-A +A

Termijn hoger beroep overschreden door overmacht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 13/01/2004
A.R.: 
P030860N

Het hoger beroep, ingesteld buiten de bij artikel 203, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering voorgeschreven termijn en dat laattijdig is door overmacht die het gevolg is van een van de wil van de appellant onafhankelijke gebeurtenis die hij niet kon voorzien of voorkomen, is ontvankelijk (1). (1) Cass., 11 april 1990, AR 7812, nr 481.

Bij een appellant kan slechts onoverwinnelijke feitelijke dwaling bestaan over de datum waarop een vonnis werd uitgesproken waavan hij zinnens is in hoger beroep te komen, wanneer die dwaling volgt uit een oorzaak die vreemd is aan de appellant en hem niet kan toegerekend worden op voorwaarde dat ieder normaal voorzichtig appellant, geplaatst in dezelfde omstandigheden, eveneens zou gedwaald hebben.
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Jaargang: 
2004-2005
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.03.0860.N
M. M.,
eiser, beklaagde,
tegen
1. V. M.-C.,
2. P. K.,
verweersters, burgerlijke partijen.

I. Bestreden beslissingen
Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen, op 18 november 1999 en op 22 mei 2003 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Leuven.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt in een verzoekschrift en in een memorie een gelijkaardig middel voor. Dat verzoekschrift en die memorie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

IV. Beslissing van het Hof

A. Afstand

Overwegende dat het bestreden vonnis van 22 mei 2003 het vonnis alvorens recht te doen van 18 november 1999 dat de hogere beroepen van de verweersters ontvankelijk heeft verklaard, verder uitwerkt, oordeelt over het beginsel van aansprakelijkheid, aan de eerste verweerster een voorschot van 1 euro toekent, een geneesheer-deskundige benoemt en de uitspraak over het overige van de vorderingen van de beide verweersters aanhoudt;

Overwegende dat Mr. Houtekier namens eiser bij akte ter griffie van het Hof neergelegd op 8 augustus 2003 zonder berusting afstand van het cassatieberoep tegen de beide vonnissen doet omdat dit geen eindbeslissingen zijn;

Overwegende evenwel dat alleen het bestreden vonnis van 22 mei 2003, in zoverre het aan de eerste verweerster een voorschot van 1 euro toekent, een geneesheer-deskundige benoemt en de uitspraak over het overige van de rechtsvorderingen van de beide verweersters aanhoudt, geen eindbeslissing is;

Dat aldus slechts in die mate akte van de afstand kan worden verleend;

B. Onderzoek van het middel

1. Eerste onderdeel

Overwegende dat ontvankelijk is, hoewel ingesteld buiten de bij artikel 203, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering voorgeschreven termijn, het hoger beroep dat laattijdig is door overmacht die het gevolg is van een van de wil van de appellant onafhankelijke gebeurtenis die hij niet kon voorzien of voorkomen;

Overwegende dat de feitenrechter weliswaar onaantastbaar het bestaan van dergelijke gebeurtenis vaststelt maar daaruit enkel het gevolg mag trekken dat door deze gebeurtenis kan zijn veroorzaakt;

Overwegende dat de feitelijke omstandigheden die het bestreden vonnis van 18 november 1999 bewezen acht, anders dan het middel aanvoert, de gevolgtrekking toelaten dat te laat hoger beroep werd ingesteld ingevolge overmacht;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

2. Tweede onderdeel

Overwegende dat het bestreden vonnis van 18 november 1999 niet het bestaan van rechtsdwaling maar dat van feitelijke dwaling vaststelt, namelijk dwaling over de datum waarop het beroepen vonnis werd uitgesproken;

Overwegende dat er bij een appellant slechts onoverwinnelijke feitelijke dwaling kan bestaan over de datum waarop een vonnis werd uitgesproken waarvan hij zinnens is in hoger beroep te komen, wanneer die dwaling volgt uit een oorzaak die vreemd is aan de appellant en hem niet kan toegerekend worden op voorwaarde dat ieder normaal voorzichtig appellant, geplaatst in dezelfde omstandigheden, eveneens zou hebben gedwaald;

Overwegende dat het bestreden vonnis van 18 november 1999 overweegt: "Dat het daarenboven gebruikelijk is dat partijen of hun raadsman met de griffie contact opnemen of er naartoe gaan om kennis te nemen van een vonnis, en niet naar de terechtzitting gaan waarop de uitspraak van het vonnis is vastgesteld"; dat het bestreden vonnis hiermede te kennen geeft dat ieder normaal voorzichtig appellant, geplaatst in dezelfde omstandigheden als de verweersters, zou hebben gehandeld als de raadsman van de verweersters en eveneens zou hebben gedwaald;

Overwegende dat de appèlrechters met deze beslissing geen van de in het onderdeel vermelde wetsbepalingen schendt of algemene rechtsbeginselen miskennen;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep gericht tegen het vonnis op 22 mei 2003 gewezen, in zoverre dat aan de eerste verweerster een voorschot van 1 euro toekent, een geneesheer-deskundige benoemt en de beslissing over het overige van de rechtsvorderingen van de beide verweersters aanhoudt;
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van zeshonderd en vier euro eenen-tachtig cent, waarvan negenenzeventig euro zeven cent verschuldigd en vijfhonderd vijfentwintig euro vierenzeventig cent door eiser betaald.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel

Noot: 

Gepubliceerd onder dit arrest in RABG 2012/6, 378, Patricia Van Lersberghe, Rechtsmiddelen verval en overmacht

Noot

Poststaking en overmacht

De niet-tijdige neerlegging van een verzoekschrift door een poststaking maakt geen overmacht uit.

In de regel vertrouwt een advocaat een verzoekschrift tot het instellen van hoger beroep toe aan de postdiensten zodat dit tijdig bij de rechter in hoger beroep, lees de griffie zou toekomen.

Vraag is nu in hoeverre een tekortkoming van de post door ondermeer een poststaking overmacht uitmaakt in hoofde van de advocaat waardoor zijn aansprakelijkheid kan worden bevrijd.

Met toepassing van artikel 1056 Ger.W. dient een verzoekschrift in hoger beroep te worden ingediend op de griffie binnen de maand na de betekening van de bestreden beslissing.

De termijn van 1 maand is de vervaltermijn.

Van een normaal voorzichtige advocaat mag worden verwacht dat hij het nodige doet om zijn verzoekschrift in hoger beroep binnen de vervaltermijn neer te leggen.

Het betreft hier een resultaatsverbintenis van de advocaat.

De advocaat beschikt over verschillende mogelijkheden om een verzoekschrift in hoger beroep neer te leggen.

Volgens de al oude regel wordt een verzoekschrift door de advocaat persoonlijk ter griffie neergelegd.

Maar sinds lang wordt toegelaten dat een verzoekschrift ook per post aan de griffie wordt toegezonden en ook de nieuwe elektronische methodes vinden stilaan hun ingang.

Indien een advocaat kiest voor het laten neerleggen van een verzoekschrift via de post, dan had de advocaat voor het verstrijken van de vervaltermijn zich moeten vergewissen dat het procedurestuk wel degelijk tijdig was ingediend.

In een goede advocatenpraktijk wordt de uiterste vervaltermijn van een beroepstermijn genoteerd en wordt er op de middag van deze uiterste termijn gebeld naar de griffie om te vragen of een stuk dat per post werd toegestuurd daadwerkelijk is aangekomen.

Bij gebreke hieraan kan de advocaat dan nog tot 16u alle nodige en nuttige maatregelen nemen om het verzoekschrift alsnog tijdig te gaan neerleggen.

Wanneer een advocaat deze controlemaatregel niet uitvoert, kan dit aanzien worden als een vorm van laksheid en als een tekortkoming van zijn professionele verplichtingen.

Aldus kan een advocaat zich ten onrechte op overmacht beroepen wegens een poststaking of een tekortkoming van een derde confrater die hij gelast heeft om een verzoekschrift neer te leggen.

Ook wanneer een advocaat een andere advocaat gelast om loco hem een verzoekschrift neer te leggen, dan nog zal de advocaat voor het verstrijken van de termijn een telefonisch contact hebben met de opdrachthoudende advocaat teneinde bevestiging te bekomen van de neerlegging of een contact met de griffie hebben om bevestiging te bekomen zodat hij in ontkennend geval nog over voldoende tijd beschikt om op zijn eigen verantwoordelijkheid desnoods in persoon of op een andere wijze het verzoekschrift tijdig neer te leggen.

Overmacht kan enkel voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de wil van de betrokkene, die door deze niet kon worden voorzien, noch vermeden.

Een poststaking kan niet worden beschouwd als een geval van overmacht.

De wet vereist niet dat een advocaat wanneer hij hoger beroep instelt, hij een verzoekschrift zoals bijvoorbeeld bedoeld in artikel 1056, 2de Ger.W., de indiening zelf verricht. Maar wanneer een advocaat kiest voor een andere wijze dan doet de advocaat dit op eigen risico en kan hij geen overmacht meer aanvoeren als hij er niet zelf heeft op toegezien dat de indiening werkelijk heeft plaats gevonden.

Een advocaat dient er rekening mee te houden dat er bij de post een fout kan gebeuren of dat er een lokale of nationale poststaking plots optreedt, of in het algemeen dat er vertraging optreedt bij de postbedeling wat in ons land nu niet zo uitzonderlijk is, waardoor een advocaat in alle omstandigheden de nodige maatregelen moet nemen opdat een procedurestuk waaraan een vervaltermijn verbonden is, tijdig wordt neergelegd en hierbij ook tijdig de nodige verificaties leest.

Voor een concreet toepassingsgeval zie Hof van Beroep te Brussel, 11.06.2013, RW 2013-2014, kolom 630.

zie ook: Cassatie, 24/09/2012, RW 2014-2015, conclusie van procureur-generaal J.-F. Leclercq (Pas. 2012, nr. 483)

"Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens welk “overmacht de fout uitschakelt en het verval belet van de uitoefening van een recht die de wet afhankelijk stelt van een bepaalde termijn”.

Wanneer overmacht zich voordoet in de loop van een vervaltermijn, wordt die termijn slechts verlengd met de tijd die nodig is om te handelen en niet met die welke overeenstemt met de duur van de verhindering."

zie ook: Cass. 27 maart 1919, Pas. 1919, I, 112; Cass. 12 maart 1923, Pas. 1923, I, 233.

 
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 19/05/2016 - 13:44
Laatst aangepast op: do, 19/05/2016 - 13:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.