-A +A

Tegenstrijdige uitspraak heeft geen kracht van gewijsde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 15/01/2018
A.R.: 
C.14.0581.F

Een gerechtelijke uitspraak die tegenstrijdig is, heeft geen gezag van gewijsde

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
991
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Live Nation BVBA,[ ... ] eiseres in hoger beroep, [ ... ]

tegen

De Stad Antwerpen,[ ... ] verweerster in hoger beroep,

[ ... ]

1. VOORAFGAANDE FEITEN EN PROCEDURE

1.1. Voorwerp van de betwisting.

De betwisting betreft aanslagen in de gemeentebelasting van de stad Antwerpen op vertoningen, voorstellingen of vermakelijkheden voor belastingjaar 2005, navordering 2003.

1.2. Aanslag en bezwaar.

1.2.1. Aanvankelijke aanslagen.

Op 25 juni 2004 werden, naar aanleiding van acht optredens in de zaal aan het Koningin Astridplein 26 te Antwerpen, acht aanslagen ingekohierd op naam van BVBA Clear Channel Entertainment Belgium (waarvan de naam later werd gewijzigd in BVBA Live Nation), met vermelding van 29 juni 2004 als datum van verzending van het betrokken aanslagbiljet (stukken 2 tot en met 9 belastingplichtige). Het verschuldigde bedrag werd berekend op 4% van de bruto ontvangsten, exclusief BTW.

[ ... ]

Bij aangetekende brief van 9 augustus 2004 tekende de belastingplichtige, bij monde van haar raadsman bezwaar aan tegen deze aanslagen (stuk 10 belastingplichtige). Volgens de belastingplichtige betroffen de aanslagen een heffing van gelijkaardige belastingen op de grondslag of het bedrag van de inkomstenbelastingen en waren ze bijgevolg strijdig met artikel 464, 1° WIB92.

Bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen van 17 december 2004 werd het bezwaarschrift afgewezen (stuk 13 belastingplichtige). Deze beslissing werd bij aangetekende brief, gedateerd op 11 januari 2005 ter kennis gebracht van de belastingplichtige (stuk 13 belastingplichtige).

Tegen deze beslissing werd een voorziening bij de rechtbank ingediend op 1 maart 2005 (stuk 14 belastingplichtige). Er werd gevorderd om de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 17 december 2004 te vernietigen en om de betwiste aanslagen voor dienstjaar 2003, kohierartikelen 326332 tot en met 326339 te vernietigen en de stad te veroordelen tot terugbetaling van alle betalingen, meer moratoriuminteresten en de kosten van het geding.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen oordeelde in een vonnis van 24 november 2006 (stuk 15 belastingplichtige) dat het belastingreglement in strijd was met artikel 464, 1 ° WIB92 en dat de bestreden aanslagen dienden te worden vernietigd.

De stad Antwerpen ging tegen dit vonnis in beroep bij verzoekschrift, neergelegd op 7 februari 2007. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 februari 2008 werd het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard, doch werd de vordering tot kapitalisatie afgewezen als ongegrond. Het bestreden vonnis werd derhalve bevestigd (stuk 16 belastingplichtige).

1.2.2. Intrekking en nieuwe aanslagen.

Intussen, en meer bepaald bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 17 juni 2005 werd beslist om het kohier met nummer 639 2004 04000 3654800 0302 in te trekken voor zover het betrekking had op de kohierartikels 326332 tot en met 326339 (stuk 18 belastingplichtige). Ook de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 17 december 2004 werd ingetrokken en aan de dienst financiën werd opdracht gegeven om alle nodige maatregelen te treffen ter vrijwaring van de rechten van de stedelijke schatkist.

Kort voordien, hetzij op 6 juni 2005 werden aan Clear Channel Entertainment Belgium BVBA acht brieven gericht waarin werd aangekondigd dat een ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag zou gebeuren ingevolge artikel 6 van de wet van 24 december 1996 voor wat betreft belastingjaar 2003 wegens laattijdige aangifte voor aanslagjaar 2003 (stuk 17 belastingplichtige).

Bij aangetekende brief van 4 juli 2005 verwees de raadsman van de belastingplichtige naar de procedure, op dat moment hangende voor de rechtbank van eerste aanleg (stuk 19 belastingplichtige).

Op 9 september 2005 werden de kohierartikelen 315206, 315207, 315208, 315209, 315210, 315211, 315212 en 315213 uitvoerbaar verklaard (stuk 28 belastingplichtige). De aanslagen werden op identiek dezelfde wijze berekend als de eerder ingetrokken aanslagen.

De terugbetaling van de ingetrokken aanslagen werd aangewend voor de betaling van de vervangende aanslagen (stuk 26 belastingplichtige).

Bij brief van 21 oktober 2011 (stuk 29 belastingplichtige) maande de belastingplichtige de stad nogmaals aan tot terugbetaling van de belastingen, ingevolge de vernietiging van de aanslagen met kohierartikelen 326332 tot 326339 door de rechtbank, en bevestigd door het hof van beroep bij arrest van 19 februari 2008. In deze brief werd de aanwending van deze gelden tot betaling van de aanslagen, kohierartikelen 315206 tot en met 315213 betwist. Volgens de belastingplichtige waren deze navorderingen van 2005 in strijd met het beginsel non bis in idem, vermits ze dezelfde optredens betroffen als degene die eerder werden belast. De stad werd derhalve nogmaals in gebreke gesteld tot het teniet doen van de inhoudingen en tot terugbetaling van de ingehouden bedragen ter hoogte van 29.522,60 EUR.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 7 december 2011 ging de vennootschap (intussen BVBA Live Nation) over tot dagvaarding van de stad Antwerpen (stuk 31 belastingplichtige). De vennootschap vorderde om de stad Antwerpen te veroordelen tot betaling van de som van 29.522,60 EUR, meer moratoriuminteresten en de kosten van het geding.

Bij vonnis van 25 oktober 2013 (stuk 32 belastingplichtige) oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dat de 8 aanslagbiljetten (artikelen 315206 tot en met 315213) bij aangetekende brief van 14 september 2005 daadwerkelijk en regelmatig naar de belastingplichtige werden gestuurd en dat de vennootschap deze aanslagbiljetten korte tijd later heeft ontvangen. De aangetekende brief van 21 oktober 2011 werd als een bezwaarschrift beschouwd, doch dit was manifest laattijdig. Als gevolg daarvan waren de aanslagen volgens de rechtbank definitief geworden en was de belasting verschuldigd.

De rechtbank oordeelde ook dat de vennootschap geen schadevergoeding kon eisen op grond van artikel 1382 B.W. en evenmin de onverschuldigde betaling kon inroepen, aangezien zij de bezwaartermijn voor de bestreden aanslagen had laten voorbijgaan en de beweerde schade aldus haar oorsprong vond in een fout van de vennootschap zelf, namelijk het laattijdig indienen van een bezwaarschrift. Daardoor werd het oorzakelijk verband tussen de beweerde fout van de stad en de beweerde geleden schade doorbroken.

De vordering van de belastingplichtige bij de rechtbank werd bovendien voorbarig geacht, vermits er op het moment van de dagvaarding nog geen zes maanden verstreken waren sinds het indienen van het bezwaarschrift.

De vordering van de vennootschap werd afgewezen als ontoelaatbaar en de vennootschap werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

Er bestaat geen betwisting over het feit dat het vonnis van 25 oktober 2013 werd betekend op 2 december 2013 en dat hiertegen geen hoger beroep werd ingesteld.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 30 december 2013, ging BVBA Live Nation (voorheen Clear Channel Entertainment Belgium BVBA) over tot dagvaarding van de stad Antwerpen. De vennootschap vorderde om haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en om de stad Antwerpen te veroordelen tot betaling van een som van 29.522,60 EUR (terugbetaling van de ten onrechte geïnde belasting op vertoningen en vermakelijkheden), vermeerderd met moratoire interesten vanaf de dag van onverschuldigde betaling, zijnde 28 september 2005 en aan wettelijke interestvoet. De vennootschap vorderde eveneens om de stad Antwerpen te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 2.200,00 EUR en om het te wijzen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van kantonnement.

De eerste rechter velde een tussenvonnis op 3 december 2014.

Hij besliste dat de rechtbank reeds bij tegensprekelijk vonnis van 25 oktober 2013 definitief uitspraak had gedaan over de geschilpunten betreffende deze aanslagen, zodat de rechtbank niet meer kon terugkomen op hetgeen toen definitief werd beslist.

Vermits in dit vonnis van 25 oktober 2013 werd beslist dat de vordering inzake deze 8 aanslagen ontoelaatbaar was, vermits hiertegen geen tijdig bezwaarschrift was ingediend, kon ook na het verstrijken van een termijn van zes maanden na het indienen van een bezwaarschrift hiertegen geen toelaatbare vordering worden ingesteld.

Volgens de eerste rechter belette het gezag van gewijsde van dit vonnis dat over dezelfde betwistingen nogmaals uitspraak zou worden gedaan en was de rechtsmacht van de rechtbank dienaangaande uitgeput.

De rechtbank stelde zich verder de vraag of hier geen sprake was van het aanwenden van een rechtsmiddel voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden (artikel 780bis Ger.W.).

De rechtbank zegde voor recht dat de rechtsmacht van de rechtbank uitgeput was en de vennootschap werd veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 2.200,00 EUR. De heropening der debatten werd ambtshalve bevolen om partijen standpunt te laten innemen over de toepassing van artikel 780bis Ger.W.

In het eindvonnis van 15 april 2015 werd geoordeeld dat de vennootschap door opnieuw een procedure in te leiden nopens dezelfde betwistingen als diegene waarover deze rechtbank reeds definitief uitspraak had gedaan bij vonnis van 25 oktober 2013, onrechtmatig getracht heeft, zichzelf een bijkomende aanleg te verschaffen en aldus deze rechtspleging voor onrechtmatige doeleinden heeft aangewend, hetgeen overeenkomstig artikel 780bis Ger.W. een geldboete rechtvaardigde wegens procesmisbruik. Er werd ook rekening gehouden met het feit dat aldus de rol nodeloos werd belast, dat aldus werd bijgedragen tot de gerechtelijke achterstand en dat aan de gemeenschap kosten wegens nodeloze procedures werden veroorzaakt. De vennootschap werd veroordeeld tot een geldboete van 1.000,00 EUR.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

BVBA Live Nation, thans eiseres in hoger beroep vordert om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om de bestreden aanslagen in de gemeentebelasting voor aanslagjaar 2005, navordering 2003, kohierartikelen 315206, 315207, 315208, 315209, 315210, 315211, 315212 en 315213 te vernietigen, met bevel tot terugbetaling van alle betaalde of ingehouden bedragen, meer de moratoriuminteresten.

De vennootschap vordert om het bestreden vonnis van 3 december 2014 bijgevolg te hervormen waarbij de eerste rechter oordeelde dat de rechtsmacht om van de vordering kennis te nemen uitgeput was.

In ondergeschikte orde vordert de vennootschap om te zeggen voor recht dat de vennootschap geen rechtsmisbruik heeft gepleegd en dat zij bijgevolg geen boete in de zin van artikel 780bis Ger.W. opgelegd kon krijgen en bijgevolg het bestreden vonnis van 15 april 2015 te vernietigen, minstens de aldaar opgelegde geldboete te verlagen tot het wettelijk minimum.

De vennootschap vordert tenslotte om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, onder voorbehoud van indexatie begroot op 2.200,00 EUR per aanleg.

De stad Antwerpen, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om de vennootschap te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 2.200,00 EUR.

Ter zitting van 6 maart 2017 laat de raadsman van de stad Antwerpen acteren dat de indexering van de rechtsplegingsvergoeding gevraagd wordt.

2. BESPREKING

2.1. Ontvankelijkheid van de vordering.

2.1.1. Samenvatting van de argumenten van partijen.

Volgens de belastingplichtige is haar vordering wel toelaatbaar en kan de geldigheid van de betwiste aanslagen nog betwist worden. Volgens de vennootschap kleeft aan het vonnis van 25 oktober 2013 geen gezag van gewijsde, vermits er sprake is van een tegenstrijdigheid: enerzijds besliste de rechtbank dat de dagvaarding voorbarig was en anderzijds besliste ze dat het ingediende bezwaarschrift laattijdig was. De rechtbank had zich over dit laatste nog niet mogen uitspreken, omwille van de voorbarige vordering. De beslissingsbevoegdheid lag op dat moment immers nog bij de gewestelijke directie. Bovendien werd dit euvel (voorbarige vordering) verholpen door het inleiden van een nieuwe vordering op 30 december 2013. Doordat deze vordering niet meer voorbarig was, werd de oorzaak van de eis gewijzigd.

Volgens de belastingplichtige was de rechtsmacht van de rechtbank niet uitgeput, vermits de vordering voorbarig was. De rechtbank beschikte derhalve niet over enige rechtsmacht om te oordelen over de laattijdigheid van het bezwaarschrift. Bovendien waren de omstandigheden gewijzigd op het moment dat de vordering werd ingesteld op 30 december 2013, vermits er van voorbarigheid op dat moment geen sprake meer was.

Ten gronde stelt de belastingplichtige dat door het hof van beroep te Antwerpen werd geoordeeld dat de aanslagen, zoals ze aanvankelijk werden gevestigd, in strijd waren met artikel 464, 1 ° WIB92. Er is bovendien sprake van een schending van het beginsel non bis in idem, vermits de hier bestreden aanslagen identiek zijn aan de aanslagen die eerder werden vernietigd. Ook artikel 4, § 1 van de wet van 24 december 1996 werd in deze miskend.

Verder motiveert de belastingplichtige waarom het bezwaarschrift niet laattijdig was en moet worden vastgesteld dat er zelfs geen bezwaar diende te worden ingesteld tegen aanslagen, die na intrekking van de aanvankelijke aanslagen werden gevestigd.

Tot slot meent de belastingplichtige dat er geen sprake is van procesrechtsmisbruik zodat er geen boete kan worden opgelegd overeenkomstig artikel 780bis Ger.W.

Volgens de stad Antwerpen heeft de rechter zijn rechtsmacht betreffende de beoordeling van de ontvankelijkheid volledig uitgeput in het vonnis van 25 oktober 2013. Dit vonnis heeft bovendien gezag van gewijsde, vermits het gaat om dezelfde vordering tussen dezelfde partijen in dezelfde hoedanigheid. Het vonnis van 25 oktober 2013 is geenszins tegenstrijdig, vermits de rechter op grond van twee argumenten heeft besloten tot de ontoelaatbaarheid van de vordering. Gelet op het gezag van gewijsde kon deze vordering niet opnieuw worden ingesteld.

Minstens dient volgens de administratie te worden vastgesteld dat de vordering onontvankelijk is, vermits het bezwaar laattijdig was. Het georganiseerd administratief beroep werd dan ook niet uitgeput.

Er is evenmin sprake van een onverschuldigde betaling, vermits de belasting op grond van de navordering opeisbaar was. Men kan de bezwaartermijn niet omzeilen via de procedure van 1376 B.W. Artikel 1382 B.W. is in deze evenmin van toepassing.

2.1.2. Beoordeling.

Tegenstrijdigheid ?

Uit de stukken van het dossier blijkt dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 25 oktober 2013 en onderhavig geding dezelfde belastingplichtige betreffen (BVBA Live Nation) en dezelfde bestreden aanslagen (315206 tot en met 315213). Ze betroffen dezelfde vordering van de belastingplichtige, met name de vordering tot veroordeling van de stad Antwerpen tot betaling van een som van 29.522,60 EUR, zijnde de terugbetaling van de ten onrechte geïnde belastingen op vertoningen en vermakelijkheden, meer interesten en de kosten van het geding. Volgens de belastingplichtige belet de herformulering van de vordering in graad van beroep niet dat het om dezelfde vordering gaat als deze gesteld in eerste aanleg.

Gelet op artikel 23 tot en met 27 Ger.W. beroept de stad Antwerpen zich op het gezag van gewijsde van het vonnis van 25 oktober 2013.

De stad Antwerpen wijst er bovendien op dat voormeld vonnis kracht van gewijsde heeft bekomen in de zin van artikel 28 Ger.W. Het vonnis van 25 oktober 2013 werd op 2 december 2013 op verzoek van de stad Antwerpen betekend en er werd geen hoger beroep tegen ingesteld.

De belastingplichtige daarentegen stelt dat aan het vonnis van 25 oktober 2013 geen gezag van gewijsde kan worden toegekend, vermits het tegenstrijdig is. De rechter kon niet tegelijkertijd beslissen dat de vordering voorbarig was en dat het bezwaarschrift laattijdig en dus ontoelaatbaar was.

Een vonnis dat is aangetast door een tegenstrijdigheid die niet toelaat met zekerheid te bepalen welke betekenis aan een bepaalde beslissing moet worden gegeven, heeft met betrekking tot die beslissing geen gezag van gewijsde (Cass., 15 april 2013, S.11.082.N; Cass., 4 januari 2007, C.05.0565.F, beiden op www.cass.be).

De rechter oordeelde in het vonnis van 25 oktober 2013 dat de vordering van de belastingplichtige niet toelaatbaar was.

Hij steunde zich daarvoor op twee argumenten:

Ten eerste bleek het bezwaar laattijdig te zijn ingediend; vermits de aanslagbiljetten

reeds op 14 september 2005 naar de vennootschap werden opgestuurd, was het bezwaarschrift van 21 oktober 2011 laattijdig, met als gevolg dat ook de vordering in rechte ontoelaatbaar was: "Krachtens artikel 1385undecies, lid 1 Ger. W wordt de vordering tegen de belastingadministratie inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, lid 1, 32° slechts toegelaten indien eiseres voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld, hetgeen eiseres echter niet tijdig deed".

Ten tweede bleek de vordering voorbarig te zijn, nu ze was ingesteld vooraleer zes maanden verstreken waren vanaf de datum van ontvangst van het beweerde administratiefberoep van 21 oktober 2011. De eerste rechter oordeelde dan ook:

"Nu het ontegensprekelijk vaststaat dat enerzijds het beweerd bezwaarschrift van 21 oktober2011 laattijdig werd ingediend en anderzijds de vordering voorbarig is, is de vordering dan ook ontoelaatbaar".

Het hof oordeelt dat er in deze geen sprake is van een tegenstrijdigheid in het oordeel van de rechter. Hij heeft de vordering om twee redenen ontoelaatbaar verklaard en diende in het kader van de toepassing van artikel 1385undecies, eerste lid Ger.W. te onderzoeken of een tijdig bezwaar werd ingediend. De argumentatie met betrekking tot de laattijdigheid van het bezwaar kadert volkomen binnen de motivering waarom de vordering ontoelaatbaar is, gelet op artikel 1385undecies, lid 1 Ger.W .. Deze argumentatie is geenszins tegenstrijdig met de vaststelling dat de vordering eveneens ontoelaatbaar was, omwille van het feit dat vanaf de ontvangst van het administratief beroep geen zes maanden werd gewacht alvorens een vordering in rechte werd ingesteld.

Het vonnis laat aldus wel met zekerheid toe te bepalen welke betekenis aan de beslissing van ontoelaatbaarheid moet worden gegeven. De argumentatie van het vonnis ondersteunt deze beslissing volkomen.

Vermits het vonnis niet tegenstrijdig is, kan hieraan dus wel gezag van gewijsde worden toegekend, vermits de gevorderde zaak dezelfde is, de vordering op dezelfde oorzaak berust en de vordering bestaat tussen dezelfde partijen, handelend in dezelfde hoedanigheid.

[ ... ]

2.2. Tergend en roekeloos geding.

Overeenkomstig artikel 780bis Ger.W. kan een partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden worden veroordeeld tot een geldboete van 15,00 tot 2.500,00 EUR, onverminderd de schedevergoeding die gevorderd zou worden. Het Hof van Cassatie besliste in dat verband: "Procesmisbruik is voorhanden wanneer een procespartij procedeert zonder redelijk of afdoende belang dan wel op een wijze die kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtige en zorgvuldige persoon te buiten gaat, zoals bij het aanwenden van de rechtspleging voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden, waardoor zowel het belang van de partijen als een behoorlijke en efficiënte rechtsbedeling in het gedrang komen. Bij deze beoordeling moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak" (Cass., 28 juni 2013, C.12.0502.N, www.cass.be; zie ook Cass., 31 oktober 2003, J.T., 2004, 135).

Het hof sluit zich aan bij de eerste rechter waar die oordeelde dat de (advocaat van de) belastingplichtige zich door middel van onderhavige procedure een bijkomende aanleg heeft trachten te verschaffen tegen het definitieve vonnis van 25 oktober 2013, dat aldus de rol nodeloos wordt belast en dat de gemeenschap op kosten wordt gejaagd. Al deze kosten hadden kunnen worden vermeden door tijdig bezwaar in te dienen, minstens door tijdig beroep aan te tekenen tegen het vonnis van 25 oktober 2013. Het toekennen van een geldboete wegens procesmisbruik is, gelet op alle omstandigheden van de zaak dan ook terecht, alsook de begroting daarvan op 1.000,00 EUR.

2.3. Rechtsplegingsvergoeding.

Partijen zijn het erover eens dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr.Cass., 12 maart 2010, F.].F., nr.2010/183, p.720).

Gelet op het bedrag van de betwiste aanslagen, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 2.200,00 EUR, met ingang van 1 juni 2016 geïndexeerd tot 2.400,00 EUR. Er is geen reden om van dit basisbedrag af te wijken, zodat het kan worden toegekend aan de stad Antwerpen als in het gelijk gestelde partij.

3. BESLISSING

[ ... ]

Het hof verklaart het hoger beroep van BVBA Live Nation toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt de bestreden vonnissen in al hun beschikkingen.

Het hof verwijst BVBA Live N ation in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de stad Antwerpen op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 2.400,00 EUR.

[ ... ]

 

Noot: 

Wannes Vandenbussche , Gezag van Gewijsde, NjW 2018, 354

zie ook:

• Cass. 15 april 2013, AR S.11.0082.N, Arr.Cass. 2013, 918 en Pas. 2013, 869

• Cass. 4 januari 2007, AR C.05.0565.F, Arr.Cass. 2007, 13 en Pas. 2007, 16

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 21/05/2018 - 14:40
Laatst aangepast op: ma, 21/05/2018 - 14:40

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.