-A +A

Takelen van voertuigen onderworpen aan RSZ

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 25/03/2016
A.R.: 
2015/AR/61)

artikel 3, 5° van het KB van 28 november 1969, luidt:

“De toepassing van deze wet wordt verruimd tot de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer.”

Opdat deze bepaling toepasselijk zou zijn, is vereist

• dat de personen goederen vervoeren;
• dat het vervoer hen opgedragen wordt door een onderneming;
• dat dit vervoer verricht wordt met voertuigen waarvan de vervoerders geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd wordt of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer.

De vraag kan gesteld of takelen van voertuigen "vervoer van goederen" is.

“Vervoeren” betekent “naar elders voeren”, dus in de ruimte verplaatsen. Een defecte of een verkeerd geparkeerde wagen is een “goed”. Deze wagen naar een andere plaats brengen, is bijgevolg “vervoer van goederen”. Dat de wagen evident eerst moet “getakeld” worden (wat aan “laden en lossen” gelijk staat), is daarbij niet relevant.

Ten overvloede wordt het vervoer opgedragen door een “onderneming” en uitgevoerd met voertuigen eigendom van de "onderneming".

Dat de betrokkene zijn werk geheel zelfstandig heeft verricht, belet de onderwerping alvast niet (zie Cass. 10 april 1989, RW 1989-90, 223). Wel geldt de uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet niet voor de zaakvoerder (en eigenaar van alle aandelen) van een onderneming vermits hem geen opdrachten kunnen worden gegeven (zie Cass. 9 december 2002, JTT 2003, 207, Concl. Leclercq). De toekenning van slechts enkele aandelen kan nochtans de uitbreiding van het toepassingsgebied van deze wet niet beletten (vgl. met Arbh. Luik 15 september 1992, Soc.Kron. 1993, 400; Arbh. Brussel 23 juni 2011, JTT 2012, 38, waar een aandeelhouder voor 20% van het kapitaal niet onderworpen werd; Arbh. Luik 23 maart 2004, JTT 2004, 516). Gaat het echter om een werkend vennoot van de vennootschap, dan moet hij eveneens als eigenaar van het voertuig aanzien worden en is artikel 3, 5° van het KB van 28 november 1969 niet toepasselijk.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/3
Pagina: 
174
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(V. BVBA / RSZ - Rolnr.: 2015/AR/61)

1. De procedure in eerste aanleg
Bij exploot, op 21 oktober 2013 betekend door gerechtsdeurwaarder L. Hillemans, met standplaats te Brugge, werd de appellante door de geïntimeerde gedagvaard teneinde haar te horen veroordelen tot het betalen van 20.514,98 EUR als gewone bijdragen verschuldigd voor de kwartalen 1/2010 tot en met 4/2010 en als vakantiebijdragen voor de jaren 2010 en 2011, bijdrageopslagen en interest, één en ander overeenkomstig het rekeninguittreksel van 24 juni 2013, vermeerderd met wettelijke interest op 13.368,10 EUR vanaf 25 juni 2013 tot de dag der algehele betaling, alsook tot het betalen van de kosten van het geding. De geïntimeerde vroeg dat het vonnis voorlopig uitvoerbaar zou worden verklaard ondanks elk verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid van kantonnement.

In haar conclusie, op 25 augustus 2014 ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd, vroeg de appellante dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond zou verklaard worden. Zij vroeg de verwijzing van de geïntimeerde in de kosten van het geding.

Bij eindvonnis, op 8 oktober 2014 op tegenspraak gewezen door kamer B 3 B van de arbeidsrechtbank Gent (afdeling Brugge) werd de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot het betalen van 20.514,98 EUR, vermeerderd met wettelijke interest op het bedrag der achterstallige bijdragen vanaf 25 juni 2013. De appellante werd in de gerechtskosten verwezen. Het vonnis werd niet voorlopig uitvoerbaar verklaard.

De eerste rechter was inzonderheid van oordeel:

dat vervoer van weggesleepte wagens wel degelijk vervoer van goederen in de zin van artikel 3, 5° van het KB van 28 november 1969 was;
dat dit vervoer gebeurde met vrachtwagens van de appellante;
dat de betrokkene had verklaard dat hij geen btw-nummer had, geen facturen maakte en uitsluitend voor de appellante werkte;
dat de heer P. werknemer van de appellante was.
2. De procedure in hoger beroep
In haar akte van hoger beroep vordert de appellante dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaard worden, dat het bestreden vonnis zou worden tenietgedaan en dat het arbeidshof, opnieuw wijzende, de vordering ongegrond zou verklaren. Zij vraagt de verwijzing van de geïntimeerde in de kosten van het geding.

In zijn conclusie, op 28 januari 2016 ter griffie neergelegd, vraagt de geïntimeerde dat het hoger beroep ongegrond zou verklaard worden, met bevestiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de appellante in de kosten van het geding.

De partijen worden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 26 februari 2016.

3. De grieven van het hoger beroep
De appellante houdt inzonderheid voor:

dat artikel 3, 5° van het KB van 28 november 1969 niet toepasselijk is omdat er geen vervoer van goederen in de zin van deze bepaling is geweest;
dat hieronder enkel vrachtvervoer en geenszins het takelen van defecte of verkeerd geparkeerde voertuigen mag worden verstaan;
dat ook niet voldaan is aan de voorwaarde dat de vervoerder geen eigenaar van het voertuig mag zijn;
dat de heer P. aandeelhouder en werkend vennoot van de appellante was.
4. Bespreking
4.1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk.

4.2. De gegrondheid van het hoger beroep
4.2.1. De beslissing van de geïntimeerde tot onderwerping aan de RSZ-wet van de heer P. als werknemer en van de appellante zelf als werkgever, en de vordering van de geïntimeerde tot het betalen van bijdragen, steunen op artikel 3, 5° van het KB van 28 november 1969, dat als volgt luidt:

“De toepassing van deze wet wordt verruimd tot de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer.”

Opdat deze bepaling toepasselijk zou zijn, is vereist

dat de personen goederen vervoeren;
dat het vervoer hen opgedragen wordt door een onderneming;
dat dit vervoer verricht wordt met voertuigen waarvan de vervoerders geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd wordt of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer.
4.2.2. De appellante betwist dat er in casu sprake was van “vervoer van goederen”.

“Vervoeren” betekent “naar elders voeren”, dus in de ruimte verplaatsen. Een defecte of een verkeerd geparkeerde wagen is een “goed”. Deze wagen naar een andere plaats brengen, is bijgevolg “vervoer van goederen”. Dat de wagen evident eerst moet “getakeld” worden (wat aan “laden en lossen” gelijk staat), is daarbij niet relevant.

4.2.3. Dat, het vervoer in casu opgedragen werd door een “onderneming”, staat niet ter discussie.

4.2.4. Dat dit vervoer werd gedaan met voertuigen, eigendom van de appellante, is eveneens bewezen.

De appellante stelt echter dat ook de heer P. eigenaar van de voertuigen was en zij verwijst naar diens hoedanigheid van werkend vennoot.

Dat de betrokkene zijn werk geheel zelfstandig heeft verricht, belet de onderwerping alvast niet (zie Cass. 10 april 1989, RW 1989-90, 223). Wel geldt de uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet niet voor de zaakvoerder (en eigenaar van alle aandelen) van een onderneming vermits hem geen opdrachten kunnen worden gegeven (zie Cass. 9 december 2002, JTT 2003, 207, Concl. Leclercq). De toekenning van slechts enkele aandelen kan nochtans de uitbreiding van het toepassingsgebied van deze wet niet beletten (vgl. met Arbh. Luik 15 september 1992, Soc.Kron. 1993, 400; Arbh. Brussel 23 juni 2011, JTT 2012, 38, waar een aandeelhouder voor 20% van het kapitaal niet onderworpen werd; Arbh. Luik 23 maart 2004, JTT 2004, 516). Gaat het echter om een werkend vennoot van de vennootschap, dan moet hij eveneens als eigenaar van het voertuig aanzien worden en is artikel 3, 5° van het KB van 28 november 1969 niet toepasselijk.

Welnu, de heer P. was niet de werkend vennoot van de appellante. Hij bezat vooreerst maar één enkel (louter symbolisch) aandeel van de 1.223 (getal dat de zaakvoerder in zijn verklaring vermeldt - allicht waren het er zelfs meer). Bovendien staat niet vast dat hij binnen de vennootschap actief was om dit ene aandeel te laten renderen en dat hem om die reden een aandeel in de winst werd toegekend (zie Cass. 2 februari 1981, RW 1981-82, 2751). Enige aanwijzing voor het bestaan van een affectio societatis is er in casu niet. De vergoeding die de heer P. ontving, stond in genen dele in verhouding tot de waarde van zijn aandelenbezit en was duidelijk enkel de compensatie van de door hem verrichte handarbeid. Hij liep ook geen daadwerkelijk bedrijfsrisico en deelde niet in winst of verlies want zijn vergoeding was niet afhankelijk van het behalen van enig bedrijfsresultaat.

4.2.5. De geïntimeerde kon de appellante en de heer P. aan de RSZ-wet onderwerpen op grond van artikel 3, 5° van het KB van 28 november 1969.

De vordering is gegrond. Het hoger beroep is ongegrond.

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de bovenstaande gronden,

Rechtdoende op tegenspraak.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonderheid op artikel 24.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpende.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het op tegenspraak gewezen eindvonnis van kamer B 3 B van de arbeidsrechtbank Gent (afdeling Brugge) d.d. 8 oktober 2014 (AR nr. 13/2628/A), in al zijn onderdelen.

(…)

Noot: 

Vereecke, V., « Bedreiging als bestanddeel van de afpersing », R.A.B.G., 2017/1, p. 74-76

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 18/07/2017 - 17:42
Laatst aangepast op: di, 18/07/2017 - 17:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.