-A +A

Tegeneis tot veroordeling van de kosten tot handlichting van het beslag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
din, 28/02/2017
A.R.: 
16/2620/A

De beslagrechter die uitspraak moet doen over een, bewarend beslag in topassing van art. 1395 Ger. W. is bevoegd om kennis te nemen van een tegenvordering uitgaande van de beslagene die ertoe strekt de beslaglegger te veroordelen tot de kosten van handlichting van het beslag.

Publicatie
tijdschrift: 
P&B
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/5-6
Pagina: 
234
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Il Situering van het geschil: feitelijke voorgaanden en standpunten van partijen

2.1 M. heeft beroep gedaan op de diensten van C. voor de herstelling en het onderhoud van een aantal vrachtwagens. Zij hebben thans een geschil of C. haar prestaties heeft afgerekend zoals afgesproken.

2.2 C. heeft haar afrekening pas laat opgesteld.

Zij stelt dat dit te maken heeft met de tussenkomst van derden, te weten (en onder meer) D.

2.3 C. heeft bewarend beslag gelegd op basis van facturen waaromtrent M. had laten weten niet akkoord te zijn met hun inhoud.

C. heeft de facturen voorgelegd aan het oordeel van de rechtbank van koophandel.

( ... )

IV Gronden van het vonnis

IV.1 Ontvankelijkheid van de vorderingen

( ... )

IV.2.8 Tegenvordering

4.3 Eiseres stelt dat deze rechtbank in deze hoedanigheid niet "bevoegd" zou zijn om kennis te nemen van de tegenvordering in veroordeling tot betaling van de kosten van het bewarend beslag.1

Zij geeft evenwel niet aan waarom de beslagrechter niet zou kunnen oordelen dat de kosten van het bewarend beslag terecht opgelopen waren.

4.4 Wanneer een partij de beslagrechter vat binnen de saisine bedoeld in art. 1395 Ger.W. kan de beslagrechter enkel oordelen alvorens recht te doen. De tegenvordering kan hieraan geen afbreuk doen.2

Vraag is dus of de verdeling van de kosten voor het leggen van het bewarend beslag, desgevallend van de opheffing ervan, tot deze saisine behoort.

4.5 De beslagrechter oordeelt dat de beslagsaisine strikt onderscheiden moet worden van de bodemsaisine.

Stellen dat de kosten van het bewarend beslag niet tot de beslagsaisine behoort, komt neer op een standpunt dat deze kosten tot de bodemsaisine behoren.

De vraag of de kosten terecht opgelopen werden wordt dusdoende gekoppeld aan de al dan niet gegrondheid van de bodemaanspraken waarvoor bewarend beslag werd gelegd. Evenwel legt een partij geen bewarend beslag omdat de vordering gegrond is maar omdat zij op het eerste zicht gegrond lijkt3 en een gevaar bestaat voor de uitvoering mocht de bodemrechter de vordering ook gegrond verklaren4• Er anders over oordelen zou inhouden dat iedere beschikking waarbij een beslagrechter toelating tot bewarend beslag verleent een oordeel ten gronde inhoudt, minstens impliciet.

( ... )

4. De "urgentie''.

4.6 De vraag van de kosten van het bewarend beslag - en de van de opheffing ervan - behoren tot de bijzondere saisine van de beslagrechter.

IV.2 Gegrondheid van de vorderingen

IV:2.A Regelmatig karakter van het beslag

4.7 M. meent dat C. ten onrechte bewarend beslag heeft gelegd - in handen van K. - en werpt op dat

- de vorderingen waarvoor beslag gelegd werd niet zeker, vaststaand en opeisbaar waren, en

- er geen sprake was van urgentie.

4.8 Zoals al aangehaald kan de beslagrechter binnen zijn bijzondere saisine geen uitspraken ten gronde doen.

Aldus ontsnappen de vragen

- of de facturen van C. geldig zijn en

- of M. deze facturen tijdig en geldig geprotesteerd heeft aan de beoordelingsmacht van de beslagrechter.

Wanneer de beslagrechter moet oordelen of een factuur al dan niet een stuk in de zin van art. 1445 Ger.W. uitmaakt, kan hij zich dus enkel baseren op het bestaan van de factuur en de wettelijke draagwijdte ervan, nu enkel deze vatbaar zijn voor prima facie beoordeling. De geldigheid, de bewijskracht in casu, het protest…. allemaal kwesties ten gronde.

4.9 M. beroept zich op een terzake interessant arrest van 26 juni 2013 van het Hof van Beroep te Antwerpen.5

Deze rechtbank volgt de door M. aangehaalde zienswijze van het Antwerpse Hof, dat een geprotesteerde factuur niet aan art. 1445 Ger.W. voldoet, niet. Hoe het Hof dit kan stellen zonder de geldigheid van de factuur en van het protest en dus bijgevolg de grond van de zaak te beoordelen is deze rechtbank een raadsel.

4.10 Wél merkt deze rechtbank op dat het Antwerpse Hof erop wijst dat de stukken bedoeld in art. 1445 Ger.W. in principe moeten uitgaan van de te beslagen debiteur.

Enkel welbepaalde documenten kunnen volgens het Hof een uitzondering op dit principe uitmaken, documenten waartoe het Hof de aanvaarde (SIC) factuur voor leveringen rekent op basis van art. 25 WKh. Zoals het Hof opmerkt heeft de factuur wettelijk gezien enkel bijzondere bewijswaarde voor wat de verkoopsovereenkomst betreft.

Wanneer de factuur een aannemingsovereenkomst betreft, heeft zij deze bijzondere bewijskracht niet6 en geldt zij slechts als feitelijk vermoeden tot bewijs van het tegendeel. Een louter vermoeden kan geen "stuk" in de zin van art. 1445 Ger.W. uitmaken.7

4.11 De kwestie van de aanvaarding van de factuur is aan de orde in de mate deze aanvaarding moet tegemoet komen aan het vereiste dat het stuk uitgaat van de debiteur. Art. 25 WKh zou dan inhouden dat de aanvaarde factuur met een van de debiteur uitgaand stuk moet worden gelijkgesteld.

De al dan niet aanvaarding van de factuur is zoals al aangehaald een kwestie ten gronde.

4.12 Het beslag was onregelmatig. ( ... )

IX Uitspraak

( ... )

Dit vonnis is uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van de BESLAGKAMER, zitting houdend in burgerlijke zaken, van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Dendermonde op dinsdag 28 februari 2017.

( ... )

 

Noot: 

SV Schuldeiser bij bewarend beslag: wees op uw hoede! NJW 237, 140


De urgentievereiste van een bewarend beslag is te herleiden tot het risico op solvabiliteit met bewijs lastvoor de beslaglegger:

Rechtspraak: (niet gepubliceerd):

Zitting van : 3 februari 2010

Eindarrest

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 3e KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

In zake

2009/EV/53

VAN LANSCHOT BANKIERS BELGIE NV,

A P P E L L A N T E

tegen een beschikking van de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout dd. 6 november 2009;

Procedure

1.

Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden beschikking, waarvan zich geen kennisgeving ervan bij gerechtsbrief in het dossier van de rechtspleging bevindt, alsmede het verzoekschrift neergelegd op 04.12.2009, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2.

Het hoger beroep strekt ertoe, bij hervorming van de bestreden beschikking, appellante eveneens te machtigen tot het leggen van bewarend beslag op onroerende goederen lastens de heer V. V. S., dit tot zekerheid van een bedrag van€ 261.500,90, en de beide voorgehouden schuldenaars, heren V. S. en V. H., te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoedingen, begroot op€ 2.500,00 per persoon en per aanleg.

Bespreking

Appellante blijft volledig in gebreke aan te tonen dat m.b.t. de heer V. S. voldaan is aan de urgentievereiste van art. 1413 Ger.W.

Hiervoor is vereist dat de solvabiliteit van de voorgehouden debiteur in het gedrang komt zodat de latere uitwinning gevaar loopt. De beslaglegger draagt de bewijslast daarvan. Vage geruchten over de mogelijke insolvabiliteit van de schuldenaar volstaan daartoe niet (zie o.m. (Dirix, E. en Broeckx, K., Beslag, A.P.R., 2001, nr. 427, p. 270-271)

Uit het verhoor van de heer V. S. d.d. 04.06.2009 door de Lokale Polite Neteland blijkt dat deze erkende een niet nader gespecificeerd bedrag aan appellante verschuldigd te zijn.

Uit de voorgebrachte objectieve gegevens blijkt echter geenszins voldoende dat de heer V. S. zou deelgenomen hebben aan de malversaties, zoals ook de eerste rechter in de bestreden beschikking op goede gronden, hier voor herhaald gehouden, oordeelde.

Verder worden ook geen andere af doende elementen aangebracht waaruit blijkt dat appellantes voorgehouden schuldvordering gevaar loopt.

De bestreden beschikking dient dan ook bevestigd, zij het deels op andere gronden.

De kosten

Volkomen ten onrechte vordert appellante veroordeling van de beide voorgehouden schuldenaars in de gerechtskosten van beide instanties, inclusief de rechtsplegingsvergoedingen.

Behoudens andersluidende bepalingen, die er in casu niet zijn, kunnen slechts de in het ongelijk gestelde partijen in de gerechtkosten verwezen worden (art. 1017 Ger.W.).

Welnu in een procedure op eenzijdig verzoekschrift, zoals deze, is slechts de verzoeker partij zodat uitsluitend ZlJ in de kosten kan verwezen worden en in geen enkel geval een derde die zelfs geen partij is. (zie o.m. Brussel 09.06.2008, R.W. 2008-09, p. 872; Voet, S., R.W. 2007-08, p. 1131, nr. 6; Samoy en Sagaert, R.W. 2007-08, p. 684-685, nr. 36)

Er is dan ook geen aanleiding om de voorgehouden schuldenaars te verwijzen in de gerechtskosten.

Nu het hoger beroep ongegrond is, dient appellante verwezen in de kosten ervan.

OM DIE REDENEN:

HET HOF, na beraad,

Recht sprekend na behandeling van de zaak in raadkamer;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart dit ongegrond;

Bevestigt de bestreden beschikking;

Verwijst appellante in de gedingkosten van het hoger beroep.

Aldus gedaan en uitgesproken in Raadkamer van de 3e kamer op: 03/02/2010


• Hof van Beroep Brussel, 28/05/2013, juridat



Samenvatting

Een voorwaarde om te mogen overgaan tot bewarend beslag is het voorhanden zijn van urgentie. Bewarend beslag kan slechts gelegd worden wanneer er sprake is van hoogdringendheid. Vereist wordt dat de solvabiliteit van de debiteur in het gedrang komt zodat een latere uitwinning gevaar loopt. Het bewarend beslag is gewettigd telkens wanneer naar objectieve maatstaven de financiële positie van de debiteur in het gedrang komt.

Tekst arrest

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1ste kamer,

zetelend in burgerlijke zaken: na beraad, wijst volgend arrest:

A.R. Nr.: 2013/QR/55

INZAKE VAN:

 

Mevrouw V. B. R., wonende te

Appellante

1. Het hof put zijn rechtsmacht uit een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op 10 mei 2013, gericht tegen een beschikking van 26 april 2013 gewezen door de beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

2. Het hoger beroep van verzoekster strekt ertoe de bestreden beschikking teniet te horen doen en haar te horen machtigen om tot zekerheid van een bedrag van euro 69.986,72 bewarend beslag onder derden te laten leggen op de bedragen die voorkomen op de actiefzijde van mevrouw Nadine LAGARRIGUE bij de banken nader omschreven in het vorderend deel van het beroepsverzoekschrift.

3. Opdat er zou mogen overgegaan worden tot bewarend beslag, moet er urgentie voorhanden zijn en moet de schuldeiser beschikken over een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering.

Deze voorwaarden moeten cumulatief vervuld zijn zodat wanneer één van de voorwaarden niet vervuld is, er geen toelating tot bewarend beslag verleend wordt.

4. Bij vonnis van 31 oktober 2006, uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, wordt verzoekster veroordeeld om aan mevrouw LAGARRIGUE te betalen, euro 80.565,40 vermeerderd met intresten en met de kosten, plus euro 1 provisioneel. De zaak wordt voor het overige naar de rol verzonden.

Bij arrest van 27 september 2011 heeft het hof van beroep te Brussel dit vonnis grotendeels bevestigd en verzoekster veroordeeld tot de kosten.

Dit vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard geworden.

Verzoekster is tegen voormeld arrest in cassatie gegaan.

Het Hof van cassatie heeft bij arrest van 7 februari 2013 het arrest van 27 september 2011 verbroken en de zaak naar het hof van beroep te Bergen verzonden.

Ondertussen echter heeft mevrouw LAGARRIGUE op grond van het arrest van het hof van beroep op 30 april 2012 van notaris DUBAERE euro 69.986,72 ontvangen.

Een arrest van het Hof van cassatie dat een gerechtelijke beslissing verbreekt heeft tot gevolg dat de partijen terug in de toestand geplaatst worden waarin zij zich bevonden voor de uitspraak van de verbroken beslissing.

Zulk verbrekend arrest van cassatie maakt bijgevolg een titel uit op grond waarvan de eiser in cassatie de terugbetaling kan benaarstigen van de bedragen die betaald werden in uitvoering van de verbroken beslissing. Het Hof van cassatie moet deze terugbetaling niet bevelen.

(Cass., 15 februari 1973, Pas. 1973, I, blz. 570)

Hieruit volgt dat verzoekster jegens mevrouw LAGARRIGUE over een zekere, eisbare en vaststaande vordering beschikt.

5. De tweede voorwaarde om te mogen overgaan tot bewarend beslag is het voorhanden zijn van urgentie.



Bewarend beslag kan slechts gelegd worden wanneer er sprake is van hoogdringendheid.



Vereist wordt dat de solvabiliteit van de debiteur in het gedrang komt zodat een latere uitwinning gevaar loopt.



Het bewarend beslag is gewettigd telkens wanneer naar objectieve maatstaven de financiële positie van de debiteur in het gedrang komt.

(E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag (APR, 2010), nr. 449, blz. 312)

Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat mevrouw LAGARRIGUE noch over onroerende goederen, noch over beslagbare inkomsten beschikt.

Bovendien is zij sinds midden februari 2013 (een week na de uitspraak van het arrest van het Hof van cassatie) voor langere tijd op ziekteverlof gesteld.

De raadsman van verzoekster heeft de raadslieden van mevrouw LAGARRIGUE op de hoogte gebracht van de intentie van zijn cliënte om terugbetaling van het betaalde bedrag te verkrijgen. Deze brief is onbeantwoord gebleven.

Deze gegevens zijn voldoende om vast te stellen dat naar objectieve maatstaven de financiële positie van mevrouw LAGARRIGUE in het gedrang komt.

De voorwaarde van urgentie is dus vervuld.

Er blijkt echter niet dat het absoluut noodzakelijk is huidige beslissing uitvoerbaar te verklaren op elke dag en op elk uur. Dit deel van de vordering is ongegrond.

6. Hieruit volgt dat de oorspronkelijke vordering van verzoekster gegrond was, en dat haar hoger beroep dit ook is.

De vordering wordt ingewilligd.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op eenzijdig verzoekschrift,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in rechtszaken.

Verklaart het hoger beroep van mevrouw BEGON ontvankelijk en gegrond.

Doet de bestreden beschikking teniet en, opnieuw recht sprekend:

Verklaart de oorspronkelijke vordering van mevrouw BEGON ontvankelijk en gegrond als volgt.

Machtigt mevrouw BEGON om tot zekerheid van een bedrag van euro 69.986,72 bewarend beslag onder derden te leggen op de bedragen op de actiefzijde van mevrouw LAGARRIGUE in handen van de volgende banken:

- de NV BNP PARIBAS FORTIS waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Warandeberg 3,

- de BANK VAN DE POST, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Anspachlaan 1,

- de BELFIUS BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Pachecolaan 44,

- de CBC BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Grote Markt 5,

- de DELTA LLOYD BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1210 Brussel, Sterrekundelaan 23,

- de DEUTSCHE BANK EUROPE GmbH, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Marnixlaan 13-15,

- de DEUTSCHE BANK Aktiengesellschaft, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Marnixlaan 17,

- de ING BELGIË, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Marnixlaan 24,

- de KBC BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1080 Brussel, Havenlaan 2.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

28/05/2013


Rb. Oost-Vlaanderen (afd. Gent) 2 juni 2015, NjW 2015, 508.

Het niet hebben van een woonplaats in België en de afwezigheid van enig beslagbaar goed in België, maken op zich geen hoogdringende dan wel spoedeisende omstandigheden uit die bewarend beslag wettigen.

 

1. F-N D., wonende te Bulgarije, [ ... ];

2. COCO AGENCY Ltd., met maatschappelijke zetel te Bulgarije, [ ... ]; Eisers, [ ... ]

TEGEN:

FESTITRIBES V.Z.W., [ ... ] Verweerster,

[ ... ]

2. Feiten (samenvatting)

Eerste eiser was medio 2012, samen met A.L. en G.M. de oprichter van verweerster. Deze verenging organiseerde onder meer het muziekfestival 'Tribes Gathering' in 2012 en 2013. Aanvankelijk werden alle inkomsten en onkosten verrekend via de bankrekening van eerste eiser gestort. Verweerster meent thans dat een aantal inkomsten van deze evenementen aan haar is onttrokken. Daarnaast meent zij dat eisers een deel van de opbrengst van de voorverkoop van tickets van het 'Goa Gil' evenement ten onrechte hebben overgemaakt op de rekening van tweede eiseres.

Bij beschikking van 02.05.2014 van de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent werd huidige verweerster gemachtigd om tot beloop van 22.885,00 euro in hoofdsom, interesten en kosten, bewarend beslag (bij een derde) te leggen op de opbrengst van alle inkomsten (kaartverkoop en consumentenproducten) van het festival "Shpongle" op 02.05.2014 van 22.00u tot 03.05.2014 om 5.00u in handen van alle personen, houders van deze opbrengsten en dit op de plaats waar dit festival plaats heeft te 9000 Gent, ICC, F. Van Rysselberghedreef2 bus 1. Verweerster was tevens gehouden om binnen de 30 dagen na het beslag de zaak ten gronde voor de rechtbank aanhangig te maken.

Uit de verklaringen van eisers blijkt dat uiteindelijk beslag is gelegd op 8.678,50 euro.

Bij exploot van 02.06.2014 hebben eisers derdenverzet aangetekend tegen deze beschikking en tegen het in uitvoering hiervan gelegde beslag.

3. Vorderingen

Eisers vorderen de intrekking van de beschikking dd. 02.05.2014 van de be-

slagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent en de opheffing van het bewarend beslag op de opbrengst van alle inkomsten van het festival "Shpongle" dat op 2 en 3 mei 2014 plaatsvond, evenals de opheffing van de aanstelling van gerechtsdeurwaarder Philippe Helderweirt als gerechtelijk bewaarder.

Daarnaast vorderen eisers de veroordeling van verweerster tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, de voorlopige tenuitvoerlegging zonder borgstelling en met verbod tot kantonnement.

Verweerster besluit tot de ongegrondheid van het verzet van eisers en vordert de veroordeling van eisers tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding.

4. Beoordeling

a.) Schorsing van de procedure

Verweerster stelt dat zij op 13.06.2014 klacht met burgerlijke partijstelling heeft neergelegd voor de onderzoeksrechter te Marche-en-Famenne (stuk 5.3 verweerster). Verweerster stelt dat zolang er geen definitieve beslissing is over de strafvordering, de burgerlijke rechtsvordering dient te worden geschorst teneinde tegenstrijdige beslissingen te vermijden. Zij meent derhalve dat huidige procedure dient geschorst te worden totdat er uitspraak gedaan is gver deze strafvordering.

De schorsing van de burgerlijke rechtsvordering bij een simultane strafvordering is gebaseerd op art. 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Dit artikel bepaalt:

"De burgerlijke rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld". Dit principe is ook gekend onder het adagium "Ie criminel tient Ie civil en état". Op basis van voormeld adagium kan er geen uitspraak gedaan worden over een burgerlijke vordering, zolang er geen uitspraak is in de strafzaak, wanneer een gerechtelijk onderzoek werd ingesteld.

De rechtbank volgt verweerster hierin niet. De rechtsmacht van de beslagrechter is beperkt. Zijn beslissingen brengen geen nadeel toe aan de zaak zelf (art. 1489 lid 2 Ger.W.). De beslagrechter mag niet ingrijpen in de materieelrechtelijke verhouding tussen de partijen.

De beslagrechter is om deze reden (behoudens het niet van toepassing zijnde geval dat hij oordeelt als bodemrechter) niet gebonden door het adagium 'Ie criminel tient Ie civil en etat' (Gent, 21 november 1995, A.J.T., 1996-97,13 met noot; Beslagr. Brugge, 11 februari 1991, T. Not., 1992, 366; Beslagr. Brussel, 9 april 1991, T.B.B.R., 1992, 91; Beslagr. Veurne, 18 december 1991, T.B.B.R., 1992,92). Dit is zowel het geval bij de beoordeling van de toelating dan wel de handhaving van bewarende beslagen, als bij de beslechting van geschillen bij uitvoerend beslag (Beslagr. Brussel, 26 april 1989, Bull. Bel., 1995,559). Dit door verweerster opgeworpen argument dient dan ook te worden verworpen.

b.) Urqentie

Eiseres betwist dat voldaan is aan de vereisten van art. 1413 Ger.W., met name dat niet voldaan is aan de voorwaarde van spoedeisendheid.

Verweerster meent dat haar schuldvordering urgent is. Zij wijst op het feit dat eerste eiser ~ hoewel van Belgische nationaliteit- geen woonplaats heeft in België, maar zich in Bulgarije heeft gevestigd. Hij, noch tweede eiseres, heeft enig goed in België dat vatbaar is voor beslag. Verweerster meent dat het onmogelijk is om een beslag te benaarstigen in Bulgarije, minstens zouden hier bijzonder hoge kosten uit voortvloeien. Verder wijst zij op het feitelijk gegeven dat eerste eiser geen duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn beheer binnen de VZW (verweerster).

Eisers betwisten deze stelling. Zij wijzen op het gegeven dat Bulgarije sinds 01.01.2007 lid is van de Europese Unie en als dusdanig gebonden is door de EGVerordening 1215/2012 (de zgn. Brussel! bis Verordening) die grensoverschrijdende geschillen (met inbegrip van bewarende en uitvoeringsmaatregelen) vereenvoudigd en goedkoper maakt. Verder stellen eisers dat het loutere feit dat zij in het buitenland gevestigd zijn, op zich niet voldoende is om tot urgentie te besluiten. Eisers wijzen er verder op dat zij gevestigd zijn in Bulgarije, niet om zich te onttrekken aan de vervolging door verweerster, maar omdat daar het centrum van hun professionele activiteiten ligt. Zij stellen daarnaast dat zij verschillende evenementen organiseren in België en dit zullen blijven doen. Zij betwisten tenslotte dat zij onduidelijk zijn geweest omtrent de inkomsten en uitgaven van de VZW.

De vereiste van hoogdringendheid heeft een algemene strekking en geldt in beginsel voor ieder bewarend beslag. Het geldt ook ongeacht of dit beslag wordt gelegd krachtens de machtiging van de beslagrechter of op grond van een vonnis (Cass. 14 september 1984, R.W. 1985- 86, 894; J. LAENENS, "Kroniek van het gerechtelijk recht (1983-84)", R.W. 1984- 1985, 1767, nr. 58).

Aan deze vereiste van urgentie is voldaan wanneer de solvabiliteit van de schuldenaar in het gedrang komt zodat de latere uitwinning gevaar loopt (Cass., 22 juni 2000, R.W., 2000-2001, 1166; DIRIX, E. en BROECKX, K., Beslag, A.P.R., 2010, 312, nr. 449). Anders uitgedrukt: bewarend beslag kan worden toegestaan wanneer de schuldeiser ernstige redenen heeft om te vrezen dat, indien geen bewarende maatregelen worden genomen, de inning van zijn schuldvordering in het gedrang komt (STRANART, A.M., "Les conditions générales des saisies conservatoires", T.B.H., 1985, 742; DE LEVAL, G" Traité des Saisies, 282-283, nr.145) De voorwaarde van spoedeisendheid vereist objectieve maatstaven die het bewijs leveren dat de financiële positie van de debiteur in het gedrang is.

De bewijslast van de urgentie rust op de beslaglegger. Die bewijslast geldt niet enkel bij de procedure op eenzijdig verzoekschrift, maar blijft ook bestaan bij de beoordeling van het (derden)verzet. De urgentie moet bestaan zowel op het tijdstip waarop het beslag wordt gelegd, als op het ogenblik waarop de rechter over de handhaving van het beslag moet oordelen (Cass. 22 juni 2000, R.W. 2000- 01, 1166; E. DIRIX en K. BROECK, tw. "Beslag" in A.P.R. 2010, Mechelen, Kluwer, 312 (449)).

Eisers moeten bijgetreden worden in hun stelling dat de afwezigheid van voldoende activa op Belgisch grondgebied als een onvoldoende voorwaarde kan worden beschouwd wanneer er met een ander land ~ waar de vreemde schuldenaar gevestigd is ~ een executieverdrag bestaat en de uitvoering aldaar mogelijk is (Beslagr. Brussel, 22 juni 1987, J.L.M.B., 1987, 1014). De rechtbank neemt aan dat een uitvoering in een ander EU-land op zich minder evident is dan in eigen land, maar daarom niet dermate moeilijker dat tot een onmogelijkheid kan geoordeeld worden die als urgentie in de zin van art. 1413 Ger.W. te beschouwen is.

Voor het overige is de rechtbank van voordeel dat verweerster niet aantoont dat de financiële positie van eerste en/ of tweede eiseres in het gedrang is. Hun verhuis naar Bulgarije bewijst dit op zich niet. Ook de discussie nopens de transparantie ten aanzien van de boekhouding van verweerster kan niet als element aanzien worden dat wijst op een insolvabiliteit in hoofde van eerste en tweede eiseres. Het beslag dient bij gebreke aan urgentie dan ook te worden opgeheven.

Nu niet voldaan is aan de vereiste van urgentie, dient de kwaliteit van de schuldvordering niet meer beoordeeld te worden.

c.) Gerechtskosten, voorlopiqe tenuitvoerleqqinq en kantonnement

De hoofdvordering van eisers wordt in deze beschikking gegrond verklaard. Gelet op deze uitkomst van het geding is verweerster de in het ongelijk gestelde partij die veroordeeld wordt tot de kosten van het geding (art. 1017 lid 1 Ger.W.) die door eisers begroot worden op de rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 euro.

Krachtens art. 1395 juncto 1039 Ger.W. zijn de beschikkingen van de beslagrechter van rechtswege uitvoerbaar. Er worden bovendien geen afdoende redenen aangehaald om de mogelijkheid tot kantonnement uit te sluiten.

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE BESLAGRECHTER,

op tegenspraak en zoals in kort geding, Verklaart de vordering van eisers ont - vankelijk en in de volgende mate gegrond.

Trekt de beschikking van de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent van 02.05.2014 (A.R. 14/665/B) in.

Beveelt de opheffing van het bewarend beslag op roerend goed, zoals gelegd ten verzoeke van verweerster op roerend goed, meer bepaald op de opbrengst van alle inkomsten (kaartverkoop en consumentenproducten) van het festival "Shpongle" op 02.05.2014 van 22.00u tot 03.05.2014 om 5.00u in handen van alle personen, houders van deze opbrengsten en dit op de plaats waar dit festival heeft plaats gehad te 9000 Gent, ICC, F. Van Rysselberghedreef 2 bus 1, binnen de 48 uur na de betekening van deze beschikking, alsook van de begeleidende maatregelen.

Zegt voor recht dat bij gebreke van vrijwillige opheffing binnen voornoemde termijn huidige beschikking als titel tot opheffing zal gelden.

[ ... ]  

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 23/06/2018 - 18:25
Laatst aangepast op: za, 23/06/2018 - 18:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.