-A +A

termijn mededeling stukken en sancties

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 12/05/2014
A.R.: 
S.13.0032.F

De stukken moeten aan de tegenpartij worden meegedeeld (=overgelegd) binnen de termijn die is vastgesteld voor het neerleggen van de conclusies en ten laatste tegelijk met de overlegging ervan; daaruit volgt niet dat het ontbreken van de overlegging van conclusies, of de laattijdige overlegging ervan, tot gevolg heeft dat de stukken worden geweerd die regelmatig aan de tegenpartij werden meegedeeld binnen de termijn die is vastgesteld voor het neerleggen van de conclusie

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. S.13.0032.F
V. V. ,

tegen

FRANSTALIGE ORDE VAN ADVOCATEN BIJ DE BALIE IN BRUSSEL.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 21 november 2012 van het arbeidshof te Brussel.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 737, 740, 745, 747, § 2, zesde lid, 748 en 756bis, inzonderheid eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Nadat het bestreden arrest de door of voor de eiser op 2 februari 2012 en 22 mei 2012 neergelegde conclusies uit de debatten heeft geweerd, weert het uit het debat de stukken die zijn opgenomen in de inventaris van die conclusie en die niet zijn opgenomen in de inventaris gevoegd bij de regelmatig op 20 september 2011 neergelegde conclusie.

Het bestreden arrest steunt zijn beslissing op de gronden die het aanwijst sub III.A "Verzoek om conclusies te weren" en meer in het bijzonder, op de volgende overwegingen:

"Er wordt niet betwist dat de op 2 februari 2012 neergelegde conclusie aan de tegenpartij slechts werd meegedeeld ongeveer twee weken na die datum en dat de op 22 mei 2012 neergelegde conclusie niet aan de tegenpartij werd overgelegd.

Die conclusies moeten uit het debat worden geweerd vermits artikel 747 [lees 745] van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat ze aan de tegenpartij worden gezonden terzelfdertijd als zij ter griffie worden neergelegd.

De omstandigheid dat, aangezien het de conclusie van 2 februari 2012 betreft, het bureau voor juridische bijstand in zijn conclusie die het tot 2 april 2012 kon neerleggen had kunnen vragen die conclusie uit het debat te weren, heeft geen weerslag op het weren van de laattijdig overgelegde conclusie aangezien het weren in de regel niet moet worden gevraagd maar ambtshalve door de rechter wordt bevolen.

De op 2 februari 2012 en 22 mei 2012 neergelegde conclusies moeten bijgevolg uit het debat worden geweerd. Hetzelfde geldt voor de stukken die niet werden opgenomen in de inventaris van de regelmatig op 20 september 2011 neergelegde conclusie.

Grieven

1. Krachtens artikel 745 van het Gerechtelijk Wetboek, worden alle conclusies aan de tegenpartij of aan haar advocaat gezonden terzelfdertijd als zij ter griffie worden neergelegd.

Krachtens artikel 747, § 2, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek, worden de conclusies, onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§ 1 en 2 bedoelde uitzonderingen, die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten geweerd.

Wanneer de rechter, met toepassing van de voornoemde bepaling, conclusietermijnen bepaalt, moet het overleggen van de conclusie ter griffie en het terzelfdertijd verzenden ervan binnen de vastgestelde termijn gebeuren. Het loutere overleggen van de conclusie ter griffie zonder ze terzelfdertijd aan de tegenpartij te zenden voldoet niet aan de eisen van de wet. In een dergelijk geval moet de rechter de laattijdig toegestuurde conclusie weren, ook al werd ze binnen de termijn ter griffie neergelegd.

2.Voor de stukken ligt het anders
Krachtens artikel 737 van het Gerechtelijk Wetboek, geschiedt de mededeling van de geïnventariseerde stukken door het neerleggen van de stukken ter griffie of in der minne.

Krachtens artikel 740 van het Gerechtelijk Wetboek, worden alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies of, bij toepassing van artikel 735, vóór de sluiting der debatten zijn overgelegd, ambtshalve uit de debatten geweerd.

Uit die bepalingen volgt dat, als de stukken moeten worden meegedeeld vóór het verstrijken van de conclusietermijn, het neerleggen van de stukken ter griffie geldt als mededeling.
Het louter neerleggen van de stukken ter griffie binnen de termijn zonder ze terzelfdertijd aan de tegenpartij voor te leggen voldoet dus aan de eisen van de wet.

3.Zowel uit de artikelen 737 en 740 van het Gerechtelijk Wetboek als uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging volgt voor het overige dat een partij gebruik mag maken van stukken voor zover die haar zijn medegedeeld overeenkomstig artikel 737 van het Gerechtelijk Wetboek binnen de termijn die bepaald is voor het neerleggen en overleggen van de conclusies, maar dat die vereiste niet impliceert dat die partij op die stukken moet concluderen. Het ont-breken of ambtswege weren van de conclusies betekent trouwens geen verbod tot pleiten (artikel 756bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek).

Eerste onderdeel

4.In zoverre uitgegaan wordt van de overweging dat de stukken moeten geweerd worden die vermeld zijn in de inventaris van de conclusies die op 2 februari en 22 mei 2012 ter griffie werden neergelegd en die niet werden overgenomen in de inventaris gevoegd bij de regelmatig op 20 september 2011 neergelegde conclusie, op grond dat de conclusies die op 2 februari en 22 mei 2012 ter griffie werden neergelegd doch laattijdig aan de tegenpartij werden gericht, uit het debat moeten worden geweerd, koppelt het bestreden arrest het neerleggen en gebruik van stukken aan het neerleggen en gebruik van conclusies terwijl zij aan afzonderlijke stelsels onderworpen zijn. Zodoende schendt het de in het middel aangevoerde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en miskent het het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Tweede onderdeel

5.Uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat de stukken die zijn opgenomen in de inventaris van de op 2 februari 2012 en 22 mei 2012 neergelegde conclusies terzelfdertijd ter griffie werden neergelegd en dus vóór het verstrijken van de con-clusietermijn. Uit een papier van de griffie dat geniet is aan het dossier van de rechtspleging en uit de brief van meester v.N. van 28 maart 2012 gericht aan de griffie van het arbeidshof te Brussel blijkt dat op 2 februari 2012 een conclusie en een dossier met stukken door meester v.N. werden neergelegd. Uit de inventaris van het dossier van de rechtspleging blijkt eveneens dat op 22 mei 2012 een conclusie en een dossier met stukken door meester v.N. voor de eiser werden neergelegd.

6. In zoverre uitgegaan wordt van de overweging dat de nieuwe stukken van de eiser geweerd moeten worden op grond dat zij niet of laattijdig werden meegedeeld terwijl de eiser ze terzelfdertijd met zijn conclusie ter griffie heeft neergelegd en dus vóór het verstrijken van de conclusietermijn en dat die neerlegging ter griffie gold als mededeling, schendt het arrest de artikelen 737 en 740 van het Gerechtelijk Wetboek en miskent het, voor zoveel nodig, het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Derde onderdeel

7.Als uitgegaan wordt van de overweging dat de eiser de nieuwe stukken bedoeld in de inventaris van zijn op 2 februari en 22 mei 2012 neergelegde conclusies niet ter griffie had neergelegd, terwijl die neerlegging blijkt uit de in het tweede onderdeel bedoelde stukken van het dossier van de rechtspleging, miskent het bestreden arrest, dat weigert in die stukken een vermelding te lezen die erin staat, de bewijskracht ervan door hen een reikwijdte toe te kennen die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 737 van het Gerechtelijk Wetboek, geschiedt de mededeling van de stukken door het neerleggen van de stukken ter griffie, waar de partijen er ter plaatse inzage van nemen of kan ze ook in der minne geschieden.

Krachtens artikel 740 van dat wetboek, moet de rechter, behalve in het geval be-paald bij artikel 735, alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies of, bij toepassing van artikel 735, vóór de sluiting der debatten zijn overgelegd, ambtshalve uit de debatten weren, tenzij de partij waartegen die stukken zijn gericht met het neerleggen heeft ingestemd of als toepassing wordt gemaakt van artikel 748, § 2, van datzelfde wetboek.

Artikel 747, § 2, zesde lid, van hetzelfde wetboek bepaalt in de eerste zin dat, on-verminderd de toepassing van de in artikel 748, §§ 1 en 2 bedoelde uitzonderin-gen, de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neer-gelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten worden ge-weerd.

Uit het geheel van die bepalingen volgt dat de stukken aan de tegenpartij moeten worden meegedeeld binnen de termijn die is vastgesteld voor het neerleggen van de conclusies en ten laatste tegelijk met de overlegging ervan.

Daaruit volgt niet dat het ontbreken van de overlegging van conclusies, of de laat-tijdige overlegging ervan, tot gevolg heeft dat de stukken worden geweerd die re-gelmatig aan de tegenpartij werden meegedeeld binnen de termijn die is vastge-steld voor het neerleggen van de conclusie.

Het arrest dat de stukken weert die op 2 februari en 22 mei 2012 ter griffie werden neergelegd, namelijk binnen de termijn die is vastgesteld voor het neer-leggen van de conclusies, en die niet zijn opgenomen in de inventaris die gevoegd is bij de op 20 september 2011 neergelegde conclusie, louter op grond dat de op 2 februari en 22 mei 2012 neergelegde conclusies uit de debatten geweerd moeten worden omdat ze laattijdig of niet aan de tegenpartij werden overgelegd, schendt de voornoemde wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoofdberoep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel

Noot: 

Rechtsleer:

• Bruno Maes, Tijdige mededeling van de stukken en laattijdige mededeling van de conclusie, RABG 2014, 1219

• Vincent Spincemalle, Toepasselijkheid van art. 867 Ger.W. op te laat neergelegde conclusies: het Hof van Cassatie houdt voet bij stuk, noot onder Cass. 20 april 2007.

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 7 februari 2014, RW 2014-2015,1144

Samenvatting:

Buiten het geval bepaald in art. 735 Ger.W., moet de rechter, krachtens art. 740 Ger.W., alle memories, nota’s of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies zijn overgelegd, ambtshalve uit het debat weren, tenzij de partij tegen wie die stukken worden aangevoerd, met de neerlegging heeft ingestemd of voor het geval dat art. 748, § 2 Ger.W. wordt toegepast.

Tekst arrest

AR nr. C.13.0063.F

S. t/ S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 15 oktober 2012.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Buiten het geval bepaald in art. 735 Ger.W., moet de rechter, krachtens art. 740 Ger.W., alle memories, nota’s of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies zijn overgelegd, ambtshalve uit het debat weren, tenzij de partij tegen wie die stukken worden aangevoerd, met de neerlegging heeft ingestemd of voor het geval dat art. 748, § 2 Ger.W. wordt toegepast.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de laatste conclusie van de verweerster op 27 september 2011 en die van de eiser op 8 maart 2012 moesten zijn neergelegd, dat de verweerster haar conclusie heeft neergelegd op de laatste dag van de termijn, dat de pleitzitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2012 en dat het proces-verbaal van die zitting vermeldt dat de advocaten elk een dossier met stukken neerleggen.

Het arrest, dat vaststelt dat de verweerster “alle stukken tot staving van haar inkomsten voor de jaren 2009 tot 2012 (stukken 4a, 4g, 4h en 4i)” heeft neergelegd, baseert zich inzonderheid op “de berekening door tax on web van de inkomsten voor 2011 (stuk 4h)” en op “de loonfiches voor de eerste acht maanden van 2012”.

Uit de inventaris die gevoegd is bij de laatste conclusie van de verweerster, blijkt dat de voormelde stukken daarin niet worden opgesomd en uit de chronologie van de data blijkt dat de verweerster sommige stukken heeft medegedeeld na het verstrijken van de termijn waarbinnen zij haar laatste conclusie moest neerleggen en mededelen.

Hoewel het arrest niet vaststelt dat de eiser ermee heeft ingestemd dat die stukken zouden worden neergelegd na het verstrijken van die termijn, weert het de voormelde stukken niet uit het debat en schendt het bijgevolg de voormelde wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

...

• Cass. 12 december 2005, Arr.Cass. 2005, 2482.

• Cass. 13 december 2013, Arr.Cass. 2013, 2759.

• Hof van Beroep Antwerpen 02/03/2015, RW 2015-2016, 712

V. en D. t/ B. en V.

...

Aldus werden aan mevr. B. en de h. V. drie conclusietermijnen verleend, die verstreken op respectievelijk 10 mei 2013, 17 maart 2014 en 28 november 2014.

Het wordt niet betwist dat mevr. B. en de h. V. hebben nagelaten om binnen deze dwingende termijnen te concluderen.

De conclusie die pas op 28 januari 2015 werd verzonden naar de griffie van dit hof, is manifest laattijdig.

Art. 747, § 2, voorlaatste lid Ger.W. bepaalt dat deze laattijdige conclusie ambtshalve uit het debat moet worden geweerd. Voor zover partijen debat hebben kunnen voeren over de toepassing van deze sanctie – wat zij in dit geval hebben gedaan – moet deze sanctie ambtshalve worden toegepast, wat betekent dat de toepassing van deze sanctie niet gevraagd of gevorderd hoeft te worden en dat deze sanctie moet worden toegepast zonder dat de tegenpartij moet aantonen dat zij hierbij een rechtmatig belang heeft.

De laattijdige conclusie van mevr. B. en de h. V. dient uit de debatten te worden geweerd.

Over de wering van de stukken van mevr. B. en de h. V.

De h. V. en mevr. D. verzoeken het hof om ook de overtuigingsstukken van mevr. B. en de h. V. uit het debat te weren.

De stukken moeten niet op dezelfde wijze als conclusies worden meegedeeld en kunnen tussen partijen en hun advocaten op informele wijze worden uitgewisseld (in deze zin: Cass. 12 december 2011, P&B 2012, 118).

Uit de in hun onderlinge samenhang gelezen art. 737, 740 en 747 Ger.W. vloeit voort dat de stukken moeten worden meegedeeld aan de tegenpartij binnen de termijn bepaald voor de neerlegging van de conclusies. Uit die wetsbepaling vloeit niet voort dat de afwezigheid van overlegging van conclusies of de laattijdige overlegging van conclusies, de wering tot gevolg heeft van de stukken die regelmatig werden meegedeeld aan de tegenpartij binnen de termijn bepaald voor de neerlegging van de conclusies (in deze zin: Cass. 12 mei 2014, RW 2014-15, 1144, RABG 2014, 1212, conclusie advocaat-generaal J. Genicot en noot B. Maes, “Tijdige mededeling van de stukken en laattijdige mededeling van de conclusie”).

Op de laattijdige mededeling van stukken staat dezelfde sanctie als op de laattijdige mededeling van conclusies, namelijk door de ambtshalve wering van deze stukken uit het debat, zonder dat dit gevraagd of gevorderd moet worden en zonder dat de tegenpartij blijk moet geven van een rechtmatig belang ter zake, maar mits de tegenspraak over de toepassing van deze sanctie werd nageleefd.

Hoewel het hoger beroep een nieuwe en afzonderlijke fase is in de beslechting van het geschil, voor een ander rechtscollege, gaat het om de voortzetting van het geschil dat reeds in eerste aanleg werd gevoerd. Het hoofddoel van het hoger beroep is weliswaar de controle van het bestreden vonnis, maar de devolutieve werking van het hoger beroep brengt met zich mee dat het geschil zelf in zijn geheel aan de boordeling van de appelrechter wordt voorgelegd – namelijk zowel de geschilpunten die door de eerste rechter werden beslecht, als eventueel de geschilpunten die nog door de eerste rechter moesten worden beoordeeld – zij het aan de hand van stukken, argumenten en middelen die kunnen verschillen van die welke aan de eerste rechter werden voorgelegd.

Hieruit volgt dat de stukken die reeds werden meegedeeld in eerste aanleg, niet meer meegedeeld moeten worden in hoger beroep (in deze zin: Antwerpen 21 maart 2002, NJW 2002, 500, noot P. Taelman). Deze stukken werden immers al in eerste aanleg in het debat gebracht, zodat de tegenpartij hiervan kennis heeft gekregen en onbelemmerd zijn verweer hiertegen heeft kunnen voeren.

Uit de vergelijking van de inventaris bij de conclusies die mevr. B. en de h. V. voor de eerste rechter hebben genomen, en de inventaris van het stukkendossier dat mevr. B. en de h. V. hebben neergelegd ter terechtzitting van 2 februari 2015, blijkt dat dit stukkendossier geen enkel stuk bevat dat niet in eerste aanleg tijdig werd meegedeeld aan de h. V. en mevr. D.

Er is dan ook geen aanleiding om de stukken van mevr. B. en de h. V. uit het debat te weren, aangezien deze stukken tijdig werden meegedeeld aan de tegenpartij.

...

Over de wering van de conclusie van mevr. B. en van de h. V.

De h. V. en mevr. D. verzoeken het hof om de conclusie van mevr. B. en de h. V., die pas op 28 februari 2015 per fax werd toegezonden naar de griffie van het hof, uit het debat te weren.

Op 5 maart 2013 heeft het hof een beschikking verleend aan partijen, conform art. 747, § 2 Ger.W., waarbij dwingende conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald. In overeenstemming met de voormelde wetsbepaling werd deze beschikking ter kennis gebracht van partijen en hun advocaten.

• Cass. 13 december 2013, RW 2014-15, 1305, noot B. Van den Bergh.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 22/02/2015 - 11:19
Laatst aangepast op: vr, 10/02/2017 - 15:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.