-A +A

Tergend en roekeloos procesgedrag door 30 jaar een zaak te laten aanslepen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidsrechtbank
Plaats van uitspraak: Kortrijk
Datum van de uitspraak: 
vri, 01/02/2013

Processen slepen vaak jaren aan soms zelfs 30 jaar en meer. Maar niet zelden zijn hieraan de rechters niet schuldig maar wel de advocaten (en/of) de partijen zelf.

Ten deze liet een eiser meer dan 30 jaar een zaak aanslepen en weerhield de rechter procesrechtsmisbruik.

Indien het aanslepen van de zaak uitsluitend te wijten is aan de eiser die zijn vordering gedurende nagenoeg dertig jaar niet heeft benaarstigd, past het eensdeels de loop van de gerechtelijke interesten te onderbreken en anderdeels de eiser te veroordelen om aan de verweerder een schadevergoeding te betalen wegens het tergende en roekeloze procesgedrag.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
347
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

X t/ Y

...

De tegenvordering

1. Verweerder voert aan dat eiseres op flagrante wijze misbruik heeft gemaakt van het procesrecht door zonder enige repliek te voeren op zijn conclusies de zaak zowat dertig jaar te laten rusten. Hij is nu 75 jaar oud en dient zich nog steeds te verweren tegen een dertig jaar oude vordering. Zijn gemoedsrust is aangetast en hij stelt daardoor morele schade te lijden. Gelet op alle omstandigheden vraagt verweerder de veroordeling van eiseres tot een schadevergoeding begroot op 2.000 euro wegens tergend en roekeloos geding.

Eiseres meent dat er geen sprake is van tergend en roekeloos geding.

2. Een vordering is tergend en roekeloos wanneer het in rechte optreden vergezeld wordt van een aantal omstandigheden die bij die procespartij blijk geven van lichtzinnigheid waarvan elk voorzichtig en behoedzaam mens zich dient te onthouden (P. Taelman, “Gebruik en misbruik van procesrecht”, TPR 1988, 101).

De grenzen van het aan eenieder toekomende recht om in rechte op te treden mogen niet overtreden worden.

De rechtbank heeft hierboven (...) aanvaard dat eiseres het geding, dat ze tegen verweerder heeft ingesteld, absoluut niet diligent heeft opgevolgd: ze heeft gedurende 29 jaar geen enkele procedurestap ondernomen in een door haar zelf aanhangig gemaakt rechtsgeding.

Er is hier duidelijk sprake van onzorgvuldig optreden in het procesgedrag van de eisende partij. Dit gedrag gaat kennelijk de perken van een normale uitoefening van een rechtsvordering door een voorzichtig en zorgvuldig persoon te buiten.

Het optreden van eiseres of eigenlijk eerder het gebrek aan optreden van eiseres is duidelijk foutief en ook in strijd met regels van de goede trouw die ook in een rechtsgeding moeten worden nageleefd. De duur van de procedure kan geen redelijke termijn meer worden genoemd. Eiseres is onzorgvuldig tewerkgegaan, zij heeft niet aan behoorlijke procesvoering gedaan.

Het was niet aan verweerder om de procedure te activeren. Het is eiseres, die de procedure heeft aangevat, die deze taak heeft en die initiatief moest nemen.

Voorts heeft het feit dat lopende de procedure tussen de partijen met grote tussenpozen is gecorrespondeerd, geen weerslag op de vaststelling dat eiseres gedurende bijna dertig jaar geen stappen in de procedure heeft ondernomen en niet heeft geantwoord op de conclusie die verweerder had neergelegd.

Verweerder diende na zowat dertig jaar zijn verdediging opnieuw op te nemen. Hij diende een nieuwe raadsman aan te stellen die het dossier van het begin af diende in te studeren. Na dertig jaar kan de verdediging niet meer even goed worden gevoerd als bij de aanvang van de procedure. De feitelijke gegevens zijn moeilijker te reconstrueren en het gevaar bestaat dat bewijsstukken verloren zijn gegaan. Verweerders recht van verdediging werd bemoeilijkt. Het zou nog moeilijker zijn geweest indien de procedure had dienen verdergezet te worden door de rechtsopvolgers van verweerder, ware hij ondertussen overleden. Het procederen werd ook duurder voor de verliezende partij, onder meer door de wettelijke reglementering met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding. Verder heeft verweerder gedurende dertig jaar de morele last van het bestaan van een gerechtelijke procedure tegen hem moeten dragen.

Eiseres heeft zelf schuld aan het lang aanslepen van de zaak. Het uitblijven van de rechterlijke beslissing is uitsluitend aan haar als schuldeiser te wijten (Cass. 27 juni 1994, JTT 1994, 473). Zij dient als eiseres in een gerechtelijke procedure diligent tewerk te gaan. De rekening van het abnormaal lang aanslepen van een rechtszaak kan niet in de vorm van gerechtelijke interesten aan de verwerende partij worden gepresenteerd. Normaal blijven de gerechtelijke interesten tijdens de procedure doorlopen, wat verweerder in conclusies de bedenking ontlokt dat de interesten op de hoofdvordering reeds meer dan driemaal het hoofdbedrag uitmaken.

De rechtbank meent dan ook het onbehoorlijk procesgedrag van eiseres als volgt te moeten beteugelen:

– De loop van de gerechtelijke interesten wordt onderbroken. Het geding, dat geen onoverkomelijke juridische discussies inhield, had normaal kunnen afgehandeld zijn binnen een termijn van drie jaar, er rekening mee houdend dat verweerder zelf één jaar gewacht heeft om zijn eerste conclusie neer te leggen. De rechtbank kent bijgevolg enkel de gerechtelijke interesten toe voor een periode die loopt vanaf de dagvaarding op 22 december 1983 tot en met 22 december 1986.

– Aangezien de wijze van procederen door eiseres als tergend en roekeloos moet worden beschouwd, gaat de rechtbank in op de tegenvordering van verweerder en kent hem een schadevergoeding toe ten laste van eiseres. Die schadevergoeding wordt ex aequo et bono begroot op 1.500 euro.

Noot: 

Acedia als zevende hoofdzonde, is de de Latijnse benaming voor gemakzucht, traagheid, luiheid of vadsigheid.
Bijbehorende symbolen zijn de demon Belfagor en de dieren geit en ezel.
Typerende demon: Belfagor.

Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Uitgaven en kosten.

Art. 1017. <W 24-6-1970, art. 15> Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
(Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen (579, 6°,) 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen. <W 2006-12-27/30, art. 128, 082; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Met sociaal verzekerden worden bedoeld : de sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde.) <W 2006-12-13/35, art. 129, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.
(Vierde lid opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 23, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
In een onderzoeksvonnis wordt de beslissing inzake kosten steeds aangehouden.

Art. 1018. De kosten omvatten :
1° (de diverse, griffie- en registratierechten, alsook de zegelrechten die voor de afschaffing van het Wetboek der zegelrechten zijn betaald); <W 2006-12-19/33, art. 67, 083 ; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten;
3° de prijs van de uitgifte van het vonnis;
4° de uitgaven betreffende alle onderzoeksmaatregelen, onder meer het getuigen- en deskundigengeld;
5° de reis- en verblijfkosten van de magistraten, de griffiers en van de partijen, wanneer hun reis door de rechter bevolen is, en de kosten van de akten, wanneer deze uitsluitend met het oog op het geding opgemaakt zijn;
6° (de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022;) <W 2007-04-21/85, art. 5, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
7° (het ereloon, de emolumenten en de kosten van de bemiddelaar die aangewezen is overeenkomstig artikel 1734.) <W 2005-02-21/36, art. 7, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
(De bedragen die als basis dienen voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde kosten worden omgerekend in (euro) de dag dat het vonnis of het arrest dat in de kosten verwijst, wordt uitgesproken.) <W 1991-07-12/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 19-08-1991> <KB 2000-07-20/58, art. 3, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 1019. De registratierechten die gerekend worden tot de kosten, omvatten : het algemeen vast recht, de specifieke vaste rechten en de rechten verschuldigd op de vonnissen die veroordeling, vereffening of toewijzing van sommen of roerende waarden inhouden.

Art. 1020. De verwijzing in de kosten wordt van rechtswege verdeeld per hoofd, tenzij het vonnis anders beschikt.
Zij wordt hoofdelijk uitgesproken, indien de voornaamste veroordeling zelf hoofdelijkheid medebrengt.

Art. 1021. <W 04-07-1972, enig art.> Partijen kunnen een omstandige opgave indienen van hun onderscheiden kosten, met inbegrip van de (rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald) in artikel 1022. In dat geval worden de kosten in het vonnis vereffend. <W 2007-04-21/85, art. 6, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
Werden de kosten in het vonnis niet of slechts gedeeltelijk vereffend, dan wordt de beslissing over de kosten, waarover niet werd gestatueerd, geacht te zijn aangehouden. In dat geval geschiedt de vereffening, op de vordering van de meest gerede partij, door de rechter die de uitspraak heeft gedaan, voor zover zijn beslissing niet werd bestreden; de rechtspleging wordt hervat en voortgezet overeenkomstig artikel 750 en volgende.

Art. 1022.<W 2007-04-21/85, art. 7, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13> De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.
(Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing) ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : <W 2008-12-22/39, art. 2, 101; Inwerkingtreding : 22-01-2009>
- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;
- de complexiteit van de zaak;
- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.
Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.
Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij.

Deze bepaling werd middels de potpourriwet van 25/12/2016 gewijzigd/aangevuld middesl volgende bepaling:

Art. 81. Artikel 1017, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 juni 1970, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Niettemin worden nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022, zelfs ambtshalve ten laste gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt.".
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 30/10/2014 - 23:11
Laatst aangepast op: do, 16/02/2017 - 13:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.