-A +A

Taak van de rechter bij verstek onrechtmatige bedingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
don, 17/05/2018
A.R.: 
ECLI:EU:C:2018:320

Het hof van justitie oordeelt dat de rechtbank de taak heeft om ambtshalve en dus ook bij verstek schadebeding te matigen, hetgeen reeds in eerdere arresten werd gesteld.

In het Karel De Grote arrest wordt bevestigd dat de rechter bij verstek ook dient te oordelen over onrechtmatige bedingen bij verstek in consumentenzaken

Publicatie
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

• C-147/16 - Arrest

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

17 mei 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument – Ambtshalve onderzoek door de nationale rechter of een overeenkomst binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt – Artikel 2, onder c) – Begrip ‚verkoper’ – Hogeschool die voornamelijk met overheidsmiddelen wordt gefinancierd – Overeenkomst betreffende een renteloos afbetalingsplan voor inschrijvingsgeld en een bijdrage voor een studiereis”

In zaak C 147/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het vredegerecht te Antwerpen (België) bij beslissing van 10 maart 2016, ingekomen bij het Hof op 14 maart 2016, in de procedure

Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen VZW

tegen

Susan Romy Jozef Kuijpers,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, E. Levits, A. Borg Barthet, M. Berger (rapporteur) en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 maart 2017,

gelet op de opmerkingen van:

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Van Holm, M. Jacobs, L. Van den Broeck en J. C. Halleux als gemachtigden, bijgestaan door P. Cambie en B. Zammitto, deskundigen,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Eberhard als gemachtigde,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en D. Roussanov als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 november 2017,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen VZW, een vrije onderwijsinstelling gevestigd te Antwerpen (België) (hierna: „KdG”), en Susan Romy Jozef Kuijpers over de terugbetaling door laatstgenoemde van inschrijvingsgeld en een bijdrage voor een studiereis, vermeerderd met rente, en over de betaling van een schadevergoeding.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De tiende overweging van richtlijn 93/13 luidt als volgt:

„Overwegende dat door het vaststellen van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen een doeltreffender bescherming van de consument kan worden bewerkstelligd; dat deze voorschriften van toepassing moeten zijn op alle overeenkomsten tussen verkopers en consumenten; dat bijgevolg met name van deze richtlijn zijn uitgesloten arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten betreffende erfrechten, overeenkomsten met betrekking tot de gezinssituatie en overeenkomsten met betrekking tot de oprichting en de statuten van vennootschappen”.

4 De veertiende overweging van die richtlijn luidt:

„Overwegende evenwel dat de lidstaten erop moeten toezien dat zulke oneerlijke bedingen er niet in voorkomen, met name met het oog op het feit dat deze richtlijn ook van toepassing is op beroepsactiviteiten met een openbaar karakter”.

5 Artikel 1, lid 1, van die richtlijn bepaalt:

„Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.”

6 Artikel 2 van richtlijn 93/13 luidt als volgt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

b) consument: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen;

c) verkoper: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.”

7 Artikel 3 van die richtlijn bepaalt:

„1. Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

2. Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben.

Het feit dat sommige onderdelen van een beding of een afzonderlijk beding het voorwerp zijn geweest van een afzonderlijke onderhandeling sluit de toepassing van dit artikel op de rest van een overeenkomst niet uit, indien de globale beoordeling leidt tot de conclusie dat het niettemin gaat om een toetredingsovereenkomst.

Wanneer de verkoper stelt dat een standaardbeding het voorwerp is geweest van afzonderlijke onderhandeling, dient hij dit te bewijzen.

3. De bijlage bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.”

8 Artikel 6, lid 1, van die richtlijn bepaalt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

Belgisch recht

9 Richtlijn 93/13 is in Belgisch recht omgezet bij de artikelen 73 tot en met 78 van de Wet betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming van 6 april 2010 (Belgisch Staatsblad,12 april 2010, blz. 20803). Vervolgens zijn die artikelen ingetrokken en is de inhoud ervan opgenomen in de artikelen VI.83 tot en met VI.87 van het Wetboek van economisch recht.

10 In artikel VI.83 van het Wetboek van economisch recht wordt bepaald dat de daarin opgenomen bepalingen betreffende onrechtmatige bedingen alleen van toepassing zijn op overeenkomsten gesloten tussen een onderneming en een consument.

11 In punt 1 van artikel I.1 van dat wetboek wordt het begrip „onderneming” gedefinieerd als „elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”.

12 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de Wet betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming het begrip „onderneming” heeft geïntroduceerd in het Wetboek van economisch recht, welk begrip dat van „verkoper” heeft vervangen.

13 Artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

„In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde”.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14 Op 3 februari 2014 was Kuijpers, toenmalig studente aan KdG, deze laatste een totaalsom van 1 546 EUR verschuldigd als inschrijvingsgeld voor de studiejaren 2012/2013 en 2013/2014 en als bijdrage voor een studiereis.

15 Aangezien Kuijpers niet in staat was haar schuld in één betaling te voldoen, zijn de belanghebbende en de dienst Studievoorzieningen van KdG (hierna: „KdG Stuvo”) schriftelijk een renteloos afbetalingsplan overeengekomen. Volgens deze overeenkomst diende KdG Stuvo Kuijpers het bedrag voor te schieten dat zij nodig had om haar schuld jegens KdG te betalen, en diende de belanghebbende op haar beurt met ingang van 25 februari 2014 gedurende zeven maanden maandelijks 200 EUR terug te betalen aan KdG Stuvo. Ook werd overeengekomen dat het schuldsaldo van 146 EUR uiterlijk op 25 september 2014 zou worden betaald.

16 Verder bevatte de overeenkomst het hiernavolgende beding in geval van niet-betaling:

„Wanneer de ontleende som (geheel of gedeeltelijk) niet tijdig wordt terugbetaald, is van rechtswege en zonder ingebrekestelling een interest verschuldigd van 10 % per jaar, berekend op de uitstaande schuld en dit vanaf de dag na de niet-nagekomen vervaldag. Ook is dan een schadeloosstelling tot dekking van de invorderingskosten verschuldigd, conventioneel bepaald op 10 % van de uitstaande schuld met een minimum van € 100.”

17 Ondanks het feit dat Kuijpers een aanmaningsbrief heeft ontvangen van KdG Stuvo, heeft zij verzuimd te betalen.

18 Op 27 november 2015 heeft KdG Kuijpers voor het vredegerecht te Antwerpen (België) gedaagd om haar te doen veroordelen tot betaling van de verschuldigde hoofdsom van 1 546 EUR, vermeerderd met achterstandsrente van 10 % vanaf 25 februari 2014, te weten 269,81 EUR, en van een kostenvergoeding van 154,60 EUR. Kuijpers is niet verschenen en heeft zich niet laten vertegenwoordigen voor die rechterlijke instantie.

19 Bij tussenvonnis van 4 februari 2016 heeft de verwijzende rechter de hoofdsom toegekend aan KdG. Wat betreft de eveneens gevorderde rente en de kostenvergoeding heeft de verwijzende rechter de voortzetting van de procedure bevolen en KdG uitgenodigd om opmerkingen in te dienen over het eventueel voorleggen van een prejudiciële vraag aan het Hof.

20 De verwijzende rechter verklaart dat hij, aangezien Kuijpers verstek heeft laten gaan, volgens artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek gehouden is de vordering van KdG toe te wijzen behalve indien die rechtspleging of die vordering strijdig zou zijn met de openbare orde.

21 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of hij in een verstekprocedure ambtshalve mag nagaan of de overeenkomst waarop de vordering van KdG gebaseerd is, binnen de werkingssfeer van de nationale wetgeving tot omzetting van richtlijn 93/13 valt. Het is namelijk niet zeker of de regelgeving op de onrechtmatige bedingen in België van openbare orde is. Voor zover de nationale procedurevoorschriften zich verzetten tegen een dergelijk ambtshalve onderzoek, heeft de verwijzende rechter twijfels over de verenigbaarheid van deze regels met die richtlijn.

22 De verwijzende rechter vraagt zich in de tweede plaats af of de overeenkomst tussen KdG en Kuijpers binnen de werkingssfeer van de nationale regelgeving op de onrechtmatige bedingen valt. In dit kader betwijfelt de verwijzende rechter of deze regelgeving verenigbaar is met richtlijn 93/13, aangezien die regelgeving volgens de bewoordingen ervan niet geldt voor overeenkomsten tussen een consument en een „verkoper” maar wel voor die tussen een consument en een „onderneming”. Die rechter vraagt zich hoe dan ook af of een onderwijsinstelling als KdG, die voornamelijk met overheidsmiddelen wordt gefinancierd, als „onderneming” en/of „verkoper” moet worden beschouwd wanneer die aan een student een afbetalingsplan van het type als in het hoofdgeding toestaat.

23 In deze context heeft het vredegerecht te Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Is de nationale rechter, wanneer bij hem tegen een consument een vordering is ingesteld over de uitvoering van een overeenkomst en hij op grond van de nationale regels van procesrecht enkel bevoegd is ambtshalve na te gaan of de vordering in strijd is met nationale regels van openbare orde, op dezelfde wijze bevoegd om ambtshalve, zelfs bij verstek, na te gaan en vast te stellen dat de betrokken overeenkomst binnen de werkingssfeer van [richtlijn 93/13] valt zoals geïmplementeerd in het Belgisch recht?

2) Is een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt aan een consument bij de overeenkomst van het verstrekken van dit onderwijs tegen betaling van een inschrijvingsgeld eventueel te vermeerderen met bedragen ter terugbetaling van de door de onderwijsinstelling gemaakte kosten te beschouwen als een onderneming in de zin van het Europees recht?

3) Valt een overeenkomst tussen een consument en een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling die verband houdt met het verstrekken van gesubsidieerd onderwijs door deze instelling onder de werking van [richtlijn 93/13] en is een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt aan een consument bij de overeenkomst van het verstrekken van dit onderwijs te beschouwen als een verkoper in de zin van de richtlijn?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

24 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter die uitspraak doet bij verstek en die op grond van de nationale regels van procesrecht bevoegd is ambtshalve na te gaan of het beding waarop de vordering steunt in strijd is met de nationale regels van openbare orde, ambtshalve kan of zelfs moet nagaan of de overeenkomst waarin dat beding is opgenomen, binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.

25 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze vraag verband houdt met het feit dat in het Belgisch recht artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek de nationale rechter die uitspraak doet bij verstek de verplichting oplegt de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in te willigen, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde. De nationale rechter die uitspraak doet bij verstek kan dus alleen middelen van openbare orde ambtshalve opwerpen. Aangezien niet zeker is of de Belgische regelgeving op de onrechtmatige bedingen van openbare orde is, betwijfelt die rechter of hij ambtshalve mag nagaan of met name een overeenkomst zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt.

26 Ter beantwoording van de voorgelegde vraag zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het door richtlijn 93/13 uitgewerkte beschermingsstelsel berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (arresten van 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C 137/08, EU:C:2010:659, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C 472/11, EU:C:2013:88, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 december 2017, Banco Santander, C 598/15, EU:C:2017:945, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat, gelet op deze zwakke positie, artikel 6, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. Volgens de rechtspraak gaat het om een dwingende bepaling die beoogt het door de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt (arresten van 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C 137/08, EU:C:2010:659, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C 472/11, EU:C:2013:88, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 januari 2017, Banco Primus, C 421/14, EU:C:2017:60, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Teneinde de door die richtlijn beoogde bescherming te verzekeren, heeft het Hof benadrukt dat de situatie van ongelijkheid tussen consument en verkoper enkel kan worden opgeheven door een positief ingrijpen buiten de partijen bij de overeenkomst om (arresten van 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C 137/08, EU:C:2010:659, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C 472/11, EU:C:2013:88, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 april 2016, Sales Sinués en Drame Ba, C 381/14 en C 385/14, EU:C:2016:252, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 In het licht van deze overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de nationale rechter, in het kader van de op hem rustende taken, op grond van de bepalingen van richtlijn 93/13 ambtshalve dient te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is en aldus het tussen de consument en verkoper bestaande gebrek aan evenwicht dient te compenseren (zie in die zin arresten van 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C 168/05, EU:C:2006:675, punt 38, en 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C 472/11, EU:C:2013:88, punten 22 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Deze verplichting brengt voor de nationale rechter dus eveneens de verplichting mee om na te gaan of de overeenkomst die het beding bevat waarop de vordering is gebaseerd, binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt (zie in die zin arrest van 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C 137/08, EU:C:2010:659, punt 49, alsook, naar analogie, arrest van 4 juni 2015, Faber, C 497/13, EU:C:2015:357, punt 46). Ambtshalve beoordelen of bedingen in de betrokken overeenkomst oneerlijk zijn impliceert voor die rechter immers noodzakelijkerwijze dat hij vooraf nagaat of deze overeenkomst binnen de werkingssfeer van de voornoemde richtlijn valt.

31 Deze op de nationale rechter rustende verplichtingen moeten noodzakelijk worden geacht om de consument een daadwerkelijke bescherming te verzekeren, zoals die gewaarborgd wordt door richtlijn 93/13, met name gezien het niet te onderschatten risico dat deze zijn rechten niet kent of moeilijkheden ondervindt om deze uit te oefenen (zie in die zin arrest van 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C 168/05, EU:C:2006:675, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 16 november 2010, Pohotovosť, C 76/10, EU:C:2010:685, punt 42).

32 De bescherming die richtlijn 93/13 de consument verleent strekt zich dus ook uit tot de gevallen waarin de consument die met een verkoper een overeenkomst heeft gesloten die een oneerlijk beding bevat, zich niet beroept op, enerzijds, het feit dat deze overeenkomst binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt en, anderzijds, de oneerlijkheid van het betrokken beding, hetzij omdat hij onwetend is van zijn rechten, hetzij omdat hij ervan afziet zijn rechten geldend te maken wegens de kosten van een vordering in rechte (zie in die zin arresten van 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C 168/05, EU:C:2006:675, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 16 november 2010, Pohotovosť, C 76/10, EU:C:2010:685, punt 43).

33 Wat de wijze betreft waarop een nationale rechter die uitspraak doet bij verstek de voormelde verplichtingen dient na te komen, moet eraan worden herinnerd dat, bij gebreke van een Unierechtelijke regeling ter zake, de procedureregels die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van de interne rechtsorde van die staten zijn. Deze regels mogen evenwel niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke situaties die aan het interne recht onderworpen zijn (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan de consumenten verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie naar analogie arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en De Man Garabito, C 488/11, EU:C:2013:341, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, waar in de eerste prejudiciële vraag impliciet naar wordt verwezen en welk beginsel in casu als enige aan de orde is, moet worden benadrukt dat, zoals in punt 27 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 een dwingende bepaling is (arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en De Man Garabito, C 488/11, EU:C:2013:341, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Het Hof heeft overigens geoordeeld dat, gelet op de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de door die richtlijn aan de consument verzekerde bescherming berust, artikel 6 ervan moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden. Deze kwalificatie is van toepassing op alle bepalingen van de richtlijn die onontbeerlijk zijn voor de verwezenlijking van het met artikel 6 beoogde doel (arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en De Man Garabito, C 488/11, EU:C:2013:341, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Hieruit volgt dat wanneer de nationale rechter krachtens de nationale regels van procesrecht bevoegd is ambtshalve na te gaan of een vordering in strijd is met de nationale regels van openbare orde, hetgeen volgens de in de verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens in het Belgische rechtsplegingsstelsel het geval is voor de rechter die uitspraak doet bij verstek, hij deze bevoegdheid ook moet uitoefenen om aan de hand van de criteria van richtlijn 93/13 ambtshalve te beoordelen of het litigieuze beding waarop die vordering steunt alsook de overeenkomst waarin dat beding staat binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen en, in voorkomend geval, of dat beding oneerlijk is (zie naar analogie arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en De Man Garabito, C 488/11, EU:C:2013:341, punt 45).

37 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter die uitspraak doet bij verstek en die op grond van de nationale procedureregels bevoegd is ambtshalve na te gaan of het beding waarop de vordering steunt in strijd is met de nationale regels van openbare orde, gehouden is ambtshalve na te gaan of de overeenkomst waarin dat beding is opgenomen binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt en, in voorkomend geval, of dat beding eventueel oneerlijk is.

Tweede en derde vraag

38 Met zijn tweede en zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter enerzijds te vernemen of een vrije onderwijsinstelling als KdG als een onderneming in de zin van het Unierecht moet worden aangemerkt wanneer zij gesubsidieerd onderwijs verstrekt aan een consument en daarvoor enkel een inschrijvingsgeld ontvangt dat eventueel wordt vermeerderd met bedragen ter terugbetaling van de door die instelling gemaakte kosten. Anderzijds wenst die rechter te vernemen of de overeenkomst tussen een consument en een dergelijke instelling die verband houdt met het verstrekken van dat onderwijs onder de werking van richtlijn 93/13 valt en of die instelling bij deze overeenkomst te beschouwen is als een „verkoper” in de zin van die richtlijn.

39 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat richtlijn 93/13 volgens artikel 1 ervan niet op overeenkomsten tussen een „onderneming” en een consument maar op overeenkomsten tussen een „verkoper” en een consument van toepassing is, zodat in het hoofdgeding niet hoeft te worden uitgemaakt of een onderwijsinstelling zoals KdG als een „onderneming” in de zin van het Unierecht dient te worden beschouwd.

40 Uit de stukken waarover het Hof beschikt blijkt trouwens dat de Belgische wetgever in artikel VI.83 van het Wetboek van economisch recht de term „onderneming” heeft gebruikt ter omzetting in de nationale rechtsorde van de in artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 gedefinieerde term „verkoper”.

41 In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de nationale rechter het interne recht bij de toepassing ervan zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van richtlijn 93/13, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus te voldoen aan artikel 288, derde alinea, VWEU. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is namelijk inherent aan het systeem van het VWEU, aangezien de nationale rechter daardoor in staat wordt gesteld binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het Unierecht te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige geschillen (zie naar analogie arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C 377/14, EU:C:2016:283, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Daaruit volgt dat in het hoofdgeding de nationale rechter het in het Belgisch recht gebruikte begrip „onderneming” conform het begrip „verkoper” in de zin van richtlijn 93/13 en, met name, de in artikel 2, onder c), van deze richtlijn daaraan gegeven definitie dient uit te leggen.

43 Voorts blijkt uit de stukken waarover het Hof beschikt eveneens dat de tussen KdG en Kuijpers gesloten overeenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is, voorziet in een renteloos afbetalingsplan voor de door deze laatste uit hoofde van het inschrijvingsgeld en een bijdrage voor een studiereis verschuldigde bedragen.

44 In deze context dienen de tweede en de derde vraag, die gezamenlijk moeten worden behandeld, in die zin te worden begrepen dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of een vrije onderwijsinstelling zoals die in het hoofdgeding, die met een van haar studenten contractueel betalingsfaciliteiten is overeengekomen voor bepaalde bedragen die deze studente verschuldigd is uit hoofde van inschrijvingsgeld en een bijdrage voor een studiereis, met betrekking tot deze overeenkomst als een „verkoper” in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 moet worden aangemerkt, zodat de betrokken overeenkomst binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.

45 In dit verband zij eraan herinnerd dat uit artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 volgt dat deze richtlijn van toepassing is op bedingen in „overeenkomsten tussen een verkoper en een consument” waarover „niet afzonderlijk is onderhandeld”.

46 De tiende overweging van richtlijn 93/13 preciseert dat de eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen van toepassing moeten zijn op „alle overeenkomsten” tussen „verkopers” en „consumenten” als gedefinieerd in artikel 2, onder b) en c), van die richtlijn.

47 Het begrip „verkoper” wordt in artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 gedefinieerd als iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.

48 Uit de voor die bepaling gebruikte bewoordingen als zodanig blijkt dat de Uniewetgever het begrip „verkoper” een brede draagwijdte heeft willen geven (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en De Man Garabito, C 488/11, EU:C:2013:341, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 Ten eerste kan uit het gebruik van de term „iedere” in die bepaling immers duidelijk worden afgeleid dat elke natuurlijke of rechtspersoon als een „verkoper” in de zin van richtlijn 93/13 moet worden beschouwd zodra hij een beroepsactiviteit uitoefent.

50 Ten tweede ziet diezelfde bepaling op elke „publiekrechtelijke of privaatrechtelijke” beroepsactiviteit. Zoals in de veertiende overweging van richtlijn 93/13 wordt gepreciseerd, is deze richtlijn dus ook van toepassing op beroepsactiviteiten met een openbaar karakter (zie in die zin arrest van 15 januari 2015, Šiba, C 537/13, EU:C:2015:14, punt 25).

51 Daaruit volgt dat artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 noch instellingen met een taak van algemeen belang noch publiekrechtelijke instellingen uitsluit van de werkingssfeer ervan (zie naar analogie arrest van 3 oktober 2013, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs, C 59/12, EU:C:2013:634, punt 32). Zoals de advocaat-generaal in punt 57 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het al dan niet bestaan van een winstoogmerk bovendien niet relevant voor de definitie van het begrip „verkoper” in de zin van die bepaling, aangezien taken van publieke aard en van algemeen belang vaak zonder winstoogmerk worden uitgeoefend.

52 Verder blijkt uit de bewoordingen van artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 dat de betrokken persoon „in het kader van zijn [...] beroepsactiviteit” moet handelen om als „verkoper” te kunnen worden gekwalificeerd. Wat artikel 2, onder b), van deze richtlijn betreft, daarin is bepaald dat het begrip „consument” doelt op iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt „voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs of beroepsactiviteit vallen”.

53 Richtlijn 93/13 definieert de overeenkomsten waarvoor de bepalingen ervan gelden dus aan de hand van de hoedanigheid van de contractpartijen, naargelang zij al dan niet in het kader van hun bedrijfs of beroepsactiviteit handelen (arresten van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en De Man Garabito, C 488/11, EU:C:2013:341, punt 30, en 3 september 2015, Costea, C 110/14, EU:C:2015:538, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 Dit criterium strookt met de reeds in punt 26 van het onderhavige arrest aangehaalde gedachte waarop het beschermingsstelsel van de betrokken richtlijn berust, namelijk dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper tevoren opgestelde voorwaarden instemt zonder invloed te kunnen uitoefenen op de inhoud daarvan (arresten van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en de Man Garabito, C 488/11, EU:C:2013:341, punt 31, en 3 september 2015, Costea, C 110/14, EU:C:2015:538, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55 Bijgevolg is het begrip „verkoper” in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 een functioneel begrip waarvoor moet worden nagegaan of de contractuele verhouding deel uitmaakt van de activiteiten die een persoon beroepsmatig verricht (zie naar analogie beschikking van 27 april 2017, Bachman, C 535/16, niet gepubliceerd, EU:C:2017:321, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 In casu hebben de Belgische en de Oostenrijkse regering aangevoerd dat KdG, als hogeschool die voornamelijk met overheidsmiddelen wordt bekostigd, niet als „onderneming” kan worden beschouwd volgens de in het Uniemededingingsrecht gehanteerde opvatting van dit begrip, en dus ook niet als „verkoper” in de zin van richtlijn 93/13, aangezien het door KdG verstrekte onderwijs geen „dienst” in de zin van artikel 57 VWEU is (zie in die zin arrest van 7 december 1993, Wirth, C 109/92, EU:C:1993:916, punten 16 en 17).

57 Dienaangaande blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat het hoofdgeding hoe dan ook niet rechtstreeks de onderwijsopdracht van een instelling zoals KdG betreft. Wel aan de orde daarentegen is een dienst die deze instelling als aanvulling op en ondergeschikt aan haar onderwijsactiviteit verricht, namelijk het aanbieden – middels een overeenkomst – van de renteloze afbetaling van bedragen die haar verschuldigd zijn door een studente. Een dergelijke dienst komt naar zijn aard dus neer op het verlenen van faciliteiten voor de betaling van een bestaande schuld en vormt in wezen een kredietovereenkomst.

58 Onder voorbehoud van verificatie van de in het vorige punt genoemde elementen door de verwijzende rechter moet derhalve worden geoordeeld dat een instelling als KdG als „verkoper” in de zin van richtlijn 93/13 handelt wanneer zij in het kader van de voormelde overeenkomst een dergelijke ten opzichte van haar onderwijsactiviteit aanvullende en bijkomstige dienst verricht.

59 Deze uitlegging vindt steun in de doelstelling van bescherming die met die richtlijn wordt nagestreefd. Bij een overeenkomst als aan de orde in het hoofdgeding bestaat er immers in beginsel een ongelijkheid tussen de onderwijsinstelling en de student wegens de asymmetrie tussen deze partijen op het gebied van informatie en technische bekwaamheden. Een dergelijke instelling beschikt namelijk over een permanente organisatie en over technische bekwaamheden waarover de student, die voor privédoeleinden handelt en die toevallig met een dergelijke overeenkomst te maken krijgt, niet noodzakelijk beschikt.

60 Gelet op een en ander, en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een vrije onderwijsinstelling, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die met een van haar studenten contractueel betalingsfaciliteiten is overeengekomen voor bepaalde bedragen die deze studente verschuldigd is uit hoofde van inschrijvingsgeld en een bijdrage voor een studiereis, met betrekking tot deze overeenkomst als een „verkoper” in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt, zodat de betrokken overeenkomst binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.

Kosten

61 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter die uitspraak doet bij verstek en die op grond van de nationale procedureregels bevoegd is ambtshalve na te gaan of het beding waarop de vordering steunt in strijd is met de nationale regels van openbare orde, gehouden is ambtshalve na te gaan of de overeenkomst waarin dat beding is opgenomen binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt en, in voorkomend geval, of dat beding eventueel oneerlijk is.

2) Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, moet artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat een vrije onderwijsinstelling, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die met een van haar studenten contractueel betalingsfaciliteiten is overeengekomen voor bepaalde bedragen die deze studente verschuldigd is uit hoofde van inschrijvingsgeld en een bijdrage voor een studiereis, met betrekking tot deze overeenkomst als een „verkoper” in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt, zodat de betrokken overeenkomst binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.

 

 

InfoCuria - Jurisprudentie van het Hof van Justitie

 

 

 

Surfen

 

 

 

 

 

 

 

Documenten

C-147/16 - Arrest

C-147/16 - Conclusie

C-147/16 - Verzoek (PB)

 

 

1 /1

 

 

Welkom > Zoekformulier > Lijst van de resultaten > Documenten

 

Afdrukken

 

Taal van het document : ECLI:EU:C:2017:928

 

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

E. SHARPSTON

van 30 november 2017 (1)

Zaak C‑147/16

Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen VZW

tegen

Susan Romy Jozef Kuijpers

[verzoek van het Vredegerecht te Antwerpen (België) om een prejudiciële beslissing]

„Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Ambtshalve onderzoek door de nationale rechter of de overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13/EEG valt – Artikel 2, onder c) – Begrip ‚verkoper’”

 

 

 

 

 

1. Treedt een onderwijsinstelling zonder winstoogmerk op als „verkoper” in de zin van richtlijn 93/13/EEG(2) indien zij haar studenten een krediet in de vorm van een renteloos afbetalingsplan aanbiedt opdat zij hun inschrijvingsgeld en de kosten van studiereizen kunnen betalen? Is bovendien de nationale rechter verplicht om ambtshalve te onderzoeken of een overeenkomst onder de werkingssfeer van die richtlijn valt wanneer de betrokken studente geen actieve rol heeft gespeeld bij de daarna ingeleide procedure tot invordering van de uitstaande schuld inclusief verschuldigde rente en kostenvergoeding?

2. Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen een onderwijsinstelling en een harer studenten. De vragen stellen het Hof in de gelegenheid de werkingssfeer van richtlijn 93/13 en de uit die richtlijn voortvloeiende bevoegdheden en verplichtingen van de nationale rechter nader te bepalen.

Toepasselijke bepalingen

Richtlijn 93/13

3. Richtlijn 93/13 is vastgesteld op grond van artikel 100 A EG‑Verdrag (thans artikel 114 VWEU). Zij heeft onder meer ten doel te waarborgen dat consumentenovereenkomsten geen oneerlijke bedingen bevatten en consumenten te beschermen tegen misbruik van de machtspositie van verkopers of dienstverrichters.(3) De lidstaten kunnen in een hoger beschermingsniveau voor de consument voorzien door middel van nationale voorschriften die strenger zijn dan die van de richtlijn.(4)

4. Volgens de tiende overweging van de richtlijn moeten de voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen van toepassing zijn op „alle overeenkomsten” tussen verkopers en consumenten. In die overweging wordt uitdrukkelijk vermeld dat bijgevolg onder meer arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten betreffende erfrechten, overeenkomsten met betrekking tot de gezinssituatie en overeenkomsten met betrekking tot de oprichting en de statuten van vennootschappen van de richtlijn zijn uitgesloten. Wel is de richtlijn van toepassing op alle beroepsactiviteiten, met inbegrip van activiteiten met een openbaar karakter.(5)

5. In artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/13 wordt de werkingssfeer van de richtlijn gedefinieerd:

„Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.”

6. Artikel 2, onder b) en c), van de richtlijn definieert het begrip „consument” als „iedere natuurlijke persoon die bij onder [richtlijn 93/13] vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen” en het begrip „verkoper”(6) als „iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder [richtlijn 93/13] vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit”.

7. Volgens artikel 3, lid 1, van de richtlijn wordt een „beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, [...] als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort”.

Belgisch recht

8. Richtlijn 93/13 is in nationaal recht omgezet bij de Marktpraktijkenwet van 6 april 2010. In die wet werd in plaats van het in artikel 2, onder c), van de richtlijn gebruikte begrip „verkoper” het begrip „onderneming” geïntroduceerd om de werkingssfeer van de wet te bepalen. Artikel I.1, punt 1, van het Wetboek van economisch recht definieert een onderneming als „elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”.

9. In artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de verplichtingen van de rechter in het geval van een vonnis bij verstek neergelegd: „In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.”

Feiten, procedure en prejudiciële vragen

10. Susan Kuijpers studeerde aan de Karel de Grote-Hogeschool (hierna: „KdG”). Op 3 februari 2014 werd zij verzocht aan KdG een bedrag van 1 546 EUR te betalen als inschrijvingsgeld voor de studiejaren 2012‑2013 en 2013‑2014 en als bijdrage voor een studiereis. Aangezien zij niet in staat was dit bedrag in één keer te voldoen, stond de dienst Studievoorzieningen van KdG (hierna: „KdG Stuvo”) haar een renteloos afbetalingsplan toe. Volgens dit plan betaalde KdG Stuvo dit bedrag aan Kuijpers, zodat zij haar betaling aan KdG kon doen. Met ingang van 25 februari 2014 diende Kuijpers gedurende zeven maanden maandelijks 200 EUR aan KdG Stuvo terug te betalen. De laatste termijn van 146 EUR moest uiterlijk op 25 september 2014 worden voldaan.

11. In de desbetreffende overeenkomst was de volgende clausule opgenomen:

„Wanneer de ontleende som (geheel of gedeeltelijk) niet tijdig wordt terugbetaald, is van rechtswege en zonder ingebrekestelling een interest verschuldigd van 10 % per jaar, berekend op de uitstaande schuld en dit vanaf de dag na de niet-nagekomen vervaldag. Ook is dan een schadeloosstelling tot dekking van de invorderingskosten verschuldigd, conventioneel bepaald op 10 % van de uitstaande schuld met een minimum van € 100.”

12. Ondanks het feit dat zij een aanmaning had ontvangen, verzuimde Kuijpers te betalen.

13. Op 27 november 2015 werd Kuijpers door KdG voor het Vredegerecht te Antwerpen (België) gedaagd met een vordering tot betaling van de (volgens de met KdG Stuvo gesloten overeenkomst verstrekte) hoofdsom (1 546 EUR), vermeerderd met achterstandsrente van 10 % vanaf 25 februari 2014 (269,81 EUR) en een kostenvergoeding (154,60 EUR). Bij tussenvonnis van 4 februari 2016 heeft de vrederechter de hoofdsom van 1 546 EUR toegekend aan KdG. Wat de rente en de kostenvergoeding betreft, werd de procedure echter voortgezet om KdG in de gelegenheid te stellen haar standpunt kenbaar te maken over het eventuele voorleggen van een prejudiciële vraag aan het Hof. Op 4 maart 2016 lichtte KdG haar opmerkingen over deze kwestie mondeling toe. Kuijpers verscheen niet ter terechtzitting.

14. De verwijzende rechter heeft verklaard dat hij, op grond van het feit dat Kuijpers verstek liet gaan, volgens artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek gehouden was de vordering van KdG toe te wijzen behalve in zoverre de rechtspleging of de vordering strijdig zou zijn met de openbare orde. In dit verband rijst ten eerste de vraag of de nationale rechter ambtshalve mag onderzoeken of de overeenkomst waarop de vordering is gebaseerd, binnen de werkingssfeer van de nationale wetgeving tot omzetting van richtlijn 93/13 valt, en ten tweede of een nationale wettelijke regeling die dit ambtshalve onderzoek verbiedt op grond dat de bepalingen inzake oneerlijke bedingen in overeenkomsten geen dwingend karakter hebben, zich verdraagt met die richtlijn.(7) De verwijzende rechter vraagt zich daarnaast af of de nationale wettelijke regeling volgens welke de werkingssfeer van de bepalingen inzake oneerlijke bedingen zich beperkt tot overeenkomsten tussen consumenten en „ondernemingen”(8), verenigbaar is met richtlijn 93/13.

15. Tegen deze achtergrond heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende vragen voorgelegd:

„1) Is de nationale rechter, wanneer bij hem tegen een consument een vordering is ingesteld over de uitvoering van een overeenkomst en hij op grond van de nationale regels van procesrecht enkel bevoegd is ambtshalve na te gaan of de vordering in strijd is met nationale regels van openbare orde, op dezelfde wijze bevoegd om ambtshalve, zelfs bij verstek, na te gaan en vast te stellen dat de betrokken overeenkomst binnen de werkingssfeer van [richtlijn 93/13] valt zoals geïmplementeerd in het Belgisch recht?

2) Is een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt aan een consument bij de overeenkomst van het verstrekken van dit onderwijs tegen betaling van een inschrijvingsgeld eventueel te vermeerderen met bedragen ter terugbetaling van de door de onderwijsinstelling gemaakte kosten te beschouwen als een onderneming in de zin van het Europees recht?

3) Valt een overeenkomst tussen een consument en een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling die verband houdt met het verstrekken van gesubsidieerd onderwijs door deze instelling onder de werking van [richtlijn 93/13] en is een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt aan een consument bij de overeenkomst van het verstrekken van dit onderwijs te beschouwen als een verkoper in de zin van de richtlijn?”

16. De Oostenrijkse, de Belgische en de Poolse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting op 9 maart 2017 hebben de Belgische regering en de Commissie hun standpunten mondeling toegelicht en de vragen van het Hof beantwoord.

Eerste vraag

17. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij ondanks het feit dat de consument bij de terechtzitting verstek heeft laten gaan, bevoegd is ambtshalve te onderzoeken of een overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt. Deze vraag houdt verband met een nationale regeling die bepaalt dat de rechter alleen bevoegd is om ambtshalve te onderzoeken of een vordering in strijd is met nationale voorschriften van openbare orde. Ik zal eerst op deze kwestie ingaan, aangezien de vraag of richtlijn 93/13 van toepassing is (en of de toepasselijkheid ervan ambtshalve kan worden onderzocht) logischerwijs voorafgaat aan vragen over de status van de partijen bij een bepaalde overeenkomst of de rechtmatigheid van de bedingen ervan.

18. De Commissie voert aan dat de regel dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, een dwingend karakter heeft. Daarom zijn de nationale rechterlijke instanties bevoegd en gehouden ambtshalve te onderzoeken of een overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, ook al verschijnt de betrokken consument niet ter terechtzitting.

19. De Belgische regering is het eens met de conclusie van de Commissie. Zij betoogt dat artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek in overeenstemming is met die uitlegging, aangezien de nationale rechter bij zijn beoordeling of hij al dan niet ambtshalve een middel van openbare orde dient op te werpen, allereerst moet bepalen of de bepaling in kwestie binnen de werkingssfeer van de voorschriften van openbare orde valt. Het gelijkwaardigheidsbeginsel verlangt dat dezelfde redenering wordt toegepast op de bepalingen van richtlijnen, zoals richtlijn 93/13.

20. Volgens vaste rechtspraak moet een nationale rechter inderdaad ambtshalve nagaan of een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt en, zo ja, of een dergelijk beding eventueel oneerlijk is.(9)

21. Het blijft echter de vraag of de nationale rechter daartoe ook verplicht is wanneer de consument niet aan de procedure heeft deelgenomen.

22. Bij de beantwoording van die vraag moet rekening worden gehouden met een aantal beginselen die reeds zijn erkend in de rechtspraak van het Hof.

23. Ten eerste berust „het door de richtlijn uitgewerkte beschermingsstelsel [...] op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper opgestelde standaardvoorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen”(10).

24. Ten tweede is de bepaling dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, „een dwingende bepaling [...] die beoogt het in de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt”(11). Die bepaling „moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden”(12). Het onderzoek of de richtlijn van toepassing is op een gegeven situatie gaat logischerwijs aan die analyse vooraf (zie punt 20 hierboven en voetnoten).

25. Ten derde kan de tussen consument en verkoper bestaande situatie van ongelijkheid enkel worden opgeheven door een positief ingrijpen buiten de partijen bij de overeenkomst om.(13) Dat positieve ingrijpen bestaat in het door een rechterlijke instantie ambtshalve verrichte onderzoek of een overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt en of de bedingen ervan al dan niet eerlijk zijn. De bescherming die de richtlijn de consument verleent, strekt zich zelfs uit tot de gevallen waarin de consument zich niet op de oneerlijkheid van een beding beroept, hetzij omdat hij onwetend is van zijn rechten, hetzij omdat hij ervan afziet zijn rechten geldend te maken wegens de kosten van een vordering in rechte(14)

26. Krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten zijn de procedureregels die in een positief ingrijpen voorzien, bij gebreke van harmonisatie van de desbetreffende nationale regelingen voorts een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten, op voorwaarde evenwel dat deze regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties krachtens intern recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht aan de consument verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel)(15)

27. In de zaak Asturcom Telecomunicaciones, die betrekking had op een overeenkomst die een arbitragebeding bevatte, had het Hof reeds de gelegenheid uitspraak te doen over de kwestie van niet-contradictoire procedures. In die zaak was er een arbitraal vonnis uitgesproken zonder dat de betrokken consument was verschenen, waarna evenmin beroep werd ingesteld binnen de in het nationale recht vastgestelde termijn. Toen Asturcom Telecomunicaciones trachtte dat vonnis ten uitvoer te doen leggen, was de bevoegde nationale rechter van oordeel dat het arbitragebeding oneerlijk was. Het toepasselijke nationale recht voorzag evenwel niet in een beoordeling van het oneerlijke karakter van arbitragebedingen door de rechterlijke instantie die bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot gedwongen tenuitvoerlegging van een definitief geworden arbitraal vonnis. In die omstandigheden vroeg de nationale rechter het Hof of hij bevoegd was ambtshalve de nietigheid te beoordelen van de arbitrageovereenkomst en bijgevolg het arbitraal vonnis te vernietigen wanneer hij van oordeel was dat de arbitrageovereenkomst een oneerlijk beding bevatte(16)

28. Gezien het belang van het beginsel van kracht van gewijsdewas het Hof van oordeel dat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel niet inhoudt dat van de nationale rechter wordt verlangd dat hij volledig de totale passiviteit verhelpt van de betrokken consument die noch aan de arbitrageprocedure heeft deelgenomen, noch een vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis heeft ingesteld, waardoor dit vonnis definitief is geworden.(17)

29. Volgens het Hof volgt echter uit het gelijkwaardigheidsbeginsel dat, voor zover de nationale rechter die kennisneemt van een vordering tot gedwongen tenuitvoerlegging van een definitief arbitraal vonnis, op grond van de nationale procesregels ambtshalve dient te onderzoeken of een arbitragebeding in strijd is met nationale voorschriften van openbare orde, hij tevens ambtshalve moet beoordelen of dit arbitragebeding oneerlijk is in het licht van de richtlijn, zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.(18)

30. In de zaak VB Pénzügyi Lízing wenste de nationale rechter te vernemen of hij verplicht is om ambtshalve een onderzoek in te stellen teneinde de feitelijke en juridische omstandigheden vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling of een exclusief territoriaal forumkeuzebeding al dan niet eerlijk is, indien het nationale recht een dergelijk onderzoek enkel toestaat op verzoek van een der partijen.(19) Het Hof was van oordeel dat de nationale rechter, teneinde de doeltreffendheid van de consumentenbescherming te waarborgen, in alle gevallen, ongeacht zijn nationale recht, dient na te gaan of over het litigieuze beding afzonderlijk tussen een verkoper en een consument is onderhandeld, zodat bepaald kan worden of het binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt.(20)

31. Deze benadering werd bevestigd in de zaak Banco Español de Crédito (die betrekking had op de eerlijkheid van een in een leningovereenkomst opgenomen beding inzake achterstandsrente). Het Hof was van oordeel dat een procedure die de rechter die om een betalingsbevel is verzocht de mogelijkheid ontzegt om, zelfs indien hij daartoe reeds over alle nodige gegevens ten aanzien van het recht en van de feiten beschikt, ambtshalve na te gaan of een beding in een overeenkomst oneerlijk is wanneer de consument geen verzet heeft aangetekend, afbreuk doet aan de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 nagestreefde bescherming.(21)

32. In de zaak ERSTE Bank Hungary heeft het Hof die uitspraak verder ontwikkeld door te verduidelijken dat de daadwerkelijke rechtsbescherming die door richtlijn 93/13 wordt geboden, op de premisse berust dat een van de contractpartijen zich eerst tot de nationale rechter wendt.(22) Ik wijs erop dat de consument in dergelijke omstandigheden veelal het onderspit delft wanneer hij niet zelf degene is die de procedure instelt, en dat de uitspraak in die procedure van invloed zal zijn op zijn situatie, ongeacht of hij actief bij de procedure betrokken is of zich afzijdig houdt.

33. Volgens mij kunnen de volgende beginselen aan de rechtspraak worden ontleend: i) het doeltreffendheidsbeginsel verplicht de nationale rechterlijke instanties niet om tussenbeide te komen wanneer geen van de contractpartijen een procedure voor de nationale rechter heeft ingesteld; ii) wanneer er eenmaal een procedure is ingesteld, is de rechter gehouden om in alle gevallen, ongeacht zijn nationale recht, ambtshalve na te gaan of een overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt; iii) als dit het geval is, moet hij ook ambtshalve onderzoeken of de bedingen van die overeenkomst al dan niet eerlijk zijn; iv) de bepalingen van de richtlijn moeten op grond van hun dwingende karakter worden toegepast ongeacht de status die in de nationale rechtsorde aan de nationale voorschriften tot uitvoering van die bepalingen is toegekend, en ongeacht de door partijen genomen procedurele stappen en aangevoerde middelen.

34. Het feit dat de consument niet de partij is die de procedure heeft ingeleid, dat Kuijpers niet ter terechtzitting is verschenen of dat zij geen beroep op richtlijn 93/13 heeft gedaan, doet niet af aan die conclusie.

35. In dit licht kan de Belgische wettelijke regeling volgens welke de rechter alleen bevoegd is om ambtshalve na te gaan of een vordering in strijd is met nationale voorschriften van openbare orde, zonder dat hij daarbij mag onderzoeken of de vordering in kwestie in strijd is met de beginselen van richtlijn 93/13, wel eens problematisch kunnen blijken.

36. Die voorschriften moeten echter in overeenstemming met het Unierecht worden uitgelegd. Indien de nationale rechter volgens de nationale procedureregels bevoegd is ambtshalve de rechtmatigheid van een wettelijke maatregel aan nationale voorschriften van openbare orde te toetsen, moet hij die bevoegdheid overeenkomstig het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel ook met betrekking tot dwingende bepalingen van Unierecht uitoefenen. In het licht van deze analyse sluit ik mij aan bij het op het arrest Asbeek Brusse en de Man Garabito(23) gebaseerde standpunt van de Belgische regering dat de nationale rechter op grond van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, net als bij de toetsing aan nationale voorschriften van openbare orde, verplicht is ambtshalve te onderzoeken of een beding oneerlijk is in de zin van richtlijn 93/13.

37. Ik kom daarom tot de slotsom dat de nationale rechter bevoegd en gehouden is ambtshalve te onderzoeken of een overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, zelfs in gevallen waarin hij hierom niet specifiek is verzocht, bijvoorbeeld omdat de betrokken consument zich afzijdig houdt van de procedure.

Tweede en derde vraag

Algemene opmerkingen

38. Alvorens op de tweede en de derde vraag in te gaan, die ik hier samen zal behandelen, moet de strekking van deze vragen worden bepaald.

39. Het gebruik van het begrip „onderneming” in de bewoordingen van de tweede vraag in de context van consumentenbescherming lijkt vreemd. Ik vermoed dat dit gebruik te wijten is aan de formulering van de bepalingen van nationaal recht die ten grondslag liggen aan dit verzoek om een prejudiciële beslissing.

40. Zoals de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft toegelicht, werd het begrip „onderneming”, dat is ontleend aan het mededingingsrecht, door de Belgische wetgever gebruikt om het in artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 vermelde begrip „verkoper” om te zetten in nationaal recht.(24) Waarschijnlijk heeft dit de nationale rechter ertoe bewogen te vragen of een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt, zoals in casu KdG, te beschouwen is als een onderneming in de zin van het Europees recht.

41. De uniforme toepassing van het Unierecht vereist echter dat, wanneer een bepaling van Unierecht voor een bepaald begrip niet naar het recht van de lidstaten verwijst, dat begrip in de gehele Europese Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling(25)

42. Richtlijn 93/13 verwijst voor wat betreft de definitie van het begrip „verkoper” inderdaad niet naar het nationale recht. Hieruit volgt dat die uitdrukking voor de toepassing van de richtlijn zodanig moet worden opgevat dat zij verwijst naar een autonoom begrip van Unierecht dat in de gehele Unie uniform moet worden uitgelegd.

43. De betekenis van het begrip „verkoper” kan dus niet afhankelijk zijn van de wijze waarop de nationale wetgever dat begrip in nationaal recht heeft omgezet. Het begrip dient op uniforme wijze te worden uitgelegd overeenkomstig de definitie in artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13, om het even of de nationale wetgever die de richtlijn heeft omgezet, gebruik heeft gemaakt van de term „verkoper”, „bedrijf”, „handelaar” of „onderneming”. Het is in dit verband dus niet van belang wat het begrip „onderneming” in de context van het mededingingsrecht betekent of hoe het wordt uitgelegd in de rechtspraak betreffende het verrichten van diensten. Het is alleen van belang of een tussen een consument en een organisatie als KdG gesloten overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt.

44. In dit licht wenst de verwijzende rechter met de tweede en de derde vraag mijns inziens te vernemen of een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt, zoals KdG, moet worden beschouwd als „verkoper” in de zin van de definitie van artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13.

Reikwijdte van het begrip „verkoper”

45. De Belgische regering voert aan dat een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt, zoals KdG, niet als „verkoper” in de zin van richtlijn 93/13 kan worden beschouwd. Een dienstenovereenkomst wordt gekenmerkt door een element van vergoeding, dat in dit geval ontbreekt of in elk geval te verwaarlozen is. De betrokken openbare instelling verricht namelijk taken op sociaal, cultureel en onderwijsgebied, die gericht zijn op de bevolking als geheel. De Oostenrijkse regering deelt deze opvatting.

46. Daarentegen betoogt de Poolse regering dat een dergelijke onderwijsinstelling een „verkoper” is in de zin van de richtlijn. De tussen een onderwijsinstelling en een student gesloten overeenkomst valt onder de beroepsactiviteiten van die instelling. Daarbij doet het niet ter zake of die activiteiten al dan niet winst opleveren.

47. De Commissie is van mening dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de hoofdactiviteit van KdG als verstrekker van onderwijs en haar bijkomende, slechts sporadisch uitgeoefende activiteit als kredietverlener. In de onderhavige zaak gaat het om laatstgenoemde activiteit. Hoewel de hoofdactiviteit van KdG, het verstrekken van onderwijs, een activiteit van algemeen belang is die buiten de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, valt haar bijkomende, sporadische activiteit er wel onder, aldus de Commissie.

48. Naar mijn mening moet de uitlegging van het begrip „verkoper” uitgaan van de concrete bewoordingen van de definitie in artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13. Dat begrip omvat de volgende elementen: „iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon”, „die handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit” en „bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten”.

49. Die definitie moet rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling worden uitgelegd.(26) Zij is objectief en gebaseerd op bepaalde controleerbare elementen(27) Het begrip „verkoper” is een bijzonderheid van richtlijn 93/13 en is mijns inziens breder dan de in verschillende andere instrumenten op het gebied van het consumentenrecht gebruikte begrippen.(28)

50. Het eerste deel van die definitie, namelijk „iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon”, maakt duidelijk dat de classificatie, rechtsvorm en de specifieke nationaalrechtelijke kenmerken van de persoon in kwestie niet relevant zijn voor zijn kwalificatie als „verkoper”.(29)

51. Uit het gebruik van het woord „iedere” blijkt dat de definitie in brede zin moet worden uitgelegd en betrekking heeft op alle natuurlijke of rechtspersonen die oneerlijke contractuele bedingen zouden kunnen opleggen aan de consument.

52. Volgens het tweede deel van de definitie moet het om een verkoper gaan die „handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit”.

53. Deze activiteiten bestaan volgens de richtlijn in het verkopen van goederen of het verrichten van diensten en worden niet nader afgebakend.(30) Er is voor een functionele benadering gekozen: de overeenkomst moet deel uitmaken van activiteiten die de betrokken persoon in het kader van zijn beroepsactiviteit ontplooit. De definities van „consument” en „verkoper” zijn beide afhankelijk van het terrein waarop het handelen van de betrokkene zich afspeelt.(31) De „consument” en de „verkoper” nemen bij de betrokken rechtshandeling tegenovergestelde posities in. De consument, die als kwetsbare, zwakkere partij wordt beschouwd, staat tegenover de verkoper, die geacht wordt zich in een sterkere positie te bevinden die hem in staat stelt bij de transactie zijn eigen bedingen op te leggen aan de consument. De definitie bevat geen enkele voorwaarde met betrekking tot de aard en het doel van de activiteiten van de verkoper.

54. Bovendien bevat de richtlijn geen enkele bepaling waarbij een bepaalde soort beroepsactiviteit wordt uitgesloten van de werkingssfeer ervan. Weliswaar komt uit de tiende overweging naar voren dat bepaalde soorten overeenkomsten, zoals overeenkomsten betreffende erfrechten, niet onder de richtlijn vallen(32), maar zij bevat geen overeenkomstige bepaling met betrekking tot een bepaald soort beroepsactiviteit. In de veertiende overweging is daarentegen uitdrukkelijk aangegeven dat de richtlijn ook van toepassing is op beroepsactiviteiten met een openbaar karakter.

55. In de zaak Šiba heeft het Hof geoordeeld dat een advocaat die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf tegen betaling juridische diensten verleent aan een voor privédoeleinden handelende natuurlijke persoon, een „verkoper” is in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 en dat het publieke karakter van die werkzaamheden niet afdoet aan deze constatering.(33)

56. In de ruimere context van richtlijnen op het gebied van consumentenbescherming was het Hof tevens van mening dat het in het kader van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken gebruikte begrip „handelaar” instellingen met een taak van algemeen belang niet uitsluit. Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat een publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang, zoals het beheer van een verplichte ziekteverzekering, onder het begrip „handelaar” valt.(34) Naar mijn mening kan die benadering ook worden toegepast op het begrip „verkoper” in de context van richtlijn 93/13 (waarin bovendien – anders dan in de richtlijn oneerlijke handelspraktijken – uitdrukkelijk is bepaald dat dit begrip ook activiteiten met een openbaar karakter omvat).

57. Weliswaar heeft het Hof in zijn arrest Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs aangegeven dat de „handelaar” een activiteit tegen betaling uitoefent, maar hiermee wilde het benadrukken dat noch instellingen met een taak van algemeen belang noch publiekrechtelijke instellingen zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken.(35) Taken van publieke aard en van algemeen belang worden over het geheel genomen vaak zonder winstoogmerk uitgeoefend. Ik ben daarom van mening dat het al dan niet bestaan van een winstoogmerk niet relevant is voor de definitie van „verkoper” in verband met een specifieke overeenkomst.

58. Wat de aard van de verrichte dienst betreft, ben ik van mening dat uit het argument van de Belgische regering en de Commissie dat openbaar onderwijs dat voornamelijk met overheidsmiddelen wordt bekostigd, niet als dienst in de zin van artikel 57 VWEU kan worden beschouwd, niet kan worden geconcludeerd dat onderwijsinstellingen van de werkingssfeer van richtlijn 93/13 zijn uitgesloten wanneer zij overeenkomsten sluiten die oneerlijke bedingen bevatten.

59. Inderdaad heeft het Hof geoordeeld dat cursussen die door bepaalde instellingen worden aangeboden in het kader van een openbaar, geheel of voornamelijk uit overheidsmiddelen gefinancierd onderwijsstelsel, zijn uitgesloten van de definitie van diensten, aangezien de staat bij de organisatie en de handhaving van een dergelijk stelsel niet de bedoeling heeft tegen vergoeding werkzaamheden te verrichten, maar ten behoeve van de bevolking zijn sociale, culturele en opvoedkundige taak vervult.(36)

60. In vaste rechtspraak heeft het Hof echter ook aangegeven dat cursussen die worden aangeboden door onderwijsinstellingen die hoofdzakelijk uit particuliere middelen worden gefinancierd (met name, maar niet uitsluitend, door studenten en hun ouders) diensten vormen in de zin van artikel 57 VWEU, daar het door deze instellingen nagestreefde doel erin bestaat tegen vergoeding diensten aan te bieden.(37)

61. Uit die twee lijnen in de rechtspraak komt naar voren dat volgens het Hof het wezenlijke element van de definitie van „diensten” voor de toepassing van artikel 57 VWEU niet de aard van de verrichte taken is, maar het feit dat de betrokken activiteit tegen betaling wordt verricht.

62. De rechtspraak betreffende de richtlijn oneerlijke handelspraktijken(38) bevestigt die benadering, aangezien een publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang, zoals het beheer van een verplichte ziekteverzekering, volgens die rechtspraak binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.(39) De richtlijn oneerlijke handelspraktijken heeft dezelfde rechtsgrondslag als richtlijn 93/13, namelijk artikel 95 EG (oud artikel 100 A EG‑Verdrag, thans artikel 114 VWEU) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten. Die rechtsgrondslag benadrukt uitdrukkelijk dat voor een hoog niveau van consumentenbescherming moet worden gezorgd(40), een doelstelling die niet is opgenomen in artikel 57 VWEU inzake de vrijheid van dienstverrichting.

63. Tot slot bevat richtlijn 93/13 geen beperking van de aard of het doel van de betrokken activiteiten of van de wijze waarop deze worden gefinancierd. Daarentegen vallen activiteiten met een openbaar karakter uitdrukkelijk onder de werkingssfeer ervan.(41)

64. Ik ben derhalve van mening dat het feit dat een natuurlijke of rechtspersoon eventueel gesubsidieerd onderwijs verstrekt, er niet aan in de weg staat dat die persoon wordt aangemerkt als „verkoper” in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13.

65. Wat betreft het derde deel van de definitie van „verkoper” („bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten”), blijkt uit artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 dat de richtlijn van toepassing is op bedingen in „overeenkomsten tussen een verkoper en een consument” waarover „niet afzonderlijk is onderhandeld”(42). In de tiende overweging van de richtlijn wordt de ruime strekking van dat begrip bevestigd. De richtlijn is van toepassing op „alle overeenkomsten” tussen verkopers en consumenten (met uitzondering van overeenkomsten als arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten betreffende erfrechten, overeenkomsten met betrekking tot de gezinssituatie en overeenkomsten met betrekking tot de oprichting en de statuten van vennootschappen).(43) Het kan om een schriftelijke of een mondelinge overeenkomst gaan.(44) Het voorwerp van de overeenkomst is irrelevant voor de vaststelling van de werkingssfeer van de richtlijn.(45)

66. Van doorslaggevend belang is dat richtlijn 93/13 de overeenkomsten waarop zij van toepassing is, bepaalt aan de hand van de hoedanigheid van de contractpartijen, naargelang zij al dan niet in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen. Dit criterium strookt met de gedachte waarop het beschermingsstelsel van deze richtlijn berust, namelijk dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt, wat ertoe kan leiden dat hij gedwongen is om met de door de verkoper tevoren opgestelde voorwaarden in te stemmen zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen.(46)

67. Uit het voorgaande volgt dat de „verkoper”in de zin van richtlijn 93/13een natuurlijke persoon of een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon is die, ongeacht zijn rechtsvorm of kenmerken: i) goederen of diensten, van welke aard ook en hoe ook omschreven, aanbiedt; ii) een overeenkomst sluit met een consument; iii) in het kader van zijn beroepsactiviteit. Het karakter (openbaar of particulier), het voorwerp (openbare of private taken, taken van algemeen belang) en het resultaat (al dan niet met winstoogmerk) zijn niet relevant. Ook het doel van de overeenkomst is niet van belang, mits zij is gesloten tussen een consument en een verkoper en verband houdt met de beroepsactiviteit van laatstgenoemde.

68. Ik kom derhalve tot de slotsom dat een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt, kan worden beschouwd als „verkoper” in de zin van richtlijn 93/13 wanneer zij in het kader van haar activiteiten een onder die richtlijn vallende overeenkomst sluit. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of dit in casu het geval is en of de tussen Kuijpers en KdG gesloten overeenkomst in strijd is met de dwingende voorschriften van die richtlijn.

Conclusie

69. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Vredegerecht te Antwerpen te beantwoorden als volgt:

„– De nationale rechter is bevoegd en gehouden ambtshalve te onderzoeken of een overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten valt, zelfs in gevallen waarin hij hierom niet specifiek is verzocht, bijvoorbeeld omdat de betrokken consument zich afzijdig houdt van de procedure.

– Een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt, kan worden beschouwd als „verkoper” in de zin van richtlijn 93/13 wanneer zij in het kader van haar activiteiten een onder die richtlijn vallende overeenkomst sluit. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of dit in een bepaald geval zo is en of de overeenkomst in kwestie in strijd is met de dwingende voorschriften van die richtlijn.”

 

1

 

2 van de Raad

 

3 Zie de vierde en de negende van de richtlijn.

 

4 Twaalfde .

5 Veertiende .

6 Net als in de Nederlandse taalversie van de richtlijn wordt er ook in de Franse taalversie één begrip gebruikt, namelijk „professionnel”, terwijl in het Engels sprake is van „seller or supplier”.

7 De nationale rechter uit twijfels ten aanzien van het karakter van de nationale voorschriften inzake oneerlijke bedingen in overeenkomsten. Er lijkt onduidelijkheid te bestaan over de vraag of zij volgens de nationale wet moeten worden aangemerkt als „bepalingen van openbare orde”.

8 Het in de Belgische wetgeving tot omzetting van richtlijn 93/13 gebruikte begrip „onderneming” zou zodanig kunnen worden opgevat dat het enger is dan het begrip „verkoper” (dat deel uitmaakt van de definitie van de werkingssfeer ratione personae van de ), zodat overeenkomsten zoals de onderhavige zouden zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de richtlijn.

 

Noot: 

Janek Tomasz Nowak, HvJ: rechter moet regels over onrechtmatige bedingen ambtshalve toepassen in verstekprocedure, Juristenkrant 13 juni 2018,pagina 3

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/07/2018 - 14:01
Laatst aangepast op: ma, 02/07/2018 - 14:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.