-A +A

Tegenstelbaarheid deskundig onderzoek aan verzekerde die geen partij was in het geding gevoerd door de verzekeraar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 15/04/2009

De expertise die tussen komt in een geding gevoerd door de verzekeraar is niet tegenstelbaar aan de verzekerde

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
220
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV A., voorheen NV B. & F.I. t/ L.F., BVBA B.M. en NV A.B.

1. Wat voorafgaat

1.1. Op 21 september 2006 liet L.F. dagvaarding betekenen om te verschijnen voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen. Hij voert in de inleidende dagvaarding aan dat:

– in het jaar 2000 BVBA B.M. in zijn opdracht herstellings- en vernieuwingswerken uitvoerde aan het dak van zijn woning;

– BVBA B.M. de materialen leverde en plaatste;

– de gebruikte isolatieplaten werden geproduceerd en verdeeld door NV B. & F.I.;

– NV A.B. de verzekeraar is van de burgerlijke aansprakelijkheid van NV B. & F.I.

– er zich in 2004 vochtschade manifesteerde in zijn woning;

– die vochtschade werd veroorzaakt door gebreken aan het dak;

– bij beschikking in kort geding van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 13 juni 2005 de heer F.L. als gerechtsdeskundige werd aangesteld en werd belast met een deskundigenonderzoek met betrekking tot het dak;

– het deskundigenonderzoek in aanwezigheid van alle in het bodemgeschil gedaagde partijen verliep en hen derhalve tegenwerpbaar is;

– de gerechtsdeskundige zijn definitief verslag nog niet heeft neergelegd, maar in een eerste verslag wel aangeeft welke technische oorzaak ten grondslag ligt aan de schade;

– de gerechtsdeskundige in het voorverslag als zijn visie te kennen geeft: “de hoofdoorzaak van de schade moet echter gezocht worden in de kwaliteit van de geleverde platen: door een fabricage-incident zijn blijkbaar platen geleverd die gebreken vertoonden; ze zijn duidelijk anisotroop, weinig stabiel onder invloed van vocht en temperatuur en konden veel vocht opnemen...”;

– de gerechtsdeskundige als oorzaak van de schade de onstabiliteit van de platen Styrisol 300 aanvaardt, wat gezien moet worden als een fabricagefout bij NV B. & F.I.

NV B. & F.I. was door eerste geïntimeerde niet gedaagd in het geding in kort geding dat heeft geleid tot de beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 13 juni 2005.

De eis strekt tot de veroordeling solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke van de andere, van BVBA B.M., NV B. & F.I. en NV A.B. tot betaling van een schadevergoeding provisioneel begroot op 7.000 euro.

1.2. Op 17 september 2007 heeft de heer L.F. een verzoek neergelegd tot vaststelling van de zaak met toepassing van art. 19, tweede lid Ger.W.

Hij zet daarin uiteen dat:

– in een geding in kort geding tussen de heer L.F., NV A.B. en BVBA B.M. de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen een deskundigenonderzoek heeft bevolen met aanstelling van de heer F.L.;

– dat de gerechtsdeskundige zijn onderzoek heeft uitgevoerd in aanwezigheid van NV B. & F.I., die vrijwillig verscheen op de expertiseverrichtingen zonder voorbehoud en die tot na de kennisname van het voorverslag werd bijgestaan door de advocaat, die optrad voor de gedingpartij in kort geding NV A.B., aansprakelijkheidsverzekeraar van NV B. & F.I.;

– de advocaat die was opgetreden voor NV A.B. zich na kennisname van het voorverslag terugtrok als advocaat van NV B. & F.I. wegens aan het licht gekomen tegenstrijdige belangen;

– de nieuwe advocaat van NV B. & F.I. aan de gerechtsdeskundige liet weten dat zijn cliënt geen gedingpartij was in de procedure in kort geding en het deskundigenonderzoek aan zijn cliënt niet tegenwerpbaar was;

– de heer F. daarop een eis in kort geding instelde tegen NV B. & F.I. in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring en dat deze eis bij beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 9 juli 2007 ongegrond werd verklaard wegens gebrek aan spoedeisendheid.

De heer L.F. vraagt aan de eerste rechter om:

– vast te stellen dat NV B. & F.I. de expertiseverrichtingen volgde zonder voorbehoud en/of vertegenwoordigd was door mr. Vermeiren tot en met 15 juni 2006 en dat de vaststellingen haar derhalve tegenwerpbaar zijn, minstens haar gemeen verklaard dienen te worden;

– subsidiair, voor zover als nodig en enkel volledigheidshalve, NV B. & F.I. te veroordelen tot (verdere) gedwongen tussenkomst in de lopende expertise die werd bevolen bij beschikking in kort geding van 13 juni 2005;

– voorbehoud te verlenen aan L.F. voor de schade en de kosten die hij lijdt door de tergende houding die NV B. & F.I. aanneemt.

1.3. NV B. & F.I. concludeerde dat er voor de eerste rechter (bodemrechter) geen geschil aanhangig was om een voorafgaande maatregel te bevelen om de vordering te onderzoeken of om een tussengeschil te regelen dat betrekking had op een dergelijke maatregel en dat er geen geschil aanhangig was om de toestand van de partijen voorlopig te regelen. NV B. & F.I. concludeerde dat daarom de toepassingsvoorwaarden van art. 19, tweede lid Ger.W. niet vervuld waren en zij vroeg de verwijzing naar de rol.

NV B. & F.I. vroeg te zeggen voor recht dat het deskundigenonderzoek bevolen bij beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen op 13 juni 2005 niet tegenwerpbaar is aan NV B. & F.I.

...

1.5. In het beroepen vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 17 december 2007 zegde de eerste rechter dat de vaststellingen reeds gedaan door de gerechtsdeskundige F.L. in het lopende deskundigenonderzoek bevolen bij beschikking in kort geding van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van 13 juni 2005 tegenwerpbaar zijn aan NV B. & F.I. De eerste rechter veroordeelde NV B. & F.I. om tussen te komen in het lopende deskundigenonderzoek bevolen bij beschikking in kort geding van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 13 juni 2005.

De eerste rechter oordeelde dat de toepassingsvoorwaarden van art. 19, tweede lid Ger.W. wel vervuld zijn, aangezien de rechter in elke stand van de rechtspleging een voorafgaande maatregel kan bevelen, en aangezien daartoe zelfs geen specifieke vordering van een partij noodzakelijk is. De rechter oordeelt dat evenzo op eenvoudig schriftelijk verzoek van een partij de zaak voor de rechter kan worden gebracht voor het regelen van een tussengeschil, dat betrekking heeft op een onderzoeksmaatregel.

...

De eerste rechter stelt vast dat NV B & F.I. op alle expertiseverrichtingen aanwezig of vertegenwoordigd is geweest en het voorverslag met alle bijlagen heeft ontvangen van de gerechtsdeskundige, en stelt vast dat de gerechtsdeskundige dit bevestigd heeft in de loop van zijn verrichtingen en dit nooit werd betwist.

De eerste rechter stelt vast dat de aangestelde van NV B. & F.I. op het plaatsbezoek van 29 september 2005 aanwezig was.

De eerste rechter oordeelt dat in die omstandigheden het recht van verdediging van NV B. & F.I. niet wordt geschonden door een gedwongen tussenkomst in de expertiseverrichtingen en dat het feit dat NV B. & F.I. niet formeel in de eerdere expertiseverrichtingen zou zij, tussengekomen, daaraan niet in de weg staat.

2. Met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 10 maart 2008, heeft NV B. & F.I. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 17 december 2007.

3. De eisen in hoger beroep

3.1. NV B. & F.I., ingevolge naamswijziging thans geheten NV A., hierna geheten appellante, vraagt:

– akte te verlenen van het voorbehoud van appellante om de vordering tot ontkentenis van proceshandeling in te stellen tegen mr. Vermeiren en/of mr. D’Espallier, bij voorkeur via dagvaarding in tussenkomst en/of vrijwillige tussenkomst van deze personen in de huidige gerechtelijke procedure, zo niet via herroeping van gewijsde of op een andere wijze;

– dientengevolge het vonnis a quo teniet te doen en de initiële vordering van L.F. en BVBA B.M. af te wijzen als ongegrond en de zaak voor wat betreft de vordering tot de veroordeling van appellante tot betaling van een schadevergoeding voorlopig begroot op 7.000 euro naar de bijzondere rol te verwijzen voor instaatstelling;

– te zeggen voor recht dat het deskundigenonderzoek bevolen bij beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen op 13 juni 2005 niet tegenwerpbaar is, noch gemeen kan worden verklaard aan appellante, minstens de uitspraak hierover aan te houden en het debat te heropenen om appellante in staat te stellen mr. Vermeiren en mr. D’Espallier bij deze procedure te betrekken om tegen hen de vordering tot ontkentenis van proceshandeling in te stellen;

– akte te verlenen van het voorbehoud van appellante om verder over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vorderingen tegen haar te concluderen;

– akte te verlenen van het voorbehoud van appellante om tussenvorderingen in te stellen en al haar overige rechten te benutten;

...

Beoordeling

...

8. Beoordeling van het hoger beroep van appellante in zoverre het ertoe strekt bij hervorming van het beroepen vonnis de eis van eerste en tweede geïntimeerde om vast te stellen dat appellante de expertiseverrichtingen volgde zonder voorbehoud en/of vertegenwoordigd was door mr. Vermeiren tot en met 15 juni 2006 en dat de vaststellingen van de gerechtsdeskundige aan appellanten tegenwerpelijk zijn, ongegrond te verklaren.

8.1. Het hof oordeelt dat het bewijsmiddel van het deskundigenverslag van de gerechtsdeskundige aangesteld door de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen rechtsprekende in kort geding, een bewijsmiddel is met betrekking tot rechtsfeiten en niet met betrekking tot rechtshandelingen. De bewijsmiddelen om de rechtsfeiten door eerste en tweede geïntimeerde tegen appellante aangevoerd te bewijzen, zijn vrij.

8.2. Het hof oordeelt dat het begrip tegenwerpbaarheid niet te situeren is op het vlak van het bestaan van het deskundigenonderzoek. Het is niet zo dat indien de vaststellingen van de gerechtsdeskundige niet tegenwerpbaar zouden zijn aan appellante, eerste en tweede geïntimeerde het bestaan van het deskundigenonderzoek als bewijsmiddel niet zouden mogen aanwenden.

Het hof oordeelt dat het begrip tegenwerpbaarheid te situeren is op het vlak van de bewijswaarde van de puur materiële feitelijke vaststellingen door de gerechtsdeskundige. Indien de puur materiële vaststellingen van de gerechtsdeskundige tegenwerpbaar zijn, is de beoordelingsvrijheid van de rechter over de bewijswaarde van de puur materiële vaststellingen beperkt, in die zin dat de rechter deze als bewezen moet aanvaarden, tenzij diegene tegen wie de feitelijke vaststellingen worden aangevoerd het tegenbewijs levert. Indien de puur materiële vaststellingen van de gerechtsdeskundige niet tegenwerpbaar zijn, is de beoordelingsvrijheid van de rechter over de bewijswaarde daarvan vrij.

8.3. Het hof beslecht het geschil over de al dan niet tegenwerpbaarheid van de puur materiële vaststellingen van de gerechtsdeskundige als volgt.

8.3.1. Het gegeven dat in de loop van het deskundigenonderzoek, bevolen door de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen in kort geding, de aansprakelijkheidsverzekeraar van appellante gedingpartij was, heeft niet als rechtsgevolg dat de vaststellingen van de gerechtsdeskundige tegenwerpbaar zijn aan appellante. Appellante was immers geen gedingpartij in de rechtspleging in kort geding. Opdat de vaststellingen van de gerechtsdeskundige tegenwerpbaar zijn, dient appellante gedingpartij te zijn en dienen de vaststellingen op tegenspraak aan appellante als gedingpartij te zijn gebeurd.

8.3.2. Het hof oordeelt dat het bestaan van art. 79 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst niet als rechtsgevolg heeft dat de vaststellingen die tegenwerpbaar zijn aan de aansprakelijkheidsverzekeraar van appellante, ook tegenwerpbaar zijn aan appellante zelf. Immers, uit art. 79 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst volgt niet dat de aansprakelijkheidsverzekeraar van appellante de hoedanigheid heeft van wettige vertegenwoordiger van de verzekerde, hier appellante. Art. 79 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst regelt rechten en plichten tussen de verzekerde, hier appellante, en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar, hier derde geïntimeerde, voor het geval de verzekerde zelf gedingpartij is.

8.3.3. Het hof oordeelt dat eerste en tweede geïntimeerde niet bewijzen dat appellante als gedingpartij vrijwillig is tussengekomen in het geding.

De aanwezigheid van mevrouw Van De W., verkoopsverantwoordelijke van appellante, op de vergadering met de gerechtsdeskundige op 29 september 2005, heeft niet als rechtsgevolg dat appellante vrijwillig is tussengekomen en gedingpartij is geworden in de rechtspleging in kort geding. Het eenvoudige feit van een aanwezigheid van een aangestelde van appellante in uitvoering van de contractuele verplichtingen van appellante ten opzichte van haar verzekeraar, heeft niet als rechtsgevolg dat appellante vrijwillig tussenkomende partij wordt in het geding in kort geding.

8.3.4. Het hof komt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante in zoverre het ertoe strekt de eis van eerste geïntimeerde en van tweede geïntimeerde tot het vaststellen dat appellante de expertiseverrichtingen volgde zonder voorbehoud en/of vertegenwoordigd was door mr. Vermeiren tot en met 15 juni 2006 en dat de vaststellingen haar derhalve tegenwerpelijk zijn, ongegrond te verklaren, gegrond is.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 06/10/2012 - 12:19
Laatst aangepast op: za, 06/10/2012 - 12:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.