-A +A

Tandartsen verbod publiciteit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 22/06/2010
A.R.: 
P.09.1696.N

De wet van 15 april 1958 betreffende de publiciteit van tandverzorging beoogt ook de tandverzorging van een tandverkleuring waarvoor de tussenkomst van een tandarts nodig is.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

Nr. P.09.1696.N
1. H H R,
beklaagde,
2. B M M L V,
beklaagde,
eisers,

tegen
1. VERBOND DER VLAAMSE TANDARTSEN vzw, met zetel te 1081 Koekelberg, Vrijheidslaan 61,
burgerlijke partij,

2. M S,
burgerlijke partij,
3. P D,
burgerlijke partij,
4. R M,
burgerlijke partij,
5. C K,
burgerlijke partij,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 21 oktober 2009.
De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 1 van de wet van 15 april 1958 betreffende de publiciteit inzake tandverzorging (hierna: Wet 15 april 1958), artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 juni 1934 houdende reglement op de beoefening der tandheelkunde (hierna: KB 1 juni 1934), en de artikelen 1, 2, § 1, en 3 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen (hierna: Wet Gezondheidsberoepen), evenals miskenning van het rechtsbegrip "aandoening, letsel of afwijking": de appelrechters beschouwen het bleken van tanden ten onrechte als tandheelkunde en als een activiteit bedoeld in artikel 1 Wet 15 april 1958.

2. Artikel 1, eerste lid, Wet 15 april 1958 bepaalt dat niemand voor het verzorgen of voor het doen verzorgen door een al dan niet bevoegd persoon, in België of in het buitenland, van aandoeningen, letsels of afwijkingen van de mond en van de tanden, direct of indirect enige reclame mag maken, zoals door uitstallingen of uithangborden, door opschriften of platen die kunnen misleiden omtrent de wettelijke aard van de opgegeven activiteit, door prospectussen, circulaires, brochures, strooibiljetten, langs de pers, de ether of de bioscoop, door de belofte of het verlenen van allerhande voordelen, zoals kortingen, kosteloos vervoer van patiënten, of door het optreden van ronselaars of klantenjagers.
Artikel 2 van dezelfde wet bepaalt dat het aan ieder tot het beoefenen van de tandheelkunde gerechtigd persoon verboden is zijn beroepsactiviteit te presteren in een kabinet of een inrichting voor tandverzorging, waarvan de eigenaar of de exploitant direct of indirect, zelfs buiten het nationaal grondgebied, enige reclame als bedoeld in het artikel 1 zou maken.

3. Uit de voorbereidende werken van die wet blijkt dat de wetgever met het verbod op publiciteit voor het verzorgen van aandoeningen, letsels of afwijkingen, de tandverzorging door onbevoegden in het algemeen een halt wil toeroepen, daar deze een toestand zou kunnen bestendigen die schadelijk is voor de volksgezondheid en de waardigheid van het beroep en een einde wil maken aan de schreeuwerige reclame die rond tandverzorging wordt gevoerd.

4. Artikel 3 KB 1 juni 1934 bepaalt dat alle bloedige of onbloedige behandelingen tot de tandheelkunde behoren, alsmede de zelfs bijkomende bewerkingen uitgevoerd in den mond der patiënten en die ten doel hebben de kauworganen te beschutten, te genezen, recht te zetten of te vervangen.
Artikel 3, tweede lid, Wet Gezondheidsberoepen bepaalt dat als onwettige uitoefening van de tandheelkunde wordt beschouwd, het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden, gesteld bij het eerste lid van dit artikel niet vervult, van alle bewerkingen of handelingen, uitgevoerd in de mond der patiënten, die het behoud, de genezing, het herstellen of vervangen van het gebit daarin begrepen het weefsel van de tandkas, op het oog hebben, meer bepaald die welke behoren tot de operatieve tandheelkunde, de orthodontie, en de mond- en tandprothese.

5. De bewoordingen van de voormelde koninklijke besluiten sluiten niet uit dat ook de bleking van tanden een tandheelkundige behandeling kan zijn die tot doel heeft het behoud, de genezing of herstel van een gebit te verwezenlijken.
Noch uit de voorbereidende werken van de wet van 15 april 1958, noch uit de bewoordingen van de voormelde koninklijke besluiten blijkt verder dat de wetgever bij het begrip aandoening, letsel of afwijking zoals bedoeld in artikel 1 Wet 15 april 1958 alleen die handelingen viseert die de verzorging op het oog hebben van een aandoening, letstel of afwijking die het gebruik van de tand onmogelijk maakt of vermindert. Deze wet beoogt derhalve ook de tandverzorging van een tandverkleuring waarvoor de tussenkomst van een tandarts nodig is.
Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede middel
Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: de appelrechters oordelen onterecht dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op categorieën die zich niet in dezelfde juridische toestand bevinden.

7. De artikelen 10 en 11 Grondwet houden in dat eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld tenzij daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording voorhanden is.

8. Uit de Artsenwet blijkt dat de geneesheren kunnen beschikken over een eigen plichtenleer, op de naleving waarvan door een eigen tuchtorgaan toezicht wordt uitgeoefend.

9. De appelrechters oordelen dat:

- voor tandverzorgers een door een tuchtrechterlijke instantie opgesteld tuchtreglement en beroepscode ontbreken;
- de tuchtoverheid steeds de reclame door artsen kan controleren wat voor tandverzorgers niet het geval is;
- de voorgestelde prejudiciële vraag betrekking heeft op categorieën van personen die zich niet in dezelfde juridische toestand bevinden en die precies daarom anders behandeld worden.

10. Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing tot het niet-stellen van de prejudiciële vraag, naar recht.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag kan niet worden afgewezen omdat de vraag klaarblijkelijk betrekking heeft op categorieën van personen die zich niet in dezelfde juridische toestand bevinden en die precies daarom anders behandeld worden.

12. De appelrechters oordelen dat de voorgestelde prejudiciële vraag betrekking heeft op categorieën van personen die zich niet in dezelfde juridische toestand bevinden en die precies daarom anders behandeld worden en dat daarom de voorgestelde prejudiciële vraag niet moet worden gesteld. Met dit oordeel geven de appelrechters ook te kennen dat, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, volgens hen artikel 1 Wet 15 april 1958 klaarblijkelijk de Grondwet niet schendt.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Prejudiciële vraag
13. De eisers verzoeken het Hof de navolgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:
"Schendt artikel 1 van de wet van 15 april 1958 betreffende de publiciteit inzake tandverzorging de artikelen 10 en 11 Grondwet doordat een algemeen reclameverbod wordt opgelegd voor de verzorging van aandoeningen, letsels of afwijkingen van de mond en van de tanden, terwijl dergelijk algemeen wettelijk reclameverbod niet bestaat voor de verzorging van andere lichamelijke aandoeningen, letsels of afwijkingen?"

14. Zoals de vraag is geformuleerd betreft ze een onderscheiden behandeling van aandoeningen, letsels en afwijkingen en geen situatie waarin personen of partijen zich in eenzelfde rechtstoestand bevinden.
De prejudiciële vraag dient derhalve niet te worden gesteld.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Bepaalt de kosten op 97,88 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 25/10/2011 - 13:02
Laatst aangepast op: di, 25/10/2011 - 13:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.