-A +A

Tegen een overleden procespartij kan geen hoger beroep worden ingesteld

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 07/01/2016

Het overlijden van een procespartij blijft weliswaar zonder gevolg totdat van dit overlijden (mede) aan de tegenpartij(en) is kennis gegeven (art. 815 Ger.W.). Dit geldt echter slechts wat betreft de eerstelijnsrechtpleging, zoals afgesloten met het beroepen vonnis.

Art. 815 Ger.W. betekent niet dat tegen een reeds (vóór het instellen van hoger beroep) overleden partij hoger beroep kan worden ingesteld. Een overleden partij mist hoe dan ook hoedanigheid als geïntimeerde. Het hoger beroep ingesteld tegen een reeds overleden partij is onontvankelijk.

Gedinghervatting (tussenkomst als rechtsopvolgers) kon evenwel verhelpen, omdat vóór en tijdens het instellen van hoger beroep namens Frans D. geen rechtshandelingen meer waren gesteld (Antwerpen 15 september 1998, P&B 1999, 250; S. Cnudde, «Commentaar bij art. 815 Ger.W.» in Comm.Pers. 2014, p. 17, nr. 13). Anders dan Kathelyn en Annemieke D. aanvoeren, zou gedinghervatting (tussenkomst als rechtsopvolgers) om die reden kunnen dienen tot regularisatie van een onregelmatig hoger beroep.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1184
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.S. t/ D. en D.S.T.

...

I. Relevante elementen

1. Sophia D.S. (hierna: D.S.) behartigde (...) gedurende jaren de huishoudelijke belangen van de echtgenoten Emiel V. en Marie-Jeanne D. Dit was zeker het geval sinds het vooroverlijden van Emiel V. Dit was nog meer het geval sinds Marie-Jeanne D. (o16 oktober 1911) in het begin van de jaren 2000 een beroerte heeft gekregen, waarna zij veel minder mobiel is geworden. Zo ook behartigde D.S. inzonderheid administratieve en financiële zaken. Om die reden genoot zij volmachten op bepaalde bankrekeningen. D.S. had bovendien met een volmacht, zij het enkel met de sleutel van Marie-Jeanne D., toegang tot de bankkluis van Marie-Jeanne D.

2. Begin 2008 doet Marie-Jeanne D. aangifte van een diefstal van een aantal waardepapieren die zich in haar bankkluis bij een lokaal agentschap van de bank te L. zouden hebben bevonden. Marie-Jeanne D. stelt dat zij medio 2007 aan D.S. (met overhandiging van de sleutel van de bankkluis) heeft gevraagd om het nodige te doen tot incassering van de opbrengsten van de waardepapieren, wat zou zijn gebeurd, waarna D.S. de ingewonnen gelden zou hebben afgegeven aan Marie-Jeanne D., die ze bewaarde in een handtas (als spaarpot) in een kast. Achteraf zou Marie-Jeanne D. hebben vastgesteld dat zowel de waardepapieren uit de bankkluis als gelden uit de handtas waren verdwenen. Bij het openbreken van de bankkluis (omdat de sleutel was verdwenen) bleek zij leeg te zijn. Marie-Jeanne D. wijst met de vinger naar D.S., aan wie zij het volle vertrouwen had gegeven.

De politionele opstellers van het proces-verbaal van verhoor van Marie-Jeanne D. geven daarbij aan dat «niettegenstaande haar respectabele leeftijd, zij hen nog vlot te woord kan staan» en «zij duidelijk weet waarover zij het heeft». Zij vervolgen dat Marie-Jeanne D. «duidelijk emotioneel was aangeslagen van wat er was gebeurd, wat zij meermaals herhaalde tijdens het verhoor», terwijl «zij niet kon geloven dat haar aandelen weg waren».

Om die reden wordt via een lokale bediende van het bankagentschap het nodige gedaan om de volmachten van D.S. in te trekken en ze op naam te zetten van Kathelyn en Annemieke D. Dit zijn twee nichten van Marie-Jeanne D. en meer precies de twee dochters van haar broer Frans D. Ook Kathelyn en Annemieke D. zouden zich de laatste jaren om Marie-Jeanne D. hebben bekommerd.

Het zijn ook deze nichten die de bedoelde strafklacht met burgerlijke partijstelling (4 februari 2008) sturen. De telasteleggingen betreffen diefstal (door braak, inklimming of valse sleutels), misbruik van vertrouwen en oplichting. De periode betreft de maand juli 2007.

Het voorwerp zijn 750 aandelen A.G.; 100 aandelen B. en 100 of 300 aandelen G.

3. Marie-Jeanne D. overlijdt korte tijd later testamentloos op 2 maart 2008. Haar nalatenschap valt toe voor de ene helft aan haar zus Rosa D. en voor de andere helft aan haar broer Frans D.

Rosa D. overlijdt op 18 oktober 2009 en laat overeenkomstig een notarieel testament van 22 oktober 2008 één erfgenaam na, Daniël D.S.T., dit is de zoon van een broer van haar vooroverleden echtgenoot (Jules D.S.T.).

Frans D. overlijdt op 1 oktober 2013 en laat twee dochters als wettelijke erfgenamen na: Kathelyn en Annemieke D.

4. In de loop van het strafonderzoek worden de bedoelde waardepapieren aangetroffen bij D.S. Zij worden in beslag genomen. Zij bevonden zich in een eigen bankkluis in hetzelfde lokale agentschap van de bank te L. Na verzegeling van deze bankkluis en ontzegeling op 18 februari 2012 volgt de inbeslagname door het openbaar ministerie.

Volgens D.S. gaat het om een handgift van Marie-Jeanne D. wegens bewezen diensten.

Marie-Jeanne D. ontkent evenwel (blijkens een proces-verbaal van verhoor van 19 februari 2008) dat zij ooit waardepapieren aan D.S. heeft geschonken. Zij vervolgt dat zij wel in vertrouwen geld heeft geleend, terug te betalen op korte termijn zonder interest. De waardepapieren hadden volgens haar in haar eigen bankkluis moeten blijven liggen. Zij stelt dat zij de waardepapieren terug wil.

Het strafonderzoek en de strafprocedure monden uit in een vonnis van de Correctionele Rechtbank te Dendermonde van 28 juni 2010 en vervolgens in een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 17 mei 2011. D.S. wordt daarbij vrijgesproken, inzonderheid wegens de twijfel omtrent het bedrieglijke opzet.

5. Lopende het strafonderzoek (in het najaar van 2008) zijn de waardepapieren via het openbaar ministerie vrijgegeven aan notaris C. Van Den B. (met standplaats te Buggenhout) en op die manier afgegeven aan de wettelijke erfgenamen van Marie-Jeanne D. De vrijgave vond meer precies plaats op 15/16 oktober 2008 en de inontvangstname door notaris Van Den B. op 4 november 2008. De waardepapieren komen derhalve niet opnieuw in het bezit van D.S.

II. Oorspronkelijke vorderingen en beroepen vonnis

...

4. Bij conclusie wijzigt D.S. haar (...) vordering (...) in die zin dat zij de afgifte dan wel de teruggave van de waardepapieren met alle toebehoren (nog steeds onder verbeurte van een dwangsom) beoogt en minstens de tegenwaarde ervan per 18 februari 2008, op welke datum zij de waardepapieren ingevolge het strafonderzoek diende af te geven.

...

5. Bij vonnis van 4 oktober 2013 (...) wijst de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde (...) de vordering (...) van D.S. (...) af (...) als ongegrond.

...

6. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4 augustus 2014 laten Kathelyn en Annemieke D. (als rechtsopvolgers van Frans D.) overgaan tot betekening van het vonnis van 4 oktober 2013 aan D.S.

III. Hoger beroepen

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 17 december 2013 stelt D.S. hoger beroep in tegen het vonnis van 4 oktober 2013. D.S. richt haar hoger beroep tegen (1) Kathelyn en Annemieke D.; (2) Frans D. en (3) Daniël D.S.T.

Met haar hoger beroep herneemt D.S. haar oorspronkelijke vordering in die zin dat zij de afgifte dan wel de teruggave beoogt van de waardepapieren met alle toebehoren (onder verbeurte van een dwangsom) en minstens de tegenwaarde ervan per 18 februari 2008, op welke datum zij de waardepapieren ingevolge het strafonderzoek diende af te geven.

...

Het betreft de eerste zaak (...).

2. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 4 september 2014 stelt D.S. eens te meer hoger beroep in tegen het vonnis van 4 oktober 2013. D.S. richt haar hoger beroep (met hetzelfde voorwerp als het eerste hoger beroep) nu tegen Kathelyn en Annemieke D. als rechtsopvolgers van Frans D., die op 1 oktober 2013 is overleden.

Het betreft de tweede zaak (...).

3. Kathelyn en Annemieke D. (mede als rechtsopvolgers van Frans D.) en Daniël D.S.T. nemen conclusie tot afwijzing van de hogere beroepen als onontvankelijk dan wel ongegrond en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis van 4 oktober 2013.

...

IV. Beoordeling

A. Ontvankelijkheid

...

2. Kathelyn en Annemieke D. stellen terecht dat het eerste hoger beroep van D.S., in zoverre het mede is gericht tegen Frans D., onontvankelijk is.

Frans D. is enkele dagen vóór de uitspraak van het beroepen vonnis van 4 oktober 2013 overleden op 1 oktober 2013.

Het overlijden van een procespartij blijft weliswaar zonder gevolg totdat van dit overlijden (mede) aan de tegenpartij(en) is kennis gegeven (art. 815 Ger.W.). Dit geldt echter slechts wat betreft de eerstelijnsrechtpleging, zoals afgesloten met het beroepen vonnis.

Art. 815 Ger.W. betekent niet dat tegen een reeds (vóór het instellen van hoger beroep) overleden partij hoger beroep kan worden ingesteld. Een overleden partij mist hoe dan ook hoedanigheid als geïntimeerde. Het hoger beroep ingesteld tegen een reeds overleden partij is onontvankelijk.

Gedinghervatting (tussenkomst als rechtsopvolgers) kon evenwel verhelpen, omdat vóór en tijdens het instellen van hoger beroep namens Frans D. geen rechtshandelingen meer waren gesteld (Antwerpen 15 september 1998, P&B 1999, 250; S. Cnudde, «Commentaar bij art. 815 Ger.W.» in Comm.Pers. 2014, p. 17, nr. 13). Anders dan Kathelyn en Annemieke D. aanvoeren, zou gedinghervatting (tussenkomst als rechtsopvolgers) om die reden kunnen dienen tot regularisatie van een onregelmatig hoger beroep.

In de gegeven omstandigheden kwam het Kathelyn en Annemieke D. als rechtsopvolgers van Frans D. toe om het (gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep van 17 december 2013) in hoger beroep hangende geding te hervatten (art. 816 Ger.W.).

Omdat zij blijkbaar weigerden vrijwillig het geding te hervatten, vertonen (1) de kosten van de navolgende betekening van het beroepen vonnis (bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4 augustus 2014) en (2) het tweede hoger beroep (overeenkomstig het verzoekschrift tot hoger beroep van 4 september 2014) een nutteloos karakter. De aldus ingevolge het foutieve toedoen van Kathelyn en Annemieke D. nutteloos gedane kosten zijn te hunnen laste, ongeacht de verdere uitkomst van onderhavig geding. De betekening van het beroepen vonnis (bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4 augustus 2014) was niet meer nodig, gelet op het reeds hangende eerste hoger beroep (bij verzoekschrift van 17 september 2013). Het tweede hoger beroep (bij verzoekschrift van 4 september 2014) was evenmin nodig, aangezien Kathelyn en Annemieke D. het reeds in hoger beroep hangende geding konden hervatten.

De betekeningskosten van 4 augustus 2014 en de beroepsaktekosten van 4 september 2014 zijn sowieso ten laste van Kathelyn en Annemieke D.

B. Samenvoeging

Aangezien beide hogere beroepen met hetzelfde voorwerp zijn gericht tegen hetzelfde beroepen vonnis van 4 oktober 2013 en voorts de partijenconstellatie spoort, past het, met het oog op een goede rechtsbedeling, om ze samen te behandelen en te berechten middels één arrest (art. 30 Ger.W.).

C. Ten gronde

1. De litigieuze waardepapieren en meer precies (1) 750 aandelen A.G.; (2) 100 aandelen B. en (3) 100 of 300 aandelen G. waren blijkbaar in het bezit van D.S. Zoals aangegeven, bevonden zij zich in haar bankkluis in het lokale agentschap van de bank te L.

Krachtens art. 2279, eerste lid BW geldt dit bezit als titel, zodat D.S. wordt vermoed eigenaar te zijn van de bedoelde waardepapieren.

D.S. blijft vrij vaag over de oorsprong van haar bezit om (uiteindelijk) in de loop van het strafonderzoek naar aanleiding van de beweerde uit de bankkluis van Marie-Jeanne D. (in het lokale agentschap van de bank te L.) verdwenen waardepapieren te stellen dat zij de waardepapieren heeft gekregen van Marie-Jeanne D. wegens bewezen diensten.

Het in art. 2279, eerste lid BW bedoelde eigendomsvermoeden geldt evenwel slechts op voorwaarde dat het reële bezit (1) te goeder trouw is; (2) in de hoedanigheid van eigenaar of voor zichzelf plaatsvindt en (3) deugdelijk of vrij van gebreken is. Een reëel bezit, vrij van gebreken, onderstelt, krachtens art. 2229 BW, een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig bezit als eigenaar.

Krachtens art. 2268 BW wordt de goede trouw vermoed. Krachtens art. 2230 BW wordt men steeds geacht als eigenaar en voor zichzelf te bezitten, tenzij is bewezen dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten. Voorts wordt ook het deugdelijke bezit feitelijk vermoed.

De hierboven geschetste context leert dat in casu allerminst sprake is van een reëel bezit vrij van gebreken aan de zijde van D.S.

De contextuele elementen betreffende de hulp- en bijstand ten behoeve van Marie-Jeanne S. hetzij door D.S. hetzij door Kathelyn en Annemieke D., zijn voorwerp van betwisting.

Het bezit van D.S. was inzonderheid (1) gestoord in de lijn van de familiale perikelen en het navolgende strafonderzoek; (2) heimelijk, want blijkbaar zonder medeweten van de (andere) entourage van Marie-Jeanne D. verborgen in een bankkluis en (3) dubbelzinnig gelet op de behartiging van de belangen van Marie-Jeanne D. door D.S. en de haar om die reden verleende volmachten. De belangenbehartiging en de volmachten maken dat een bezit als eigenaar of voor zichzelf eveneens twijfelachtig overkomt. Het gebrekkige bezit aan de zijde van D.S. kan derhalve niet dienen als eigendomsvermoeden in de zin van art. 2279, eerste lid BW.

2. Anders dan D.S. aanvoert, blijkt evenmin een handgift. De handgift of schenking van hand tot hand is een schenking van een lichamelijk of onlichamelijk roerend goed waarbij het recht in de titel is geïncorporeerd, en die zich voltrekt door de loutere materiële overdracht animus donandi aan de begiftigde die aanvaardt.

De handgift is een schenking en moet dus in de eerste plaats voldoen aan de constitutieve bestanddelen en grondvereisten van deze rechtsfiguur. Dit betekent dat ook hier de vereisten gelden van verarming van de beschikker en correlatieve verrijking van de begiftigde, de nodige bekwaamheid om te beschikken en te ontvangen, een geldige toestemming, een geoorloofde oorzaak en een dadelijke en onherroepelijke overdracht van de geschonken zaak. Voor de geldigheid van de handgift in het bijzonder worden vier cumulatieve voorwaarden vereist: (1) een materiële overdracht door de schenker van de geschonken zaak aan de begiftigde, dit is de zogeheten traditio; (2) een animus donandi aan de zijde van de schenker; (3) de aanvaarding door de begiftigde en (4) traditio en aanvaarding tijdens het leven van de schenker en de begiftigde.

De vormvereisten van de artt. 893-894 en 931 e.v. BW zijn niet van toepassing. De handgift is geen plechtig contract. Er moet geen geschrift worden opgemaakt. De handgift is bovendien een zakelijk contract, want ze komt tot stand door de afgifte van de geschonken zaak. De functie van de wettelijke vormvereisten wordt bij de handgift overgenomen door het vereiste van materiële overdracht. De schenker wordt op deze manier meteen geconfronteerd met de gevolgen van zijn beslissing. Zoals de vormvereisten bij de schenkingsakte, maakt de materiële overdracht de schenker bewust van de ernst van de rechtshandeling en laat ze er geen enkele twijfel over bestaan wie de nieuwe eigenaar is.

De traditio is de handeling waarbij de schenker zich onmiddellijk en op onherroepelijke wijze van het geschonken goed ontdoet. De begiftigde wordt in het bezit ervan gesteld. Hij krijgt het geschonken goed materieel in zijn macht en kan zich als eigenaar gedragen, terwijl de schenker dit recht verliest. De traditio moet het geschonken goed zelf tot voorwerp hebben of ten minste documenten of andere voorwerpen die de feitelijke macht over het geschonken goed belichamen.

Nochtans is de materiële overdracht van het geschonken goed niet steeds vereist. Zo zou een handgift kunnen plaatshebben zonder overhandiging, met name door omzetting van de titel waarbij het precaire bezit wordt vervangen door een bezit als eigenaar ingevolge de wil van de schenker om het eigendomsrecht over te dragen animo donandi. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen tussen lastgever en lasthebber, zo de goederen zich reeds in het kader van het mandaat in het bezit van deze laatste bevonden.

Zowel de schenker als de begiftigde kunnen bij de traditio worden vertegenwoordigd door een lasthebber. De schenker en de begiftigde kunnen ieder afzonderlijk of samen hun lasthebber aanduiden. Het betreft een bijzonder mandaat, dat echter niet authentiek moet zijn. Wie het bestaan van een volmacht inroept, doorgaans de begiftigde die beweert van een lasthebber te hebben gekregen, moet dit bewijzen.

Uit het beginsel dat de handgift slechts wordt voltrokken door de overdracht van de geschonken goederen volgt noodzakelijkerwijze dat enkel goederen in aanmerking komen waarvan de eigendom door loutere traditio overgaat, zonder verdere formaliteiten, en waarbij dus toepassing kan worden gemaakt van art. 2279 BW. Dit is in principe het geval voor lichamelijke roerende goederen en onlichamelijke roerende goederen waarvan het recht in de titel is geïncorporeerd, zoals bankbiljetten, kasbons en obligaties.

Zodra voor de eigendomsoverdracht andere formaliteiten dan de loutere traditio zijn vereist, is een handgift uitgesloten.

De overdracht moet animo donandi gebeuren. De schenker moet het inzicht hebben een gift te doen aan de begiftigde. Net zoals bij alle andere schenkingen, wordt ook bij de handgift de animus donandi niet vermoed, maar moet hij worden bewezen door degene die hem inroept, hetzij de schenker hetzij de begiftigde. Hij kan niet worden afgeleid uit enkel de traditio. De animus donandi kan wel worden bewezen door de feitelijke begeleidende omstandigheden van de traditio. De animus donandi dient aanwezig te zijn op het moment van de overdracht. Een overdracht met de bedoeling van een latere begiftiging volstaat niet.

De handgift moet door de begiftigde of door zijn gevolmachtigde worden aanvaard. De aanvaarding zelf is aan geen enkele vormvereiste onderworpen en kan zelfs stilzwijgend gebeuren. Zo impliceert het in ontvangst nemen van de geschonken zaak ter gelegenheid van de traditio de aanvaarding. De aanvaarding kan eveneens blijken uit de afwezigheid van protest binnen een korte termijn na ontvangst van het bericht van creditering van de rekening van de begiftigde. De aanvaarding kan slechts plaatsvinden samen met of na de traditio.

Zoals voor alle schenkingscontracten, moeten aanbod en aanvaarding plaatsvinden tijdens het leven van de schenker en de begiftigde. Omdat de aanvaarding noodzakelijkerwijze niet vٕóór de traditio komt en gebeurlijk nadien, dient ook deze inter vivos te gebeuren. Deze problematiek komt voornamelijk aan bod zo de handgift niet rechtstreeks tussen de schenker en de begiftigde werd gerealiseerd, maar bijvoorbeeld via een mandataris.

Ook inzake handgiften geldt de algemene regel dat giften niet worden vermoed en dus moeten worden bewezen (in de regel overeenkomstig de artt. 1341 e.v. BW). Welnu, D.S. blijft in gebreke afdoende bewijs te leveren van (1) een traditio door Marie-Jeanne D. en (3) de aanvaarding (tijdens het leven van Marie-Jeanne D.) door D.S.

D.S. beweert maar bewijst geen gift. Zowel het concrete tijdstip als de omstandigheden blijven vaag, laat staan dat de animus donandi afdoende concreet wordt gemaakt. Een onderhandse akte (in de zin van art. 1341 BW) ligt niet voor, zo evenmin een dienstig begin van bewijs (in de zin van art. 1347 BW en zodoende uitgaande van Marie-Jeanne D. of haar rechtsopvolgers).

Getuigen van de handgift, rechtstreeks dan wel onrechtstreeks, blijken hoe dan ook niet voorhanden. Concrete vermoedens in een afdoende context blijken evenmin voorhanden.

Een onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen (in de zin van art. 1348, eerste lid BW), is evenmin aan de orde.

D.S. beroept zich tevergeefs op een brief van Kathelyn en Annemieke D. van 28 januari 2008, waarbij zij op verzoek van Marie-Jeanne D. laten weten dat D.S. geen interest moet betalen op het kapitaal dat zij van Marie-Jeanne D. heeft «gekregen». Deze brief blijkt te slaan op een geldlening door Marie-Jeanne D. aan D.S. in vertrouwen, op korte termijn en zonder interest. Het blijkt enkel in die optiek te gaan om «gekregen», maar als zodanig terug te betalen gelden. De brief van 28 januari 2008 bevat, anders dan D.S wil voordoen, geen «toegeving» aan de zijde van Kathelyn en Annemieke D. Marie-Jeanne D. geeft dit ook aan in een proces-verbaal van verhoor van 19 februari 2008.

Daar komt bij dat Marie-Jeanne D. in de loop van voormeld strafonderzoek, blijkens hetzelfde proces-verbaal van verhoor van 19 februari 2008, ontkent dat zij ooit waardepapieren aan D.S. heeft geschonken. De waardepapieren hadden volgens haar in haar eigen bankkluis moeten blijven liggen. Zij stelt dat zij de waardepapieren terug wil.

D.S. wil tevergeefs deze verklaring vaag afdoen als zou Marie-Jeanne D. op dat ogenblik niet meer bij zinnen zijn geweest. Het tegendeel blijkt. De politionele opstellers van het proces-verbaal van verhoor van Marie-Jeanne D. van 19 februari 2008 geven immers aan dat «niettegenstaande haar respectabele leeftijd, zij hen nog vlot te woord kan staan» en dat «zij duidelijk weet waarover zij het heeft». Zij vervolgen dat Marie-Jeanne D. «duidelijk emotioneel was aangeslagen van wat er was gebeurd, wat zij meermaals herhaalde tijdens het verhoor», terwijl «zij niet kon geloven dat haar aandelen weg waren».

Aangezien het strafonderzoek en de strafprocedure uitmonden in een vonnis van de Correctionele Rechtbank te Dendermonde van 28 juni 2010 en vervolgens in een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 17 mei 2011, waarbij D.S. wordt vrijgesproken, betreft het een vrijspraak, gelet op de twijfel omtrent het bedrieglijke opzet.

Noch het strafonderzoek noch de strafrechtelijke uitspraken maken echter dat de aanvoeringen van D.S. betreffende de handgift kloppen. De door D.S. aangehaalde passus van het arrest van 17 mei 2011 betreffende voormelde brief van Kathelyn en Annemieke D. van 28 januari 2008 is niet cruciaal.

De bedoelde vrijspraak impliceert geenszins de handgift. Het gaat, gelet op de respectieve bewijsregels in de strafzaak en in onderhavige burgerlijke zaak, niet om hetzij een misdrijf hetzij een handgift.

3. (...). De oorspronkelijke vordering van D.S. tot afgifte dan wel teruggave van de waardepapieren met alle toebehoren (onder verbeurte van een dwangsom) en minstens de tegenwaarde ervan is ontvankelijk maar ongegrond.

...

4. Het hoger beroep slaagt niet.

Noot: 

Vanlersberghe, P., « Gedinghervatting in geval van overlijden van een procespartij », R.A.B.G., 2016/17-18, p. 1289-1292

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 21/03/2018 - 21:26
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 19:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.