-A +A

Territoriale bevoegdheid echtscheiding tegen verweerder zonder gekende woon- of verblijfplaats – Arrondissement Brussel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arrondissementsrechtbank
Plaats van uitspraak: West-Vlaanderen
Datum van de uitspraak: 
don, 19/01/2017

De rechter van het arrondissement Brussel is bevoegd nzake echtscheiding tegen een verweerder zonder gekende woon- of verblijfplaat.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1590
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

R.-F. t/ M.

...

3. De feiten in de dagvaarding omschreven

Eisende partij heeft de verwerende partij op 29 december 2016 gedagvaard voor de 23e kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie familierechtbank, voor de inleidingszitting van 10 januari 2017.

Wat de territoriale bevoegdheid betreft, is vermeld dat het huwelijk tussen partijen op 28 februari 2014 in Rabat Marokko plaatshad en met toepassing van art. 31, § 2, tweede lid Wetboek Internationaal Privaatrecht is ingeschreven in het bevolkingsregister te Kortrijk, en dat uit dit huwelijk een kind is geboren te Kortrijk op 8 februari 2015, maar partijen ook voor het huwelijk reeds een gezamenlijk kind hadden, geboren te Kortrijk op 18 januari 2012 dat nooit officieel werd erkend.

Volgens het proces-verbaal van de inleidende terechtzitting op 10 januari 2017 werd door de rechtbank gevraagd om de overschrijving van de akte van huwelijk te Kortrijk te bezorgen, waaraan, zoals gevraagd, werd voldaan tegen de volgende zitting.

Er zijn achteraf ter zitting van de rechtbank, afdeling Kortrijk, op 21 februari 2017 voor eiseres «conclusies nopens bevoegdheid» neergelegd waarin wordt geantwoord op de opmerking van de rechtbank op de inleidingszitting dat de bevoegdheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de rekening van tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid tot intrekking van verordening nr. 1347/2000.

Daarbij meende eiseres dat de geadieerde rechtbank op basis van art. 3 van de Brussel IIbis-verordening bevoegd is om te oordelen over de echtscheiding onder citaat van dit art. 3. Zij merkte nog op dat zij haar gewone verblijfplaats te Kortrijk had gedurende ten minste één jaar voorafgaand aan de indiening van haar verzoek tot echtscheiding, wat zou blijken uit de in hun onderlinge samenhang gelezen stukken 1 en 3. Voor zoveel als nodig verwees eiseres ook naar art. 42, 3o Wetboek Internationaal Privaatrecht, dat de geadieerde rechtbank territoriaal bevoegd zou maken, daar de echtgenoot die de vordering instelt, op het ogenblijk van het instellen van deze vordering sedert ten minste twaalf maanden haar gewone verblijfplaats in België had.

Ten aanzien van de door de rechtbank op de inleidingszitting ingeroepen verordening-Rome III (dus verordening 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010) citeert eiseres uit art. 8 van deze verordening, en voor zover de Verordening Brussel II-bis niet van toepassing geacht zou worden, wijst zij op art. 55 Wetboek van Internationaal Privaatrecht, dat zij citeert.

Op het proces-verbaal van de zitting van de verwijzende rechtbank van 21 februari 2017 is genoteerd dat de laatste echtelijke verblijfplaats in Kortrijk was gelegen op adres (...): gedaagde had er geen woonplaats, aangezien hij illegaal in België verbleef (...).

De verwijzende rechter overwoog in het vonnis van 21 maart 2017 dat zij rechtsmacht had zoals uitgelegd, dat het Belgische recht kon worden toegepast, zowel wat de territoriale als de materiële bevoegdheid betreft, en omtrent de territoriale bevoegdheid dat niet eerder een familierechtbank was geadieerd in deze zaak en dat met toepassing van art. 629bis, § 5 Ger.W. de familierechtbank van de woonplaats van «verweerder» of de gemeenschappelijke laatste echtelijke verblijfplaats bevoegd is.

Krachtens art. 630, laatste lid Ger.W. wordt van de verweerder die niet verschijnt, vermoed dat hij de bevoegdheid afwijst van de rechter voor wie de zaak aanhangig is. De verwijzende rechtbank stelde vast dat uit de inleidende dagvaarding niet bleek dat verweerder een gekende woon- of verblijfplaats had in België, terwijl eiseres zelf ter zitting mededeelde dat verweerder nooit was ingeschreven op de echtelijke verblijfplaats te Kortrijk, gezien zijn illegaliteit, zodat eiseres niet kon aantonen dat verweerder daar ooit verbleven zou hebben.

De verwijzende rechter leidde uit stukken 9 af dat «verweerder»

op 5 december 2011 gedwongen werd om ons land te verlaten en gerepatrieerd werd naar Marokko door toedoen van de Belgische Dienst Vreemdelingenzaken, en dat hem op 15 september 2014 een beslissing tot weigering van een visumaanvraag gezinshereniging voor België werd betekend.

De verwijzende rechter had twijfels over haar bevoegdheid en wijst op art. 13 WIPR, dat bepaalt dat de zaak waarvoor geen rechtbank bevoegd is overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek, dient te worden gebracht voor de (Nederlandstalige) Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.

De verwijzende rechter legde, gezien haar twijfels over de bevoegdheid, de zaak overeenkomstig art. 640 Ger.W. voor aan de arrondissementsrechtbank.

4. Beoordeling door de arrondissementsrechtbank

Het is duidelijk dat de verwijzende rechter geen probleem had met rechtsmacht of toepasselijke Belgische wetgeving en haar twijfel enkel sloeg op de territoriale bevoegdheid.

Bij de beoordeling van de bevoegdheid moet worden uitgegaan van de vordering in de bewoordingen waarin ze door de eiser is gesteld in de gedinginleidende akte (zie o.m.: Cass. 8 september 1978, Arr.Cass. 1978-79, 26; Cass. 19 december 1985, Arr.Cass. 1985-86, 589; Cass. 21 oktober 1996, Arr.Cass. 1996, 946; B. Maes, Inleiding tot het Burgerlijk Procesrecht, Brugge, die Keure, 2012, 79).

Hoewel noch eiseres noch haar raadsman verschenen, kunnen wij de stukken van eisende partij raadplegen als gevoegd in het dossier van de rechtspleging.

De rechtbank waar eiseres woonachtig is, zou voor de beoordeling van een vordering in echtscheiding inderdaad enkel bevoegd zijn indien zou blijken dat de gedaagde ook op haar adres heeft verbleven en dit als echtelijke woonplaats zou kunnen worden beschouwd.

Wij ook zien geen enkel bewijs dat gedaagde «verweerder» op het adres van eiseres te Kortrijk, (...), ooit is ingeschreven of zelf maar effectief zou hebben verbleven, en dit wordt daarenboven inderdaad onmogelijk geacht, daar hij blijkbaar reeds vóór het huwelijk (van 2014) in 2011 gedwongen werd gerepatrieerd en een visumaanvraag tot gezinshereniging in 2014 werd geweigerd.

Nu er geen gekende woon- of verblijfplaats van gedaagde is, dient inderdaad overeenkomstig art. 13 Wetboek Internationaal Privaat Recht de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel bevoegd te worden geacht om over de vordering in echtscheiding te oordelen.

Ook overeenkomstig het advies van het openbaar ministerie wordt de zaak dus verwezen naar de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.

(...)

Noot: 

• Nicolas Jadouil, wees gezeten, tijdschriftfamilie 2017/01, pagina 2 (kritische analyse na twee jaar familierechtbank)

zie ook: Leonie Callens, Anderhalf jaar nieuwe familie- en jeugdrechtbanken: Een evaluatie op basis van kwalitatief onderzoek in de afdeling Gent, 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 26/05/2018 - 21:28
Laatst aangepast op: vr, 15/06/2018 - 23:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.