-A +A

Territoriale bevoegdheid EEX verdrag plaats levering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Kortrijk
Datum van de uitspraak: 
don, 12/02/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
847
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, 1e Kamer – 12 februari 2009

samenvatting:

De rechtsmacht en bevoegdheidsbepaling naar de plaats van de levering van roerende lichamelijke koopwaren zoals ingeschreven in art. 5.1-b EEX-Verordening wijst rechtstreeks het lokale rechtscollege aan.

tekst van het vonnis:

Bij dagvaarding van 15 december 2008 vordert de eiseres de veroordeling van de gedaagde tot de betaling van 2.405,21 euro, vermeerderd met de conventionele rente tegen 11,5% per jaar op 1.955,91 euro sedert 21 november 2008 tot aan de dag van de betaling en de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.

Spijts behoorlijke dagvaarding is de gedaagde vennootschap niet verschenen. De eiseres vroeg jegens haar verstek en vonnis. De rechtbank dient de uitspraak niet aan te houden met toepassing van art. 26.2. van de EEX-Verordening, omdat gebleken is dat de gedaagde rechtspersoon bereikt werd zo tijdig als nodig voor haar verweer (cf. certificaat van betekening van 16 december 2008).

Wanneer de verwerende partij met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, dient de rechter zich ambtshalve onbevoegd te verklaren indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van de EEX-Verordening (art. 26.1. EEX- Verordening). Voor vennootschappen en rechtspersonen geldt de plaats van hun statutaire zetel of hun hoofdbestuur of hoofdvestiging als «woonplaats» (art. 60.1. EEX-Verordening).

Krachtens de algemene bepaling van art. 2 van de EEX-Verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Zij kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen op één van de gronden vermeld in art. 5 tot en met 24 van de EEX- Verordening (art. 3.1. EEX-Verordening).

De eiseres roept in haar dagvaarding het voorschrift van art. 5.1-b EEX-Verordening in om de bevoegdheid (bedoeld wordt: rechtsmacht) van deze rechtbank te verantwoorden, nl. inzake koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden.

De eiseres voert meer bepaald aan dat de goederen die het voorwerp uitmaken van de litigieuze facturen, door de gedaagde werden afgehaald in het magazijn te Dottenijs. Het blijkt inderdaad uit de voorgelegde stukken, onder meer een duidelijke vermelding op de litigieuze facturen, benevens een afgetekende koerbon en de afgetekende leveringsbonnen, dat de goederen afgehaald en derhalve geleverd werden te Dottenijs waar de eiseres een verkooppunt heeft waar de goederen kunnen worden meegenomen.

Dottenijs is gelegen in België, maar niet in het gerechtelijk arrondissement Kortrijk, wel in het gerechtelijk arrondissement Doornik.

Aan de discussie in de rechtsleer nopens de vraag of het begrip «plaats van levering» krachtens een juridische redenering dient te worden ingevuld dan wel op basis van een feitelijk criterium moet worden bepaald, nl. de plaats waar de goederen in werkelijkheid werden geleverd (of dienden te worden geleverd), is een einde gekomen met het arrest van het Hof van Cassatie van 5 december 2008, waarin werd geoordeeld en beslist als volgt:

«Verordening nr. 44/2001 is, blijkens de punten 2 en 11 van de considerans, gericht op het creëren van eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken door middel van bevoegdheidsregels die in hoge mate voorspelbaar zijn. Ter bevordering van het primaire doel van de eenvormigheid van de regels inzake rechterlijke bevoegdheid om redenen van voorspelbaarheid, definieert de verordening nr. 44/2001 dit aanknopingspunt op autonome wijze voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken.

«Krachtens art. 5, punt 1, sub b, eerste streepje, van de verordening is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, immers de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden.

«De gemeenschapswetgever heeft, volgens een arrest van het Hof van Justitie van 3 mei 2007, Color Drack, C-386/05, met deze laatste bepaling voor overeenkomsten inzake de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken uitdrukkelijk willen afwijken van een eerdere oplossing, volgens welke de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenissen werd bepaald volgens het internationaal privaatrecht van het gerecht waar het geschil aanhangig was gemaakt.

«De gemeenschapswetgever heeft gekozen voor een plaats die op eenvoudige wijze materieel bepaalbaar was en niet afhankelijk was van bedingen gesloten tussen partijen, namelijk de plaats waar de goederen in werkelijkheid werden geleverd of dienden te worden geleverd».

Vervolgens heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat het bepalen, door de feitenrechter, van de «plaats van levering» op grond van het Weens Koopverdrag, zonder toepassing te maken van het door de verordening op autonome wijze bepaalde aanknopingspunten, een schending inhoudt van art. 5.1-b van de EEX-Verordening (Cass. 5 december 2008, A.R. nr. C.07.0175.N inzake BV K. t/ BVBA E.M.).

Daar in casu dus blijkt dat de goederen wel degelijk in België maar niet in het gerechtelijk arrondissement Kortrijk werden geleverd, rest de vraag of de eiseres niettemin haar vordering voor deze rechtbank kan brengen.

Ter zitting verklaarde de raadsman van de eiseres dat zij zich op de interne territoriale bevoegdheidsregels (volgens nationaal recht) kan beroepen wanneer de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken vaststaat, in casu het bevoegdheidsbeding ten gunste van de rechtbanken van Kortrijk overeenkomstig haar factuurvoorwaarden. Die redenering gaat evenwel niet op. Wanneer de eiseres een forumbeding inroept, geldt art. 23 van de EEX-Verordening, waaraan in casu niet voldaan is (wat de eiseres overigens ook niet beweert).

Een andere stelling luidt dat, eens dat de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken vaststaat, de nationale bevoegdheidsregels van toepassing zijn en wanneer enkel de territoriale bevoegdheid in vraag wordt gesteld, die kwestie niet eens nader onderzocht dient te worden, omdat de territoriale bevoegdheid niet van openbare orde is (arrest Gent, 7bis kamer, 5 februari 2007 inzake 2006/AR/2878 van BVBA C. t/ VOF D.E.C. Recycling).

Ook die redenering kan de rechtbank niet onderschrijven, omdat ze uitgaat van een verkeerde premisse. Immers, doorgaans is de rechtsmachtfactor gelijk aan de territoriale bevoegdheidsfactor, en wanneer dit bij hypothese niet het geval is, impliceert de rechtsmachtfactor alleszins de territoriale bevoegdheidsfactor (A. Heyvaert, De internationale rechtsmacht van de gerechten na het W.I.P.R., Mechelen, Kluwer, 2005, nr. 223).

De I.P.R.-regel van art. 5.1-b EEX-Verordening wijst rechtstreeks de lokale gerechten aan en regelt derhalve zowel de rechtsmacht als de interne territoriale bevoegdheid (H. Van Houtte en M. Pertegás Sender (red.), Europese IPR-verdragen, Leuven, Acco, 1997, nrs. 3.37 en 3.52; F. Rigaux en M. Fallon, Droit International Privé, Brussel, Larcier, 2005, nr. 14.3; A. Heyvaert, Belgisch Internationaal Privaatrecht. Een inleiding, Gent, Mys & Breesch, 2001, nrs. 180 en 182).

Hoewel in de aanhef van art. 5 EEX-Verordening – althans in de Nederlandse tekst – weliswaar sprake is van «de gerechten» (meervoud), volgt dit enkel maar uit de logica van de opbouw van het bewuste artikel, daar dan in de verdere alinea‘s telkens één gerecht van een welbepaalde plaats per categorie van verbintenissen wordt aangewezen. In de Franse tekst van de EEX- Verordening is in de aanhef van art. 5 niet eens sprake van «de gerechten» van een andere lidstaat.

De eiseres kan zich derhalve niet op art. 5.1-b EEX- Verordening beroepen om haar vordering voor de rechtbank te Kortrijk te brengen, wanneer de levering van de verkochte goederen in Dottenijs (Doornik) heeft plaatsgevonden.

Uit wat voorafgaat volgt dat de eiseres niet aantoont dat de rechtbank te dezen beschikt over de vereiste rechtsmacht jegens de gedaagde Franse vennootschap.

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 10/01/2010 - 17:38
Laatst aangepast op: di, 07/10/2014 - 18:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.