-A +A

Taalwijziging in strafzaken - spoedeisende gevallen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 17/06/2014
A.R.: 
P.14.1296.N

Uit artikel 5.2 EVRM volgt dat wie de taal van de rechtspleging niet verstaat moet bijgestaan worden door een tolk; die bepaling regelt niet de taal van de rechtspleging (Cass. 20 mei 2014, P.14.0803.N, AC 2014, nr….)

Krachtens artikel 16, § 1 Taalwet Gerechtszaken wordt de rechtspleging voor de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken van Brussel in de regel gevoerd in het Frans of in het Nederlands indien de verdachte woonachtig is in een gemeente van de Brusselse agglomeratie, naargelang hij zich voor zijn verklaringen in het onderzoek van één of andere dezer talen heeft bediend, maar er kan krachtens artikel 16, § 2, derde lid van die wet van deze regel afgeweken worden, onder meer wanneer de verdachte aan de onderzoeksrechter een taalwijziging vraagt; ingevolge artikel 53/1 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel werd voormeld artikel 16, § 2, derde lid aangevuld met een bepaling volgens dewelke in spoedeisende gevallen de rechter bij wie de zaak oorspronkelijk aanhangig is gemaakt, voorlopig en gedurende de tijd die vereist is vanwege het spoedeisende karakter, de zaak verder kan blijven behandelen met, indien nodig, de medewerking van een tolk; artikel 5.2 EVRM vereist niet dat de onderzoeksrechter die op grond van artikel 16, § 2, derde lid Taalwet Gerechtszaken, voorlopig de zaak blijft behandelen in de andere van de in artikel 16, § 1 van die wet vermelde talen dan deze die de verdachte voor de rechtspleging heeft gekozen, preciseert waarom hij oordeelt dat de zaak spoedeisend is.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.14.0935.N
F V,
inverdenkinggestelde, aangehouden,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 juni 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.2 en 6.3 EVRM, alsmede miskenning van de motiveringsverplichting: het arrest oordeelt ten onrechte dat die bepalingen niet zijn geschonden en dat dit algemeen rechtsbeginsel niet is miskend; de onderzoeksrechter beperkt zich ertoe te stellen dat er spoedeisendheid is om een aanhoudingsmandaat in het Nederlands te verlenen tegen de eiser, terwijl die uitdrukkelijk heeft gekozen voor de Franse taal als taal van de procedure; de onderzoeksrechter geeft in zijn bevel tot aanhouding op geen enkele wijze te kennen waarom er sprake is van enige spoedeisendheid.

2. In zoverre het middel gericht is tegen het optreden van de onderzoeksrechter en bijgevolg niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

3. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waardoor het arrest de motive-ringsverplichting miskent, is het onduidelijk, mitsdien evenmin ontvankelijk.

4. Artikel 6.3 EVRM is in de regel niet van toepassing voor de onderzoeksge-rechten die, zoals in zaken betreffende de voorlopige hechtenis, geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

5. Artikel 5.2 EVRM bepaalt: "Een ieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht."

6. Uit die bepaling volgt dat wie de taal van de rechtspleging niet verstaat, moet bijgestaan worden door een tolk. Die bepaling regelt niet de taal van de rechtspleging.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.

7. Krachtens artikel 16, § 1, Taalwet Gerechtszaken wordt de rechtspleging voor de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken van Brussel in de regel gevoerd in het Frans of in het Nederlands, indien de verdachte woonachtig is in een gemeente van de Brusselse agglomeratie, naar gelang hij zich voor zijn verklaringen in het onderzoek van een of andere dezer talen heeft bediend. Van deze regel kan krachtens artikel 16, § 2, derde lid, van die wet worden afgeweken onder meer wanneer de verdachte aan de onderzoeksrechter een taalwijziging vraagt.

Artikel 53/1 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het ge-rechtelijk arrondissement Brussel, ingevoerd bij artikel 177 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14 mei 2014, heeft voormeld artikel 16, § 2, derde lid, aangevuld als volgt: "In spoedeisende gevallen kan de rechter bij wie de zaak oorspronkelijk aanhangig is gemaakt, voorlopig en gedurende de tijd die vereist is vanwege het spoedeisende karakter, de zaak verder blijven behandelen met, indien nodig, de medewerking van een tolk." Die bepaling treedt krachtens artikel 179 van de vermelde wet van 25 april 2014 in werking op 1 april 2014.

8. Artikel 5.2 EVRM vereist niet dat de onderzoeksrechter die op grond van artikel 16, § 2, derde lid, Taalwet Gerechtszaken, voorlopig de zaak blijft behan-delen in de andere van de in artikel 16, § 1, van die wet vermelde talen dan deze die de verdachte voor de rechtspleging heeft gekozen, preciseert waarom hij oor-deelt dat de zaak spoedeisend is.

In zoverre faalt het middel evenzeer naar recht.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 25,91 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 17 juni 2014

 

 

Noot: 

Wetgeving

• Wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel - Spoedeisende gevallen

• Wet houdende diverse bepalingen betreffende Justitie van 25 april 2014, BS 14 mei 2014

Rechtspraak

• Cass. 19 augustus 2014, AR P14.1380 juridat

samenvatting

Over het verzoek van de beklaagde tot verzending van een zaak naar een rechtsmacht van dezelfde rang van de andere taalrol, wordt beslist door de raadkamer; het arrest dat oordeelt dat de raadkamer over dergelijke verwijzing enkel kan beslissen op vordering van het openbaar ministerie is niet naar recht verantwoord

Tekst arrest

Nr. P.14.1357.N
M E,
inverdenkinggestelde, aangehouden,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 augustus 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ambtshalve middel

Geschonden wetsbepaling

- Artikel 16, § 2, derde lid, Taalwet Gerechtszaken

1. Artikel 16, § 2, derde lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat de verdachte, zo de zaak in onderzoek is, een aanvraag tot wijziging van het taalgebruik zal doen aan de onderzoeksmagistraat die hem daarvan akte zal verlenen.

2. Over het verzoek van de beklaagde tot verzending van een zaak naar een rechtsmacht van dezelfde rang van de andere taalrol, wordt beslist door de raad-kamer.

3. Het arrest dat oordeelt dat de raadkamer over dergelijke verwijzing enkel kan beslissen op vordering van het openbaar ministerie is niet naar recht verant-woord.

Middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 21, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest neemt in strijd met de geest van de wet aan dat de voorlopige situatie bedoeld in artikel 21, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken duurt zolang de voorlopige hechtenis duurt; aangezien zowel de raadkamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel als de Nederlandstalige kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel niet bevoegd waren om over de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser te beslissen en de wettelijke termijnen hiervoor verstreken zijn, dient het arrest zonder verwijzing te worden verbroken.

5. Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de onder-zoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvorde-ring.

In zoverre faalt het middel naar recht.

6. Krachtens artikel 16, § 2, derde lid, Taalwet Gerechtszaken, kan de verdach-te zo de zaak in onderzoek is, een aanvraag doen tot wijziging van het taalgebruik aan de onderzoeksmagistraat die hem daarvan akte zal verlenen. In spoedeisende gevallen kan de rechter bij wie de zaak oorspronkelijk aanhangig is gemaakt, voorlopig en gedurende de tijd die vereist is vanwege het spoedeisende karakter, de zaak verder blijven behandelen met, indien nodig, de medewerking van een tolk.

Krachtens artikel 21, eerste, tweede en derde lid, Taalwet Gerechtszaken, wordt wanneer voor de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken waar naar luid van de vorige beschikkingen, de taal der rechtspleging diegene is waarvan de verdachte zich heeft bediend voor zijn verklaringen, of die welke hij verkozen heeft, verscheidene verdachten in dezelfde zaak betrokken zijn, voor de rechtspleging de taal gebruikt, waarvan de meerderheid der verdachten zich heeft bediend voor haar verklaringen of welke zij verkozen heeft. In geval van gelijkheid, duidt de rechtbank zelf, bij een met redenen omklede beslissing, de taal aan, waarin de rechtspleging zal gevoerd worden. Die beslissing is noch voor verzet noch voor beroep vatbaar.

Indien uit de toepassing van het eerste lid de noodzaak voortvloeit om de taal van de rechtspleging te veranderen, verwijst de rechtbank de zaak door naar de rechtsmacht van dezelfde rang van de andere taalrol, in voorkomend geval in het-zelfde administratieve arrondissement. Zo de zaak in onderzoek is en het spoedeisende karakter zulks rechtvaardigt, kan de rechter bij wie de zaak oorspronkelijk aanhangig is gemaakt voorlopig en gedurende de tijd die vereist is vanwege het spoedeisende karakter de zaak verder blijven behandelen met, indien nodig, de medewerking van een tolk.

7. Uit die bepalingen volgt dat de onderzoeksmagistraten en de onderzoeksge-rechten, indien zij van oordeel zijn dat een gevraagde taalwijziging van de rechtspleging vereist is, toch de zaak verder kunnen blijven behandelen vanwege het spoedeisend karakter van het onderzoek.

8. De rechter oordeelt in feite over het spoedeisend karakter van het onder-zoek.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vast-stelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

9. De spoedeisendheid waarvan sprake in de artikelen 16 en 21 Taalwet Ge-rechtszaken kan niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat de inver-denkinggestelde aangehouden is.

10. De appelrechters die oordelen dat er bij het voeren van het verdere onder-zoek hoogdringendheid is zolang de inverdenkinggstelde aangehouden blijft, ver-antwoorden hun beslissing niet naar recht.

In zoverre is het middel gegrond.

11. Krachtens artikel 13 Taalwet Gerechtszaken wordt voor de raadkamer zete-lend in strafzaken en voor de kamer van inbeschuldigingstelling geheel de rechtspleging gevoerd in de taal welke voor de daden van het gerechtelijk onderzoek wordt gebruikt.

12. Uit die bepaling volgt dat zolang het onderzoek niet is verwezen naar een anderstalige rechtbank het onderzoeksgerecht bevoegd blijft om te oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis in de taal van de rechtspleging van dat onderzoek.

De vernietiging dient derhalve te geschieden met verwijzing.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldiging-stelling, anders samengesteld.
Bepaalt de kosten op 122,16 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, en op de openbare rechtszitting van 19 augustus 2014

P.14.1357.N
Advocaat-generaal Van Ingelgem heeft in hoofdzaak gezegd:

1. Het cassatieberoep verwijt de bestreden beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling (in het raam van de handhaving van de voorlopige hechtenis, en meer bepaald n.a.v. een door eiser gevraagde taalwijziging van de rechtspleging) artikel 21, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken te schenden, door in strijd met de geest van de wet toepassing te maken van het aspect "spoedeisend karakter" zoals bedoeld in dat artikel, waardoor de onderzoeksgerechten (raadkamer en kamer van inbeschuldigingstelling) niet bevoegd waren om over de handhaving van de voorlopige hechtenis van eiser te beslissen en de wettelijke termijnen hiervoor verstreken zijn.

2. Er mag in dat kader m.i. niet uit het oog worden verloren dat de taalregeling zowel opsporingsonderzoek en onderzoek, raadkamer en kamer van inbeschuldigingstelling, betreft als de eigenlijke rechtspleging voor de strafgerechten ten gronde, en dat conform artikel 13 Taalwet Gerechtszaken voor de raadkamer en voor de kamer van inbeschuldigingstelling geheel de rechtspleging gevoerd wordt in de taal welke voor de daden van het gerechtelijk onderzoek wordt gebruikt.

3. Na de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel (door de Wet van 19 juli 2012) waardoor dit thans twee correctionele rechtbanken (een Nederlandstalige en een Franstalige) telt, drong een wijziging van artikel 16 (en 21) van de Taalwet Gerechtszaken zich op i.v.m. de doorverwijzing van de zaak n.a.v. een verzoek tot taalwijziging door de verdachte.

4. Dit houdt voor artikel 16, §2, derde lid, Taalwet Gerechtszaken in dat zo de zaak in onderzoek is, de verdachte zijn aanvraag zal doen aan de onderzoekrechter die hem daarvan akte zal verlenen, en dat in spoedeisende gevallen de rechter bij wie de zaak oorspronkelijk aanhangig is gemaakt, voorlopig en gedurende de tijd die vereist is vanwege het spoedeisend karakter, de zaak verder zal blijven behandelen met, indien nodig, de medewerking van een tolk.

5. Volgens het wetsontwerp van 11 december 2013 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie (Kamer DOC 53 3149/004, 27-29) komen de wijzigingen in artikel 21 van die wet tegemoet aan dezelfde bekommernissen en beogen zij dezelfde doelstellingen als deze in artikel 16, §2, d.w.z.: de mogelijkheid om het dossier te blijven behandelen gedurende het tijdsbestek waarin het spoedeisend karakter geldt.

6. Uit dit alles volgt naar mijn oordeel dat - ondanks een gevraagde taalwijziging - onderzoeksmagistraten en onderzoerksgerechten de zaak verder kunnen blijven behandelen en derhalve bevoegd blijven in het kader van de beoordeling van de voorlopige hechtenis.

7. Het staat mij in dat verband ook voor dat de rechter - binnen het kader van de wettigheidscontrole ter zake door uw Hof - in feite, en derhalve op onaantastbare wijze, het spoedeisend karakter van het onderzoek beoordeelt, en dat hij dit in casu - met inachtneming van de daartoe opgegeven redenen (die zich in de context van de voorlopige hechtenis, in combinatie met de noden en de voortgang van het onderzoek, en het daaraan gekoppelde aspect van hoogdringendheid situeren) - naar recht verantwoordt (cf. Cass. 14 februari 2012, AR P.11.0989.N, niet gepubliceerd).

8. Op grond van al deze overwegingen lijkt het enig middel van eiser mij dan ook te falen naar recht, en kan het voor het overige niet worden aangenomen.

9. Nu er m.i. geen ambtshalve middelen zich opdringen, concludeer ik derhalve tot VERWERPING.

• Cass. 2 september 2014, AR P14.1380

Samenvatting

De onderzoeksrechter beoordeelt onaantastbaar of de spoedeisendheid vereist dat hij de zaak verder behandelt en die spoedeisendheid moet niet worden vastgesteld bij uitdrukkelijke beslissing van de onderzoeksrechter, maar kan blijken uit de omstandigheid dat hij de zaak verder blijft behandelen en niet ingaat op het verzoek om taalwijziging; indien de onderzoeksrechter uitdrukkelijk vaststelt dat er spoedeisendheid is, dient hij die spoedeisendheid niet nader te motiveren.

Tekst arrest

Nr. P.14.1380.N
O D B,
inverdenkinggestelde, aangehouden,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 augustus 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, zoals het bestond op 10 april 2014, en 40 Taalwet Gerechtszaken.

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat eisers ver-hoor in het Nederlands door de onderzoeksrechter op 10 april 2014 niet nietig is en geen afbreuk doet aan de geldigheid van het bevel tot aanhouding van 18 juli 2014; het verhoor van 10 april 2014 en bijgevolg ook alle procedurestukken opgesteld na die datum waren immers nietig omdat de eiser, die woonachtig is in de Brusselse agglomeratie, bij dat verhoor de Franse taal koos, zodat de onderzoeks-rechter hem daarvan akte moest verlenen en de zaak vervolgens naar de Franstali-ge rechtbank van eerste aanleg te Brussel moest worden verwezen; het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter gerechtigd was de zaak wegens haar spoedeisend karakter in het Nederlands te blijven behandelen; die mogelijkheid bestond nog niet op 10 april 2014 omdat de desbetreffende afwijkingsregel, opge-nomen in de nieuwe tweede zin van artikel 16, § 2, derde lid, Taalwet Gerechtszaken, slechts werd ingevoerd bij de wet van 25 april 2014, gepubliceerd in het Bel-gisch Staatsblad van 14 mei 2014; het feit dat die bepaling in werking trad op 1 april 2014, doet daaraan geen afbreuk.

3. Krachtens artikel 16, § 1, Taalwet Gerechtszaken wordt de rechtspleging voor de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken van Brussel in de regel gevoerd in het Frans of in het Nederlands, indien de verdachte woonachtig is in een gemeente van de Brusselse agglomeratie, naargelang hij zich voor zijn ver-klaringen in het onderzoek van een of andere dezer talen heeft bediend. Van deze regel kan krachtens artikel 16, § 2, derde lid, eerste zin, van die wet worden afgeweken wanneer de verdachte, zo de zaak in onderzoek is, zijn aanvraag tot taal-wijziging aan de onderzoeksrechter doet.

Artikel 53/1 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het ge-rechtelijk arrondissement Brussel, ingevoerd bij artikel 177 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14 mei 2014, heeft het vermelde artikel 16, § 2, derde lid, aangevuld met een tweede zin die bepaalt: "In spoedeisende gevallen kan de rech-ter bij wie de zaak oorspronkelijk aanhangig is gemaakt, voorlopig en gedurende de tijd die vereist is vanwege het spoedeisende karakter, de zaak verder blijven behandelen met, indien nodig, de medewerking van een tolk." Die bepaling treedt krachtens artikel 179 van de wet van 25 april 2014 in werking op 1 april 2014.

4. Uit die met deze bepalingen uitgewerkte regeling die volgens de wil van de wetgever in werking getreden zijn op 1 april 2014, volgt dat een onderzoeksrech-ter die in de periode van 1 april 2014 tot 14 mei 2014 werd geconfronteerd met een verzoek tot taalwijzing als bedoeld in artikel 16, § 2, derde lid, Taalwet Ge-rechtszaken, ingeval van spoedeisendheid niet ertoe gehouden was zijn onderzoek te staken met het oog op verwijzing naar de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, maar de zaak voorlopig verder mocht behandelen zolang de spoed-eisendheid bestond, indien nodig met behulp van een tolk.

5. De onderzoeksrechter beoordeelde onaantastbaar of de spoedeisendheid vereiste dat hij de zaak voorlopig verder behandelde. Die spoedeisendheid diende niet te worden vastgesteld bij uitdrukkelijke beslissing van de onderzoeksrechter, maar kon blijken uit de omstandigheid dat hij de zaak verder bleef behandelen en niet inging op het verzoek om taalwijziging.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

6. Met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal oordeelt het arrest dat, als wordt aangenomen dat de eiser bij zijn verhoor op 10 april 2014 de hoedanigheid van verdachte had:

- de onderzoeksrechter een correcte toepassing heeft gemaakt van artikel 16, § 2, Taalwet Gerechtszaken, gelet op het spoedeisend karakter van de zaak;

- die spoedeisendheid duidelijk blijkt uit het gerechtelijk onderzoek, waar de onderzoeksrechter nog diezelfde dag een afluistermaatregel heeft bevolen;

- de onderzoeksrechter niet moet preciseren waarom hij oordeelt dat de zaak spoedeisend is;

- de voortzetting van het dossier in het Nederlands door de onderzoeksrechter na een verzoek tot taalwijziging inhoudt dat er spoedeisendheid is;

- artikel 16 Taalwet Gerechtszaken niet bepaalt dat de spoedeisendheid moet worden vermeld.

Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat het bevel tot aanhouding van 18 juli 2014 niet nietig is wegens schending van de Taalwet Ge-rechtszaken bij het verhoor van 10 april 2014.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eiser bij zijn verhoor van 10 april 2014 geen verdachte was in de zin van artikel 16, § 2, derde lid, eerste zin, Taalwet Gerechtszaken omdat de onderzoeksrechter hem niet officieel in verdenking heeft gesteld; die bepaling is evenwel van toepassing op eenieder die het voorwerp uitmaakt van de strafvervolging, ongeacht of hij ver-dachte of inverdenkinggestelde is; de eiser werd op 10 april 2014 in werkelijkheid als inverdenkinggestelde verhoord, zodat er rekening moest worden gehouden met zijn taalkeuze en de zaak in het Frans moest worden voortgezet; bijgevolg zijn het verhoor van 10 april 2014 en alle erop volgende in het Nederlands gestelde plich-ten, waaronder het bevel tot aanhouding van 18 juli 2014, van rechtswege nietig.

8. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoer-de onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 2, Taalwet Gerechtszaken: op grond van de feiten die het vaststelt, kan het arrest niet wettig oordelen dat de zaak op 18 juli 2014 wegens spoedeisendheid verder in het Nederlands kon be-handeld worden; op die datum was de zaak niet spoedeisend meer; door te oorde-len dat er nog steeds spoedeisendheid is, beschouwt het arrest bovendien de spoedeisendheid als een soort van voortdurende situatie, waardoor er nooit een einde komt aan de door de wetgever omschreven voorlopige situatie.

10. De onderzoeksrechter beoordeelt onaantastbaar of de spoedeisendheid ver-eist dat hij de zaak voorlopig verder behandelt. Die spoedeisendheid moet niet worden vastgesteld bij uitdrukkelijke beslissing van de onderzoeksrechter, maar kan blijken uit de omstandigheid dat hij de zaak verder blijft behandelen en niet ingaat op het verzoek om taalwijziging. Indien de onderzoeksrechter uitdrukkelijk vaststelt dat er spoedeisendheid is, dient hij die spoedeisendheid niet nader te motiveren.

11. Het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de geldigheid van het bevel tot aanhouding en waarvoor binnen dat kader de regelmatigheid van de hiervoor ver-melde beslissing wordt betwist, dient evenwel die regelmatigheid te onderzoeken en daarbij zo nodig te preciseren waarin de door de onderzoeksrechter aangeno-men spoedeisendheid bestaat. Het onderzoeksgerecht oordeelt daarover onaan-tastbaar in feite. Het Hof gaat enkel na of het uit de feiten en omstandigheden die het vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

12. In zoverre het middel op grond van gegevens uit het strafdossier aanvoert dat de zaak niet of niet meer spoedeisend was op 18 juli 2014, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bij-gevolg niet ontvankelijk.

13. Met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal, oordeelt het arrest:

"Ten overvloede dient nog opgemerkt te worden dat de spoedeisendheid in dit dossier zeker niet fictief is. De beginfase van een strafonderzoek naar feiten van doodslag is cruciaal, waarbij de meeste onderzoeksdaden spoedeisend zijn om de waarheid aan het licht te brengen, hetgeen duidelijk blijkt uit de door de onder-zoeksrechter bevolen onderzoeksmaatregelen, waaronder meerdere telefoontaps en DNA-onderzoek.

Bij het verzoek van [de eiser] tot taalwijziging aan de onderzoeksrechter op 18 juli 2014 was hij bovendien van zijn vrijheid beroofd zodat de termijn van 24 uur lopende was."

Met die redenen oordeelt het arrest wettig dat de zaak op 18 juli 2014 spoedeisend was in de zin van artikel 16, § 2, derde lid, tweede zin, Taalwet Gerechtszaken.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

14. Voor het overige kan uit het feit dat de spoedeisendheid gedurende enige tijd blijft bestaan, niet worden afgeleid dat er nooit een einde aan komt.
In zoverre faalt het middel naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 61,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer en op de openbare rechtszitting van 2 september 2014

Noot:

• Revue de droit pénal et de criminologie [Rev.dr.pén.crim.] DEJEMEPPE, Benoît; Note 'BHV: la demande de changement de langue et la plasticité de la notion d'urgence' 2015, n° 2, p. 165-172.

Wet / 1935-06-14 / Art. 16, § 2 /

Rechtsleer

Pim Vanwalleghem, Cassatie beperkt mogelijkheden tot taalwijziging tijdens gerechtelijk onderzoek in BHV
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 07/08/2017 - 10:41
Laatst aangepast op: ma, 07/08/2017 - 10:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.