-A +A

Tekenen en indiciën onderzoeksmaatregelen en onderzoekstermijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 07/04/2016
A.R.: 
F.14.0065.N

Een discrepantie tussen de uiterlijke tekenen van welstand of het uitgavenpatroon en de aangegeven of gekende inkomsten waarvoor de belastingplichtige geen sluitende uitleg kan geven nadat hem dat is gevraagd, geldt als een aanwijzing van belastingontduiking in de zin van artikel 333,derde lid, WIB92; aangezien de bijkomende onderzoekstermijn onder meer ertoe strekt klaarheid te scheppen over de aard van de inkomsten, is het niet vereist dat het fiscaal bestuur, alvorens het de onderzoekstermijn kan uitbreiden, eerst moet bewijzen dat aan een vastgesteld indiciair tekort inkomsten ten grondslag liggen die bewust worden verzwegen en waarvan aangifte diende te worden gedaan

Voor de toepassing van artikel 333, derde lid, WIB92 volstaat het dat de aanwijzingen inzake belastingontduiking nauwkeurig worden vermeld in de voorafgaande kennisgeving zonder dat vereist is dat die kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd; evenmin is vereist dat het fiscaal bestuur over bekende feiten of vaststellingen beschikt die tot het bewijs van fraude aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving nu het immers in strijd zou zijn met de wil van de wetgever het bestuur op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een bijkomend onderzoek wil bewijzen.

De voorafgaande kennisgeving van nauwkeurig omschreven aanwijzingen van belastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd; enkel wanneer de aanwijzingen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen, kan niet tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking worden besloten

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. F.14.0065.N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur bij de Bijzondere Belastinginspectie te Gent 3, met kantoren te 9050 Gent (Lede-berg), Gaston Crommenlaan 6, bus 801,
eiser,

tegen
1. K D G,
2. M S,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 december 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Zevende onderdeel

Ontvankelijkheid

1. De verweerders werpen twee gronden van niet-ontvankelijkheid op:
- de kritiek van de eiser gaat uit van de onjuiste premisse dat de kennisgeving van artikel 331/1, § 1, eerste lid, WIB92 de uitbreiding van de onderzoekster-mijn tot gevolg heeft;
- het onderdeel komt op tegen een feitelijke beoordeling of er sprake is van "aanwijzingen van belastingontduiking".

2. Het onderdeel gaat niet uit van voormelde premisse.
De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

3. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is niet te onderschei-den van het onderzoek van het onderdeel zelf.
De tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet eveneens worden verworpen.

4. Het Hof slaat geen acht op de bijkomende grond van niet-ontvankelijkheid die in strijd met artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek in de repliek op de conclusie van het openbaar ministerie wordt opgeworpen.

Gegrondheid

5. Krachtens artikel 354, tweede lid, WIB92 wordt de termijn van drie jaar waarbinnen de belasting kan worden gevestigd, met vier jaar verlengd in geval van een inbreuk op de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Krachtens artikel 333, derde lid, WIB92 mogen onderzoekingen bovendien wor-den verricht gedurende de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.

6. Een discrepantie tussen de uiterlijke tekenen van welstand of het uitgaven-patroon en de aangegeven of gekende inkomsten waarvoor de belastingplichtige geen sluitende uitleg kan geven nadat hem dat is gevraagd, geldt als een aanwij-zing van belastingontduiking.

7. Artikel 333, derde lid, WIB92 vereist niet dat die kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd. Het volstaat dat de aanwijzingen inzake belasting-ontduiking nauwkeurig worden vermeld.

Evenmin is vereist dat het fiscaal bestuur over bekende feiten of vaststellingen be-schikt die tot het bewijs van fraude aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving. Het zou immers in strijd zijn met de wil van de wetgever het bestuur op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een bijkomend onderzoek wil bewijzen.

De voorafgaande kennisgeving van nauwkeurig omschreven aanwijzingen van be-lastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingont-duiking reeds objectief moet zijn geleverd. Enkel wanneer de aanwijzingen on-nauwkeurig zijn omschreven of berusten op vage of ongeloofwaardige veronder-stellingen, kan niet tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking worden besloten.

Aangezien de bijkomende onderzoekstermijn onder meer ertoe strekt klaarheid te scheppen over de aard van de inkomsten, is het niet vereist dat het fiscaal bestuur, alvorens het de onderzoekstermijn kan uitbreiden, eerst moet bewijzen dat aan een vastgesteld indiciair tekort inkomsten ten grondslag liggen die bewust worden verzwegen en waarvan aangifte diende te worden gedaan.

8. De appelrechter stelt vast dat het bericht van 4 februari 2010, houdende de kennisgeving van de aanwijzingen van belastingontduiking, als volgt besluit:

"Samengevat zijn deze aanwijzingen van [belastingontduiking] gesteund op vol-gende vaststellingen:

- het bestaan van een investering (aankoop - verbouwingen) in Italië van dergelijke omvang en waarde, zij het nu rechtstreeks of via de SS LA MACCINAIA waarvan u alle aandelen bezit, vormt een teken en indicie waarvan tot op de datum van de inzage van het gerechtsdossier geen spoor terug te vinden was in uw fiscaal dossier en dat belangrijkere inkomsten laat vermoeden dan de aangegeven inkomsten;

- de tegenstrijdigheid tussen het antwoord op de vraag om inlichtingen volgens hetwelk het onroerend goed in Italië eigendom zou zijn van de SS LA MACCINAIA en de gegevens van het gerechtsdossier waaruit eerder blijkt dat het om uw persoonlijke eigendom gaat;

- het feit dat de bewering als zou het onroerend goed eigendom zijn van de SS LA MACCINAIA door geen enkel stuk wordt gestaafd en dit niettegenstaande zulks in de vraag om inlichtingen uitdrukkelijk werd gevraagd;

- het niet vermelden van de brutohuur/waarde in vak III van de aangiften in de personenbelasting wat wel diende te gebeuren indien het onroerend goed uw per-soonlijke eigendom is;

- het feit dat de administratie in het antwoord op uw vraag om inlichtingen volledig in het ongewisse wordt gelaten omtrent de aan het project (aankoop + ver-bouwingen) bestede bedragen en de belastbare tijdperken waarin deze bestedingen hebben plaatsgevonden;

- de bedrieglijke redeneringen op basis waarvan u in het antwoord beweert som-mige gestelde vragen niet te moeten beantwoorden;

- het totaal gebrek aan medewerking om te komen tot een objectieve en juiste be-rekening van uw indiciaire toestand."

9. De appelrechter oordeelt dat:

- het niet valt te betwisten dat de taxatiedienst op het moment van het bericht van 4 februari 2010 redenen had om te stellen dat er een discrepantie bestond tussen enerzijds de gegoedheid die moet gepaard gaan met het aankopen en de restauratie van een villa in Italië waarvan in een gerechtsdossier gesteld wordt dat de waarde ervan op 5 miljoen euro moet worden geschat en anderzijds de inkomsten die de verweerders in de voorbije jaren in hun aangiften in de per-sonenbelasting hebben aangegeven;

- dit op zich voldoende reden kan zijn om een indiciaire taxatie voorop te stellen;

- het enkele feit dat iemand kennelijk belangrijke inkomsten moet hebben gehad, evenwel nog niet volstaat om ervan uit te gaan dat het voor het fiscaal bestuur bewust verzwegen inkomsten betreft omdat het mogelijk kan gaan om inkom-sten die niet moeten aangegeven worden.

10. Door te oordelen dat een vastgestelde discrepantie tussen de gegoedheid van een belastingplichtige en zijn aangegeven inkomsten geen aanwijzing van belastingontduiking kan zijn, omdat het mogelijk kan gaan om inkomsten die niet dienden te worden aangegeven, terwijl de bijkomende onderzoekstermijn precies moet toelaten dit laatste te onderzoeken, en door te oordelen dat de aangevoerde elementen niet toelaten te besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, zonder vast te stellen dat deze elementen onnauwkeurig zijn om-schreven of berusten op ongeloofwaardige veronderstellingen, miskent de appelrechter het wettelijk begrip "aanwijzingen van belastingontduiking" in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer in openba-re rechtszitting van 7 april 2016 uitgesproken.


VOORZIENING TOT CASSATIE
VOOR : de BELGISCHE STAAT, Federale overheids-dienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Gewestelijk Directeur bij de Bijzondere Belastinginspectie te Gent 3, met kantoren te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 801,

eiser tot cassatie,

TEGEN : 1./ de Heer K D G, en zijn echtgenote
2./ Mevrouw M S, die keuze van woonst doen op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Stéphan MASSA, te 1190 Vorst, Fontaine Vanderstraetenlaan 57,

verweerders in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer het arrest aan Uw toezicht te onderwerpen dat op 17 december 2013 op tegenspraak werd gewezen door de vijfde kamer bis van het Hof van Beroep te Gent (Nr.2012/AR/426).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Bij inzage in een gerechtsdossier bij het parket te Gent bleek dat verweerders over eigendommen beschikten in Italië waarvan geen spoor was te vinden in het persoonlijk fiscaal dossier van betrokkenen.

Op 20 november 2009 verstuurde eiser naar verweerders hieromtrent een vraag om inlichtingen betreffende de aanslagjaren 2007, 2008 en 2009.

Waar verweerders geen afdoend antwoord boden op voormelde vraag om inlichtingen, werden verweerders op 4 februari 2010 schriftelijk door eiser op de hoogte gebracht van aanwijzingen van belastingontduiking die in hunnen hoofde bestaan en die een uitbreiding van de onderzoekstermijn rechtvaardigen overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92.

Op 4 maart 2010 werd met betrekking tot de eigen-dommen van verweerders in Italië een vraag om inlichtingen verstuurd naar de Italiaanse belastingdiensten.

Na ontvangst van het antwoord van de Italiaanse administratie, bevestigde eiser aan verweerders, bij schrijven van 15 april 2010, dat alle elementen uit de voormelde kennisgeving van 4 februari 2010 beschouwd kunnen worden als voldoende aanwijzingen van fraude in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92, wat in dat schrijven nader werd gemotiveerd.

Op 15 juli 2011 werd door eiser een vraag om in-lichtingen toegezonden aan verweerders betreffende de aanslagjaren 2005, 2006 en 2007, waarbij overeenkomstig artikel 322, §2, derde lid, WIB92, werd aangegeven dat de toepassing van artikel 322, §2, WIB92, kan worden gevraagd indien de belastingplichtige de gevraagde bankgegevens verborgen houdt of ze weigert te verschaffen.

Op 11 oktober 2011 werden verweerders, overeenkomstig de bepalingen van artikel 333/1, §1, WIB92, in kennis gesteld van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Aansluitend werd op 11 oktober 2011, overeenkomstig de bepalingen van artikel 322, §2, WIB92, een vraag gericht aan drie financiële instellingen.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent op 4 november 2011, vorderden verweerders:
- een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof betreffende de nieuwe procedure inzake het bankonderzoek, neergelegd in de artikelen 55 en 56 van de Wet houdende diverse bepalingen van 14 april 2011;
- de vernietiging uit te spreken van de schriftelijke kennisgeving van 11 oktober 2011 van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen;
- dienvolgens ook de vernietiging uit te spreken van de vraag om inlichtingen bij de betrokken financiële instellingen.

Bij tussenvonnis van 19 december 2011 werd gewei-gerd om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, waarna het pretaxatiegeschil in voortzetting werd gesteld.

Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift van 15 februari 2012 hoger beroep ingesteld door verweerders.

Bij tussenarrest van 3 april 2012 stelde het Hof van Beroep te Gent, alvorens verder recht te doen, een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof i.v.m. de bestaanbaarheid van de artikelen 55 en 56 van de Wet houdende diverse bepalingen van 14 april 2011 met het recht op privé-leven.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde, bij arrest van 14 maart 2013 (nr.39/2013), dat voormelde bepalingen artikel 22 van de Grondwet niet schenden, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM en 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Het bestreden eindarrest van 17 december 2013 verklaart de vordering van de verweerders gegrond en vernietigt de machtiging tot bankonderzoek verleend door de gewestelijke directeur op 6 oktober 2011, alsook de op 11 oktober 2011 aan de verweerders verstuurde schriftelijke kennisgeving van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling in toepassing van artikel 322, §2 WIB92 zouden moeten rechtvaardigen, evenals de vragen om inlichtingen bij de betrokken financiële instellingen die op basis van de genoemde machtiging en de genoemde kennisgeving zijn gesteld, waarbij ook het verbod wordt opgelegd op om de op grond van die vragen om inlichtingen overgemaakte gegevens op enige wijze aan te wenden voor taxatie- of voor onderzoeksdoeleinden.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

- artikel 149 van de Grondwet;
- het beschikkingsbeginsel of het beginsel inzake de wilsautonomie van partijen, zoals uitgedrukt in artikel 1138,2° van het Gerechtelijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, waarvan artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek een toepassing uitmaakt;
- de artikelen 774, tweede lid, en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;
- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 322, 333, in het bijzonder het derde lid, en 333/1, §1, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 (WIB92), artikel 322 vóór zijn wijziging bij Wet van 28 december 2011, artikel 333/1 vóór zijn wijziging bij Wet van 21 december 2013, behalve artikel 333/1, §1, eerste lid, in zijn versie zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij Wet van 7 november 2011.

Aangevochten beslissing:

Het bestreden arrest verklaart de vordering van verweerders gegrond en vernietigt:
- de machtiging tot bankonderzoek verleend door de gewestelijke directeur op 6 oktober 2011;
- de op 11 oktober 2011 aan de verweerders verstuurde schriftelijke kennisgeving van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling in toepassing van artikel 322, §2 WIB92 zouden moeten rechtvaardigen en
- de vragen om inlichtingen bij een financiële in-stelling die op basis van de genoemde machtiging en de genoemde kennisgeving zijn gesteld.

Het bestreden arrest legt eiser dienvolgens het verbod op om de op grond van die vragen om inlichtingen overgemaakte gegevens op enige wijze aan te wenden voor taxatiedoeleinden of voor onderzoeksdoeleinden.

Het bestreden arrest oordeelt dat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, zoals aan de verweerders ter kennis gebracht bij brief van 4 februari 2010, op grond dat eiser over geen objectieve aanwijzingen van belastingontduiking beschikte zodat de door eiser, na het verstrijken van de gewone onderzoekstermijn gestelde onderzoeksdaden, nietig worden verklaard:

« 2.3. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 322 §2 WIB 92

« De (verweerders) stellen dat de voorwaarden om inlichtingen op te vragen bij een bankinstelling overeenkomstig artikel 322 §2 WIB 92 niet vervuld waren. Zij gaan ten eerste uitvoerig in op de vraag of de administratie over één of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikte. Ten tweede stellen zij dat ook aan de voorwaarde dat er een voornemen is om een indiciaire taxatie volgens artikel 341 WIB92 door te voeren, niet is voldaan omdat dat voornemen zich al gerealiseerd had.

« 2.3.1. Het hof stelt vast dat de (verweerders) de vraag of er aanwijzingen van belastingontduiking aanwezig waren, niet alleen in verband brengen met de vraag of aan de voorwaarden van artikel 322 §2 WIB92 is voldaan. Op pagina 26 van de beroepsakte onder randnummer 68 en op pagina 25 van hun conclusie van 15 oktober 2013 onder randnummer 71. stellen zij immers het volgende:

« ‘ Ook om reden van de afwezigheid van aanwijzingen van belastingontdui-king in hoofde van (verweerders) dient de schriftelijke kennisgeving van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling zouden moeten rechtvaardigen, vernietigd te worden. Bij gebreke van afdoende aanwijzingen van belastingontdui-king had de driejarige onderzoekstermijn van artikel 333 WIB immers nooit mogen worden uitgebreid. Het voorgenomen bankonderzoek is bijgevolg nietig. (onderstreping door het hof).

« Het staat de (verweerders) vrij om elk middel aan te voeren om hun vordering tot nietigverklaring van de machtiging tot bankonderzoek van 6 oktober 2011, en van de kennisgeving en de vragen om inlichtingen van 11 oktober 2011 te ondersteunen. De vraag of de (eiser) over aanwijzingen van fraude beschikte, is inderdaad niet alleen relevant binnen het beperktere bestek van artikel 322 §2 WlB92, maar ook om na te gaan of de (eiser) op dat moment hoegenaamd nog wettig onderzoeksdaden kon stellen. De (eiser) heeft zich immers bij dat alles steeds gebaseerd en moeten baseren op de veronderstelling dat hij met zijn bericht van 4 februari 2010 terecht overgegaan was tot uitbreiding van de onder-zoekstermijn overeenkomstig artikel 333, 3de lid WlB92. Het bankonderzoek dat met de brieven van 11 oktober 2011 werd ingesteld heeft betrekking op de aanslagjaren 2005, 2006 en 2007. Voor die aanslagjaren viel de laatste dag van de gewone onderzoekstermijn van artikel 333, 2de lid WlB92 op 31 december van respectievelijk 2007, 2008 en 2009, zijnde de laatste dag van de aanslagtermijn bedoeld in artikel 354, 1ste lid WlB92. Op 11 oktober 2011 waren die gewone onderzoekstermijnen dus al ruimschoots verstreken.

« Bovendien blijkt dat de taxatiedienst voor de motivering van het bankonderzoek zich baseert en moet baseren op gegevens verstrekt door de Italiaanse belastingdiensten die op zich ook na het verstrijken van de gewone onderzoekstermijnen zijn gevraagd, namelijk met een vraag om inlichtingen die per brief van 4 maart 2010 naar Italië werd verstuurd.

« Daar werd tijdens de openbare terechtzitting van 19 november 2013 uitdrukkelijk op gewezen.

« 2.3.2. Het hof kan slechts vaststellen dat het bericht van 4 februari 2010 onvoldoende elementen bevat om te laten besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking.

« Het bericht van 4 februari 2010 besluit als volgt:

« ‘ Samengevat zijn deze aanwijzingen [van belastingontdui-king] gesteund op volgende vaststellingen:

« ‘ Het bestaan van een investering (aankoop + verbouwingen) in Italië van dergelijke omvang en waarde, zij het nu rechtstreeks of via de SS LA MACCINAIA waarvan u alle aandelen bezit, vormt een teken en indicie waarvan tot op de datum van de inzage van het gerechtsdossier geen spoor terug te vinden was in uw fiscaal dossier en dat belangrijkere in-komsten laat vermoeden dan de aangegeven inkomsten.

« ‘ De tegenstrijdigheid tussen het antwoord op de vraag om inlichtingen volgens hetwelk het onroerend goed in Italië eigendom zou zijn van de SS LA MACCINAIA en de gegevens van het gerechtsdossier waaruit eerder blijkt dat het om uw persoonlijke eigendom gaat.

« ‘ Het feit dat de bewering als zou het onroerend goed eigendom zijn van de SS LA MACC1NA1A door geen enkel stuk wordt gestaafd en dit niette-genstaande zulks in de vraag om inlichtingen uitdrukkelijk werd gevraagd.

« ‘ Het niet vermelden van de brutohuur/waarde in vak III van de aangiften in de personenbelasting wat wel diende te gebeuren indien het onroerend goed uw persoonlijke eigendom is.

« ‘ Het feit dat de administratie in het antwoord op de vraag om inlichtingen volledig in het ongewisse wordt gelaten omtrent de aan het project (aan-koop + verbouwingen) bestede bedragen en de belastbare tijdperken waarin deze bestedingen hebben plaats gevonden.

« ‘ De bedrieglijke redeneringen op basis waarvan u in het antwoord beweert sommige gestelde vragen niet te moeten beantwoorden.

« ‘ Het totaal gebrek aan medewerking om te komen tot een objectieve en juiste berekening van uw indiciaire toestand.'

« De motivering van de taxatiedienst is gebaseerd op wat de advocaat van de (verweerders) in zijn brief van 22 december 2009 (slechts) heeft geantwoord op de vraag om inlichtingen van 20 november 2009.

« Het valt niet te betwisten dat de taxatiedienst op het moment van het bericht van 4 februari 2010 redenen had om te stellen dat een discrepantie bestond tussen enerzijds de gegoedheid die moet gepaard gaan met het aankopen en de restauratie van een villa in Italië waarvan in een gerechtsdossier gesteld wordt dat de waarde ervan op 5 miljoen euro moet worden geschat en anderzijds de inkomsten die de (verweerders) in de voorbije jaren in hun aangiften in de personenbelasting hadden aangegeven. Op zich kan dat voldoende reden zijn om een indiciaire taxatie voorop te stellen.

« Het enkele feit evenwel dat iemand kennelijk be-langrijke inkomsten moet hebben gehad, volstaat evenwel nog niet om ervan uit te gaan dat het voor de belastingadministratie (bewust) verzwegen inkomsten betreft; het kan immers gaan om inkomsten die niet moeten aangegeven worden. Dat is in het bijzonder het geval wanneer het inkomsten zouden zijn van privéverrichtingen. Er kunnen belangrijke opbrengsten gerealiseerd worden met beleggingen van een privévermogen, ook zonder enige vorm van speculatie of geprofessionaliseerde aanpak. Terecht laten de (verweerders) overigens gelden dat het bestaan van de villa en het feit dat die was gerenoveerd al in de kranten had gestaan, zoals ze in het antwoord van 22 december 2009 lieten weten.

« Waar de advocaat van de (verweerders) in zijn brief van 22 december 2009 (herhaaldelijk) verklaarde dat de onroerende goederen in Italië waarvan melding was gemaakt in het gerechtsdossier waarop de taxatiedienst zich beriep, niet hun persoonlijke eigendom maar die van LA MACINAIA SS waren, was er voor de taxatiedienst geen echte reden om aan die ver-klaring te twijfelen. Het volstond daartoe immers niet te verwijzen naar een verklaring in dat gerechtsdossier en naar een kranteninterview door de (verweerder) waarin werd gesteld dat het om ‘zijn' of 'hun' eigendom ging. Het is immers niet ongebruikelijk in dagdagelijkse gesprekken de goederen van familievennootschappen als persoonlijk bezit van de familie/aandeelhouders te noemen.

« Het is zeker waar dat van de aankoop van die onroerende goederen door LA MACINAIA SS door de (verweerders) geen stukken waren voorgelegd. Bij nader toezien blijkt evenwel dat dit door de taxatiedienst in de vraag om inlichtingen van 20 november 2009 niet was gevraagd.

« Vraag 2.a), g) luidde immers als volgt:

« ‘ Indien de SS LA MACCINAIA eigenares is van één of meerdere van de onder vraag 1 hiervoor bedoelde onroerende goederen of gedeelten van deze onroerende goederen, gelieve betreffende deze onroerende goederen of gedeelten dezelfde vragen te beantwoorden als deze gesteld onder waag 1, a), b), c), f) en g) hiervoor.'

« Hoewel bij bepaalde vragen het verzoek toegevoegd werd om het antwoord met stukken te staven, werd geen dergelijk verzoek toegevoegd aan vraag 2, a), g), wat ook bij bepaalde andere vragen het geval blijkt te zijn. Het hof stelt vast dat de keuze om een dergelijk verzoek al dan niet toe te voegen kennelijk als reden moet hebben gehad dat de (verweerders) (persoonlijk) niet geacht worden stukken die op 'derden' (zoals LA MACINAIA SS) slaan, in hun bezit te hebben, zodat ze strikt genomen van hen niet kunnen gevraagd worden.

« Tegen die achtergrond had de taxatiedienst onvol-doende redenen om aan de woorden van de advocaat van de (verweerders) (en dus van de (verweerders) zelf) te twijfelen. Daaruit kon dus geen aanwijzing van belastingontduiking worden afgeleid.

« De verwijzing naar het niet aangeven van de brutohuur of de waarde van de Italiaanse onroerende goederen door de (verweerders) in hun aangiften in de personenbelasting, kon geen echte aanwijzing van belastingontduiking zijn, nu de taxatiedienst zelf stelde dat dit slechts het geval zou zijn indien de onroerende goederen de persoonlijke eigendom van de (verweerders) zouden zijn, terwijl dat laatste door de taxatiedienst slechts werd verondersteld in weerwil van het duidelijke en volgehouden antwoord van de advocaat van de (verweerders).

« Voor het overige heeft de taxatiedienst zich kennelijk gebaseerd op het feit dat de advocaat van de (verweerders) uitdrukkelijk weigerde op bepaalde vragen te antwoorden. Terecht hebben de (verweerders) er steeds op gewezen dat zij hun weigering om te antwoorden gemotiveerd hebben en dat de (eiser) zich ten onrechte baseert op het arrest van het Hof van Cassatie van 4 januari 2007 (rolnr. F.05.0077.F) om te stellen dat de belastingplichtige op alle vragen zonder meer zou moeten antwoorden. In dat arrest heeft het Hof van Cassatie (weliswaar) aangenomen dat de taxatiedienst ook vragen met betrekking tot het privéleven mag stellen aan een belastingplichtige, maar verder werd slechts bevestigd dat de taxatiedienst een indiciaire taxatie mag vestigen op basis van gegevens die de belastingplichtige (wel) verstrekt heeft als antwoord op een algemeen geformuleerde vraag om inlichtingen die ook op privézaken betrekking had. Over de verplichting voor de belastingplichtige om dergelijke gegevens te verstrekken, werd in dat cassatiearrest geen standpunt ingenomen.

De (verweerders) konden verder met reden aannemen dat het transparant karakter van een societá sim-plice (letterlijk 'eenvoudige vennootschap' een vennoot-schapsvorm naar Italiaans recht), zoals LA MACINAIA SS, nog niet betekent dat haar onroerende goederen geacht worden goederen van de aandeelhouders te zijn. Verder was het op het eerste gezicht niet zonder meer duidelijk of de eventuele winsten van LA MACINAIA SS op grond van de transparantie ook tot het in België belastbaar wereldwijd inkomen van de (verweerders) moesten worden gerekend, zodat het antwoord van de (verweerders) dat verwees naar de belastbaarheid in Italië en het progressievoorbehoud niet als 'bedrieglijk' en zelfs niet als 'bewust verkeerd' kan worden beschouwd. Bovendien staat in het antwoord van de advocaat van de (verweerders) uitdrukkelijk: ‘Er werden voor de jaren waarvoor U onderzoekt geen inkomsten aangegeven omdat er geen inkomsten waren met betrekking tot het Italiaanse LA MACCINAIA.' Naderhand is trouwens gebleken dat de vennootschap in de betrokken jaren inderdaad alleen verliezen had geboekt.

« Tegen de geschetste achtergrond waarbij de taxatiedienst in wezen over geen objectieve aanwijzingen van belastingontduiking beschikte, kon de concrete, gemotiveerde weigering van de (verweerders) om op bepaalde vragen te antwoorden, niet volstaan als aanwijzing van belastingontduiking.

« Ook de combinatie van de verschillende aangevoerde elementen volstond niet als ‘aanwijzingen van belastingontduiking'.

« 2.3.3. Uit het bovenstaande moet worden besloten dat de taxatiedienst ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, 3de lid WlB92, zoals aan de (verweerders) ter kennis gebracht per brief van 4 februari 2010. Vermits de beslissing van 6 oktober 2011 tot toestemming voor het bankonderzoek evenals het instellen op 11 oktober 2011 van het bankonderzoek zich voordeden in die uitgebreide onderzoekstermijn en trouwens slechts mogelijk waren door gebruik te maken van informatie die slechts bekomen werd op basis van een onderzoeksmaatregel (vraag om inlichtingen van 4 maart 2010 aan de Italiaanse fiscus) die ook in de uitgebreide onderzoekstermijn plaats-vond, moet worden ingegaan op de vraag van de (verweerders) om de machtiging tot bankonderzoek van 6 oktober 2011, de schriftelijke kennisgeving aan de (verweerders) van 11 oktober 2011 van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling in toepassing van artikel 322, § 2, WlB92 zouden moeten rechtvaardigen en de vragen om inlichtingen bij een financiële instelling, te vernietigen. Op basis daarvan moet de (eiser) meteen het verbod worden opgelegd om de aan de (eiser) op grond van die vragen om inlichtingen overgemaakte gegevens op enige wijze aan te wenden voor taxatiedoeleinden of voor onderzoeksdoeleinden.

« De vordering is in die mate gegrond.»
(folio 36000-36005).
Grieven

1./ Inzake inkomstenbelastingen bedraagt de normale onderzoekstermijn, krachtens artikel 333, eerste en tweede lid, WIB92, drie jaar. Binnen die termijn kan de administratie, zonder voorafgaande kennisgeving, de in het Wetboek van Inkomstenbelastingen vermelde onderzoeksdaden verrichten.

Overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, kan de administratie, binnen de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende onderzoekstermijn van vier jaar, nieuwe onderzoekshandelingen stellen, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zij-nen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.

2./ Krachtens artikel 322, §1, WIB92, kan de admi-nistratie, wat betreft een bepaalde belastingplichtige, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing van de belasting te verzekeren, op voorwaarde dat het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere graad dan die van controleur.

Wanneer de administratie bij het onderzoek over één of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt of wanneer de administratie zich voorneemt om de belastbare grondslag te bepalen overeenkomstig artikel 341 WIB92, wordt een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling, krachtens artikel 322, §2, WIB92, als een derde beschouwd waarop de bepalingen van §1 onverminderd van toepassing zijn. In voorkomend geval kan een ambtenaar met minstens de graad van directeur, die hiertoe werd aangesteld door de Minister van Financiën, een ambtenaar met de graad van ten minste inspecteur ermee belasten om bij een bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling elke inlichting op te vragen die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten van de belastingplichtige te bepalen. Voorwaarde is dat de belastingplichtige de kans heeft gekregen om spontaan mee te werken aan het onderzoek en zelf de gevraagde bankgegevens te verstrekken.

In het geval bedoeld in artikel 322, §2, stelt de administratie de belastingplichtige, overeenkomstig artikel 333/1, §1, WIB92, schriftelijk in kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze kennisgeving gebeurt bij een ter post aangetekende brief gelijktijdig met het verzenden van voormelde vraag om inlichtingen.

3./ Bij brief van 4 februari 2010 had eiser de verweerders schriftelijk op de hoogte gebracht van aanwijzingen van fraude die te hunnen aanzien bestaan en die een uitbreiding van de onderzoekstermijn rechtvaardigen overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92.

Het bestreden arrest oordeelt dat dit bericht van 4 februari 2010 onvoldoende elementen bevat om te laten besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking (folio 36001, 2.3.2.) zodat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, zoals aan de verweerders ter kennis gebracht per brief van 4 februari 2010 (folio 36004, 2.3.3.).

Vermits de beslissing van 6 oktober 2011 tot toe-stemming voor een bankonderzoek evenals het instellen op 11 oktober 2011 van het bankonderzoek zich voordeden in die uitgebreide onderzoekstermijn en trouwens slechts mogelijk waren door gebruik te maken van informatie die slechts bekomen werd op basis van een onderzoeksmaatregel (vraag om inlichtingen van 4 maart 2010 aan de Italiaanse fiscus) die eveneens in die onwettig uitgebreide onderzoekstermijn plaatsvond, oordeelde het bestreden arrest dat kon worden ingegaan op het verzoek van verweerders tot vernietiging van respectievelijk de machtiging tot bankonderzoek van 6 oktober 2011, de schriftelijke kennisgeving aan verweerders van 11 oktober 2011 van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling in toepassing van artikel 322, §2, WIB92 zouden moeten rechtvaardigen en de vragen om inlichtingen bij een financiële instelling (folio 36004, laatste zin - 36005, eerste alinea).

4./ In hun beroepsconclusie hadden verweerders nooit aangevoerd dat de kennisgeving van 4 februari 2010 geen afdoende aanwijzingen bevatte van belastingontduiking, noch dat de uitbreiding van de onderzoekstermijn geen steun kon vinden in de aanwijzingen van belastingontduiking vermeld in die kennisgeving. Ook voor de eerste rechter was de rechtsgeldigheid van die kennisgeving en van de uitbreiding van de onderzoekstermijn nooit betwist.

De onwettige uitbreiding van de onderzoekstermijn werd in hun beroepsbesluiten enkel in verband gebracht met de aanwijzingen van belastingontduiking vermeld in de op 11 oktober 2011 aan verweerders, overeenkomstig artikel 333/1, §1, WIB92, verstuurde schriftelijke kennisgeving van de aanwijzingen van belastingontduiking met een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling in toepassing van artikel 322, §2, WIB92.

Door te oordelen dat het bericht van 4 februari 2010 onvoldoende elementen bevat om te laten besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking (folio 36001, 2.3.2.) zodat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, zoals aan de verweerders ter kennis gebracht per brief van 4 februari 2010 (folio 36004, 2.3.3.), heeft het bestreden arrest bijgevolg ambtshalve een betwisting opgeworpen waartegen eiser zich niet heeft kunnen verweren.

5./ Hieruit volgt dat het bestreden arrest, eerste onderdeel, door ambtshalve op te werpen dat het bericht van 4 februari 2010 onvoldoende elementen bevatte om te laten besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking en door ambtshalve te oordelen dat hierdoor de onderzoekstermijn onwettig was uitgebreid, het beschikkingsbeginsel heeft miskend (schending van het beschikkingsbeginsel en van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek), alsook eisers recht van verdediging, nu eiser niet in de gelegenheid was gesteld om verweer te voeren over voormelde ambtshalve opgeworpen kwestie (schending van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en van artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

6./ Anders dan het bestreden arrest aanneemt, steunde de uitbreiding van de onderzoekstermijn in toepassing van artikel 333, derde lid, WIB92, niet uitsluitend op de aanwijzingen van belastingontduiking die verweerders ter kennis waren gebracht bij brief van 4 februari 2010, doch ook op de aanwijzingen van belastingontduiking vermeld in eisers brief van 15 april 2010.

Dit blijkt zowel uit de beroepsconclusie van ver-weerders, als uit de beroepsconclusie van eiser:

« Middels brieven dd. 4 februari 2010 en 15 april 2010 van (eiser) wordt de onderzoekstermijn van artikel 333 WIB uitgebreid» (beroepsconclusie van verweerders, p.2, I.2).

« Op 15/04/2010 werden (verweerders) schriftelijk op de hoogte gebracht van het standpunt van de administratie, met name dat alle elementen zoals die werden geformuleerd in de kennisgeving van 04/02/2010 samen beschouwd voldoende aanwijzingen van fraude zijn in de zin van artikel 333, 3° lid WIB 1992 (...) (stuk nr.10)» (beroepsconclusie van eiser, p.3, achtste alinea).

De vaststelling dat eiser zich «steeds gebaseerd (heeft) (...) op de veronderstelling dat hij met zijn bericht van 4 februari 2010 terecht (was) overgegaan (...) tot uitbreiding van de onderzoekstermijn» (folio 36001, midden), is derhalve niet in overeenstemming met het niet tussen partijen betwiste feit dat de aanwijzingen van belastingontduiking ook bij schrijven van 15 april 2010 aan verweerders ter kennis waren gebracht en daarin verder waren uitgewerkt zodat de uitbreiding van de onderzoekstermijn ook op dat schrijven was gebaseerd.

Het bestreden arrest stelt niet vast dat het be-richt van 15 april 2010 onvoldoende elementen bevat die toelaten te besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, ofschoon door partijen niet werd betwist dat de uitbreiding van de onderzoekstermijn in toepassing van artikel 333, derde lid, WIB92, ook steunde op aanwijzingen van belastingontduiking die aan verweerders ter kennis waren gebracht bij brief van 15 april 2010.

7./ Hieruit volgt dat het bestreden arrest, tweede onderdeel, door niet na te gaan of de elementen vervat in het bericht van 15 april 2010 tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking kunnen doen besluiten, niet wettig heeft beslist dat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn, overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, bij gebrek aan het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, nu aldus geen rekening werd gehouden met alle elementen van belastingontduiking die door eiser waren aangevoerd tot uitbreiding van de onderzoekstermijn (schending van artikel 333, in het bijzonder het derde lid, WIB92), minstens laten de overwegingen van het be-streden arrest Uw Hof niet toe na te gaan of al dan niet rekening was gehouden met de aanwijzingen van het bestaan van belastingontduiking aangehaald in het schrijven van 15 april 2010 zodat Uw Hof zijn wettigheidscontrole niet kan uitoefenen nu de beslissing niet regelmatig met redenen werd omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

8./ Door enkel rekening te houden met de elementen vermeld in de kennisgeving van 4 februari 2010 en door de elementen vermeld in het bericht van 15 april 2010 ambtshalve niet in overweging te nemen, ofschoon partijen het erover eens waren dat de uitbreiding van de onderzoekstermijn door eiser ook werd gemotiveerd op grond van de elementen vervat in het bericht van 15 april 2010, heeft het bestreden arrest, derde onderdeel, het beschikkingsbeginsel miskend (schending van het beschikkingsbeginsel en van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek).

9./ Door zodoende het debat over de aanwijzingen van belastingontduiking ambtshalve te beperken tot de aanwijzingen vermeld in de kennisgeving van 4 februari 2010, heeft het bestreden arrest, vierde onderdeel, het recht van verdediging van eiser miskend nu hem niet de gelegenheid was geboden zich te verweren tegen die ambtshalve toegepaste beperking van het debat tot de aanwijzingen van belastingontduiking zoals vermeld in het bericht 4 februari 2010 (schending van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en van artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

10./ In zoverre het bestreden arrest in die zin moet worden gelezen dat de appelrechter van oordeel was dat eiser zich enkel heeft gebaseerd op de elementen van belastingontduiking vermeld in het bericht 4 februari 2010, heeft het bestreden arrest, vijfde onderdeel, de bewijskracht miskend van de sub 6 aangehaalde beroepsconclusies van eiser en van verweerster waaruit duidelijk blijkt dat eiser de uitbreiding van de onderzoekstermijn ook steunde op de elementen van belastingontduiking die bij brief van 15 april 2010 ter kennis van verweerders waren gebracht. Zodoende werd aan die beroepsconclusies een bevestiging toegeschreven die er niet in voorkomt, en beslist dat die beroepsconclusies een bevestiging die er wel in voorkomt niet bevat, min-stens werd een interpretatie aan die beroepsconclusies gegeven die onverzoenbaar is met de bewoordingen ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

11./ Een uitbreiding van de onderzoekstermijn, overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, is slechts mogelijk voor zover er aanwijzingen van belastingontduiking zijn en voor zover de administratie de belastingplichtige van het bestaan van die aanwijzingen vooraf in kennis stelt.

Wanneer de administratie de belastingplichtige, met toepassing van artikel 333/1, §1, WIB92, schriftelijk in kennis stelt van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen, leidt ook die kennisgeving tot een uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, gelet op het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking die aan de belastingplichtige ter kennis worden gebracht.

12./ Na eerst op 15 juli 2011 een vraag om inlich-tingen te hebben toegezonden aan verweerders, waarbij overeenkomstig artikel 322, §2, derde lid, WIB92, werd aangegeven dat de toepassing van artikel 322, §2, WIB92, kan worden gevraagd indien de belastingplichtige de gevraagde bankgegevens verborgen houdt of ze weigert te verschaffen, verstuurde eiser op 11 oktober 2011 aan verweerders, betreffende de aanslagjaren 2005, 2006 en 2007, met toepassing van artikel 333/1, §1, WIB92, een schriftelijke kennisgeving van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling in toepassing van artikel 322, §2 WIB92 kunnen rechtvaardigen zodat de onderzoekstermijn voor die betreffende aanslagjaren, op grond van die kennisgeving, telkens met vier jaar werd uitgebreid overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92.

Het bestreden arrest oordeelt dat het bericht van 4 februari 2010 onvoldoende elementen bevat om te laten besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking (folio 36001, 2.3.2.) zodat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, zoals aan de verweerders ter kennis gebracht per brief van 4 februari 2010 (folio 36004, 2.3.3.), zonder rekening te houden met de aanwijzingen van belastingontduiking vermeld in de kennisgeving van 11 oktober 2011, die evenzeer tot een verlenging van de onderzoekstermijn met vier jaar aanleiding gaf, en zonder vast te stellen dat die kennisgeving van 11 oktober 2011, alsook de eraan voorafgaande vraag om inlichtingen bij verweerders dd. 15 juli 2011, onvoldoende elementen bevat die toelaten te besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking.

13./ Hieruit volgt dat het bestreden arrest, zesde onderdeel, niet wettig heeft beslist dat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, nu de appelrechter aldus geen rekening hield met alle elementen die door eiser waren aangevoerd tot uitbreiding van de onderzoekstermijn, te weten de aanwijzingen van belastingontduiking aangehaald in de kennisgeving ex artikel 333/1, §1, WIB92, in het bijzonder van 11 oktober 2011, waarop eiser de uitbreiding van de onderzoekstermijn tevens liet steunen (schending van de artikelen 322, in het bijzonder §2, 333, in het bijzonder het derde lid, en 333/1, §1 WIB92), minstens laten de overwegingen van het bestreden arrest Uw Hof niet toe na te gaan of al dan niet rekening was gehouden met de aanwijzingen van het bestaan van belastingontduiking aangehaald in voormelde kennisgeving zodat Uw Hof zijn wettigheidscontrole niet kan uitoefenen nu de beslissing van de appelrechter niet regelmatig met redenen werd omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

14./ Overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, mag de administratie gedurende een aanvullende termijn van vier jaar onderzoeken doen, mits het de belastingplichtige, op straffe van nietigheid van de aanslag, vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoelde tijdperk.

Wanneer de administratie de belastingplichtige, met toepassing van artikel 333/1, §1, WIB92, schriftelijk in kennis stelt van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen, leidt ook die kennisgeving tot een uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, gelet op het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking die aan de belastingplichtige ter kennis worden gebracht.

Beide bepalingen vereisen niet dat die kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste worden gelegd. Het volstaat dat de aanwijzingen inzake belastingontduiking nauwkeurig worden vermeld (Cass., 14 oktober 1999, A.C., 1999, nr.535).

Evenmin is vereist dat de administratie reeds over indicaties, bekende feiten of vaststellingen zou moeten beschikken die tot bewijs van de belastingontduiking aanleiding kunnen geven. Het is in strijd met de wil van de wetgever om de administratie op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een bijkomend onderzoek wil bewijzen (Cass., 8 mei 2009, A.C., 2009, nr.303; zie JVD, «Over welke ‘aanwijzingen' van fraude moet fiscus beschikken», Fiscoloog, 2009, afl.1167, 7-8).

Een nauwkeurig omschreven vermoeden van belastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd. Enkel wanneer de aanwijzingen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op «wilde of vage veronderstellingen», kortom niet geloofwaardig zijn, kan niet tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking worden besloten (Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1208/007, p.13).

15./ Het bestreden arrest stelt vast dat het bericht van 4 februari 2010 onvoldoende elementen bevat om te laten besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, zonder hierbij aan te geven dat die aanwijzingen, hetzij onnauwkeurig zijn omschreven, hetzij berusten op vage of lichtzinnige veronderstellingen.

De ontstentenis van aanwijzingen van belastingontduiking werd zodoende niet wettig vastgesteld.

16./ Het bestreden arrest verwijt de administratie dat zij niet over «objectieve» aanwijzingen van belastingontduiking beschikt (folio 36004, derde laatste alinea).

Aldus blijkt dat de appelrechter van eiser in werkelijkheid verlangt dat hij het objectieve bewijs bijbrengt van concrete feiten of vaststellingen die op zich het bestaan van belastingontduiking kunnen bewijzen, terwijl loutere vermoedens van belastingontduiking volstaan als aanwijzing van belastingontduiking. De administratie moet bij toepassing van de artikelen 322, §2 en 333, derde lid, WIB92, nog geen «objectieve» aanwijzingen van belastingontduiking voorleggen, maar enkel objectieve vaststellingen waarop vermoedens van be-lastingontduiking kunnen worden geschraagd.

Door te oordelen dat eiser over «objectieve» aan-wijzingen van belastingontduiking moet beschikken, voegt het bestreden arrest derhalve onwettig een voorwaarde toe aan de artikelen 322, §2 en 333, derde lid, WIB92.

17./ Niettegenstaande het bestreden arrest zelf vaststelt dat de taxatiedienst op het moment van het bericht van 4 februari 2010 redenen had om te stellen dat een discrepantie bestond tussen enerzijds de gegoedheid die moet gepaard gaan met het aankopen en de restauratie van een villa in Italië waarvan in een gerechtsdossier gesteld wordt dat de waarde ervan op 5 miljoen euro moet worden geschat en anderzijds de inkomsten die de verweerders in de voorbije jaren in hun aangiften in de personenbelasting hadden aangegeven, wat op zich voldoende reden kan zijn om een indiciaire taxatie voorop te stellen (folio 36002, voorlaatste alinea), weigert het arrest om dit pertinente element als een relevante aanwijzing van belastingontduiking in aanmerking te nemen louter op grond van de mogelijkheid dat het niet om bewust verzwegen inkomsten zou gaan:

« Het enkele feit evenwel dat iemand kennelijk be-langrijke inkomsten moet hebben gehad, volstaat evenwel nog niet om ervan uit te gaan dat het voor de belastingadministratie (bewust) verzwegen inkomsten betreft; het kan immers gaan om inkomsten de niet moeten aangegeven worden. Dat is in het bijzonder het geval wanneer het inkomsten zouden zijn van privéverrichtingen...» (folio 36002, laatste alinea).

Waar de bijkomende onderzoekstermijn precies tot doel heeft om klaarheid te scheppen over de aard van de inkomsten is het niet vereist dat de administratie, alvorens zij de onderzoekstermijn kan uitbreiden, eerst moet bewijzen dat aan een vastgesteld «incidiair tekort» inkomsten ten grondslag liggen die bewust werden verzwegen en waarvan aangifte diende te worden gedaan.

In de parlementaire voorbereiding bij de Wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen, werd uitdrukkelijk bepaald dat als aanwijzing van belastingontduiking kan gelden:

« (een) belangrijke discrepantie tussen de uiterlijke tekenen van welstand of het uitgavenpatroon en de aangegeven of gekende inkomsten en waarvoor de belastingplichtige geen sluitende uitleg kan geven nadat hem dat is gevraagd» (Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1208/007, p.13).

18./ Hieruit volgt dat het bestreden arrest, zevende onderdeel, het wettelijk begrip «aanwijzingen» van belastingontduiking in de zin van de artikelen 322, §2 en 333, derde lid, WIB92, heeft miskend:

(1) door voorop te stellen dat de administratie over «objectieve» aanwijzingen van belastingontduiking moet beschikken alvorens het de onderzoekstermijn kan uitbreiden, waardoor de administratie onwettig het bewijs wordt opgelegd van concrete en bekende feiten die de belastingontduiking bewijzen;
(2) door te oordelen dat een vastgestelde discrepantie tussen de gegoedheid van een belastingplichtige en zijn aangegeven inkomsten geen aanwijzing van belastingontduiking kan zijn, omdat het mogelijk kan gaan om inkomsten die niet dienden te worden aangegeven, terwijl de bijkomende onderzoekstermijn precies moet toelaten dit laatste te onderzoeken;
(3) door te oordelen dat de aangevoerde elementen niet toelaten te besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, zonder vast te stellen dat deze elementen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op ongeloofwaardige veronderstellingen,

mitsdien niet wettig heeft beslist dat eiser ten on-rechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92 (schending van de artikelen 322, §2, 333, in het bijzonder het derde lid, en 333/1, §1 WIB92).

19./ De verplichting ex artikel 333, derde lid, WIB92, tot voorafgaande kennisgeving ingeval van onderzoekshandelingen verricht buiten de normale onderzoekstermijn van drie jaar, geldt alleen voor onderzoeksverrichtingen bij de belastingplichtige zelf en niet voor onderzoeksdaden bij derden, zoals een buitenlandse administratie (Cass., 18 november 2010, F.10.0001.F; Cass., 14 oktober 1999, A.C., 1999, nr.533; VAN CROMBRUGGE, S., «Verlenging van de aanslagtermijn bij bewijskrachtige gegevens», R.Cass., 1996, 341; contra : MISSAL, A., «Pretaxatiegeschillen, artikel 333, 3e lid WIB, onderwaardering actief en inzagerecht van de be-lastingplichtige... een blijvende bron van discussie», T.F.R., afl.403, 516).

20./ Het bestreden arrest stelt vast dat de admi-nistratie zich voor de motivering van het bankonderzoek baseert en moet baseren op gegevens verstrekt door de Italiaanse belastingdiensten die op zich ook na het verstrijken van de gewone onderzoekstermijnen door eiser zijn aangevraagd, namelijk met een vraag om inlichtingen die per brief van 4 maart 2010 naar Italië werd verstuurd (folio 36001, vierde laatste alinea).

Doordat de beslissing van 6 oktober 2011 tot toe-stemming voor het bankonderzoek evenals het instellen op 11 oktober 2011 van het bankonderzoek zich voordeden in de uitgebreide onderzoekstermijn en trouwens slechts mogelijk waren door gebruik te maken van informatie die slechts bekomen werd op basis van een onderzoeksmaatregel (vraag om inlichtingen van 4 maart 2010 aan de Italiaanse fiscus) die eveneens in de uitgebreide onder-zoekstermijn plaatsvond, oordeelde het bestreden arrest dat kon worden ingegaan op het verzoek van verweerders om de machtiging tot bankonderzoek van 6 oktober 2011, de schriftelijke kennisgeving aan verweerders van 11 oktober 2011 van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling in toepassing van artikel 322, §2, WIB92 zouden moeten rechtvaardigen en de vragen om inlichtingen bij een financiële instelling, te vernietigen (folio 36004, laatste zin - 36005, eerste alinea).

21./ De beslissing dat eiser de inlichtingen van de Italiaanse fiscus niet wettig in de uitgebreide onderzoekstermijn heeft verkregen en het bankonderzoek bijgevolg niet wettig op grond van de gegevens verstrekt door de Italiaanse belastingdienst kon worden gebaseerd, is derhalve, achtste onderdeel, niet naar recht verantwoord in zoverre niet was vereist dat eiser, voorafgaand aan het verzoek tot inlichtingen gericht aan de Italiaanse administratie, verweerders hiervan, overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, schriftelijk in kennis diende te stellen nu dit geen onderzoeksverrichting bij de belastingplichtige zelf betreft en voormelde vraag om inlichtingen dus wettig buiten de normale onderzoekstermijn kon worden gesteld, mitsdien de van de Italiaanse fiscus verkregen gegevens wettig tot grondslag konden dienen van een bankonderzoek ex artikel 322, §2 WIB92 (schending van de artikelen 322 en 333, in het bijzonder het derde lid, WIB92).

OM DEZE REDENEN,
besluiten voor eiser ondergetekende advocaten, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht.
Bijlage
1./ Exploot van betekening van 29 januari 2014 van het bestreden arrest waarin verweerders keuze van woonst doen bij gerechtsdeurwaarder Stéphan MASSA, met kantoor te 1190 Vorst, Fontaine Vanderstraetenlaan 57,
Brussel, 18 april 2014


F.14.0065.N
Conclusie van advocaat-generaal Thijs:

1. Bij inzage in een gerechtsdossier bij het parket te Gent bleek dat verweerders over eigendommen beschikten in Italië waarvan geen spoor was te vinden in het persoonlijk fiscaal dossier van betrokkenen.

Op 20 november 2009 verstuurde eiser naar verweerders hieromtrent een vraag om inlichtingen betreffende de aanslagjaren 2007, 2008 en 2009.

Waar verweerders geen afdoend antwoord boden op voormelde vraag om inlichtingen, werden verweerders op 4 februari 2010 schriftelijk door eiser op de hoogte gebracht van aanwijzingen van belastingontduiking die in hunnen hoofde bestaan en die een uitbreiding van de onderzoekstermijn rechtvaardigen overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92.

Op 4 maart 2010 werd met betrekking tot de eigendommen van verweerders in Italië een vraag om inlichtingen verstuurd naar de Italiaanse belastingdiensten.

Na ontvangst van het antwoord van de Italiaanse administratie, bevestigde eiser aan verweerders, bij schrijven van 15 april 2010, dat alle elementen uit de voormelde kennisgeving van 4 februari 2010 beschouwd kunnen worden als voldoende aanwijzingen van fraude in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92, wat in dat schrijven nader werd gemotiveerd.

Op 15 juli 2011 werd door eiser een vraag om inlichtingen toegezonden aan verweerders betreffende de aanslagjaren 2005, 2006 en 2007, waarbij overeenkomstig artikel 322, §2, derde lid, WIB92, werd aangegeven dat de toepassing van artikel 322, §2, WIB92, kan worden gevraagd indien de belastingplichtige de gevraagde bankgegevens verborgen houdt of ze weigert te verschaffen.

Op 11 oktober 2011 werden verweerders, overeenkomstig de bepalingen van artikel 333/1, §1, WIB92, in kennis gesteld van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Aansluitend werd op 11 oktober 2011, overeenkomstig de bepalingen van artikel 322, §2, WIB92, een vraag gericht aan drie financiële instellingen.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent op 4 november 2011, vorderden verweerders:

- een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof betreffende de nieuwe procedure inzake het bankonderzoek, neergelegd in de artikelen 55 en 56 van de Wet houdende diverse bepalingen van 14 april 2011;

- de vernietiging uit te spreken van de schriftelijke kennisgeving van 11 oktober 2011 van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen;

- dienvolgens ook de vernietiging uit te spreken van de vraag om inlichtingen bij de betrokken financiële instellingen.

Bij tussenvonnis van 19 december 2011 werd geweigerd om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, waarna het pretaxatiegeschil in voortzetting werd gesteld.

Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift van 15 februari 2012 hoger beroep ingesteld door verweerders.

Bij tussenarrest van 3 april 2012 stelde het Hof van Beroep te Gent, alvorens verder recht te doen, een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof i.v.m. de bestaanbaarheid van de artikelen 55 en 56 van de Wet houdende diverse bepalingen van 14 april 2011 met het recht op privé-leven.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde, bij arrest van 14 maart 2013 (nr. 39/2013), dat voormelde bepalingen artikel 22 van de Grondwet niet schenden, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM en 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Het bestreden eindarrest van 17 december 2013 verklaart de vordering van de verweerders gegrond en vernietigt de machtiging tot bankonderzoek verleend door de gewestelijke directeur op 6 oktober 2011, alsook de op 11 oktober 2011 aan de verweerders verstuurde schriftelijke kennisgeving van de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling in toepassing van artikel 322, §2 WIB92 zouden moeten rechtvaardigen, evenals de vragen om inlichtingen bij de betrokken financiële instellingen die op basis van de genoemde machtiging en de genoemde kennisgeving zijn gesteld, waarbij ook het verbod wordt opgelegd op om de op grond van die vragen om inlichtingen overgemaakte gegevens op enige wijze aan te wenden voor taxatie- of voor onderzoeksdoeleinden.

Het bestreden arrest oordeelt dat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, zoals aan de verweerders ter kennis gebracht bij brief van 4 februari 2010, op grond dat eiser over geen objectieve aanwijzingen van belastingontduiking beschikte zodat de door eiser, na het verstrijken van de gewone onderzoekstermijn gestelde onderzoeksdaden, nietig worden verklaard.

2. In het zevende onderdeel van het enig middel tot cassatie voert eiser aan dat de appelrechters door in die zin te oordelen het wettelijk begrip "aanwijzingen van belastingontduiking" in de zin van de artikelen 322, §2 en 333, derde lid, WIB92 hebben miskend, en mitsdien niet wettig hebben beslist dat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92.

3. Inzake inkomstenbelastingen bedraagt de normale onderzoekstermijn, krachtens artikel 333, eerste en tweede lid, WIB92, drie jaar. Binnen die termijn kan de administratie, zonder voorafgaande kennisgeving, de in het Wetboek van Inkomstenbelastingen vermelde onderzoeksdaden verrichten.

Overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92, kan de administratie, binnen de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende onderzoekstermijn van vier jaar, nieuwe onderzoekshandelingen stellen, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.

"Die bepaling vereist niet dat die kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd; het volstaat dat de aanwijzingen inzake belastingontduiking nauwkeurig worden vermeld."(1)

Evenmin is vereist dat de administratie reeds over "indicaties, dit zijn (...) bekende feiten of vaststellingen, zou moeten beschikken die tot het bewijs van fraude aanleiding kunnen geven en dat hij die indicaties aan de belastingplichtige zou moeten meedelen in de voorafgaande kennisgeving. Het zou immers in strijd zijn met de wil van de wetgever het bestuur op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een bijkomend onderzoek wil bewijzen"(2).

Een nauwkeurig omschreven vermoeden van belastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd. Enkel wanneer de aanwijzingen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op "wilde of vage veronderstellingen", kortom niet geloofwaardig zijn, kan niet tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking worden besloten(3).

4. De vraag of er in een concreet dossier aanwijzingen van belastingontduiking voorhanden zijn is in de eerste plaats een feitenkwestie waarover de feitenrechter in beginsel soeverein oordeelt.

Nu de notie "aanwijzingen van belastingontduiking" een rechtsbegrip betreft, beschikt Uw Hof ter zake over een marginaal toetsingsrecht en kan het nagaan of de rechter dit begrip niet heeft miskend of gedenatureerd door uit de gedane vaststellingen gevolgtrekkingen te maken die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

5. Het bestreden arrest stelt vast dat het bericht van 4 februari 2010 onvoldoende elementen bevat om te laten besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, zonder hierbij aan te geven dat die aanwijzingen, hetzij onnauwkeurig zijn omschreven, hetzij berusten op vage of lichtzinnige veronderstellingen.

De ontstentenis van aanwijzingen van belastingontduiking werd zodoende niet wettig vastgesteld.

6. Niettegenstaande het bestreden arrest zelf vaststelt dat de taxatiedienst op het moment van het bericht van 4 februari 2010 redenen had om te stellen dat een discrepantie bestond tussen enerzijds de gegoedheid die moet gepaard gaan met het aankopen en de restauratie van een villa in Italië waarvan in een gerechtsdossier gesteld wordt dat de waarde ervan op 5 miljoen euro moet worden geschat, en anderzijds de inkomsten die de verweerders in de voorbije jaren in hun aangiften in de personenbelasting hadden aangegeven, wat volgens de appelrechters op zich een voldoende reden kan zijn om een indiciaire taxatie voorop te stellen(4), weigert het arrest om dit pertinente element als een relevante aanwijzing van belastingontduiking in aanmerking te nemen louter op grond van de mogelijkheid dat het niet om bewust verzwegen inkomsten zou gaan:

"Het enkele feit evenwel dat iemand kennelijk belangrijke inkomsten moet hebben gehad, volstaat evenwel nog niet om ervan uit te gaan dat het voor de belastingadministratie (bewust) verzwegen inkomsten betreft; het kan immers gaan om inkomsten de niet moeten aangegeven worden. Dat is in het bijzonder het geval wanneer het inkomsten zouden zijn van privéverrichtingen..."(5)

Waar de bijkomende onderzoekstermijn precies tot doel heeft om klaarheid te scheppen over de aard van de inkomsten is het niet vereist dat de administratie, alvorens zij de onderzoekstermijn kan uitbreiden, eerst moet bewijzen dat aan een vastgesteld "incidiair tekort" inkomsten ten grondslag liggen die bewust werden verzwegen en waarvan aangifte diende te worden gedaan.

7. In de parlementaire voorbereiding bij de Wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen, werd uitdrukkelijk bepaald dat als aanwijzing van belastingontduiking kan gelden:

"(een) belangrijke discrepantie tussen de uiterlijke tekenen van welstand of het uitgavenpatroon en de aangegeven of gekende inkomsten en waarvoor de belastingplichtige geen sluitende uitleg kan geven nadat hem dat is gevraagd"(6).

Het bestreden arrest citeert het bericht van 4 februari 2010 als volgt:

"Samengevat zijn deze aanwijzingen [van belastingontduiking] gesteund op volgende vaststellingen:

- Het bestaan van een investering (aankoop + verbouwingen) in Italië van dergelijke omvang en waarde, zij het nu rechtstreeks of via de SS LA MACCINAIA waarvan u alle aandelen bezit, vormt een teken en indicie waarvan tot op de datum van de inzage van het gerechtsdossier geen spoor terug te vinden was in uw fiscaal dossier en dat belangrijkere inkomsten laat vermoeden dan de aangegeven inkomsten.

- De tegenstrijdigheid tussen het antwoord op de vraag om inlichtingen volgens hetwelk het onroerend goed in Italië eigendom zou zijn van de SS LA MACCINAIA en de gegevens van het gerechtsdossier waaruit eerder blijkt dat het om uw persoonlijke eigendom gaat.

- Het feit dat de bewering als zou het onroerend goed eigendom zijn van de SS LA MACC1NA1A door geen enkel stuk wordt gestaafd en dit niettegenstaande zulks in de vraag om inlichtingen uitdrukkelijk werd gevraagd.

- Het niet vermelden van de brutohuur/waarde in vak III van de aangiften in de personenbelasting wat wel diende te gebeuren indien het onroerend goed uw persoonlijke eigendom is.

- Het feit dat de administratie in het antwoord op de vraag om inlichtingen volledig in het ongewisse wordt gelaten omtrent de aan het project (aankoop + verbouwingen) bestede bedragen en de belastbare tijdperken waarin deze bestedingen hebben plaats gevonden.

- De bedrieglijke redeneringen op basis waarvan u in het antwoord beweert sommige gestelde vragen niet te moeten beantwoorden.
Het totaal gebrek aan medewerking om te komen tot een objectieve en juiste berekening van uw indiciaire toestand."

Uit deze kennisgeving blijkt dat verweerders in hun antwoord op de desbetreffende vraag om inlichtingen geen sluitende uitleg hebben gegeven over de door de administratie vastgestelde indicie van gegoedheid.

8. Hieruit volgt dat het bestreden arrest het wettelijk begrip "aanwijzingen van belastingontduiking" in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92, heeft miskend, met name door te oordelen dat:

- een vastgestelde discrepantie tussen de gegoedheid van een belastingplichtige en zijn aangegeven inkomsten geen aanwijzing van belastingontduiking kan zijn, omdat het mogelijk kan gaan om inkomsten die niet dienden te worden aangegeven, terwijl de bijkomende onderzoekstermijn precies moet toelaten dit laatste te onderzoeken;

- de aangevoerde elementen niet toelaten te besluiten tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, zonder vast te stellen dat deze elementen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op ongeloofwaardige veronderstellingen.

De appelrechters hebben op die grond niet wettig beslist dat eiser ten onrechte is overgegaan tot uitbreiding van de onderzoekstermijn overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92.

De aanwijzingen inzake belastingontduiking kunnen bovendien niet worden ter zijde geschoven op de enkele grond dat ze reeds aan bod kwamen in de pers of in de media.

Ook in zoverre de appelrechters hun beoordeling laten steunen op de overweging dat "(verweerders) overigens terecht laten gelden dat het bestaan van de villa en het feit dat die was gerenoveerd al in de kranten had gestaan, zoals ze in het antwoord van 22 december 2009 lieten weten", verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

Waar de appelrechters verder overwegen dat de taxatieambtenaar geen reden had om te twijfelen aan de verklaring van de raadsman van verweerders dat de onroerende goederen in Italië niet hun persoonlijke eigendom waren maar die van 'La Maccinaia ss', kan zulks evenmin afbreuk doen aan de in het bericht van 4 februari 2010 vastgestelde aanwijzing van belastingontduiking waarbij als een teken en indicie in aanmerking wordt genomen: "het bestaan van een investering (aankoop + verbouwingen) in Italië van dergelijke omvang en waarde, zij het nu rechtstreeks of via de SS LA MACCINAIA waarvan u alle aandelen bezit"(7).

Het onderdeel komt mij dan ook gegrond voor.

9. Ik sluit mij dan ook aan bij de kritische commentaar van auteur K. JANSSENS bij het bestreden arrest:

"Als er een manifest indiciair tekort is én de belastingplichtige weigert elke medewerking, lijkt het in het algemeen logisch te veronderstellen dat die mogelijk iets te verbergen heeft en dat er dus mogelijk een belastbaar inkomen bewust niet aangegeven is. Meer dan dat is niet nodig want het gaat ten slotte maar om aanwijzingen, niet om een bewijs van fraude. 'Bekende feiten' of vaststaande gegevens zijn niet nodig (Cass. 8 mei 2009, F.07.0113.N). Het verwijt van het hof aan de fiscus dat die bepaalde zaken slechts 'veronderstelde', lijkt dan ook naast de kwestie. De vraag die beantwoord moet worden, is of het aannemelijk is dat de belastingplichtige een aan te geven inkomen bewust verzwegen heeft. De vraag is niet of het mogelijk is dat hij zich van geen kwaad bewust was. Het arrest mag dus zeker niet zo gelezen worden als zou dat laatste de bepalende vraag zijn.

Dat een villa misschien niet toebehoort aan de belastingplichtige zelf maar aan zijn vennootschap, doet er daarom eigenlijk niet toe. Dat was juist het punt dat verder onderzocht had moeten worden. (...) In dit geval had het 'tegenargument' overigens niet veel om het lijf. Want de vennootschap was transparant (iets wat het hof zelf ook als vaststaand aanneemt). Fiscaal kan men dus zeggen dat dat op hetzelfde neerkomt als persoonlijke eigendom van de villa. (...)

Wat ook opvalt, is dat het hof op het eerste gezicht weinig aanstoot lijkt te nemen aan het gebrek aan medewerking van de belastingplichtige. Een indiciair onderzoek impliceert nochtans een omkering van de bewijslast: het is aan de belastingplichtige om uit te leggen dat de welstand die niet overeenstemt met zijn aangegeven inkomen, voortkomt uit een inkomen dat niet belastbaar is. Hij heeft dus onmiskenbaar een meewerkplicht. Anders zou het bewijsmiddel van tekenen en indiciën elke zin verliezen. Een belastingplichtige moet trouwens toch beseffen dat de fiscus geen onredelijke vragen stelt als die meer wil weten over de aankoop van een dure villa die niet verklaard kan worden op basis van de aangegeven inkomsten. (...)."(8)

Besluit: VERNIETIGING.
_______________________
(1) Cass. 14 oktober 1999, AC 1999, nr. 535.
(2) Cass. 8 mei 2009, AC, 2009, nr.303; zie JVD, "Over welke ‘aanwijzingen' van fraude moet fiscus beschikken", Fiscoloog, 2009, afl. 1167, 7-8.
(3) Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1208/007, p. 13.
(4) Bestreden arrest, folio 36002, voorlaatste alinea.
(5) Bestreden arrest, folio 36002, laatste alinea.
(6) Parl.St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1208/007, p.13.
(7) Tekstmarkering en onderlijning toegevoegd.
(8) K. JANSSENS, "Karel vs. Karel eindigt (voorlopig) op technisch KO", Fisc. Act., 8 mei 2014, nr. 17, p. 9-14.
 

Noot: 

• Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] SAS, Toon; Noot 'Indiciair tekort kan een aanwijziging van fraude zijn' 2016, nr. 19, p. 1386-1392.

• Fiscale Actualiteit [Fisc.Act.] JANSSENS, Koen; Noot 'Indiciair tekort is aanwijzing van belastingontduiking' 2016, nr. 26, p. 3-5.

• Tijdschrift voor Fiscaal Recht [T.F.R.] VERMEERSCH, Maxime; Noot 'Cassatie herbevestigt rechtspraak inzake aanwijzingen van fraude ter uitbreiding van de onderzoekstermijn en stelt in een obiter dictum dat een onverklaarbaar indiciair tekort een aanwijzing van fraude is' 2016, nr. 504, p. 587-597.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 07/05/2017 - 10:31
Laatst aangepast op: zo, 07/05/2017 - 10:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.