-A +A

Termijnen bij vereffening-verdeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 22/03/2017

De vereffening en verdeling is een tijdsgebonden gebeuren bij uitstek en in deze optiek dienen partijen te handelen met de nodige spoed, ijver en diligentie. Essentieel bij de beoordeling van de in art. 1220, § 1 Ger.W. vermelde wettelijke of conventionele termijnenregeling van artt. 1217 en 1218 Ger.W. zijn de sanctiemogelijkheden: het belang van een termijn staat of valt immers met zijn afdwingbaarheid.

Het algemeen beginsel van het recht van verdediging, als exponent van het recht op een eerlijk proces (zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM), sluit overigens ook niet uit dat de wet het ogenblik vastlegt tot wanneer de gedingvoerende partijen geschriften of stukken kunnen indienen .

In deze optiek heeft de wetgever, in acht genomen de redelijke termijn die ook geldt voor gerechtelijke vereffeningen en verdelingen, het nodig geacht in art. 1220, § 1 Ger.W. te bepalen dat, behalve in geval van akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang, de notaris-vereffenaar geen rekening houdt met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de met toepassing van art. 1217 Ger.W. overeengekomen termijnen of de in art. 1218, § 1 en § 2 Ger.W. bepaalde termijnen zijn aangebracht.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1423
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

B. t/ K.

...

Beoordeling

5. Vooraf rijst discussie over het al dan niet weren uit het debat van de stukken van de man.

5.1. De eerste rechter heeft deze stukken geweerd bij het bestreden tussenvonnis van 15 mei 2015.

5.2. De man is gegriefd door deze wering. Volgens hem bestaat er geen enkele rechtsregel om zijn stukken te weren, omdat deze slechts een verweer uitmaken tegen het standpunt van de notaris in de staat van vereffening.

De man erkent dat een tijdspad werd overeengekomen waarbinnen alle aanspraken en stukken aan de notaris moesten worden bezorgd, zij het dat hij alsdan geen aanspraken en stukken had, aangezien enkel de vrouw te vorderen had.

De man legt uit dat hij het slechts nodig vond stukken te hanteren, aangezien het standpunt van de notaris waarmee hij niet akkoord gaat, volstrekt onvoorspelbaar was.

5.3. De vrouw beklemtoont dat in het proces-verbaal van afsluiting van werkzaamheden van 19 september 2013 partijen ten overstaan van de notaris-vereffenaar hebben bevestigd dat zij alle argumenten en stavingsstukken aan hem hebben bezorgd.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat ook de replieken op de aanspraken van de andere partij moeten worden bezorgd binnen het afgesproken tijdsschema. Volgens de vrouw kunnen enkel de tijdig bij de notaris aangemelde aanspraken en stukken aan het oordeel van de rechter worden onderworpen.

...

5.5. De man heeft nagelaten enig stuk bij te brengen tijdens de hiervoor afgesproken procedurekalender. Nochtans was de man toen reeds op de hoogte van de aanspraken van de vrouw. Van enige «onvoorspelbaarheid» kan derhalve geen sprake zijn.

Dat de rechtsgrond voor de aanspraak van de vrouw naderhand wijzigde, verschaft de man geen recht om alsnog stukken bij te brengen, buiten (d.w.z. na het verstrijken van) de voordien gemaakte termijnafspraken.

Het is ook niet omdat de man zelf geen eigen vorderingen of aanspraken had, dat hij niet verplicht zou zijn geweest om tijdig, binnen het afgesproken en uitgetekende tijdspad, stukken bij te brengen. Ook stukken die strekken tot weerlegging of ontkrachting van aanspraken moeten tijdig worden voorgelegd, zodat de andere partij(en) en de notaris-vereffenaar hier tijdig kennis van kunnen nemen.

De vereffening en verdeling is een tijdsgebonden gebeuren bij uitstek en in deze optiek dienen partijen te handelen met de nodige spoed, ijver en diligentie. Essentieel bij de beoordeling van de in art. 1220, § 1 Ger.W. vermelde wettelijke of conventionele termijnenregeling van artt. 1217 en 1218 Ger.W. zijn de sanctiemogelijkheden: het belang van een termijn staat of valt immers met zijn afdwingbaarheid (vgl. o.a. ook: V. Allaerts, «Evaluatie van de termijnenregeling van de wet van 13 augustus 2011: een tijdspad met vleugels en teugels?», TEP 2016, (79), p. 92, nr. 33).

Het algemeen beginsel van het recht van verdediging, als exponent van het recht op een eerlijk proces (zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM), sluit overigens ook niet uit dat de wet het ogenblik vastlegt tot wanneer de gedingvoerende partijen geschriften of stukken kunnen indienen (zie o.a. ook: J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 127, nrs. 213-214; vgl. E. Brewaeys, «De redelijke termijn in het burgerlijk geding» in Kent U de termijn nog? Termijnregelingen in en buiten de procedure, Brussel, Larcier, 2004, (1), p. 3, nrs. 3-5).

In deze optiek heeft de wetgever, in acht genomen de redelijke termijn die ook geldt voor gerechtelijke vereffeningen en verdelingen, het nodig geacht in art. 1220, § 1 Ger.W. te bepalen dat, behalve in geval van akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang, de notaris-vereffenaar geen rekening houdt met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de met toepassing van art. 1217 Ger.W. overeengekomen termijnen of de in art. 1218, § 1 en § 2 Ger.W. bepaalde termijnen zijn aangebracht.

De stukken in kwestie kunnen ook niet worden beschouwd als «nieuwe stukken», aangezien deze stukken hetzij voordien reeds voorhanden waren, hetzij voordien reeds hadden kunnen opgesteld geweest zijn door de man (gelet op de Exceldocumenten die de man naderhand nog heeft opgemaakt en die hij thans alsnog in het debat wenst te brengen).

Het begrip «ontdekking» (van nieuwe stukken van overwegend belang) impliceert dat het niet mag gaan om feiten of initiatieven die voortkomen uit de loutere wil van de betreffende partij. Wat een partij voordien reeds had kunnen verrichten (maar heeft nagelaten te doen), kan bijgevolg niet worden beschouwd als nieuw stuk of nieuw feit in de zin van art. 1220 Ger.W.

6.1. De inzake de aanspraak van de vrouw omtrent de afbetalingen in de hypothecaire lening relevante betwisting betreft de afbetaling door de vrouw van een hypothecaire lening voor een onroerend goed gelegen te Arendonk, waarvan de man exclusieve eigenaar is.

De lening werd aangegaan bij kredietakte van 7 juni 2001 voor een bedrag van 62.000 euro en 211.000 euro. De terugbetalingen beslaan de periode 30 juni 2001 – 28 februari 2011.

De notaris-vereffenaar stelde dat de vordering van de vrouw kan worden aanvaard, althans wat het kapitaal betreft; de aanspraak inzake de intresten wees de notaris-vereffenaar af en de vrouw ging akkoord met deze zienswijze. Meer bepaald vordert de vrouw uit dien hoofde dat de man haar een bedrag zou terugbetalen van 31.191,56 euro, volgens de berekeningen gemaakt door de notaris-vereffenaar (...).

6.2. Het verweer van de man betreft onderscheiden argumenten.

6.3. Volgens de man heeft de aanspraak van de vrouw geen rechtsgrond en kan zij niet toegelaten worden haar rechtsgrond te wijzigen, zeker aangezien de vordering geen vereffening-verdeling betreft, maar een zelfstandige vordering uitmaakt.

6.3.1. Beide argumenten falen.

6.3.2. Dat de vrouw de rechtsgrond op basis waarvan de eerste rechter haar aanspraak heeft ingewilligd, aanvankelijk niet heeft ingeroepen, is niet relevant. De rechter heeft op grond van art. 5 Ger.W. en krachtens het ius novit curia-beginsel de verplichting om binnen het aangebrachte geschil het recht te zoeken onder eerbiediging van het beschikkingsbeginsel.

Indien de rechter oordeelt de vordering te kunnen toewijzen door uit de feiten zelf de bestanddelen te distilleren van een andere dan de door de betrokken partij aangevoerde rechtsgrond, is het zijn plicht zich in de plaats te stellen van de «in gebreke blijvende» procespartij. De enige beperking is dat de rechter zich, bij het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden, slechts mag baseren op de aan zijn beoordeling onderworpen feiten of de feiten die hij aantreft in de regelmatig overlegde stukken. Het zijn in essentie immers de feiten die de rechterlijke tussenkomst sturen.

Het beschikkingsbeginsel bindt de rechter bovendien slechts voor wat de partijen vragen – cf. voorwerp van de eis – maar niet voor wat zij inroepen. Het toepassen van het recht, i.e. het onderzoek welke rechtsregel op de zaak van toepassing is, behoort tot de taak van de rechter, waarbij het zonder belang is of deze rechtsregel van openbare orde, dwingend of aanvullend recht is.

6.3.3. Het hof onderkent dat voor vorderingen van het type dat de vrouw thans stelt, d.w.z. louter verbintenisrechtelijke aanspraken gebaseerd op het gemene recht, strikt gezien geen aanstelling vereist is van een notaris-vereffenaar, indien er in een stelsel van scheiding van goederen geen onverdeeldheden zijn, geen verrekeningsbedingen bestaan of geen vennootschap van aanwinsten of intern toegevoegd gemeenschappelijk vermogen (of andere interne verbintenisrechtelijke correcties aan het stelsel van de zgn. «koude uitsluiting») bestaat.

Anderzijds stelt het hof wel vast dat de vereffening en verdeling reeds in rechte werd bevolen en een notaris-vereffenaar werd aangesteld. Tegen het vonnis van 28 juni 2012 waarin de aanstelling gebeurde, is geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit vonnis kracht van gewijsde heeft.

Dat voor de vordering van de vrouw geen procedure van gerechtelijke vereffening en verdeling vereist was, doet bovendien niets af aan de toelaatbaarheid van deze vordering, die werd gesteld ten overstaan van de door de eerste rechter aangestelde notaris-vereffenaar.

6.4. De staat van vereffening zou volgens de man voorts ook gestoeld zijn op onjuiste feitelijke premissen. De afbetalingen in kwestie zouden volgens de man zijn gebeurd vanuit een rekening waarop ook de kinderbijslag werd gestort, zodat de gelden op die rekening geen eigen gelden waren van de vrouw, maar onverdeelde gelden, wat maakt dat de vrouw volgens de man niet bewijst dat zij met eigen gelden heeft betaald.

Voorts voert de man aan dat geen rekening wordt gehouden met het fortuin van de vrouw evenmin als met het feit dat hij verhoudingsgewijze meer heeft bijgedragen dan de vrouw in de lasten van het huwelijk. Volgens de man heeft de vrouw slechts bijgedragen voor 1/5 van de lening, terwijl zijn aandeel 4/5 bedroeg.

6.4.1. Deze argumenten falen evenzeer.

6.4.2. Hoewel bij echtgenoten gehuwd onder scheiding van goederen een vermoeden van onverdeeldheid geldt voor roerende goederen op grond van art. 1468, tweede lid BW, wordt dit vermoeden evenwel gecounterd door het feit dat de gelden op bankrekeningen die enkel op naam van één echtgenoot staan, in een dergelijk huwelijksstelsel worden vermoed eigen te zijn aan de betreffende houder van de bankrekening.

Het hierboven vermelde vermoeden van art. 1468, tweede lid BW is een residuair vermoeden dat slechts geldt voor roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze eigendom zijn van een van de echtgenoten.

Het hof heeft hierboven echter precies overwogen dat er een feitelijk vermoeden bestaat dat gelden op bankrekeningen waarvan slechts één echtgenoot de houder is, in een huwelijksstelsel van scheiding van goederen worden vermoed eigen te zijn aan de betreffende houder; aangezien het eigendomsbewijs voor roerende goederen door alle middelen van recht kan worden geleverd, zijn feitelijke vermoedens in voormelde zin toegelaten.

Het wordt niet betwist dat de bewuste betalingen gebeurden vanuit een bankrekening waarvan enkel de vrouw de houder was. De rekening van de vrouw werd hoofdzakelijk gespijsd met haar beroepsinkomsten, en deze zijn eigen in een stelsel van scheiding van goederen. Dat op deze rekening ook de kindergelden zouden zijn gestort, is niet van aard om het eigendomsrecht van de vrouw op de gelden op deze rekening teniet te doen. De kindergelden zouden dan ook hooguit als onverdeeld kunnen worden beschouwd, maar deze gelden zijn per definitie gebruikt voor het levensonderhoud van de kinderen.

In tegenstelling tot wat het geval is bij een wettelijk stelsel met het gemeenschappelijk vermogen, bestaat er echter geen opslorpende functie van enig onverdeeld vermogen ten nadele van de eigen vermogens van de respectieve echtgenoten.

Dat de kindergelden, die nu eenmaal op een rekening moeten kunnen worden gestort, op een eigen rekening van de vrouw terechtkwamen, is dan ook niet van aard om de andere gelden op die rekening ook onverdeeld te maken.

Overigens berust het gegeven dat de kindergelden op de rekening van de vrouw werden gestort, op een veronderstelde afspraak tussen beide (toenmalige) echtgenoten.

6.5. Voorts voert de man nog aan dat de vrouw de afbetalingen vrijwillig heeft verricht, dat de vrouw heeft ondertekend als lener en niet als borg en dat borgtocht niet wordt vermoed krachtens art. 2015 BW.

6.5.1. Ook dit verweer faalt. Art. 1216 BW verschaft wel degelijk een rechtsgrond aan de vrouw ter recuperatie van de mee afbetaalde hypothecaire aflossingen.

6.5.2. Dat de vrouw de lening ondertekende als medecontractant en dus als lener, doet niets af aan de mogelijke toepassing van art. 1216 BW. De vrouw wordt immers slechts door een wettelijke ingreep (a.h.w. een soort van door de wetgever gewilde assimilatie) gelijkgesteld met een borg, althans in de interne vermogensrechtelijke verhouding tot de man, aangezien de lening gebeurde voor een onroerend goed dat in exclusieve eigendom toebehoorde aan de man.

Bijgevolg faalt het argument van de man dat borgtocht niet wordt vermoed en uitdrukkelijk moet zijn.

De door art. 1216 BW bedoelde hoofdelijke schuldenaar is geen belanghebbende in de zaak waarvoor de hoofdelijke schuld werd aangegaan; ten aanzien van de schuldeiser is hij weliswaar tot de gehele schuld gehouden, maar in de verhouding tussen de hoofdelijke schuldenaars onderling is hij slechts een borg, die de schuld van de economisch wel belanghebbende a.h.w. garandeert.

Uitgangspunt in dat verband is dat hoofdelijkheid niet noodzakelijk slechts een modaliteit is van een verbintenis, maar soms ook wordt gebruikt als een soort persoonlijke zekerheid waarbij een derde zich samen met de hoofdschuldenaar t.a.v. de schuldeiser verbindt tot nakoming van eenzelfde verbintenis. Door een hoofdelijke schuldenaar aan een verbintenis toe te voegen verkrijgt de schuldeiser een grotere zekerheid; hij kan zich nu immers richten tot twee (of meer) volwaardige debiteuren, die hem bovendien geen voorrecht van uitwinning of schuldsplitsing kunnen tegenwerpen.

De wetgever heeft via de gelijkstelling met een borg niet enkel de bedoeling gehad de toegevoegde hoofdelijke medeschuldenaar vrij te stellen van elke (definitieve d.w.z. onderlinge) bijdrageverplichting, maar ook alle mogelijkheden tot regres waarover de borg normalerwijze kan beschikken, willen openstellen. Daaruit volgt dat de niet-belanghebbende hoofdelijke medeschuldenaar kan beschikken over een eigen regresrecht gebaseerd op art. 2028 BW.

Slechts wanneer sprake was van animus donandi van de niet-belanghebbende hoofdelijke debiteur (gelijkgesteld met de zekerheidssteller) of indien partijen anders hebben gecontracteerd (zie hierna verder: randnr. 6.7), is een regres op de hoofdschuldenaar uitgesloten.

6.6. Dat de woning in kwestie ook de voormalige gezinswoning was, is niet van aard om aan voormeld oordeel enige verandering te brengen. Deze toenmalige bestemming maakt niet dat er niet langer sprake zou zijn van een schuld die slechts een van de hoofdelijke schuldenaars aangaat, in de zin van art. 1216 BW. Hierbij dient te worden opgemerkt dat een niet-belanghebbende solidaire debiteur/persoonlijke zekerheidssteller steeds wel op een of andere manier enig belang zal hebben bij het aangaan van de schuld.

Het ontbreken van belang in de zin van art. 1216 BW houdt echter in dat de toegevoegde hoofdelijke medeschuldenaar geen enkel rechtstreeks voordeel mag verkrijgen uit de gewaarborgde verbintenis. Een indirect (moreel of vermogensrechtelijk) belang vormt geen beletsel voor een kwalificatie als niet-belanghebbende medeschuldenaar. Een afwezigheid van «belang» blijkt o.a. uit de vaststelling dat een lening werd afgesloten voor een eigendom die slechts toebehoort aan een van beide echtgenoten (vgl. o.a.: M. Vandenbogaerde, Pluraliteit van schuldenaars bij verbintenissen, Brugge, die Keure, 2015, p. 91-92, nr. 119). Dit geldt des te meer, aangezien het betreffende onroerend goed geen exclusieve gezinsbestemming had, maar ook werd gebruikt voor professionele doeleinden (aangezien de man er ook zijn architectenpraktijk had, zoals verduidelijkt werd in pleidooien ter zitting van 28 februari 2017).

Deze interpretatie strookt ten andere ook met de geest van het huwelijksstelsel («scheiding van goederen») dat partijen voor ogen hebben gehad.

6.7. Rest nog de vraag of partijen hebben willen afwijken van het principieel regresrecht van de niet-belanghebbende hoofdelijke lener/debiteur.

Deze afwijking zou volgens de man gelegen zijn in de afspraken gemaakt bij de huwelijkse voorwaarden. Volgens de man zou de aanspraak van de vrouw immers strijdig zijn met het huwelijkscontract door partijen onderschreven, meer bepaald met de artt. 2 en 6 van dit contract, die voorzien in een vermoeden van verrekening van dag tot dag van de rekeningen die zij wederzijds zijn verschuldigd.

6.7.1. Naar het oordeel van het hof roept de man evenwel tevergeefs het huwelijkscontract in, ter weerlegging van de aanspraken van de vrouw.

Vooraf zij opgemerkt dat partijen gehuwd zijn met scheiding van goederen, zodat vergoedingsrekeningen als zodanig niet bestaan.

6.7.2. Het bewuste beding uit het aangehaalde art. 2 van het huwelijkscontract vestigt een weerlegbaar vermoeden van verrekening, dat bovendien enkel en alleen slaat op bijdrage in de lasten van het huwelijk, d.w.z. periodieke of recurrente uitgaven die kaderen in het gemeenschappelijk gezinsleven en die in essentie beoogd worden door art. 221 BW uit het primair stelsel. Financieringen van een dergelijke omvang als de litigieuze aanspraak van de vrouw, die bovendien betrekking hebben op een onroerend goed waarvan het eigendomsrecht exclusief toebehoort aan de andere echtgenoot, voldoen naar het oordeel van het hof echter niet aan de kwalificatie «bijdragen in de lasten van de huishouding».

6.7.3. In zoverre de man daarnaast ook nog art. 6 van het huwelijkscontract aanvoert (inzake de rekeningen tussen echtgenoten), zij opgemerkt dat ook deze bepaling de vordering van de vrouw niet kan doen stranden.

Het vermoeden van verrekening van dag tot dag van de rekeningen die de echtgenoten wederzijds zijn verschuldigd, is duidelijk slechts weerlegbaar bedongen.

Bedingen met de strekking als het beding dat de man inroept, sluiten bovendien ook geen bewijs uit van het bestaan van een schuldvordering van de ene echtgenoot op de andere (J.-L. Renchon, «Actualités en droit des régimes matrimoniaux» in Droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2014, (45), p. 77, nr. 55). Dit houdt in dat de geldtransfers vanuit de eigen rekening van de vrouw, die als zodanig ook niet worden betwist door de man (al wordt het eigen karakter van de gelden wel betwist, maar hierover heeft het hof hierboven reeds geoordeeld) en waarvan de man ook niet aanvoert dat hij deze bedragen ooit aan de vrouw heeft terugbetaald, als bewijs kunnen worden gehanteerd voor de vordering van de vrouw. Voor zoveel als nodig zij opgemerkt dat afstand van recht niet wordt vermoed en welkdanig beding van afstand van rechten (o.a. verrekeningsaanspraken) hoe dan ook van restrictieve interpretatie is.

6.7.4. De vordering van de vrouw, zoals gecorrigeerd door de notaris-vereffenaar, is dan ook gegrond.

...

Noot: 

zie NJW 235, 61

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 03/05/2018 - 17:50
Laatst aangepast op: vr, 04/05/2018 - 16:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.