-A +A

Tegenbrieven absoluut nietig bij Echtscheiding Onderlinge Toestemming

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 12/03/2015

Tegenbrieven en geheime afspraken zijn absoluut nietig in een EOT wanneer zij art. 1293, eerste lid Ger. W. miskennen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
24
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V. t/ G.

...

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. De partijen zijn ex-echtgenoten met drie kinderen. Zij huwden op 24 juli 1987 onder een bedongen gemeenschapsstelsel.

Zij zijn door onderlinge toestemming uit de echt gescheiden bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 30 juni 2005. Het echtscheidingsvonnis is op 2 augustus 2005 in kracht van gewijsde getreden. Het beschikkende gedeelte ervan is op 12 augustus 2005 overgeschreven in de registers van de bevoegde ambtenaar van de burgerlijk stand.

De voorafgaande echtscheidingsovereenkomst (in de zin van art. 1287 Ger.W.) van 24 januari 2005 bepaalt (in afwijking van het oude art. 1304, tweede lid Ger.W.; G. Verschelden, Handboek Belgisch familierecht, Brugge, die Keure, 2010, p. 782, nr. 1863) het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen op 15 april 2004, op welk ogenblik de partijen feitelijk gescheiden leven.

De voorafgaande echtscheidingsovereenkomst van 24 januari 2005 preciseert ook dat «de saldi van de financiële rekeningen, spaarboekjes of andere tegoeden bij banken, spaarkassen of dergelijke blijven toebehoren aan degene op wiens naam ze staan» en dat «de liggende gelden blijven toebehoren aan degene in wiens bezit ze zich thans bevinden». Eerder, bij «onderlinge overeenkomst» van 16 januari 2005, verklaart G., met het oog op ondertekening van de echtscheidingsovereenkomst op 24 januari 2005, dat de bankrekening (...) op naam staat van de houder V., terwijl G. als solidaire houder die rekening niet meer voor debetverrichtingen zal gebruiken. G. verklaart zodoende de bedoelde (gemeenschappelijke) zichtrekening (mede) op naam van V. niet meer aan te wenden voor debetverrichtingen.

2. Aan de echtscheiding door onderlinge toestemming is een door V. bij dagvaarding van 9 juli 2004 ingestelde procedure tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten (op basis van het oude art. 229 BW) voorafgegaan, waarbij V. tegelijk voorlopige maatregelen in de zin van het oude art. 1280 Ger.W. vorderde.

Bij (tussen)beschikking van 15 september 2004 legde de kortgedingrechter te Veurne onder meer een verbod op om de gemeenschappelijke goederen (waaronder de spaargelden en de waarden) te vervreemden.

Deze beschikking werd niet beroepen, zodat ze is blijven gelden tot de ontbinding van het huwelijk ingevolge de latere echtscheiding door onderlinge toestemming (oud art. 1280, achtste lid Ger.W.). Het bij de voorafgaande echtscheidingsovereenkomst op de datum van 15 april 2004 bepaalde tijdstip van ontbinding gold onder de opschortende voorwaarde van het in kracht van gewijsde treden van de echtscheidingsuitspraak (...).

De procedure tot verdere behandeling van de voorlopige maatregelen en de procedure tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten zijn op 1/2 december 2004 naar de bijzondere rol verzonden, zonder dat (een van) de partijen er nadien uitdrukkelijk van (heeft) hebben afgezien. Beide procedures zijn uiteindelijk (ambtshalve) van de (algemene) rol weggelaten op 4 december 2008 (art. 730, § 2 Ger.W.).

3. Ondanks de overeenkomsten van 16/24 januari 2005 en het eerdere vervreemdingsverbod van 15 september 2004 deed G. op 29 juni 2005 (via PC-banking) diverse afhalingen van voormelde bankrekening (...) ten bedrage van (... =) 145.000 euro. Zij schreef deze bedragen over naar een eigen bankrekening (...) om op 30 juni 2005 een bedrag van 10.000 euro terug te storten. Zij behield zodoende 135.000 euro.

De terugstorting ten bedrage van 10.000 euro gebeurde door overschrijving op een andere (eigen) bankrekening (...) van V.

De datum van 29 juni 2005 stemt overeen met de datum van de tweede verschijning in het raam van de echtscheiding door onderlinge toestemming.

4. V. voert aan dat voormelde afhalingen door G. stiekem en hoe dan ook los van enig akkoord zijn gedaan, zodat zij hem gedurende jaren zijn ontgaan. Hij zou mede wegens een depressie en oververmoeidheid in de nasleep van de echtscheidingsprocedure een en ander niet hebben opgemerkt, terwijl hij in de waan verkeerde dat G. (in de lijn van de overeenkomst van 16 januari 2005) niet langer houder of volmachthouder was van de (overigens professionele) bankrekening (...). Het zou de bankier zijn die hem op de afhalingen heeft gewezen, waarna V. op 15 november 2007 het medehouderschap/de volmacht van G. heeft ingetrokken.

Voor het eerst bij brief van 27 maart 2009 stelde V. G. in gebreke tot betaling van 145.000 euro, vermeerderd met de interesten ten bedrage van 36.297,67 euro en een (forfaitaire) schadevergoeding ten bedrage van 450 euro. V. vorderde zodoende een totaalbedrag van 181.747,67 euro, met verder voorbehoud. G. protesteerde bij faxbericht van 31 maart 2009, waarop V. volhardde bij faxberichten van 10 april 2009 en 24 juni 2009. G. protesteerde eens te meer bij brief van 8 juli 2009.

II. Beroepen vonnis

Bij vonnis van 12 januari 2011 (...) wijst (...) de Rechtbank van Eerste aanleg te Veurne, na persoonlijke verschijning van de partijen blijkens proces-verbaal van 27 april 2010, de bij dagvaarding van 1 september 2009 ingestelde en verder bij conclusie benaarstigde vordering van V. tot veroordeling van G. om aan V. een bedrag van 145.450 euro, vermeerderd met de interesten (vanaf 29 juni 2005) te betalen af als ontvankelijk maar ongegrond.

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift van 21 januari 2011 stelt V. hoger beroep in tegen het voormelde vonnis van 12 januari 2011. Met zijn hoger beroep beoogt V. in essentie de inwilliging van zijn vordering, met dien verstande dat hij voormelde terugstorting ten bedrage van 10.000 euro in rekening brengt. Hij vordert bijgevolg een bedrag van 135.450 euro, vermeerderd met de interesten (vanaf 29 juni 2005).

2. G. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

IV. Beoordeling

...

2. In zoverre V. aanvoert dat voormelde afhalingen door G. stiekem en hoe dan ook los van enig akkoord zijn gedaan, stelt G. daartegenover dat de afhalingen hebben plaatsgevonden in uitvoering van een (officieuze) regeling buiten de (officiële) echtscheidingsovereenkomst van 24 januari 2005. Die officieuze regeling strekte tot verrekening van het ruilverkeer van medicamenten dat de partijen voerden tussen de drie apotheken die zij in de loop van hun huwelijk uitbaatten.

De partijen waren inderdaad in de loop van het huwelijk titularis van drie apotheken en meer precies (1) een apotheek in Z. die (inzonderheid) G. via de BVBA A.V. uitbaatte; (2) een apotheek met handelshuur te Z. die (inzonderheid) V. uitbaatte en (3) een apotheek te G. die (inzonderheid) V. uitbaatte. G. voert aan dat de partijen gedurende hun huwelijk een fiscaal (frauduleus) circuit inlegden, waarbij systematisch medicamenten via de BVBA A.V. werden aangekocht, terwijl zij via de apotheken te Z. en te G. werden verkocht. Dit kwam voordeliger uit, omdat de BVBA A.V. forfaitair werd belast op de verkopen, terwijl de apotheken te Z. en te G. forfaitair werden belast op de aankopen. Dit systeem zou jarenlang zijn volgehouden en, zolang het huwelijk naar behoren duurde, geen (intern) probleem hebben opgeleverd. Pas toen het huwelijk in een crisis kwam, zou een en ander moeten worden rechtgezet.

Na de echtscheiding komt de apotheek te Z. toe aan G., terwijl de apotheek met handelshuur te Z. toekomt aan V. De apotheek te G. wordt verkocht.

Welnu, volgens G. hebben de partijen, buiten de officiële echtscheidingsovereenkomst van 24 januari 2005, een officieuze regeling getroffen, die strekte tot verrekening van het (substantiële) ruilverkeer van medicamenten dat de partijen voerden tussen de drie apotheken die zij in de loop van hun huwelijk uitbaatten. De litigieuze afhalingen zouden in die context hebben plaatsgevonden. G. vervolgt dat de partijen een andere officieuze regeling hebben getroffen betreffende de verdeling van de spaargelden.

G. preciseert dat de gelden ten bedrage van 145.000 euro van de (professionele) bankrekening (...) (die diende bij de uitbating van de apotheek te Z.) werden overgeschreven naar een eigen bankrekening (...), waarna zij doorstortte naar de rekening van de BVBA A.V. G. preciseert nog dat zij daags nadien bemerkte dat zij zich had vergist in die zin dat het overeengekomen bedrag 135.000 euro was en niet 145.000 euro. Een en ander zou in alle transparantie ten aanzien van V. hebben plaatsgevonden.

Dat V. met de aldus uitgevoerde regeling instemde, zou volgens G. blijken uit zijn jarenlang stilzwijgen om (onder impuls van een nieuwe relatie) pas jaren later te reageren en meer precies (1) in het voorjaar van 2009 met een ingebrekestelling en (2) in het najaar van 2009 met een dagvaarding.

3. Zogeheten «tegenbrieven» tijdens de echtscheiding door onderlinge toestemming en meer precies geheime afspraken tijdens de procedure tot echtscheiding door onderlinge toestemming met miskenning van art. 1293, eerste lid Ger.W. zijn absoluut nietig (Cass. 15 mei 2006, TBBR 2007, 23, noot; R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten – een empirisch-juridische studie, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 71-72, nr. 55; G. Verschelden, Handboek Belgisch familierecht, Brugge, die Keure, 2010, p. 767, nr. 1832).

Los daarvan blijft G. manifest in gebreke om voormelde beweerde van de (officiële) echtscheidingsovereenkomst van 24 januari 2005 afwijkende regeling te staven. Het enkele gegeven van de litigieuze afhalingen voldoet daartoe natuurlijk niet. Anders dan G. wil voordoen, betekent het stilzwijgen van V. in de gegeven context geen instemming.

Het tijdstip van de afhalingen en de omvang ervan wijzen veeleer op bevoegdheidsafwending (zie ook: Cass. 14 november 2013, Not.Fisc.M. 2014, 47, noot; R. Barbaix, «Actuele ontwikkelingen familiaal vermogensrecht 2013» in R. Barbaix en N. Carette (eds.), Tendensen vermogensrecht 2014, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 5-6, nr. 4).

De beweerde regeling gaat in tegen de overeenkomsten van 16/24 januari 2005 en het eerdere vervreemdingsverbod bij beschikking van de kortgedingrechter te Veurne van 15 september 2004. Deze beschikking is blijven gelden tot de ontbinding van het huwelijk ingevolge de latere echtscheiding door onderlinge toestemming (oud art. 1280, achtste lid Ger.W.). De procedure tot verdere behandeling van de voorlopige maatregelen is op 1/2 december 2004 naar de bijzondere rol verzonden, zonder dat (een van) de partijen ervan nadien uitdrukkelijk heeft afgezien. De procedure is uiteindelijk (ambtshalve) van de (algemene) rol weggelaten op 4 december 2008 (art. 730, § 2 Ger.W.).

Bij gebrek aan bewijs van een afwijkende regeling diende G. zich derhalve naar (1) de overeenkomsten van 16/24 januari 2005 en (2) het eerdere rechterlijke vervreemdingsverbod van 15 september 2004 te richten. Voor zover de beweerde afwijkende regeling een rechtsgeldig karakter vertoonde, blijft zij onbewezen.

Daar komt bij dat G. slecht is gekomen met een frauduleuze regeling tot rechtvaardiging van de afhalingen, los van (1) de overeenkomsten van 16/24 januari 2005 en (2) een eerder rechterlijk vervreemdingsverbod van 15 september 2004. Haar voorstel om die frauduleuze regeling met getuigen te bewijzen, gaat natuurlijk niet op, nog los van het inopportune karakter van een dergelijk getuigenbewijs. Met het bestaan van de frauduleuze regeling zou immers het bestaan van de litigieuze (overeengekomen) verrekening ten tijde van de echtscheiding niet zijn bewezen. Het bewijs van deze (overeengekomen) verrekening vloeit evenmin voort uit de doorstorting van de afgehaalde bedragen naar de rekening de BVBA A.V.

In zoverre G. bij conclusie zelf aangeeft dat de officieuze regeling tot verrekening van het ruilverkeer van medicamenten (dat de partijen voerden tussen de drie apotheken die zij in de loop van hun huwelijk uitbaatten) om «begrijpelijke» dan wel «evidente» redenen «niet op papier» kon worden gezet, moet zij hiervan thans maar de gevolgen dragen.

...

4. Het hoger beroep slaagt in die zin dat de vordering van V. wordt ingewilligd als gegrond ten bedrage van 135.000 euro, vermeerderd met de verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van de ingebrekestelling van 27 maart 2009 (art. 1153, derde lid BW; vanaf de datum van de dagvaarding van 1 september 2009 als gerechtelijke interesten) tot de datum van de algehele afbetaling.

Het hof ziet geen grondslag om hetzij een forfaitaire schadevergoeding hetzij interesten vanaf een eerdere datum toe te kennen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 01/09/2017 - 17:03
Laatst aangepast op: vr, 01/09/2017 - 17:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.