-A +A

Termijn hoger beroep enkel ten aanzien van partij aan wie vonnis werd betekend

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 18/09/2017
A.R.: 
C.17.0070.F

Artikel 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de termijn om hoger beroep in te stellen een maand is te rekenen vanaf de betekening van het vonnis; krachtens die bepaling loopt de beroepstermijn ten aanzien van de partij aan wie het vonnis betekend werd enkel voor het hoger beroep dat moet worden ingesteld tegen de partij die het vonnis heeft doen betekenen.

De betekening, die de beroepstermijn doet lopen, is deze die gedaan is volgens de door de artikelen 33 tot 42bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde voorschriften en die de door de artikelen 43 tot 45 van dat Wetboek vereiste vermeldingen bevat; uit die bepalingen volgt niet dat, om de beroepstermijn te doen lopen, de betekening vereist dat er een geding hangende is tussen de partij die doet betekenen en de partij aan wie ze laat betekenen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Jaargang: 
2018/5
Pagina: 
409
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.17.0070.F
D. M. ebvba,
tegen
1. A. L.,
2. E. D. S.,
3. J.-M. G.,
in aanwezigheid van
AXA BELGIUM nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 10 oktober 2016.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

Artikel 1051, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de termijn om hoger be-roep in te stellen een maand is te rekenen vanaf de betekening van het vonnis.

Krachtens die bepaling loopt de beroepstermijn ten aanzien van de partij aan wie het vonnis betekend werd enkel voor het hoger beroep dat moet worden ingesteld tegen de partij die het vonnis heeft doen betekenen.

Het arrest stelt vast dat enkel de derde verweerder het beroepen vonnis aan de ei-seres heeft doen betekenen.

Het arrest dat beslist dat het hoger beroep, dat de eiseres tegen de eerste en tweede verweerders heeft ingesteld, laattijdig is, omdat het is ingesteld meer dan een maand na de betekening van het vonnis door de derde verweerder, schendt artikel 1051 Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

De betekening, die de beroepstermijn doet lopen, is deze die gedaan is volgens de door de artikelen 33 tot 42bis Gerechtelijk Wetboek bepaalde voorschriften en die de door de artikelen 43 tot 45 Gerechtelijk Wetboek vereiste vermeldingen bevat.

Noch uit die bepalingen noch uit de in het middel bedoelde bepalingen volgt dat de betekening, om de beroepstermijn te doen lopen, vereist dat er een geding han-gende is tussen de partij die doet betekenen en de partij aan wie ze doet beteke-nen.

Het onderdeel dat volledig uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Vordering tot bindendverklaring van het arrest

De eiseres heeft er belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard ten aanzien van de partij die daartoe voor het Hof bij het geding betrokken wordt.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dat het principaal beroep en het incidenteel beroep van de eiseres tegen de eerste en tweede verweerders niet-ontvankelijk verklaart en in zoverre het uitspraak doet over de kosten tussen die partijen.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van de naamloze vennootschap Axa Belgium.

Veroordeelt de eiseres tot een derde van de kosten; houdt de overige kosten aan en laat de beoordeling daarover aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 18 september 2017

C.17.0070.F
Conclusions de M. l'avocat général J.M. Genicot.

Sur le moyen unique de cassation .

Première branche.

Il ressort de l'article 1051, du Code judiciaire que le délai d'appel d'un mois prend cours à dater du jour de la signification du jugement tant à l'égard du destinataire de la signification que de la partie qui l'a fait signifier.

En ce cas cependant, ce délai ne court à l'égard de cette dernière qu'en ce qui concerne l'appel à diriger contre la partie à laquelle elle a fait signifier le jugement(1).

De même, et par comparaison aux effets d'une signification sur le délai d'un pourvoi, ce délai court au profit de la partie qui a fait signifier la décision attaquée(2), sauf cependant en cas de litige indivisible ou chacune des parties contre lesquelles le pourvoi doit être dirigé peut invoquer la signification de la décision attaquée faite par l'une d'elles au demandeur pour donner cours au délai de pourvoi(3).

Le caractère, en règle, de réciprocité des effets de la signification entre son auteur et son destinataire, quant à la prise de cours du délai d'appel est confirmée notamment par la doctrine qui énonce que: « ... lorsque seulement une des parties au litige de première instance a fait signifier le jugement à son adversaire, le délai d'appel de celui-ci ne court pas, en principe, contre les autres parties qui n'ont pas fait signifier le jugement(4) ».

Dès lors qu'en la présente espèce - étrangère à un cas de litige indivisible- le troisième défendeur a fait signifier le jugement à la demanderesse le 29 janvier 2015, l'arrêt attaqué ne pouvait décider, sur la base de cette seule signification, que le délai d'appel de cette dernière contre les premiers et deuxième défendeurs devait aussi prendre cours dès cette signification et expirer dans le mois, ni, partant, que son appel du 3 mars 2015 était tardif à leur égard.

Le moyen, en sa première branche est fondé.

Quant à la seconde branche.

Contrairement à ce que m'apparaît soutenir le moyen en cette branche les conditions de régularité de la signification d'une décision sont distinctes et indépendantes de celles qui président à la recevabilité de la voie de recours qui peut s'ensuivre.

Ainsi, même s'il n'existe pas de lien d'instance entre deux des parties en cause dans un litige non indivisible, celle des deux qui procédera en en respectant les règles(5) à la signification de la décision à l'autre, déclenchera le délai d'appel dont celle-ci disposera pour introduire son recours.

En l'absence de lien d'instance, son appel éventuel s'avérera cependant irrecevable, fût-il introduit dans les délais.

Le moyen en sa seconde branche qui repose sur le soutènement contraire en faisant valoir que l'absence de lien d'instance entre deux parties les prive de toute possibilité de faire signifier la décision régulièrement et donc de faire courir le délai d'appel envers l'autre, m'apparaît manquer en droit.

Conclusion.

Je conclus à la cassation partielle en ce que l'arrêt attaqué déclare irrecevable les appels principal et incident de la demanderesse dirigés contre les premier et deuxième défendeurs, ainsi qu'à la déclaration du présent arrêt commun à la société Axa Belgium.
__________________
(1) Cass. 7 décembre 2006, RG C.04.0501.F, Pas. 2006, n° 627.
(2) Cass. 14 juin 1996, Pas. 1996, I, n° 640.
(3) Cass. 10 mai 2004, Pas. 2004, n° 245; C. PARMENTIER, Comprendre la technique de cassation, Larcier, 2011, p. 44.
(4) G. DE LEVAL, Manuel de procédure civile, Les voies de recours ordinaires, Ch. 3 L'appel, Larcier, t. II, n° 782; v. également Cass. 10 décembre 1981, RG 3226, Pas. 1982, p. 492.
(5) Définies aux articles 33 à 42bis, 46 et 45 du Code judiciaire.
 

Noot: 

Vereecke, V., « Hoger beroep kan alleen tijdens de openingsuren van de griffie », R.A.B.G., 2017/13, p. 1073-1076

zie ook RABG 2012/6, 378, Patricia Van Lersberghe, Rechtsmiddelen verval en overmacht

Poststaking en overmacht

De niet-tijdige neerlegging van een verzoekschrift door een poststaking maakt geen overmacht uit.

In de regel vertrouwt een advocaat een verzoekschrift tot het instellen van hoger beroep toe aan de postdiensten zodat dit tijdig bij de rechter in hoger beroep, lees de griffie zou toekomen.

Vraag is nu in hoeverre een tekortkoming van de post door ondermeer een poststaking overmacht uitmaakt in hoofde van de advocaat waardoor zijn aansprakelijkheid kan worden bevrijd.

Met toepassing van artikel 1056 Ger.W. dient een verzoekschrift in hoger beroep te worden ingediend op de griffie binnen de maand na de betekening van de bestreden beslissing.

De termijn van 1 maand is de vervaltermijn.

Van een normaal voorzichtige advocaat mag worden verwacht dat hij het nodige doet om zijn verzoekschrift in hoger beroep binnen de vervaltermijn neer te leggen.

Het betreft hier een resultaatsverbintenis van de advocaat.

De advocaat beschikt over verschillende mogelijkheden om een verzoekschrift in hoger beroep neer te leggen.

Volgens de al oude regel wordt een verzoekschrift door de advocaat persoonlijk ter griffie neergelegd.

Maar sinds lang wordt toegelaten dat een verzoekschrift ook per post aan de griffie wordt toegezonden en ook de nieuwe elektronische methodes vinden stilaan hun ingang.

Indien een advocaat kiest voor het laten neerleggen van een verzoekschrift via de post, dan had de advocaat voor het verstrijken van de vervaltermijn zich moeten vergewissen dat het procedurestuk wel degelijk tijdig was ingediend.

In een goede advocatenpraktijk wordt de uiterste vervaltermijn van een beroepstermijn genoteerd en wordt er op de middag van deze uiterste termijn gebeld naar de griffie om te vragen of een stuk dat per post werd toegestuurd daadwerkelijk is aangekomen.

Bij gebreke hieraan kan de advocaat dan nog tot 16u alle nodige en nuttige maatregelen nemen om het verzoekschrift alsnog tijdig te gaan neerleggen.

Wanneer een advocaat deze controlemaatregel niet uitvoert, kan dit aanzien worden als een vorm van laksheid en als een tekortkoming van zijn professionele verplichtingen.

Aldus kan een advocaat zich ten onrechte op overmacht beroepen wegens een poststaking of een tekortkoming van een derde confrater die hij gelast heeft om een verzoekschrift neer te leggen.

Ook wanneer een advocaat een andere advocaat gelast om loco hem een verzoekschrift neer te leggen, dan nog zal de advocaat voor het verstrijken van de termijn een telefonisch contact hebben met de opdrachthoudende advocaat teneinde bevestiging te bekomen van de neerlegging of een contact met de griffie hebben om bevestiging te bekomen zodat hij in ontkennend geval nog over voldoende tijd beschikt om op zijn eigen verantwoordelijkheid desnoods in persoon of op een andere wijze het verzoekschrift tijdig neer te leggen.

Overmacht kan enkel voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de wil van de betrokkene, die door deze niet kon worden voorzien, noch vermeden.

Een poststaking kan niet worden beschouwd als een geval van overmacht.

De wet vereist niet dat een advocaat wanneer hij hoger beroep instelt, hij een verzoekschrift zoals bijvoorbeeld bedoeld in artikel 1056, 2de Ger.W., de indiening zelf verricht. Maar wanneer een advocaat kiest voor een andere wijze dan doet de advocaat dit op eigen risico en kan hij geen overmacht meer aanvoeren als hij er niet zelf heeft op toegezien dat de indiening werkelijk heeft plaats gevonden.

Een advocaat dient er rekening mee te houden dat er bij de post een fout kan gebeuren of dat er een lokale of nationale poststaking plots optreedt, of in het algemeen dat er vertraging optreedt bij de postbedeling wat in ons land nu niet zo uitzonderlijk is, waardoor een advocaat in alle omstandigheden de nodige maatregelen moet nemen opdat een procedurestuk waaraan een vervaltermijn verbonden is, tijdig wordt neergelegd en hierbij ook tijdig de nodige verificaties leest.

Voor een concreet toepassingsgeval zie Hof van Beroep te Brussel, 11.06.2013, RW 2013-2014, kolom 630.

zie ook: Cassatie, 24/09/2012, RW 2014-2015, conclusie van procureur-generaal J.-F. Leclercq (Pas. 2012, nr. 483)

"Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens welk “overmacht de fout uitschakelt en het verval belet van de uitoefening van een recht die de wet afhankelijk stelt van een bepaalde termijn”.

Wanneer overmacht zich voordoet in de loop van een vervaltermijn, wordt die termijn slechts verlengd met de tijd die nodig is om te handelen en niet met die welke overeenstemt met de duur van de verhindering."

zie ook: Cass. 27 maart 1919, Pas. 1919, I, 112; Cass. 12 maart 1923, Pas. 1923, I, 233.

 
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 09/04/2018 - 18:57
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.