-A +A

Termijn vaststelling na neerlegging PV van zwarigheden bij vereffening-verdeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 08/02/2011

Binnen de maand dient het PV van zwarigheden neergelegd ter griffie waarna de rechtbank binnen de maand de zaak ambtshalve fixeert. Op deze termijn staat evenwel geen sanctie

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1213
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

M.B. en G.H. / G.F. en G.F.

...

Even terecht heeft de eerste rechter het middel van de heer M. verworpen dat gebaseerd is op de niet-naleving van art. 1219, § 2 juncto art. 51 Ger.W. Art. 1219, § 2 Ger.W. bepaalt dat de rechtbank binnen een maand na de neerlegging van het proces-verbaal van de notaris een zitting vaststelt, maar bepaalt daarop geen sanctie. Overigens valt niet in te zien welke schade de heer M. zou hebben geleden door het feit dat de zaak niet werd vastgesteld binnen een maand na 6 april 2004, maar pas op 1 juni 2004. Ook het beroep van de heer M. op art. 51 Ger.W. is niet nuttig; dit artikel bepaalt net dat termijnen die niet op straffe van verval of nietigheid zijn voorgeschreven, verlengd of verkort kunnen worden, waarbij de verlenging niet langer mag zijn dan de oorspronkelijke termijn. De verlenging in deze zaak was niet langer dan de oorspronkelijke termijn. Overigens bepaalt ook art. 51 Ger.W. geen sanctie.

Ten onrechte verwijt de heer M. de eerste rechter te hebben geoordeeld dat de rechtbank geen kennis kan nemen van beweringen of zwarigheden die niet zijn beoordeeld en opgenomen in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van de boedelnotaris. In overeenstemming met art. 1219, § 2 Ger.W. kunnen uitsluitend de bezwaren voorgelegd aan de boedelnotarissen het voorwerp uitmaken van een beslissing van de boedelrechter; nieuwe bezwaren kunnen niet rechtstreeks bij de boedelrechter aanhangig worden gemaakt (zie: Cass. 6 april 1990, RW 1990-91, 218, met conclusie van advocaat-generaal D’Hoore, T.Not. 1990, 233, noot F. Bouckaert; Cass. 9 mei 1997, Arr.Cass. 1997, 531, noot; Cass. 29 november 2001, RW 2001-02, 1533, noot S. Mosselmans; T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Brussel, Larcier, 2010, p. 243-245, nr. 364) . Uitzondering wordt gemaakt in vier gevallen (zie uitvoeriger: T. Van Sinay, o.c., p. 245, nrs. 364 e.v.): het akkoord van partijen (Cass. 6 april 1990, vermeld; Cass. 9 mei 1997, vermeld; Brussel 26 mei 2009, T.Not. 2009, 590, noot; M. Puelinckx-Coene e.a., “Overzicht van rechtspraak, Erfenissen (1996-2004)”, TPR 2005, p. 661, nr. 311; H. Vanbockrijck, “Het tijdig instellen van vorderingen in het kader van een vereffening-verdeling” in Leuvense notariële geschriften, Notariële clausules, Liber amicorum Professor Johan Verstraete, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 356, nr. 10-1; T. Van Sinay, o.c., p. 245, nr. 365), het bestaan van gegevens of feiten die de partijen nog niet kenden op het ogenblik van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden (Cass. 29 november 2001, RW 2001-02, 1533, noot S. Mosselmans; Luik 21 maart 2000, Div. Act. 2000, 74; H. Vanbockrijck, o.c. in Leuvense notariële geschriften, Notariële clausules, Liber amicorum Professor Johan Verstraete, p. 356, nr. 10-2: T. Van Sinay, o.c., p. 248, nr. 367) of de verzwijging van gegevens door partijen aan de notaris (Cass. 4 mei 2000, TBBR 2002, 137), de niet-vermelding door de notaris van beweringen en zwarigheden die de partijen wel hadden gemaakt (T. Van Sinay, o.c., p. 247, nr. 366), en bezwaren die de openbare orde betreffen (vergelijk: T. Van Sinay, o.c., p. 250, nr. 370). De heer M. bewijst niet dat een van die gevallen in deze zaak aan de orde is. Uit niets blijkt dat hij enige opmerking heeft gemaakt op de staat van vereffening van 10 februari 2004; zijn conclusies en brieven van vóór die staat kunnen uiteraard niet beschouwd worden als beweringen of zwarigheden op die staat. De eerste rechter heeft dus terecht geoordeeld dat hij geen kennis kon nemen van de door de heer M. in conclusie opgeworpen betwistingen.

Het hoger beroep is dus ongegrond.

...
 

Noot: 

NOOT (gepubliceerd onder het arrest in het RW)  – Dirk Scheers Termijnen van goede wil

Overige Rechtspraak

• Cass. 5 november 1993, RW 1993-94, 956

• Cass. 8 februari 1979, Arr.Cass. 1979, 673, RW 1979-80, 310, noot J.L

• Hof Mensenrechten 3 oktober 2000 (Kanoun t/ Frankrijk), RTDF 2000, 891, noot B. Vareille

• Beslagr. Hoei 8 november 1984, J.L. 1985, 425

 

Rechtsleer

• Th. Van Sinay, “Art. 1219 Ger.W.” in Comm.Ger., 7

• K. Wagner, Sancties in het burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2007, 50

• P. Taelman, “Redelijke termijnvereiste geldt ook in gerechtelijke verdelingsprocedures”, Not.Fisc.M. 2011, 89

• J. Englebert, “La théorie des déchéances. Réflexions sur l’article 51 du Code Judiciaire”, TBBR 1989, 181-208;

• J. Englebert, “Les délais” in Interuniversitair Centrum voor Gerechtelijk Recht, J. Laenens en M. Storme (eds.), De sanctieregeling in het gerechtelijk recht, Antwerpen, Kluwer, 56

• P. Van Orshoven, “Niet-ontvankelijkheid, nietigheid, verval en andere wolfijzers en schietgeweren van het burgerlijk procesrecht”, P&B 2002, 23

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 25/02/2012 - 11:28
Laatst aangepast op: ma, 15/05/2017 - 08:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.