-A +A

Termijn hoger beroep beslagrechjter beslissing inzake rangregeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 11/01/2017
A.R.: 
2016/ AR/448

Overeenkomstig artikel 1648 Ger.W. (de procedure rangregeling voor de beslagrechter) geeft de griffier binnen de 15 dagen na de uitspraak bij gerechtsbrief kennis van het vonnis aan alle partijen en, voor tenuitvoerlegging, aan de notaris.

Artikel 57 Ger. W. schrijft voor dat de termijn voor verzet, hoger beroep en voorziening in cassatie begint bij de betekening van de beslissing, tenzij de wet anders bepaalt. Dit artikel vereist geen uitdrukkelijke afwijkende bepaling, zodat het volstaat dat de afwijking kan worden afgeleid uit de op de betrokken rechtspleging toepasselijke wetsbepalingen.

Uit de artikelen 1648, 1649 en 1650 Ger.W. volgt dat de termijn van de rechtsmiddelen ingaat vanaf de kennisgeving van het vonnis van de beslagrechter dat uitspraak doet over de geschillen inzake rangregeling.

Kennisgevingen van vonnissen of arresten betreffende geschillen van rangregeling - die door de griffier aan alle partijen bij gerechtsbrief moeten worden gedaan en, voor de tenuitvoerlegging, aan de notaris - hebben immers tot doel de termijnen te doen lopen van de rechtsmiddelen zoals verzet, hoger beroep en cassatievoorziening

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/5-6
Pagina: 
195
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. De antecedenten en de vorderingen

1. Op 06.11.2014 ging notaris E.C. over tot het opstellen van het P.V. van rangregeling en verdeling van de prijs bekomen bij de verkoop uit de hand van een onroerend goed te Geel, Herentalseweg 3-5, eigendom van BVBA O.1.F., failliet verklaard bij vonnis d.d. 22.12.2011 van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, waarbij meesters I.M. en E.V.C. als curatoren werden aangesteld.

Het kwestieuze onroerend goed werd verkocht voor de prijs van 250.000 EUR exclusief BTW aan NV Rolupo en er werd bepaald dat op de verkoopprijs door de koper BTW verschuldigd is aan een tarief van 21 % (52.500 EUR).

De koper heeft de koopprijs en de kosten bevrijdend betaald in handen van de notaris.

Blijkens het PV van rangregeling d.d. 06.11.2014 is het kwestieuze onroerend goed belast met volgende inschrijvingen: - conventionele inschrijving genomen op 25.06.2009 in het voordeel van NV Fortis Bank tot zekerheid van 132.000 EUR ten laste van BVBA O.I.F.;

- conventionele inschrijving genomen op 21.06.2001 in het voordeel van NV Fortis Bank tot zekerheid van 457.600 EUR ten laste van BVBA O.1.F.;

- wettelijke inschrijving genomen op 04.07.2011 genomen door FOD Financiën tot zekerheid van 105.000 EUR;

- wettelijke inschrijving genomen op 24.11.2011 genomen door FOD Financiën tot zekerheid van 9.000 EUR;

Onder het passief werden volgende posten opgenomen:

- de erelonen van de curatele:10.034,54 EUR en 9.150,63 EUR: 19.185,17 EUR

- de schattingskosten, verzekering en kosten:753,95 EUR

- de provisie kosten, rechten en erelonen procedure rangregeling: 6.064,50 EUR

totaal: 26.003,62 EUR

waarna uiteindelijk 223.996,38 EUR als netto-actief overbleef.

NV BNP Paribas Fortis (rechtsopvolgster van NV Fortis Bank, hierna BNP) bleek in eerste en tweede rang ingeschreven schuldeiseres te zijn en haar schuldvordering bedroeg 784.704,10 EUR.

Aangezien het te verdelen actief slechts 223.996,38 EUR bedroeg, kon de eerst ingeschreven schuldeiseres niet volledig batig worden gerangschikt, zodat BNP en de overige schuldeisers hun vordering voor de nog openstaande bedragen in de massa der schuldeisers behielden.

Ten slotte blijkt dat BNP een provisionele betaling van 215.000 EUR ontvangen heeft onder de uitdrukkelijk opschortende voorwaarde van het definitief worden van de rangregeling.

2. Op 13.11.2014 werd op verzoek van de notaris een aanmaning om inzage te nemen van het P.V. van rangregeling aan BNP betekend.

3. Op verzoek van BNP werd op 11.12.2014 haar verklaring van tegenspraak aan de notaris betekend.

4. Op 23.04.2015 werd het P.V. van advies opgemaakt, waarna op 30.04.2015 alle noodzakelijke stukken door de notaris ter griffie werden neergelegd met het oog op het beslechten van de tegenspraak.

5. BNP vordert dat het P.V. d.d. 06.11.2014 in volgende zin zou worden aangepast:

erelonen curatele, schattingskosten,

verzekering en kosten: 16.798.14

provisionele kosten, rechten en erelonen procedure van rangregeling: 6.064.50

totaal: 22.862.64

en dat voor recht zou worden gezegd dat een bedrag van 227.137,36 EUR aan haar zou toekomen.

De curatoren verzochten de eerste rechter de tegenspraak ongegrond te verklaren en het P.V. van 06.11.2014 te bevestigen.

6. In het bestreden vonnis d.d. 24.11.2015 van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen werd voor recht gezegd dat er geen grond is tot wijziging van het PV van rangregeling, zoals opgesteld door notaris E.C., werd het PV van rangregeling d.d. 06.11.2014 bevestigd en werd BNP verwezen in de kosten, in hoofde van de notaris begroot op 100 EUR rolrecht.

7. Bij een op 29.02.2016 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift tekende BNP hoger beroep aan tegen het bestreden vonnis d.d. 24.11.2015.

Daarin verzoekt zij het hof het bestreden vonnis te hervormen, haar oorspronkelijke tegenspraak gegrond te verklaren en het tussen te komen arrest bindend te verklaren voor de partijen die daartoe opgeroepen zijn en de kosten lastens de curatoren te leggen.

8. De curatoren verzoeken het hof het hoger beroep ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen, het tussen te komen arrest bindend te verklaren voor de partijen die daartoe opgeroepen zijn en BNP te veroordelen in de geding-kosten van dit hoger beroep.

9. Het enig middel dat BNP in hoger beroep inroept is het feit dat ten onrechte de BTW in aanmerking werd genomen in de berekeningsbasis van het ereloon van de curatoren. Het KB van 10.08.1998 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de curatoren bepaalt in artikel 1 dat onverminderd artikel 3, het ereloon bestaat in een proportionele vergoeding per schijf berekend op grond van de teruggeïnde en gerealiseerde activa.

Artikel 2 van dit KB bepaalt dat de proportionele vergoeding per schijf wordt vastgesteld overeenkomstig de aldaar opgenomen tabel, met een minimumbedrag van 1.005,07 EUR en artikel 3 bepaalt dat de rechtbank van koophandel op grond van een met redenen omklede beslissing het overeenkomstig artikel 2 vastgestelde ereloon kan vermeerderen of verminderen aan de hand van een correctiecoëfficiënt die varieert van 0.8 tot 1.2. Ze kan het ereloon verminderen of vermeerderen op basis van verscheidene factoren zoals de omvang en de complexiteit van de zaak, het tewerkgestelde personeel, het aantal schuldvorderingen, de realisatiewaarde van het actief, de spoed waarmee het faillissement wordt afgewikkeld en de bevoorrechte schuldeisers worden betaald, alsook de waarde die voor bepaalde, zelfs minder belangrijke, activa wordt gekregen.

Art. 6 ten slotte schrijft voor dat, in afwijking van de artikelen 2 en 3 de curator, wanneer door zijn toedoen met hypotheken of met onroerende (voorrechten bezwaarde onroerende) goederen worden verkocht, recht heeft op een afzonderlijk ereloon ten laste van de betrokken schuldeisers in verhouding tot hun rechten. Dat ereloon wordt dan berekend volgens het aldaar vermelde bijzondere barema.

De eerste rechter was van oordeel dat de curatoren krachtens artikel 6 van het KB recht hebben op een afzonderlijk ereloon, hetgeen een uitzondering is op de artikelen 2 en 3, doch niet op artikel 1. Volgens de eerste rechter houdt BNP er een verkeerde lezing op na van artikel 6 wanneer zij uit de zinsnede "ten laste van de betrokken schuldeisers in verhouding tot hun rechten" meent af te leiden dat de BTW geen grondslag vormt voor de berekening van het ereloon. BNP is van oordeel dat uit artikel 1 van het kwestieuze KB niet kan worden afgeleid of de BTW al dan niet in aanmerking komt om als grondslag te dienen voor de berekening van het ereloon van de curator. Zij verwijst naar rechtspraak, o.a. een arrest d.d. 09.06.2015 van het hof van beroep te Gent, waarin geoordeeld werd dat wanneer een onroerend goed te gelde wordt gemaakt, de geïnde BTW nooit in aanmerking komt als deel uitmakend van het gerealiseerde actief.

BNP wijst erop dat de curatoren toepassing hebben gemaakt van artikel 6 zodat het specifieke ereloontarief dient te gebeuren in verhouding tot de rechten van deze schuldeisers op het onroerend goed. BNP stelt dat deze rechten in haar hoofde beperkt zijn tot de verkoopprijs van 250.000 EUR.

10. De curatoren zijn van mening dat de eerste rechter dienaangaande correct geoordeeld heeft. Zij verwijzen dienaangaande naar een arrest d.d. 14.09.2006 van dit hof dat stelt dat de basis voor de berekening van de erelonen overeenkomstig het KB van 10.08.1998 de ontvangen BTW-gelden bevat.

Ook het hof van beroep te Brussel zou in een arrest d.d. 14.12.2006 in die zin geoordeeld hebben.

11. Op de zitting d.d. 21.12.2016 bracht het hof ambtshalve de vraag in het debat naar de toelaatbaarheid van het hoger beroep gelet op de eventuele laattijdigheid ervan. Partijen hebben hierover mondeling hun standpunt uiteengezet.

2. Beoordeling

12. Overeenkomstig artikel 1648 Ger.W. geeft de griffier binnen de 15 dagen na de uitspraak bij gerechtsbrief kennis van het vonnis aan alle partijen en, voor tenuitvoerlegging, aan de notaris.

Artikel 57 Ger. W. schrijft voor dat de termijn voor verzet, hoger beroep en voorziening in cassatie begint bij de betekening van de beslissing, tenzij de wet anders bepaalt. Dit artikel vereist geen uitdrukkelijke afwijkende bepaling, zodat het volstaat dat de afwijking kan worden afgeleid uit de op de betrokken rechtspleging toepasselijke wetsbepalingen. Uit de artikelen 1648, 1649 en 1650 Ger.W. volgt dat de termijn van de rechtsmiddelen ingaat vanaf de kennisgeving van het vonnis van de beslagrechter dat uitspraak doet over de geschillen inzake rangregeling.

Kennisgevingen van vonnissen of arresten betreffende geschillen van rangregeling - die door de griffier aan alle partijen bij gerechtsbrief moeten worden gedaan en, voor de tenuitvoerlegging, aan de notaris - hebben immers tot doel de termijnen te doen lopen van de rechtsmiddelen zoals verzet, hoger beroep en cassatievoorziening (zie o.a. Cass. 05.05.2006, AR F.05.0036.F; Cass. AR C.99.0097.N, 28.02.2002).

Het hof stelt vast dat het bestreden vonnis d.d. 24.11.2015 aan BNP ter kennis werd gebracht bij gerechtsbrief van 26.11.2015, terwijl pas op 29.02.2016 hoger beroep werd aangetekend, zodat het laattijdig is.

Het hoger beroep dient dan ook ontoelaatbaar te worden verklaard en BNP wordt verwezen in de gedingkosten ervan.

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15.06.1935

op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep van NV BNP Paribas Fortis ontoelaatbaar;

Veroordeelt NV BNP Paribas Fortis tot betaling aan de curatoren van de gedingkosten, in hun hoofde niet begroot; Verklaart het arrest bindend ten aanzien van de opgeroepen doch niet verschenen partijen.

( ... )
 

Noot: 

Overige gepubliceerde rechtspraak:

Antwerpen 23 september 2015, NjW 2016, 679.

Samenvatting

Een hoger beroep dient gemotiveerd te worden. Eén en ander wordt opgelegd in art. 1057,7° gerechtelijk wetboek.Concreet behelst zulks de formulering van beroepsgrieven. Dit is de argumentatie in rechte waarbij wordt aangetoond waar en hoe de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld. Hierbij volstaat het niet om gewoon de argumentatie aangehaald in eerste aanleg louter te hernemen. Deze loutere herhaling komt overeen met het ontbreken van de motivering, in welk geval de beroepsakte nietig is. In dit geval kan de geïntimeerde aanspraak maken op een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep te dezen begroot op 2.500 euro.

Tekst arrest

1. IMMO SchansdijkNV, [ ... ]

2.N.J., [ ]

3.C.V.,[ ]

appellanten

[ ... ]

tegen

P&V Verzekeringen CVBA, [ ... ] geïntimeerde,

[ ... ]

1. Bij exploot, betekend op 26.6.2013 stelden huidige appellanten verzet in

- Hoewel dat niet duidelijk in het inleidend exploot vermeld werd - tegen het op verzoek van P & V verzekeringen (verder ook kortweg P&V genoemd) op 12 juni 2013 betekend bevel tot betaling voorafgaand aan het uitvoerend beslag op onroerend goed (namelijk op een gebouwencomplex […])

2. De eerste rechter acteerde in de bestreden beschikking van 2.10.2014 de verklaring van appellanten zelf dat hun eigen vordering ongegrond was ("Dat teneinde kort proces te maken de rechtbank akte verleent aan aanleggers bij monde van hun raadsman dat hun vordering ongegrond is en zij zich op die wijze naar de wijsheid van de rechtbank gedragen"), wees deze vervolgens af en veroordeelde hen tot de kosten.

3. Desondanks werd op 8.12.2014 door die partijen die zelf verklaard hadden dat hun eis ongegrond was, hoger beroep ingesteld, met de onverholen bedoeling tijd te rekken (''Appellanten tekenen dan ook hoger beroep aan en verzoeken het hof alsnog bijkomend respijt te verlenen op basis van hoger vermelde redenen"). In het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift vorderen appellanten de hervorming van de bestreden beschikking door toewijzing van hun oorspronkelijke vordering waarvan ze eerder de ongegrondheid hadden erkend. Zij verzochten het hof opnieuw te zeggen voor recht dat het openstaand kapitaal verminderd moet worden met het niet opgevraagd deel van 226.031,- EUR en de eventuele vergoedingen pro rata aan te passen, en te zeggen voor recht dat de procedure uitvoerend beslag wordt opgeschort en dat de NV IMMO SCHANSDIJK, en met haar de solidaire borgen de heer en mevrouw N.J.-C.V., het voordeel wordt gegeven om de achterstal aan te zuiveren door uitvoering van het project tot omvorming van de terreinen tot woonzone, met veroordeling van P&V tot de kosten. In conclusie vragen zij bovendien een bijkomende termijn van respijt. Zij vorderen de afwijzing van de eis van P&V wegens tergend en roekeloos geding en haar veroordeling tot de kosten. Indien zijzelf tot de kosten veroordeeld zouden

worden, vragen zij de beperking van hun veroordeling tot een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,- EUR.

4. P&V vordert de afwijzing van het hoger beroep als onontvankelijk, in hoofdorde ingevolge de nietigheid van de akte van hoger beroep bij toepassing van art. 1057, 7° Ger.W., ondergeschikt wegens afstand van rechtsvordering, en minstens de afwijzing ervan als ongegrond.

P&V vordert bovendien een schadevergoeding van 2.500,- EUR wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

[ ... ]

5. P&V werpt als eerste argument op dat de akte van hoger beroep nietig zou zijn bij toepassing van art. 1057, 7° Ger.W. De akte van hoger beroep zou geen opgave van de grieven bevatten zoals wettelijk voorgeschreven.

[ ... ]

De uiteenzetting van de grieven in de beroepsakte is op straffe van nietigheid voorgeschreven. Het betreft een relatieve nietigheid vreemd aan de openbare orde, die slechts kan uitgesproken worden op verzoek van de gedaagde in hoger beroep, bovendien enkel als aangenomen wordt dat zijn belangen werden geschaad door het niet of onvoldoende aanvoeren van grieven. Er is bv. sprake van belangenschade indien het niet vermelden van de grieven een snelle afhandeling van de zaak in hoger beroep verhindert of het de gedaagde in hoger beroep belemmert in zijn mogelijkheid vlot een ter zake doend verweer uit te bouwen (zie ook in die zin Cass. (le k.) AR C.99.0359.F, 14 december 2000, Arr. Cass. 2000, afl. 10, 1994, Bull. 2000, afl. 12, 1947, TBBR 2002, afl. 4,228; Cass. (le k.) AR C.99.0171.F, 7 september 2000, Arr.Cass. 2000, 1321, Bull. 2000, 1295). De akte van hoger beroep herhaalt zonder meer de argumenten in eerste aanleg waarvan uiteindelijk door henzelf voor de eerste rechter werd erkend dat ze ondoeltreffend waren, waarop zij hun eigen vordering toen uitdrukkelijk ten overstaan van de eerste rechter als ongegrond bestempelden. Er wordt geen enkele grief geuit tegen de bestreden beschikking en er werd in dat verzoekschrift zelfs niet beweerd dat de eerste rechter en de griffier die de beschikking mee heeft ondertekend de verklaring ten overstaan van de eerste rechter verkeerd zou hebben begrepen en geacteerd.

Zulk een overname in die omstandigheden van de initiële argumenten in eerste aanleg waarvan ten overstaan van de eerste rechter erkend werd dat ze totaal ondoeltreffend waren, in een akte van hoger beroep is gelijk te stellen met een ontbreken van motivering in de akte van hoger beroep. Dit belet het goede verloop van de rechtspleging en leidt bijgevolg tot nietigheid van die akte, aangezien dit de belangen geschaad heeft van geintimeerde die niet binnen een redelijk tijdsbestek te weten kon komen waarop zij zich moest verweren nadat haar wederpartij de ongegrondheid van haar eigen aanspraken eerder had erkend, en heeft moeten concluderen zonder kennis te hebben van de precieze aard, inhoud en omvang van de eventuele bezwaren van appellanten tegen de bestreden beschikking.

De akte van hoger beroep wordt bijgevolg nietig verklaard.

6. P&V maakt aanspraak op een schadevergoeding van 2.500,- EUR wegens tergend en/of roekeloos geding.

Het hof stelt vast dat het hoger beroep kennelijk kansloos was. Appellanten kunnen onmogelijk niet geweten of begrepen hebben dat hun hoger beroep niet ook maar de geringste kans op slagen had.

Het instellen van een hoger beroep waarvan men weet of moet weten dat het volledig kansloos of ondoeltreffend is, houdt een ernstig misbruik in van het recht om hoger beroep in te stellen en daarmee een fout ten overstaan van de partij die daardoor geschaad wordt. Appellanten hebben onzorgvuldig gehandeld door na eerdere erkenning van de ongegrondheid van hun vordering hoger beroep te hebben ingesteld met het onverholen oogmerk wat extra tijd te willen winnen.

Het hof begroot de door het roekeloze hoger beroep aan geïntimeerde toegebrachte schade, die met de beroepsprocedure zeer veel tijd verloren heeft, forfaitair en in billijkheid op het bedrag van 2.500,- EUR. Het bestaan van de aldus geraamde schade staat duidelijk vast.

[ ... ]

Beslissing

HET HOF[. .. ]

Het op 8.12.2014 ter griffie van dit hof neergelegde verzoekschrift waarbij hoger beroep werd ingesteld, wordt nietig verklaard bij toepassing van art. 1057, 7° Ger.W.

De vordering van de cvba P&V Verzekeringen tot het bekomen van een schadevergoeding wegens roekeloos hoger beroep wordt toelaatbaar en gegrond verklaard en de nv Immo schansdijk, dhr. N.J. en mevr. C.V. worden dientengevolge veroordeeld tot betaling aan de cvba P&V Verzekeringen van een schadevergoeding van 2.500,- EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten.

[ ... ] 

Noot:
Tijl De Jaeger, Dubbele sanctiemogelijkheid wegens tergend en roekeloos geding: maak er gebruik van! NjW 2016, 680.


Motivering van het hoger beroep in strafzaken.

Een hoger beroep in strafzaken dient gemotiveerd.

Krachtens artikel 210 van het wetboek van strafvordering wordt de beklaagde in hoger beroep gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het beroep een vonnis worden ingebracht.

De enkele verwijzing naar een in eerste aanleg gevoerd verweer dat door het beroep een vonnis is beantwoord, vormt geen nauwkeurig bepaalde grief in de zin van artikel 210 van het wetboek van strafvordering.

Wanneer een dergelijk slordig verweer tegen het beroep een vonnis wordt geformuleerd, kan de rechter in hoger beroep louter vaststellen dat de eerste rechter dit verweer reeds omstandig heeft beantwoord zonder zelf verder te oordelen.

Het loutere hernemen van eerdere conclusies voor het Hof van Beroep volstaat dus niet.

Zie Cassatie 02.09.2014, RABG 2015/1, pagina 19 met noot Audrey De Sloovere, RABG 2015/1, pagina 21.

Rechtspraak Cassatie 19.10.2010; Cass. 25.11.2003 en Cass. 07.12.1993.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/06/2018 - 15:34
Laatst aangepast op: di, 19/06/2018 - 15:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.