-A +A

Tergende en roekeloze revindicatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 02/02/2016

De roekeloosheid van de eisers in revindicatie bestaat erin dat zij zonder het minste bewijs daarvan voor te leggen een revindicatievordering hebben ingesteld waardoor de tenuitvoerlegging ten laste van hun zoon gedwarsboomd en in alle geval aanzienlijk vertraagd wordt, terwijl daar geen enkele gegronde reden voor aanwezig blijkt te zijn en terwijl de eisers zelfs geen enkele inspanning doen om aan te tonen dat zij de exclusieve eigenaars zijn van wat in beslag werd genomen. Bovendien blijkt uit de voorgelegde gegevens dat de eisers ervan op de hoogte zijn dat hun zoon een aanzienlijke schuldenlast met zich meedraagt en dat zij zich bovendien laten/lieten bijstaan door dezelfde raadsman die hun zoon bijstaat in andere procedures tegenover zijn schuldeisers. Het bestaan van collusie kan dan ook niet op ernstige wijze worden tegengesproken, en een proceshouding die erop neerkomt dat men met onrechtmatige middelen tracht om een terechte tenuitvoerlegging te bemoeilijken, kan niet worden getolereerd.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1229
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

R.A. en D.L. t/ vzw Z., R.M. e.a.

...

II. De vorderingen

2.1. De eisers vorderen in de gedinginleidende dagvaarding (1) de revindicatie van alle bij exploot van 27 juli 2015 (proces-verbaal van verkoopdagstelling na gemeengemaakt beslag dat voordien was gelegd op 28 mei 2015) in beslag genomen roerende goederen; (2) de opheffing van het beslag voor wat deze goederen betreft (...).

2.2. De eerste verweerster (beslagleggende schuldeiser) verzoekt de beslagrechter in haar syntheseconclusies om de dagvaarding nietig te verklaren of de vordering minstens als ongegrond af te wijzen (...). Zij stelt tevens een tegenvordering in waarmee zij de eisers veroordeeld wenst te zien tot betaling van een schadevergoeding van 750 euro (vermeerderd met de gerechtelijke interesten) wegens tergend en roekeloos procederen.

2.3. De beslagleggende schuldeiser L.M. verzoekt de beslagrechter om de revindicatie als ongegrond af te wijzen en om de eisers tot betaling van een schadevergoeding van 750 euro (...) te veroordelen.

2.4. De beslagleggende schuldeiser bvba B.-H. verzoekt de beslagrechter om de dagvaarding nietig te verklaren en/of om de revindicatie als ongegrond af te wijzen en om de eisers tot betaling van een schadevergoeding van 750 euro te veroordelen.

III. Beoordeling

3.1. De eisers zetten uiteen dat zij zich verzetten tegen de openbare gerechtelijke verkoop van de roerende goederen die ten laste de tweede verweerder (hun zoon) in beslag werden genomen bij proces-verbaal van inbeslagname (gemeenmaking van een eerder gelegd beslag) zoals betekend op 27 juli 2015 door het ambt van gerechtsdeurwaarder (...).

Meer bepaald werd er bij een eerder exploot op initiatief van mevr. M.L. op 28 mei 2015 (krachtens een bevelschrift verleend op 30 november 2009 door de voorzitter van de toenmalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent en krachtens een beschikking verleend op 26 februari 2013 door de beslagrechter bij deze rechtbank) ten laste van de tweede verweerder (haar ex-echtgenoot) een bevel tot betalen betekend, samen met het uitvoerend beslag op twee voertuigen en verschillende roerende goederen.

Het gemeengemaakt beslag op roerende goederen werd gelegd krachtens het dwangbevel uitgeschreven op 22 juli 2013 en betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 14 augustus 2013. De uitvoeringsmaatregel werd genomen om de betaling te verkrijgen van een bedrag van 5.339,03 euro (onbetaalde sociale bijdragen als zelfstandige, interesten, kosten en rechten).

3.2. Krachtens art. 1514 Ger.W. moet de dagvaarding tot revindicatie de bewijzen van eigendom (op het ogenblik van het beslag) bevatten, en dit op straffe van nietigheid. Deze bewijzen moeten voldoende precies worden opgegeven teneinde de beslagleggende schuldeiser meteen in de gelegenheid te stellen de bedoelde revindicatie te beoordelen. De opgave van de bewijzen van eigendom slaat op de rechtsfeiten en/of de rechtsbehandelingen die het eigendomsrecht in zich sluiten en op de bewijsmiddelen dienaangaande.

Bewijzen van eigendom die niet in de dagvaarding tot revindicatie voorkomen, kunnen in beginsel niet meer worden aangewend. Aanvullende bewijzen van eigendom zijn wel mogelijk (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 416-417, nr. 652).

De niet-opgave van de bewijzen van eigendom en zodoende de miskenning van art. 1514 Ger.W. krenkt in principe het belang van de beslagleggende schuldeiser, omdat hij op die manier de bedoelde revindicatie niet afdoende kan beoordelen. De uitoefening van het recht van verdediging van de beslagleggende schuldeiser (die de ernst en de waarachtigheid van de eigendomsaanspraken moet kunnen beoordelen) onderstelt een behoorlijke opgave van de bewijzen van eigendom. De beslagleggende schuldeiser moet dit wel in limine litis opwerpen en hij dient een belangenkrenking te kunnen aantonen.

Zowel de beslagleggende schuldeiser Z. als de beide andere schuldeisers die in de huidige procedure een conclusie hebben genomen, wijzen erop dat de eisers op geen enkele wijze voldoen aan de op hen rustende verplichting om in de gedinginleidende dagvaarding op voldoende gedetailleerde wijze de eigendomsbewijzen te vermelden waarop de revidicatievordering is gebaseerd. Samen met deze partijen stelt de beslagrechter inderdaad vast dat de gedinginleidende dagvaarding geen enkel bewijs van eigendom vermeldt of omschrijft en dat de eisers louter verwijzen naar “documenten die zullen voorgelegd worden en die de eigendom van de eisers aantonen”.

De loutere bewering dat de revindicanten eigenaar zijn van de in beslag genomen goederen en dat zij de documenten/bewijzen daarvan later nog zullen voorleggen, volstaat inderdaad niet om te voldoen aan de voorschriften van art. 1514 Ger.W. De nietigheid van de dagvaarding wordt door de beslagleggende schuldeiser (en door de andere schuldeisers) in limine litis opgeworpen en de voor deze nietigheid noodzakelijke belangenkrenking is uiteraard aanwezig, gelet op het feit dat de beslagleggende schuldeiser door het niet-oplijsten van de eigendomsbewijzen door de revindicanten de gegrondheid van deze aanspraken niet kan toetsen en evenmin kan inschatten met welk risico hij de tenuitvoerlegging kan verderzetten.

De dagvaarding van 27 augustus 2015 wordt nietig verklaard.

3.3. Zowel de beslagleggende schuldeiser als de beide andere schuldeisers die ook reeds uitvoeringsmaatregelen hebben genomen en/of getracht hebben om dergelijke maatregelen te nemen, stellen een tegenvordering in en vragen de veroordeling van de eisers wegens tergend en roekeloos procederen.

De roekeloosheid van de eisers bestaat erin dat zij zonder het minste bewijs daarvan voor te leggen een revindicatievordering hebben ingesteld waardoor de tenuitvoerlegging ten laste van hun zoon gedwarsboomd en in alle geval aanzienlijk vertraagd wordt, terwijl daar geen enkele gegronde reden voor aanwezig blijkt te zijn en terwijl de eisers zelfs geen enkele inspanning doen om aan te tonen dat zij de exclusieve eigenaars zijn van wat in beslag werd genomen. Bovendien blijkt uit de voorgelegde gegevens dat de eisers ervan op de hoogte zijn dat hun zoon een aanzienlijke schuldenlast met zich meedraagt en dat zij zich bovendien laten/lieten bijstaan door dezelfde raadsman die hun zoon bijstaat in andere procedures tegenover zijn schuldeisers. Het bestaan van collusie kan dan ook niet op ernstige wijze worden tegengesproken, en een proceshouding die erop neerkomt dat men met onrechtmatige middelen tracht om een terechte tenuitvoerlegging te bemoeilijken, kan niet worden getolereerd.

De vordering tot schadeloosstelling komt dan ook gegrond voor in de persoon van de eerste verweerster en van de schuldeiser L., aangezien deze beide partijen zijn overgegaan tot de tenuitvoerlegging op de roerende goederen van de beslagene waarvan de eisers in de huidige procedure vruchteloos hebben aangevoerd dat zij er de werkelijke eigenaars van zijn. In de persoon van schuldeiser B.-H. kan deze vordering tot schadeloosstelling echter niet gegrond worden bevonden, aangezien deze schuldeiser enkel een bevel tot betalen heeft doen betekenen en geen uitvoerend beslag op roerende goederen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 05/05/2017 - 15:21
Laatst aangepast op: vr, 05/05/2017 - 15:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.