolen.

Art. 1055. <W 2001-04-29/39, art. 36, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Hij die beschikkingen maakt welke volgens de vorige artikelen zijn geoorloofd, mag bij dezelfde akte of bij een latere authentieke akte een voogd benoemen die met de uitvoering van die beschikkingen wordt belast.

Art. 1056. <W 2001-04-29/39, art. 37, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Wanneer geen voogd is benoemd overeenkomstig artikel 1055 of wanneer deze zijn opdracht niet aanvaardt, wordt op verzoek van de bezwaarde of indien deze onbekwaam is, op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, een voogd benoemd binnen een maand te rekenen van de dag van overlijden van de schenker of van de erflater of van de dag waarop, na dit overlijden, de akte die de beschikking inhoudt, bekend is geworden. Deze benoeming geschiedt door de vrederechter van het kanton van de woonplaats van de bezwaarde, overeenkomstig artikel 393 en volgens de procedure vastgesteld in boek IV, hoofdstuk IX, van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 1057. De bezwaarde die aan de voorschriften van het vorige artikel niet heeft voldaan, verliest het voordeel van de beschikking; en in dit geval kan het recht verklaard worden open te staan ten voordele van de verwachters en zulks op verzoek, hetzij van die verwachters, indien zij meerderjarig zijn, (hetzij van hun curator of wettelijke vertegenwoordiger), indien zij minderjarig of onbekwaam verklaard zijn, hetzij van iedere bloedverwant van de meerderjarige, minderjarige of onbekwaamverklaarde verwachters, of zelfs ambtshalve, op vordering van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de erfenis is opengevallen. <W 2001-04-29/39, art. 38, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

Art. 1058. Na het overlijden van hem die een beschikking met last van uitkering gemaakt heeft, wordt in de gewone vorm een boedelbeschrijving opgemaakt van alle goederen die de nalatenschap uitmaken, tenzij het slechts een bijzonder legaat betreft. Die boedelbeschrijving bevat een juiste schatting van de waarde van de roerende goederen.

Art. 1059. De boedelbeschrijving wordt opgemaakt op verzoek van de bezwaarde en binnen de in de titel Erfenissen gestelde termijn, in tegenwoordigheid van de voor de uitvoering benoemde voogd. De kosten komen ten laste van de in de beschikking begrepen goederen.

Art. 1060. Indien binnen de hierboven vermelde termijn geen boedelbeschrijving is opgemaakt op verzoek van de bezwaarde, wordt zij in de loop van de volgende maand opgemaakt, op verzoek van de voor de uitvoering benoemde voogd en in tegenwoordigheid van de bezwaarde of van zijn voogd.

Art. 1061. Indien aan de voorschriften van de twee vorige artikelen niet voldaan is, wordt de boedelbeschrijving opgemaakt op verzoek van de in artikel 1057 genoemde personen; de bezwaarde of zijn voogd, en de voor de uitvoering benoemde voogd worden daartoe opgeroepen.

Art. 1062. De bezwaarde is verplicht alle in de beschikking begrepen roerende goederen na aanplakking en bij opbod te doen verkopen, met uitzondering nochtans van die welke in de twee volgende artikelen vermeld zijn.

Art. 1063. Het huisraad en de andere roerende goederen die in de beschikking begrepen mochten zijn onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij in natura bewaard blijven, zullen worden teruggegeven in de staat waarin zij zich ten tijde van de uitkering bevinden.

Art. 1064. Het vee en het gereedschap, dienende tot het bebouwen van de landerijen, worden geacht begrepen te zijn in de schenkingen onder de levenden of bij uiterste wil van die landerijen; en de bezwaarde is alleen verplicht die te doen schatten en waarderen om daarvan, ten tijde van de uitkering, voor een gelijke waarde terug te geven.

Art. 1065. Binnen zes maanden te rekenen van de dag waarop de boedelbeschrijving is gesloten, moet de bezwaarde het gereed geld beleggen, alsook het geld komende van de prijs van de roerende goederen die verkocht zijn, en hetgeen op de schuldvorderingen ontvangen is.
Deze termijn kan worden verlengd, indien daartoe redenen zijn.

Art. 1066. De bezwaarde is eveneens verplicht het geld te beleggen, dat door inning van schuldvorderingen en door aflossing van renten wordt verkregen, en zulks binnen drie maanden nadat hij het geld ontvangen heeft.

Art. 1067. De belegging geschiedt overeenkomstig hetgeen door de beschikker bevolen is, indien hij de aard heeft bepaald van de goederen waarin de belegging moet worden gedaan; bij gebreke daarvan, kan slechts belegd worden in onroerende goederen of met voorrecht op onroerende goederen.

Art. 1068. De bij de vorige artikelen voorgeschreven belegging geschiedt in tegenwoordigheid en op verzoek van de voor de uitvoering benoemde voogd.

Art. 1069. De beschikkingen met last van uitkering, gemaakt bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil, worden openbaar gemaakt op verzoek hetzij van de bezwaarde, hetzij van de voor de uitvoering benoemde voogd; te weten, wat de onroerende goederen betreft, door overschrijving van de akten in de registers van het hypotheekkantoor van de plaats waar de goederen gelegen zijn, en, wat de geldsommen met voorrecht op onroerende goederen betreft, door inschrijving op de voor het voorrecht verbonden goederen.

Art. 1070. Het ontbreken van de overschrijving van de akte die de beschikking bevat, kan door de schuldeisers en de derden-verkrijgers worden ingeroepen, zelfs tegen minderjarigen of onbekwaamverklaarden; behoudens het verhaal op de bezwaarde, en op de voor de uitvoering benoemde voogd, en zonder dat de minderjarigen of onbekwaamverklaarden tegen het ontbreken van de overschrijving in hun recht kunnen worden hersteld, zelfs wanneer de bezwaarde en de voogd onvermogend mochten zijn.

Art. 1071. Het ontbreken van de overschrijving kan niet worden goedgemaakt of als gedekt worden beschouwd doordat de schuldeisers of de derden-verkrijgers, op andere wijze dan door de overschrijving, van de beschikking hebben kennis gekregen.

Art. 1072. De begiftigden, de legatarissen en zelfs de wettige erfgenamen van hem die de beschikking gemaakt heeft, kunnen in geen geval, evenmin als hun begiftigden, legatarissen of erfgenamen, het ontbreken van de overschrijving of van de inschrijving aan de verwachters tegenwerpen.

Art. 1073. De voor de uitvoering benoemde voogd is persoonlijk aansprakelijk, indien hij zich niet in ieder opzicht gedragen heeft naar de regels die hierboven bepaald zijn voor het beschrijven van de goederen, de verkoop van de roerende goederen, het beleggen van het geld, de overschrijving en de inschrijving, en, in het algemeen, indien hij niet al het nodige heeft gedaan opdat de last van uitkering goed en getrouw wordt uitgevoerd.

Art. 1074. Indien de bezwaarde minderjarige is, kan hij niet in zijn recht hersteld worden tegen de niet-nakoming van de regels die bij de artikelen van dit hoofdstuk aan de voogd zijn voorgeschreven, zelfs niet in geval van onvermogen (van zijn wettelijke vertegenwoordiger). <W 2001-04-29/39, art. 39, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

HOOFDSTUK VII. - VERDELINGEN DOOR DE VADER, DE MOEDER OF ANDERE BLOEDVERWANTEN IN DE OPGAANDE LIJN, TUSSEN HUN AFSTAMMELINGEN GEMAAKT.

Art. 1075. De vader, de moeder en andere bloedverwanten in de opgaande lijn kunnen hun goederen tussen hun kinderen en afstammelingen verkavelen en verdelen.

Art. 1076. Zodanige verdelingen kunnen worden gemaakt bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil, met inachtneming van de vormen, voorwaarden en regels die voorgeschreven zijn met betrekking tot de schenkingen onder de levenden en de testamenten.
Verdelingen bij akte onder de levenden mogen enkel de tegenwoordige goederen tot voorwerp hebben.

Art. 1077. Indien in de verdeling niet alle goederen begrepen zijn die de bloedverwant in de opgaande lijn op de dag van zijn overlijden nalaat, worden de daarin niet begrepen goederen verdeeld overeenkomstig de wet.

Art. 1078. Indien de verdeling niet gemaakt is tussen alle kinderen die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en de afstammelingen van de vooroverleden kinderen, is de ganse verdeling nietig. Een nieuwe verdeling in de wettelijke vorm kan worden gevorderd door de kinderen of afstammelingen die daarbij niets gekregen hebben, of zelfs door degenen tussen wie de verdeling gemaakt is.

Art. 1079. De verdeling, door de bloedverwant in de opgaande lijn gemaakt, kan worden betwist uit hoofde van benadeling voor meer dan een vierde; zij kan eveneens worden betwist, wanneer een van de deelgenoten, ten gevolge van de verdeling en de beschikkingen bij vooruitmaking, een groter voordeel zou genieten dan de wet toelaat.

Art. 1080. Het kind dat, op een van de gronden in het vorige artikel vermeld, de door de bloedverwant in de opgaande lijn gemaakte verdeling betwist, moet de kosten van de schatting voorschieten; en deze blijven te zijnen laste, evenals de kosten van het geschil, indien de vordering ongegrond is.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 09/10/2016 - 15:33
Laatst aangepast op: zo, 09/10/2016 - 15:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.