-A +A

Taak van de rechter kennelijk ongegronde vordering afwijzingsplicht bij verstek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 13/12/2016
A.R.: 
P.16.0421.N

De rechter is gehouden bij verstek een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer af te wijzen.

De rechter bij verstek die de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij niet inwilligt, moet vaststellen dat het inwilligen ervan strijdig is met de openbare orde.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Strafrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
133
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.0421.N
P D,
burgerlijke partij,
eiser,
tegen
A A J L,
beklaagde,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 12 februari 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis wijst de burgerlijke rechtsvordering van de eiser af als onge-grond zonder vast te stellen dat ze strijdig is met de openbare orde; dat is nochtans vereist door artikel 806 Gerechtelijk Wetboek dat op grond van artikel 2 Gerechtelijk Wetboek van toepassing is indien de rechter zich uitspreekt over de burgerlijke rechtsvordering; deze bepaling, zoals gewijzigd door artikel 20 van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie en in werking getreden op 1 november 2015 is bij gebrek aan specifieke overgangsbepalingen van toepassing op dit ge-ding; eisers hoger beroep werd immers ingeleid op de rechtszitting van 15 januari 2016 en de verweerder heeft op deze rechtszitting verstek gelaten.

2. Artikel 806 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde."

3. Uit die bepaling volgt dat de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij moet inwilligen tenzij een grond van openbare orde zich daartegen verzet.

4. Uit de wetgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever het aan de rechter heeft overgelaten om het begrip openbare orde nader in te vullen.

5. Van openbare orde is datgene wat de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raakt of wat in het privaat recht de juridische grondslagen bepaalt waarop de economische of morele orde van de maatschappij berust.

6. In de context van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek is het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdig met de openbare orde.

7. De rechter bij verstek die de vorderingen of verweermiddelen van de ver-schijnende partij niet inwilligt, moet vaststellen dat het inwilligen ervan strijdig is met de openbare orde.

8. Het bestreden vonnis wijst eisers vordering af zonder vast te stellen dat ze strijdig is met de openbare orde.

Het middel is gegrond.

Overige middelen

9. De overige middelen kunnen niet leiden tot cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die aan de verwijzingsrechter.
Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, anders samengesteld, rechtszitting houdend in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 13 december 2016 uitgesproken

P.16.0421.N
Conclusie van advocaat-generaal Timperman:

Onderhavige zaak betreft inzonderheid de vraag naar de toepassing van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek bij verstek van de verweerder in het kader van de afhandeling van de burgerlijke belangen door de strafrechter: in hoeverre schendt de strafrechter die in voorkomend geval de burgerlijke vordering afwijst wegens afwezigheid van causaal verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde misdrijf die bepaling?

Artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 20 van de Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie (BS 22 oktober 2015, 65084), bepaalt: "In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde."

Eiser en verweerder in cassatie werden vervolgd naar aanleiding van een verkeersongeval te Brugge op 11 januari 2014. Eiser werd vervolgd om als bestuurder van een voertuig die op de openbare weg een maneuver wil uitvoeren geen voorrang te hebben verleend aan de andere weggebruikers. Verweerder werd vervolgd om op een openbare plaats een voertuig te hebben bestuurd, namelijk een personenauto, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht heeft gemeten of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed heeft aangegeven, terwijl het misdrijf aan zijn/haar persoonlijk toedoen te wijten is.

Bij vonnis van 8 oktober 2014 van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, werden eiser en verweerder, de eerste op tegenspraak, de tweede bij verstek, veroordeeld. Voor zo veel als nodig hield de politierechtbank ambtshalve de burgerlijke belangen aan overeenkomstig artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

Op 14 september 2015 legde de raadsman van eiser overeenkomstig het derde lid van genoemd artikel 4 ter griffie van de politierechtbank een verzoekschrift neer, dat geldt als burgerlijke partijstelling en ertoe strekt een rechtsdag te bepalen en uitspraak te doen over de burgerlijke belangen. Eiser vorderde van verweerder vergoeding te bekomen voor schade opgelopen bij het verkeersongeval te Brugge op 11 januari 2014(1).

Bij verstekvonnis van 14 oktober 2015 verwierp de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, eisers vordering op de gronden dat de strafrechter enkel schadevergoeding kan toekennen wanneer de gevorderde schade voortvloeit uit het bewezen verklaarde misdrijf dat het voorwerp van de vervolging uitmaakt, dat verweerder enkel werd vervolgd voor het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol en dat het op basis van de voorliggende dossiergegevens niet bewezen voorkomt dat het bewezen misdrijf "sturen onder invloed van alcohol" in oorzakelijk verband staat met het ongeval.

Eiser stelde bij akte van 28 oktober 2015 hoger beroep in. In zijn verstekvonnis van 12 februari 2016 bevestigde de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de beslissing van de politierechtbank. In zijn vonnis overwoog de rechtbank dat de burgerlijke vordering tot schadevergoeding uit een misdrijf waarvoor beklaagde niet vervolgd wordt, niet ontvankelijk is. Verweerder werd niet vervolgd wegens het voeren van overdreven, of onaangepaste snelheid, noch voor het volgen van de linker rijstrook. De eerste rechter deed terecht gelden dat de eiser zijn vordering, binnen het kader van het onderhavig proces, enkel kan enten op de strafbare alcoholopname van verweerder. Ook met betrekking tot de afwezigheid van een bewezen causaal verband tussen de toestand waarin verweerder stuurde en het verkeersongeval sloot de rechtbank zich aan bij de overwegingen van de eerste rechter.

Tegen dit vonnis stelde eiser cassatieberoep in op 29 februari 2016.

Krachtens artikel 3 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering behoort de rechtsvordering tot herstel van schade, door een misdrijf veroorzaakt, aan hen die de schade hebben geleden. Krachtens artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de burgerlijke rechtsvordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering.

De strafrechter kan op grond van deze bepalingen slechts schadevergoeding aan een burgerlijke partij toekennen wanneer hij vaststelt dat die schade voortvloeit uit het als misdrijf gekwalificeerde feit dat hij bewezen verklaart(2). De burgerlijke vordering voor schade die niet voortvloeit uit een door de strafrechter bewezen verklaard en als misdrijf gekwalificeerd feit, behoort niet tot de bevoegdheid van de strafrechter(3). De regels betreffende de bevoegdheid van de strafrechter, zowel wat de publieke als wat de burgerlijke vordering aangaat, waaronder deze vervat in de artikelen 3 en 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, raken de openbare orde(4).

Daaruit vloeit voort dat de strafrechter die een burgerlijke vordering toekent voor schade die niet voortvloeit uit een misdrijf dat hij bewezen heeft verklaard dat doet in strijd met de openbare orde, zodat de strafrechter die in een verstekvonnis uitspraak doet over een burgerlijke vordering moet nagaan of de gevorderde schade voortvloeit uit een bewezen verklaard misdrijf en, wanneer hij vaststelt dat dat niet het geval is, de vordering in toepassing van artikel 2 juncto artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek moet afwijzen omdat inwilliging ervan strijdig zou zijn met de openbare orde.

Toegepast op de voorliggende zaak impliceert dit dat de rechtbank van eerste aanleg - die in toepassing van de artikelen 3 en 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering op verstek uitspraak deed over de burgerlijke vordering van eiser na de inwerkingtreding op 1 november 2015 van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek zoals vervangen door artikel 20 van de wet van 19 oktober 2015 en aldus gehouden was dat artikel toe te passen(5) - moest nagaan of de gevorderde schade verband hield met het bewezen verklaard misdrijf en, wanneer hij vaststelde dat dat niet het geval is, de vordering moest afwijzen omdat de toekenning ervan in strijd zou zijn met de openbare orde. Het zij opgemerkt dat het nieuwe artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek op dat vlak geen verandering inhoudt ten opzichte van de situatie die bestond vóór de inwerkingtreding ervan.

Het eerste middel van eiser, dat aanvoert dat het bestreden vonnis zijn vordering in een verstekvonnis afwijst zonder te weerhouden dat de vordering van eiser strijdig is met de openbare orde, mist feitelijke grondslag nu het bestreden vonnis door te oordelen dat de gevorderde schade niet voortvloeit uit het bewezen verklaarde misdrijf te kennen geeft dat de vordering niet tot diens bevoegdheid behoort, zodat de toekenning ervan in strijd zou zijn met de openbare orde.

Zou uw Hof niettemin van oordeel zijn dat de omstandigheid, dat de bevoegdheid van de strafrechter om uitspraak te doen over de burgerlijke vordering in het kader van artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering van openbare orde is, niet impliceert dat de strafrechter die onderzoekt of de gevorderde schade voortvloeit uit het misdrijf waarvoor de verweerder werd vervolgd en veroordeeld, dat doet in het kader van zijn beperkte bevoegdheid, maar dat daarentegen de strafrechter dat enkel doet in het kader van het onderzoek van het vereiste oorzakelijk verband in het kader van het aansprakelijkheidsrecht, dan dient te worden vastgesteld dat de rechter in het bestreden vonnis de burgerlijke vordering van eiser in een verstekvonnis heeft afgewezen zonder dat dat is gebeurd op grond van een motief waaruit blijkt dat de vordering van eiser strijdig is met de openbare orde. De wetsbepalingen betreffende de aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad raken immers niet de openbare orde, en zijn niet dwingend(6).

Alsdan is het eerste middel van eiser in principe gegrond. Het aan de orde zijnde artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek impliceert immers dat de rechtspraak van uw Hof inzake de rol van de rechter bij verstek niet langer onverkort geldt.

Krachtens die rechtspraak stond het de verstekrechter, wanneer de verweerder op de vordering verstek liet, de grond van de zaak te onderzoeken en daarbij ambtshalve alle middelen tegen de vordering te beoordelen, zelfs indien zij de openbare orde niet raakten(7). In zijn noot bij het arrest van 16 januari 1976 oordeelt E.K. dat deze regel getuigt van gezond verstand, nu de rechter geen vordering kan toewijzen die noch in feite noch in rechte gegrond is(8).

De nieuwe regel is dat de rechter in een verstekvonnis de vorderingen of de verweermiddelen van de verschijnende partij inwilligt, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde. Ongeacht de vele mogelijke commentaren en kritieken(9) is de betreffende bepaling, zelfs (ten overvloede) mede in acht genomen de parlementaire voorbereiding ervan(10), niet redelijkerwijze voor een andere uitleg vatbaar dan dat zij de verstekrechter niet toelaat op grond van een bepaling van aanvullend (of louter dwingend) recht een vordering af te wijzen.

Aangezien de regels inzake de aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad niet van openbare orde zijn, kan de verstekrechter dus sinds 1 november 2015 in principe niet op grond van die regels de vordering afwijzen in geval de verweerder op een burgerlijke vordering verstek laat. Vóór 1 november 2015 kon dat wel.

De conclusie zou slechts anders zijn wanneer het nieuwe artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek anders moet geïnterpreteerd worden of buiten toepassing gelaten worden op grond van een lex specialis, in het licht van een bepaling van grondwettelijk recht, of in het licht van een bepaling van Europees of ander internationaal recht. Het lijkt actueel niet aangewezen dat te onderzoeken.

Immers, op 26 april 2016 is bij aangetekende brief van 22 april 2016 bij de griffie van het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging van diverse bepalingen van de Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, waaronder artikel 20, dat artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek heeft vervangen, ingekomen.

In die context lijkt het mij raadzaam om, wanneer uw Hof zou oordelen het eerste middel niet om de in de randnummers 0 tot en met 0 vermelde reden te kunnen verwerpen, de behandeling van de zaak uit te stellen tot het Grondwettelijk Hof uitspraak heeft gedaan over het beroep dat op zijn rol is ingeschreven onder nummer 6417(11).

Zou uw Hof het eerste middel wel om hogervermelde reden menen te moeten verwerpen en aldus de zaak kunnen afhandelen zonder de uitspraak van het Grondwettelijk Hof af te wachten - aangezien de oplossing in dat geval onafhankelijk is van de draagwijdte of wettigheid van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek - dan voeg ik er nog aan toe dat ook het tweede, derde en vierde middel van eiser niet tot cassatie kunnen leiden.

In zijn tweede middel voert eiser dat de appelrechters de motiveringsverplichting (artikel 149 van de Grondwet) schenden en de bewijskracht van akten (artikelen 1319, 1320 en 1322 BW) miskennen door in het bestreden vonnis niet te verwijzen naar een verklaring van verweerder uit het strafdossier en door bij de beoordeling van een foto uit het strafdossier (enkel) de schade en niet het punt van impact in overweging te nemen. De aangevoerde schending van de bewijskracht van akten kan niet worden aangenomen in zoverre miskenning wordt aangevoerd van de foto bovenaan op bijlage 6 bij proces-verbaal met notitienummer BG.91.L1.300103/14 (bladzijde 17 van het strafdossier) omdat de beoordeling van een foto, los van om het even welke tekst deze zou illustreren, geen miskenning van bewijskracht van akten is(12). Voorts kan de feitenrechter, wat de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de verklaring van de verweerder opgenomen in bijlage 4 bij het proces verbaal met notitienummer BG.90.L1.300103/2014, de bewijskracht van een akte niet miskennen door er niet naar te verwijzen. Ten slotte houdt de grief in het tweede middel geen verband met de motiveringsplicht, nu noch wordt aangevoerd dat niet is geantwoord op een middel, noch dat de motivering van het bestreden vonnis het Hof niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.

In zijn derde middel voert eiser aan dat het bestreden vonnis artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 24 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek schendt. De appelrechters zouden het gezag dan wel de kracht van gewijsde van het vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 8 oktober 2014 schenden door de inhoud ervan naast zich neer te leggen.

De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het gezag van gewijsde zijn niet van toepassing in strafzaken(13). In zoverre het middel, dat de schending van artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek aanvoert, uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Kracht van gewijsde betekent enkel dat tegen een beslissing geen (gewoon) rechtsmiddel meer kan aangewend worden(14). De in het middel geformuleerde grief is vreemd aan het kracht van gewijsde van het vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 8 oktober 2014, zodat het middel, in zoverre het de schending van artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek aanvoert, niet kan worden aangenomen.

Met de aanvoering van de schending van artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, beoogt de eiser de schending aan te voeren van het mede in dat artikel uitgedrukte algemeen beginsel van strafrechtelijk gewijsde(15). Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt voor wat de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist, met betrekking tot de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing uitmaken(16). Het geldt alleen voor de onherroepelijke beslissingen van de rechter die over de grond van de strafvordering uitspraak doen(17).

Blijkens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan is het vonnis van 8 oktober 2014 onherroepelijk(18). Evenwel miskent het bestreden vonnis niet het gezag van strafrechtelijk gewijsde van die beslissing. In het vonnis van 8 oktober 2014 heeft de politierechter, zoals het bestreden vonnis te kennen geeft, niet zeker en noodzakelijk beslist dat er een causaal verband bestaat tussen het verkeersongeval en de dronkenschap van de verweerder. Het middel kan dus ook in zoverre niet worden aangenomen.

In zoverre het middel nog stelt dat er wel degelijk een causaal verband is tussen het sturen onder invloed door de verweerder en het verkeersongeval en dat minstens dat de strafrechtelijk gesanctioneerde fout van de verweerder ertoe heeft geleid de schade in hoofde van eiser aanzienlijk werd vergroot, nodigt het het Hof uit tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.

In zijn vierde middel voert de eiser een motiveringsgebrek aan. De appelrechters antwoorden niet op eisers middelen aangaande een - in ondergeschikte orde - minstens gedeelde aansprakelijkheid. Het bestreden vonnis beantwoordt die middelen door te oordelen dat er geen causaal verband is tussen de toestand waarin verweerder stuurde en het verkeersongeval. Het middel mist feitelijke grondslag.

Conclusie: VERWERPING van het cassatieberoep, of uitstel van de behandeling van de zaak tot na uitspraak door het Grondwettelijk Hof in de zaak die bij dat Hof in ingeschreven onder rolnummer 6417.
______________________
(1) De politierechter werd dus als strafrechter geadieerd over de burgerlijke vordering in het kader van artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Hij werd niet als burgerlijke rechter geadieerd in het kader van zijn in artikel 601bis Gerechtelijk Wetboek omschreven bevoegdheid voor schade ontstaan uit een verkeersongeval.
(2) Cass. 16 april 1985, nr. 9137, AC 1984-85, nr. 483.
(3) Cass. 12 december 2001, AR P.01.1236.F, AC 2001, nr. 695.
(4) Cass. 13 juni 1955, AC 1955, nr. 841.
(5) Het nieuwe artikel 806 Gerechtelijk Wetboek is een procedurewet die betrekking heeft op de activiteit van de rechter. De wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie bevat geen bijzondere bepalingen inzake de werking in de tijd van artikel 20, dat het artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek heeft vervangen. Het nieuwe artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek is dus onmiddellijk van toepassing in lopende procedures (art. 3 van het Gerechtelijk Wetboek; zie eveneens P. ROUBIER, Le droit transitoire: conflits des lois dans le temps, Parijs, Dalloz en Sirey, 1960, 2e ed., 545-546; H. BOULARBAH EN J. VAN DROOGHENBROECK, "Résumé rudimentaire et application dans le temps de la loi dite "Pot-pourri I"", JT 2015, (765), 765; G. DE LEVAL, J. VAN COMPERNOLLE EN F. GEORGES, "La loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile en portant des dispositions diverses en matière de justice", JT 2015, (785), 797; F. LEJEUNE, "Simplification de la procédure par défaut et métamorphose de l'appel, pour quelle efficacité?" in J. ENGLEBERT EN X. TATON (eds.), Le procès civil efficace - Première analyse de la loi du 19 octobre 2015 modifiant le dorit de la procédure civile (dite "loi potpourri 1"), Limal, Anthemis, 2015, (107), nr. 78; C. DE BOE, "Le droit transitoire" in J. VAN DROOGHENBROECK (ed.), Le Code judiciaire en pot-pourri: promesses, réalités, perspectives, Brussel, Larcier, 2016, (357), 379-380; P. TAELMAN EN K. BROECKX, "Rechtsmiddelen na Potpourri I" in B. ALLEMEERSCH EN P. TAELMAN (eds.), Hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, Brugge, die Keure, 2016, (103), 145; G. CLOSSET-MARCHAL, "Le procès civil après la loi du 19 octobre 2015", TBBR 2016, (73), 79; S. MOSSELMANS, "Taak van de rechter bij verstek", RW 2016-17, (3), 7).
(6) Cass. 4 januari 1993, AR nr. 8089 AC 1993, nr. 1 en JTT 1993, 328, noot; Cass. 13 februari 1993, AR 8244, AC 1993, nr. 92.
(7) Zie Cass. 30 april 1936, Pas. 1936, I, 228, noot P. L.; Cass. 16 januari 1976, AC 1976, 577, noot E. K.; Cass. 14 november 2006, AR P.06.0896.N, AC, nr. 559.
(8) Zie het arrest aangehaald in voetnoot 7.
(9) Zie dienaangaande o.a. D. SCHEERS EN P. THIRIAR, Potpourri I - Gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 112-113; F. LEJEUNE, "Simplification de la procédure par défaut et métamorphose de l'appel, pour quelle efficacité?" o.c., 120-129 en 147; G. DE LEVAL, J. VAN COMPERNOLLE EN F. GEORGES, "La loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile en portant des dispositions diverses en matière de justice", l.c., 797-798; P. TAELMAN EN K. BROECKX, "Rechtsmiddelen na Potpourri I" o.c., 104-105 en 108-114; J. VAN DROOGHENBROECK, "Le défaut - Réajustement de la protection du justiciable défaillant" in H. BOULARBAH EN J. VAN DROOGHENBROECK (eds.), Pot-Pourri I et autres actualités de droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2016, (175), 176-177 en 184-193; S. MOSSELMANS, "Taak van de rechter bij verstek", l.c., nrs. 3, 40-45 en 73.
(10) Zie o.m. Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-2015, nr. 54-1219/001, 20 en 33;Verslag Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/005, 22, 97-98 en 102; Verslag Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/009, 8. Een eerdere, andere en - voor zover hier relevant - ruimere opdracht voor de verstekrechter (die impliceerde dat de verstekrechter de vordering moest verwerpen indien zij naar zijn oordeel kennelijk ongegrond is) sneuvelde na het advies nr. 57.529/2-3 van de afdeling wetgeving van de Raad van State (Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-2015, nr. 54-1219/001, 168) in de fase van het voorontwerp (zie Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-2015, nr. 54-1219/001, vgl. 74 en 193-194). Amendementen die ertoe strekten de opdracht van de verstekrechter terug te verruimen (Amendementen Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/004, 21-22 (amendement nr. 39) en 30-33 (amendement nr. 43)) werden verworpen (Verslag Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/005, 130).
Dat de minister tijdens de parlementaire behandeling verklaringen aflegde die zouden kunnen worden geïnterpreteerd als niet strokend met de tekst van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek (Verslag Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/005, 99-100; Verslag Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/009, 9-10) doet aan de weerhouden interpretatie geen afbreuk.
(11) Grondwettelijk Hof, Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, BS 15 juni 2016, 36469.
(12) Cass. 26 januari 2005, AR P.04.0928.F, AC 2005, nr. 52.
(13) Cass. 26 mei 1972, AC 1972, 907; Cass. 18 juli 1995, AR P.95.0889.N, AC 1995, nr. 350.
(14) Cass. 5 november 1931, Pas. 1931, I, 279, noot P. L; Cass. 18 juli 1995, AR P.95.0889.N, AC 1995, nr. 350.
(15) Cass. 27 juni 1972, AC 1972, 1036; R. HAYOIT DE TERMICOURT, Considérations sur le projet de Code judiciaire. Discours prononcé à l'audience solennelle de rentrée du 1er septembre et dont la Cour a ordonné l'impression, Brussel, Établissements Émile Bruylant, 1966, 12-13.
(16) Cass. 15 december 2011, AR F.10.0091.N, AC 2011, nr. 689, concl. toenm. advocaat-generaal D. THIJS.
(17) Cass. 3 oktober 2001, AR P.01.0537.F, AC, nr. 519.
(18) Het vonnis van 8 oktober 2014 werd aan verweerder betekend op 3 april 2015. Op 12 december 2015 werd verweerder verwittigd van de vervallenverklaring van het recht tot sturen die jegens hem werd uitgesproken bij definitieve beslissing van 8 oktober 2014 (zie stuk 18 van het rechtsplegingsdossier van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge). Te overvloede: in zijn op 15 januari 2016 neergelegde conclusie in graad van beroep gaf eiser te kennen dat navraag bij de griffie leert dat de verweerder geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen zijn strafrechtelijke veroordeling bij vonnis van 8 oktober 2014 (stuk 12 van het rechtsplegingsdossier van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge).
 

 

Noot: 

• Rechtskundig Weekblad [RW] MOSSELMANS, Sven; Noot 'Geen blinde inwillingsverplichting voor de rechter bij verstek' 2016-17, nr. 28, p. 1090-1095.

• Nullum Crimen [NC] THIRIAR, Pierre; Noot 'Het Hof van Cassatie verduidelijkt dat artikel 806 Ger. W. ook toegepast moet worden voor de burgerlijke belangen in strafzaken en interpreteert het begrip 'openbare orde' zeer ruim' 2017, nr. 2, p. 163-171.

• Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht [P&B] DANIELS, Caroline; Noot 'De verstekrechter mag kennelijk ongegronde vorderingen afwijzen' 2017, nr. 1, p. 22-25.

• Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] VEREECKE, Vincent; Noot 'Artikel 806 Gerechtelijk Wetboek in strafzaken en de kennelijk ongegrond vordering of verweer' 2017, nr. 7, p. 583-588.

• De Juristenkrant VERHOEVEN, Marek; Noot 'Meer bescherming voor wie verstek laat' 2017, nr. 341, p. 2.

• D. Scheers en P. Thiriar, Potpourri I – Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 113:  “Doordat art. 806 Ger.W. thans niet meer uitdrukkelijk bepaalt dat de rechter kan optreden in geval van een kennelijk ongegronde vordering, bestaat de kans dat de rechtspraak het begrip openbare orde in art. 806 Ger.W. heel ruim gaat interpreteren om de rechter toch de mogelijkheid te geven om een overdreven eis of een onrechtmatig schadebeding af te wijzen.

De wetgever heeft zelf een aanzet om het begrip openbare orde zo te bekijken dat een overdreven (...) schadebeding zou kunnen worden afgewezen. Dat standpunt verdient geen navolging en kan leiden tot een zo ruime invulling van het begrip openbare orde dat het iedere zin gaat verliezen. Het valt zeer te betreuren dat de mogelijkheid voor de rechter om ambtshalve op te treden wanneer een eis kennelijk ongegrond is, niet werd behouden”.


Rechtsleer:

• Marek Verhoeyen, meer bescherming voor wie verstek laat, de Juristenkrant, 11 januari 2017 bladzijde twee.

De auteur bespreekt het cassatiearrest van 13 december 2016 P 16 0421 N, stellend dat de rechter verplicht wordt om bij verstek kennelijk ongegronde vorderingen af te wijzen. In dit arrest wordt verwezen naar de wetsgeschiedenis van de potpourri I waarin de rechter het begrip openbare orde dient in te vullen en waarbij volgens het Hof van Cassatie de openbare orde datgene is wat de essentiële belangen van de staat van de gemeenschap raakt of wat in het privaatrecht de juridische grondslagen bepaald waarop de economische of morele orde van de maatschappij berust.

Rechtspraak:

• Cass. 13/12/2016, AR 16.0421 N, juridat
Nr. P.16.0421.N
P D,
burgerlijke partij,
eiser,
tegen
A A J L,
beklaagde,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 12 februari 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis wijst de burgerlijke rechtsvordering van de eiser af als onge-grond zonder vast te stellen dat ze strijdig is met de openbare orde; dat is nochtans vereist door artikel 806 Gerechtelijk Wetboek dat op grond van artikel 2 Gerechtelijk Wetboek van toepassing is indien de rechter zich uitspreekt over de burgerlijke rechtsvordering; deze bepaling, zoals gewijzigd door artikel 20 van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie en in werking getreden op 1 november 2015 is bij gebrek aan specifieke overgangsbepalingen van toepassing op dit ge-ding; eisers hoger beroep werd immers ingeleid op de rechtszitting van 15 januari 2016 en de verweerder heeft op deze rechtszitting verstek gelaten.

2. Artikel 806 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde."

3. Uit die bepaling volgt dat de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij moet inwilligen tenzij een grond van openbare orde zich daartegen verzet.

4. Uit de wetgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever het aan de rechter heeft overgelaten om het begrip openbare orde nader in te vullen.

5. Van openbare orde is datgene wat de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raakt of wat in het privaat recht de juridische grondslagen bepaalt waarop de economische of morele orde van de maatschappij berust.

6. In de context van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek is het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdig met de openbare orde.

7. De rechter bij verstek die de vorderingen of verweermiddelen van de ver-schijnende partij niet inwilligt, moet vaststellen dat het inwilligen ervan strijdig is met de openbare orde.

8. Het bestreden vonnis wijst eisers vordering af zonder vast te stellen dat ze strijdig is met de openbare orde.

Het middel is gegrond.

Overige middelen

9. De overige middelen kunnen niet leiden tot cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die aan de verwijzingsrechter.
Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, anders samengesteld, rechtszitting houdend in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, op de openbare rechtszitting van 13 december 2016 uitgesproken

P.16.0421.N
Conclusie van advocaat-generaal Timperman:

Onderhavige zaak betreft inzonderheid de vraag naar de toepassing van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek bij verstek van de verweerder in het kader van de afhandeling van de burgerlijke belangen door de strafrechter: in hoeverre schendt de strafrechter die in voorkomend geval de burgerlijke vordering afwijst wegens afwezigheid van causaal verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde misdrijf die bepaling?

Artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 20 van de Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie (BS 22 oktober 2015, 65084), bepaalt: "In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde."

Eiser en verweerder in cassatie werden vervolgd naar aanleiding van een verkeersongeval te Brugge op 11 januari 2014. Eiser werd vervolgd om als bestuurder van een voertuig die op de openbare weg een maneuver wil uitvoeren geen voorrang te hebben verleend aan de andere weggebruikers. Verweerder werd vervolgd om op een openbare plaats een voertuig te hebben bestuurd, namelijk een personenauto, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht heeft gemeten of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed heeft aangegeven, terwijl het misdrijf aan zijn/haar persoonlijk toedoen te wijten is.

Bij vonnis van 8 oktober 2014 van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, werden eiser en verweerder, de eerste op tegenspraak, de tweede bij verstek, veroordeeld. Voor zo veel als nodig hield de politierechtbank ambtshalve de burgerlijke belangen aan overeenkomstig artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

Op 14 september 2015 legde de raadsman van eiser overeenkomstig het derde lid van genoemd artikel 4 ter griffie van de politierechtbank een verzoekschrift neer, dat geldt als burgerlijke partijstelling en ertoe strekt een rechtsdag te bepalen en uitspraak te doen over de burgerlijke belangen. Eiser vorderde van verweerder vergoeding te bekomen voor schade opgelopen bij het verkeersongeval te Brugge op 11 januari 2014(1).

Bij verstekvonnis van 14 oktober 2015 verwierp de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, eisers vordering op de gronden dat de strafrechter enkel schadevergoeding kan toekennen wanneer de gevorderde schade voortvloeit uit het bewezen verklaarde misdrijf dat het voorwerp van de vervolging uitmaakt, dat verweerder enkel werd vervolgd voor het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol en dat het op basis van de voorliggende dossiergegevens niet bewezen voorkomt dat het bewezen misdrijf "sturen onder invloed van alcohol" in oorzakelijk verband staat met het ongeval.

Eiser stelde bij akte van 28 oktober 2015 hoger beroep in. In zijn verstekvonnis van 12 februari 2016 bevestigde de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de beslissing van de politierechtbank. In zijn vonnis overwoog de rechtbank dat de burgerlijke vordering tot schadevergoeding uit een misdrijf waarvoor beklaagde niet vervolgd wordt, niet ontvankelijk is. Verweerder werd niet vervolgd wegens het voeren van overdreven, of onaangepaste snelheid, noch voor het volgen van de linker rijstrook. De eerste rechter deed terecht gelden dat de eiser zijn vordering, binnen het kader van het onderhavig proces, enkel kan enten op de strafbare alcoholopname van verweerder. Ook met betrekking tot de afwezigheid van een bewezen causaal verband tussen de toestand waarin verweerder stuurde en het verkeersongeval sloot de rechtbank zich aan bij de overwegingen van de eerste rechter.

Tegen dit vonnis stelde eiser cassatieberoep in op 29 februari 2016.

Krachtens artikel 3 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering behoort de rechtsvordering tot herstel van schade, door een misdrijf veroorzaakt, aan hen die de schade hebben geleden. Krachtens artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de burgerlijke rechtsvordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering.

De strafrechter kan op grond van deze bepalingen slechts schadevergoeding aan een burgerlijke partij toekennen wanneer hij vaststelt dat die schade voortvloeit uit het als misdrijf gekwalificeerde feit dat hij bewezen verklaart(2). De burgerlijke vordering voor schade die niet voortvloeit uit een door de strafrechter bewezen verklaard en als misdrijf gekwalificeerd feit, behoort niet tot de bevoegdheid van de strafrechter(3). De regels betreffende de bevoegdheid van de strafrechter, zowel wat de publieke als wat de burgerlijke vordering aangaat, waaronder deze vervat in de artikelen 3 en 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, raken de openbare orde(4).

Daaruit vloeit voort dat de strafrechter die een burgerlijke vordering toekent voor schade die niet voortvloeit uit een misdrijf dat hij bewezen heeft verklaard dat doet in strijd met de openbare orde, zodat de strafrechter die in een verstekvonnis uitspraak doet over een burgerlijke vordering moet nagaan of de gevorderde schade voortvloeit uit een bewezen verklaard misdrijf en, wanneer hij vaststelt dat dat niet het geval is, de vordering in toepassing van artikel 2 juncto artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek moet afwijzen omdat inwilliging ervan strijdig zou zijn met de openbare orde.

Toegepast op de voorliggende zaak impliceert dit dat de rechtbank van eerste aanleg - die in toepassing van de artikelen 3 en 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering op verstek uitspraak deed over de burgerlijke vordering van eiser na de inwerkingtreding op 1 november 2015 van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek zoals vervangen door artikel 20 van de wet van 19 oktober 2015 en aldus gehouden was dat artikel toe te passen(5) - moest nagaan of de gevorderde schade verband hield met het bewezen verklaard misdrijf en, wanneer hij vaststelde dat dat niet het geval is, de vordering moest afwijzen omdat de toekenning ervan in strijd zou zijn met de openbare orde. Het zij opgemerkt dat het nieuwe artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek op dat vlak geen verandering inhoudt ten opzichte van de situatie die bestond vóór de inwerkingtreding ervan.

Het eerste middel van eiser, dat aanvoert dat het bestreden vonnis zijn vordering in een verstekvonnis afwijst zonder te weerhouden dat de vordering van eiser strijdig is met de openbare orde, mist feitelijke grondslag nu het bestreden vonnis door te oordelen dat de gevorderde schade niet voortvloeit uit het bewezen verklaarde misdrijf te kennen geeft dat de vordering niet tot diens bevoegdheid behoort, zodat de toekenning ervan in strijd zou zijn met de openbare orde.

Zou uw Hof niettemin van oordeel zijn dat de omstandigheid, dat de bevoegdheid van de strafrechter om uitspraak te doen over de burgerlijke vordering in het kader van artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering van openbare orde is, niet impliceert dat de strafrechter die onderzoekt of de gevorderde schade voortvloeit uit het misdrijf waarvoor de verweerder werd vervolgd en veroordeeld, dat doet in het kader van zijn beperkte bevoegdheid, maar dat daarentegen de strafrechter dat enkel doet in het kader van het onderzoek van het vereiste oorzakelijk verband in het kader van het aansprakelijkheidsrecht, dan dient te worden vastgesteld dat de rechter in het bestreden vonnis de burgerlijke vordering van eiser in een verstekvonnis heeft afgewezen zonder dat dat is gebeurd op grond van een motief waaruit blijkt dat de vordering van eiser strijdig is met de openbare orde. De wetsbepalingen betreffende de aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad raken immers niet de openbare orde, en zijn niet dwingend(6).

Alsdan is het eerste middel van eiser in principe gegrond. Het aan de orde zijnde artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek impliceert immers dat de rechtspraak van uw Hof inzake de rol van de rechter bij verstek niet langer onverkort geldt.

Krachtens die rechtspraak stond het de verstekrechter, wanneer de verweerder op de vordering verstek liet, de grond van de zaak te onderzoeken en daarbij ambtshalve alle middelen tegen de vordering te beoordelen, zelfs indien zij de openbare orde niet raakten(7). In zijn noot bij het arrest van 16 januari 1976 oordeelt E.K. dat deze regel getuigt van gezond verstand, nu de rechter geen vordering kan toewijzen die noch in feite noch in rechte gegrond is(8).

De nieuwe regel is dat de rechter in een verstekvonnis de vorderingen of de verweermiddelen van de verschijnende partij inwilligt, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde. Ongeacht de vele mogelijke commentaren en kritieken(9) is de betreffende bepaling, zelfs (ten overvloede) mede in acht genomen de parlementaire voorbereiding ervan(10), niet redelijkerwijze voor een andere uitleg vatbaar dan dat zij de verstekrechter niet toelaat op grond van een bepaling van aanvullend (of louter dwingend) recht een vordering af te wijzen.

Aangezien de regels inzake de aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad niet van openbare orde zijn, kan de verstekrechter dus sinds 1 november 2015 in principe niet op grond van die regels de vordering afwijzen in geval de verweerder op een burgerlijke vordering verstek laat. Vóór 1 november 2015 kon dat wel.

De conclusie zou slechts anders zijn wanneer het nieuwe artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek anders moet geïnterpreteerd worden of buiten toepassing gelaten worden op grond van een lex specialis, in het licht van een bepaling van grondwettelijk recht, of in het licht van een bepaling van Europees of ander internationaal recht. Het lijkt actueel niet aangewezen dat te onderzoeken.

Immers, op 26 april 2016 is bij aangetekende brief van 22 april 2016 bij de griffie van het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging van diverse bepalingen van de Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, waaronder artikel 20, dat artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek heeft vervangen, ingekomen.

In die context lijkt het mij raadzaam om, wanneer uw Hof zou oordelen het eerste middel niet om de in de randnummers 0 tot en met 0 vermelde reden te kunnen verwerpen, de behandeling van de zaak uit te stellen tot het Grondwettelijk Hof uitspraak heeft gedaan over het beroep dat op zijn rol is ingeschreven onder nummer 6417(11).

Zou uw Hof het eerste middel wel om hogervermelde reden menen te moeten verwerpen en aldus de zaak kunnen afhandelen zonder de uitspraak van het Grondwettelijk Hof af te wachten - aangezien de oplossing in dat geval onafhankelijk is van de draagwijdte of wettigheid van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek - dan voeg ik er nog aan toe dat ook het tweede, derde en vierde middel van eiser niet tot cassatie kunnen leiden.

In zijn tweede middel voert eiser dat de appelrechters de motiveringsverplichting (artikel 149 van de Grondwet) schenden en de bewijskracht van akten (artikelen 1319, 1320 en 1322 BW) miskennen door in het bestreden vonnis niet te verwijzen naar een verklaring van verweerder uit het strafdossier en door bij de beoordeling van een foto uit het strafdossier (enkel) de schade en niet het punt van impact in overweging te nemen. De aangevoerde schending van de bewijskracht van akten kan niet worden aangenomen in zoverre miskenning wordt aangevoerd van de foto bovenaan op bijlage 6 bij proces-verbaal met notitienummer BG.91.L1.300103/14 (bladzijde 17 van het strafdossier) omdat de beoordeling van een foto, los van om het even welke tekst deze zou illustreren, geen miskenning van bewijskracht van akten is(12). Voorts kan de feitenrechter, wat de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de verklaring van de verweerder opgenomen in bijlage 4 bij het proces verbaal met notitienummer BG.90.L1.300103/2014, de bewijskracht van een akte niet miskennen door er niet naar te verwijzen. Ten slotte houdt de grief in het tweede middel geen verband met de motiveringsplicht, nu noch wordt aangevoerd dat niet is geantwoord op een middel, noch dat de motivering van het bestreden vonnis het Hof niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.

In zijn derde middel voert eiser aan dat het bestreden vonnis artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 24 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek schendt. De appelrechters zouden het gezag dan wel de kracht van gewijsde van het vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 8 oktober 2014 schenden door de inhoud ervan naast zich neer te leggen.

De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het gezag van gewijsde zijn niet van toepassing in strafzaken(13). In zoverre het middel, dat de schending van artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek aanvoert, uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Kracht van gewijsde betekent enkel dat tegen een beslissing geen (gewoon) rechtsmiddel meer kan aangewend worden(14). De in het middel geformuleerde grief is vreemd aan het kracht van gewijsde van het vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 8 oktober 2014, zodat het middel, in zoverre het de schending van artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek aanvoert, niet kan worden aangenomen.

Met de aanvoering van de schending van artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, beoogt de eiser de schending aan te voeren van het mede in dat artikel uitgedrukte algemeen beginsel van strafrechtelijk gewijsde(15). Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt voor wat de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist, met betrekking tot de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing uitmaken(16). Het geldt alleen voor de onherroepelijke beslissingen van de rechter die over de grond van de strafvordering uitspraak doen(17).

Blijkens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan is het vonnis van 8 oktober 2014 onherroepelijk(18). Evenwel miskent het bestreden vonnis niet het gezag van strafrechtelijk gewijsde van die beslissing. In het vonnis van 8 oktober 2014 heeft de politierechter, zoals het bestreden vonnis te kennen geeft, niet zeker en noodzakelijk beslist dat er een causaal verband bestaat tussen het verkeersongeval en de dronkenschap van de verweerder. Het middel kan dus ook in zoverre niet worden aangenomen.

In zoverre het middel nog stelt dat er wel degelijk een causaal verband is tussen het sturen onder invloed door de verweerder en het verkeersongeval en dat minstens dat de strafrechtelijk gesanctioneerde fout van de verweerder ertoe heeft geleid de schade in hoofde van eiser aanzienlijk werd vergroot, nodigt het het Hof uit tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.

In zijn vierde middel voert de eiser een motiveringsgebrek aan. De appelrechters antwoorden niet op eisers middelen aangaande een - in ondergeschikte orde - minstens gedeelde aansprakelijkheid. Het bestreden vonnis beantwoordt die middelen door te oordelen dat er geen causaal verband is tussen de toestand waarin verweerder stuurde en het verkeersongeval. Het middel mist feitelijke grondslag.

Conclusie: VERWERPING van het cassatieberoep, of uitstel van de behandeling van de zaak tot na uitspraak door het Grondwettelijk Hof in de zaak die bij dat Hof in ingeschreven onder rolnummer 6417.
______________________
(1) De politierechter werd dus als strafrechter geadieerd over de burgerlijke vordering in het kader van artikel 4 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Hij werd niet als burgerlijke rechter geadieerd in het kader van zijn in artikel 601bis Gerechtelijk Wetboek omschreven bevoegdheid voor schade ontstaan uit een verkeersongeval.
(2) Cass. 16 april 1985, nr. 9137, AC 1984-85, nr. 483.
(3) Cass. 12 december 2001, AR P.01.1236.F, AC 2001, nr. 695.
(4) Cass. 13 juni 1955, AC 1955, nr. 841.
(5) Het nieuwe artikel 806 Gerechtelijk Wetboek is een procedurewet die betrekking heeft op de activiteit van de rechter. De wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie bevat geen bijzondere bepalingen inzake de werking in de tijd van artikel 20, dat het artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek heeft vervangen. Het nieuwe artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek is dus onmiddellijk van toepassing in lopende procedures (art. 3 van het Gerechtelijk Wetboek; zie eveneens P. ROUBIER, Le droit transitoire: conflits des lois dans le temps, Parijs, Dalloz en Sirey, 1960, 2e ed., 545-546; H. BOULARBAH EN J. VAN DROOGHENBROECK, "Résumé rudimentaire et application dans le temps de la loi dite "Pot-pourri I"", JT 2015, (765), 765; G. DE LEVAL, J. VAN COMPERNOLLE EN F. GEORGES, "La loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile en portant des dispositions diverses en matière de justice", JT 2015, (785), 797; F. LEJEUNE, "Simplification de la procédure par défaut et métamorphose de l'appel, pour quelle efficacité?" in J. ENGLEBERT EN X. TATON (eds.), Le procès civil efficace - Première analyse de la loi du 19 octobre 2015 modifiant le dorit de la procédure civile (dite "loi potpourri 1"), Limal, Anthemis, 2015, (107), nr. 78; C. DE BOE, "Le droit transitoire" in J. VAN DROOGHENBROECK (ed.), Le Code judiciaire en pot-pourri: promesses, réalités, perspectives, Brussel, Larcier, 2016, (357), 379-380; P. TAELMAN EN K. BROECKX, "Rechtsmiddelen na Potpourri I" in B. ALLEMEERSCH EN P. TAELMAN (eds.), Hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, Brugge, die Keure, 2016, (103), 145; G. CLOSSET-MARCHAL, "Le procès civil après la loi du 19 octobre 2015", TBBR 2016, (73), 79; S. MOSSELMANS, "Taak van de rechter bij verstek", RW 2016-17, (3), 7).
(6) Cass. 4 januari 1993, AR nr. 8089 AC 1993, nr. 1 en JTT 1993, 328, noot; Cass. 13 februari 1993, AR 8244, AC 1993, nr. 92.
(7) Zie Cass. 30 april 1936, Pas. 1936, I, 228, noot P. L.; Cass. 16 januari 1976, AC 1976, 577, noot E. K.; Cass. 14 november 2006, AR P.06.0896.N, AC, nr. 559.
(8) Zie het arrest aangehaald in voetnoot 7.
(9) Zie dienaangaande o.a. D. SCHEERS EN P. THIRIAR, Potpourri I - Gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 112-113; F. LEJEUNE, "Simplification de la procédure par défaut et métamorphose de l'appel, pour quelle efficacité?" o.c., 120-129 en 147; G. DE LEVAL, J. VAN COMPERNOLLE EN F. GEORGES, "La loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile en portant des dispositions diverses en matière de justice", l.c., 797-798; P. TAELMAN EN K. BROECKX, "Rechtsmiddelen na Potpourri I" o.c., 104-105 en 108-114; J. VAN DROOGHENBROECK, "Le défaut - Réajustement de la protection du justiciable défaillant" in H. BOULARBAH EN J. VAN DROOGHENBROECK (eds.), Pot-Pourri I et autres actualités de droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2016, (175), 176-177 en 184-193; S. MOSSELMANS, "Taak van de rechter bij verstek", l.c., nrs. 3, 40-45 en 73.
(10) Zie o.m. Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-2015, nr. 54-1219/001, 20 en 33;Verslag Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/005, 22, 97-98 en 102; Verslag Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/009, 8. Een eerdere, andere en - voor zover hier relevant - ruimere opdracht voor de verstekrechter (die impliceerde dat de verstekrechter de vordering moest verwerpen indien zij naar zijn oordeel kennelijk ongegrond is) sneuvelde na het advies nr. 57.529/2-3 van de afdeling wetgeving van de Raad van State (Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-2015, nr. 54-1219/001, 168) in de fase van het voorontwerp (zie Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-2015, nr. 54-1219/001, vgl. 74 en 193-194). Amendementen die ertoe strekten de opdracht van de verstekrechter terug te verruimen (Amendementen Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/004, 21-22 (amendement nr. 39) en 30-33 (amendement nr. 43)) werden verworpen (Verslag Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/005, 130).
Dat de minister tijdens de parlementaire behandeling verklaringen aflegde die zouden kunnen worden geïnterpreteerd als niet strokend met de tekst van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek (Verslag Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/005, 99-100; Verslag Wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/009, 9-10) doet aan de weerhouden interpretatie geen afbreuk.
(11) Grondwettelijk Hof, Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, BS 15 juni 2016, 36469.
(12) Cass. 26 januari 2005, AR P.04.0928.F, AC 2005, nr. 52.
(13) Cass. 26 mei 1972, AC 1972, 907; Cass. 18 juli 1995, AR P.95.0889.N, AC 1995, nr. 350.
(14) Cass. 5 november 1931, Pas. 1931, I, 279, noot P. L; Cass. 18 juli 1995, AR P.95.0889.N, AC 1995, nr. 350.
(15) Cass. 27 juni 1972, AC 1972, 1036; R. HAYOIT DE TERMICOURT, Considérations sur le projet de Code judiciaire. Discours prononcé à l'audience solennelle de rentrée du 1er septembre et dont la Cour a ordonné l'impression, Brussel, Établissements Émile Bruylant, 1966, 12-13.
(16) Cass. 15 december 2011, AR F.10.0091.N, AC 2011, nr. 689, concl. toenm. advocaat-generaal D. THIJS.
(17) Cass. 3 oktober 2001, AR P.01.0537.F, AC, nr. 519.
(18) Het vonnis van 8 oktober 2014 werd aan verweerder betekend op 3 april 2015. Op 12 december 2015 werd verweerder verwittigd van de vervallenverklaring van het recht tot sturen die jegens hem werd uitgesproken bij definitieve beslissing van 8 oktober 2014 (zie stuk 18 van het rechtsplegingsdossier van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge). Te overvloede: in zijn op 15 januari 2016 neergelegde conclusie in graad van beroep gaf eiser te kennen dat navraag bij de griffie leert dat de verweerder geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen zijn strafrechtelijke veroordeling bij vonnis van 8 oktober 2014 (stuk 12 van het rechtsplegingsdossier van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge).

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 06/08/2017 - 08:08
Laatst aangepast op: zo, 06/08/2017 - 08:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.