-A +A

Taak van de rechter bij verstek is geen blinde inwilligingsplicht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Westerlo
Datum van de uitspraak: 
woe, 02/03/2016

Art. 806 Ger.W. bepaalt thans: “In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde”.

Recentelijk nog werd erop gewezen dat art. 6.1 EVRM impliceert dat iedere rechterlijke instantie in alle omstandigheden haar beslissing moet kunnen baseren op haar eigen vrije oordeel over feiten en rechtsgronden, en dat een verdrag met directe werking – zoals het EVRM – in de interne Belgische rechtsorde voorrang heeft op de wetten van het Belgische Parlement, zelfs wanneer deze wetten dateren van na de wet die het verdrag heeft goedgekeurd (Antwerpen 22 december 2015, rolnr. 2015/FA/764, niet gepubliceerd).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NMBS t/ A.

...

Gezien de vordering van eisende partij, zoals gesteld in voormelde dagvaarding, ertoe strekt verwerende partij te veroordelen tot betaling aan eisende partij uit hoofde van:

– nr. vaststelling onregelmatigheid (C170): 130615383105 reiziger zonder vervoerbewijs (art. 156 tot 160 vervoersvoorwaarden NMBS) – vaststelling overlast – niet-betaling binnen de toegerekende termijnen Antwerpen-Berchem – Geel van 27 juni 2015: µ225 euro – nr. vaststelling onregelmatigheid (C170): 280811452900 reiziger zonder vervoerbewijs (art. 2.1.0.1., 5.0.0.7, 5.0.0.11. vervoersvoorwaarden NMBS) – vaststelling onregelmatige reiziger Antwerpen-Centraal – Geel van 28 augustus 2011: 6,30 euro – forfaitaire schadevergoeding d.d. 13 september 2011: 200,00 euro – nr. vaststelling onregelmatigheid (C170): 111012327300 reiziger zonder vervoerbewijs µ(art. 10, 136, 141, 145 vervoersvoorwaarden NMBS) – vaststelling onregelmatige reiziger Brussel-Nationaal-Luchthaven – Geel van 11 oktober 2012: 21,10 euro – aanpassing/verhoging forfaitaire schadevergoeding van 27 oktober 2012: - 7,70 euro – forfaitaire schadevergoeding van 27 oktober 2012: 200,00 euro – nr. vaststelling onregelmatigheid (C170): 120313477100 reiziger zonder vervoerbewijs (art. 10, 148, 153, 157 vervoersvoorwaarden NMBS) – vaststelling onregelmatige reiziger Geel – Antwerpen-Centraal van 13 maart 2013: 14,70 euro – aanpassing/verhoging forfaitaire schadevergoeding van 29 maart 2013: - 8,00 euro – forfaitaire schadevergoeding van 29 maart 2013: 200,00 euro – nr. vaststelling onregelmatigheid (C170): 130313477101 reiziger zonder vervoerbewijs (art. 10, 148, 153, 157 vervoersvoorwaarden NMBS) – vaststelling onregelmatige reiziger Antwerpen-Centraal – Geel van 13 maart 2013: 14,70 euro – aanpassing/verhoging forfaitaire schadevergoeding van 29 maart 2013: - 8,00 euro – forfaitaire schadevergoeding van 29 maart 2013: 200,00 euro Totaal onder alle voorbehoud: te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. 1.058,10 euro
Verwerende partij tevens te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding en het te vellen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.

Overwegende dat verwerende partij ter zitting van 3 februari 2016 niet is verschenen, noch zich door iemand liet vertegenwoordigen, niettegenstaande hij regelmatig werd gedagvaard.

Overwegende dat eisende partij een bedrag van 1.058,10 euro hoofdsom vordert, hoofdzakelijk samengesteld uit “forfaitaire schadevergoeding” wegens het gebruik maken van de trein zonder hiervoor in het bezit te zijn van een geldig vervoerbewijs, op verschillende data en trajecten.

Overwegende dat verwerende partij ter zitting van 3 februari 2016 niet is verschenen en eisende partij alsdan verstek heeft gevorderd. Art. 806 Ger.W. bepaalt thans: “In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde”.

Deze wetsbepaling is van toepassing vanaf 1 november 2015 en betekent in het onderhavige geval dat Ons Ambt de vordering van eisende partij (inclusief de forfaitaire schadevergoeding per rit zonder vervoerbewijs) zonder meer dient toe te kennen, behalve wanneer dat strijdig is met de openbare orde.

Overwegende dat, op het eerst gezicht, Ons Ambt dus dient te onderzoeken of de hiervoor gespecificeerde eis al dan niet strijdig is met de openbare orde. Ondanks de behulpzame aanzet die de Voorbereidende Werken bij de uitvoering daarvan aan de rechter hebben verschaft (Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54, 1219/009, p. 9: verklaringen van de minister van Justitie dat het begrip “openbare orde” een evolutief concept is), blijft dit een risicovolle oefening. Voor dit risico hebben D. Scheers en P. Thiriar, Potpourri I – Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 113 zeer terecht gewaarschuwd toen zij schreven: “Doordat art. 806 Ger.W. thans niet meer uitdrukkelijk bepaalt dat de rechter kan optreden in geval van een kennelijk ongegronde vordering, bestaat de kans dat de rechtspraak het begrip openbare orde in art. 806 Ger.W. heel ruim gaat interpreteren om de rechter toch de mogelijkheid te geven om een overdreven eis of een onrechtmatig schadebeding af te wijzen. De wetgever heeft zelf een aanzet om het begrip openbare orde zo te bekijken dat een overdreven (...) schadebeding zou kunnen worden afgewezen. Dat standpunt verdient geen navolging en kan leiden tot een zo ruime invulling van het begrip openbare orde dat het iedere zin gaat verliezen. Het valt zeer te betreuren dat de mogelijkheid voor de rechter om ambtshalve op te treden wanneer een eis kennelijk ongegrond is, niet werd behouden”.

Omdat het begrip openbare orde helemaal niet duidelijk is afgelijnd, is het risico van uitholling ervan thans zeer reëel.

Overwegende dat op het tweede gezicht echter snel blijkt dat bovenvermelde risicovolle oefening in casu niet eens behoeft te worden uitgevoerd, in het licht van het Europese recht.

1. Recentelijk nog werd erop gewezen dat art. 6.1 EVRM impliceert dat iedere rechterlijke instantie in alle omstandigheden haar beslissing moet kunnen baseren op haar eigen vrije oordeel over feiten en rechtsgronden, en dat een verdrag met directe werking – zoals het EVRM – in de interne Belgische rechtsorde voorrang heeft op de wetten van het Belgische Parlement, zelfs wanneer deze wetten dateren van na de wet die het verdrag heeft goedgekeurd (Antwerpen 22 december 2015, rolnr. 2015/FA/764, niet gepubliceerd).

2. Het kan als merkwaardig bestempeld worden dat nog zo vaak wordt voorbijgegaan aan de directe werking van het EVRM in de interne Belgische rechtsorde. Reeds in 2003 beklemtoonde Hugo Vandenberghe dat deze directe werking inmiddels een substantiële verdere ontwikkeling heeft vertoond en verwonderde hij zich erover dat niettegenstaande deze directe werking, de weerslag van de rechtspraak op het Europese niveau “vandaag nog niet in al zijn breedte en diepte onder ogen is genomen” (H. Vandenberghe, “Zakenrecht” in Themis, Academiejaar 2002-2003, Vormingsonderdeel 16, p. 26 in fine, met verdere verwijzingen in voetnoot 116. Zie ook: Vred. Westerlo 4 juni 2012, RW 2013-14, 434).

3. Zeer terecht wezen D. Scheers en P. Thiriar er onlangs dan ook nog op in hun hierboven vermeld artikel dat de rechtspraak van het Hof van Justitie niet uit het oog mag worden verloren aangaande de plicht van de rechter om ambtshalve eventueel oneerlijke contractuele bedingen te toetsen (HvJ 21 november 2002, nr. C – 473/00, Jur. 2002, I, 10.875; HvJ 26 oktober 2006, nr. C – 168/05, Jur. 2006, I, 10.421; HvJ 4 juni 2009, nr. C – 243/08, Jur. 2009, I, 4.713; HvJ 9 november 2010, nr. C – 137/08, www.curia.europa.eu. Zie ook: Cass. 14 april 2005, Arr.Cass. 2005, 868; Gent 26 oktober 2012, rolnr. 2011/AR/2924, p. 4, niet gepubliceerd. De verplichting van de rechter om de nietigheid van een beding ambtshalve op te werpen, bestaat volgend het Hof van Justitie evenzeer bij verstek van de consument (HvJ 6 oktober 2009, nr. C – 40/08, www.curia.europa.eu).

4. De regelgever van art. 806 Ger.W. is geheel voorbijgegaan aan deze Europeesrechtelijke bepalingen. Het hierboven vermelde arrest van Antwerpen 22 december 2015 concludeerde daarom dat: “de toepassing van art. 806 Ger.W., dat kennelijk in strijd is met de voormelde internationaalrechtelijke beginselen, terzijde dient geschoven te worden”.

5. Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat vermelde regelgever in punt 3 ook is voorbijgegaan aan de visie van het Hof van Cassatie dat de rechter bij verstek ook de grond van de zaak dient te onderzoeken, zelfs als het gaat om een materie die niet van openbare orde is (Cass. 14 november 2006, Arr.Cass. 2006, 2299; Cass. 13 juni 1985, Arr.Cass. 1984-85, 1423). Maar – anders dan kennelijk het geval is met het Europese recht – betreft het hier een bewuste keuze van de wetgever, die de rechter zonder meer moet toepassen.

Overwegende dat derhalve, gelet op al wat voorafgaat, dient te worden overgegaan tot de ambtshalve toetsing van de bedingen waarop eisende partij zich beroept bij haar huidige vordering tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding.

Overwegende dat eisende partij zich daarbij beroept op haar met toepassing van de wet van 25 augustus 1891 in verschillende edities (de laatste van 14 januari 2015) van het Belgisch Staatsblad gepubliceerde Vervoersvoorwaarden, meer bepaald de artikelen 2.1.0.1, 5.0.0.2, 5.0.0.7 en 5.0.0.11 daarvan, betreffende de reiziger zonder geldig vervoerbewijs.

Overwegende dat deze ambtshalve toetsing uiteenvalt in twee onderdelen, namelijk allereerst het antwoord op de vraag of de vervoersvoorwaarden van eisende partij wel in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen inzake onrechtmatige bedingen en zo ja, vervolgens of ze daarmee daadwerkelijk in overeenstemming zijn.

Eerste onderdeel

1. Het Hof van Cassatie diende zich onlangs uit te spreken over het antwoord op de vraag of de door NMBS in haar vervoersvoorwaarden gehanteerde toeslagen in geval van het niet of niet-tijdig voldoen van de prijs voor het vervoer, al dan niet in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen inzake onrechtmatige bedingen. Het Hof oordeelde dat dit steeds het geval moet zijn (Cass. 6 mei 2014, nr. P.13.1291.N), verwijzend naar onder meer het arrest van het Grondwettelijk Hof 26 oktober 2005, nr. 159/2005, waarin werd geoordeeld dat de artikelen 31, § 2, 2o, 32 en 33 van de wet 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (WHPC) slechts verenigbaar zijn met art. 10 en 11 Gw. indien ze zo worden geïnterpreteerd dat de NMBS wat betreft haar openbare dienstverlening niet is uitgesloten van het toepassingsgebied van deze wet.

2. Ons Ambt zal deze stelling van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof niet tegenspreken, hoewel de vraag kan worden gesteld in hoeverre de reiziger die gewoon wilde profiteren van de diensten van de NMBS zonder de vervoerprijs te betalen, kan worden beschouwd als een “consument” die een “overeenkomst” heeft gesloten met de “onderneming” NMBS. Waarna dan een volgende vraag verschijnt, namelijk of deze situatie niet louter buitencontractueel en/of strafrechtelijk dient te worden geanalyseerd, los van de onrechtmatige bedingenleer.

Tweede onderdeel

Nu moet worden aangenomen dat het antwoord op de eerste vraag positief is, wordt onderzocht of de bedoelde toeslagen in overeenstemming zijn met de vigerende (Europese en Belgische) consumentenwetgeving. Dat blijkt geenszins het geval te zijn.

1. Zij zijn allereerst niet in overeenstemming met de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, voornamelijk art. 3, 1o en 2o en art. 5 en het daarin uitgewerkte beschermingsstelsel (Pb.L. 21 april 1993, afl. 095, p. 29-34).

2. Zij zijn ook niet in overeenstemming met art. VI.83, 17 en 24 en art. VI.84, § 1 WER 28 februari 2013, meer bepaald de invoeging daarin van Boek VI “Marktpraktijken en Consumentenbescherming” door de wet van 21 december 2013, in werking getreden op 31 mei 2014. Art. VI.1, § 1, 2o vermeldt nominatim dat dit voormelde Boek VI (onder meer) de bepalingen van bovenvermelde richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten omzet in het Belgische recht. Deze implementatie was voorheen al gebeurd door de inmiddels (met uitzondering van art. 110 tot 118) opgeheven wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consumentenbescherming (WMPC), nadat overigens – nog vroeger – de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (WHPC) reeds op voormelde Richtlijn 93/13 EEG had geanticipeerd.

Overwegende dat derhalve dient te worden geconcludeerd dat de toeslagbedingen in de NMBS-Vervoersvoorwaarden onrechtmatige bedingen zijn die verboden en nietig zijn. Met toepassing van art. 1153 BW kan enkel de wettelijke interest worden toegepast op het bedrag van de niet-betaalde biljetprijs. Vastgesteld wordt dat het bedrag van de biljetprijs van de rit Antwerpen-Berchem naar Geel van 27 juni 2015 niet wordt medegedeeld.

...

Noot: 

D. Scheers en P. Thiriar, Potpourri I – Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 113 zeer terecht gewaarschuwd toen zij schreven: “Doordat art. 806 Ger.W. thans niet meer uitdrukkelijk bepaalt dat de rechter kan optreden in geval van een kennelijk ongegronde vordering, bestaat de kans dat de rechtspraak het begrip openbare orde in art. 806 Ger.W. heel ruim gaat interpreteren om de rechter toch de mogelijkheid te geven om een overdreven eis of een onrechtmatig schadebeding af te wijzen.

De wetgever heeft zelf een aanzet om het begrip openbare orde zo te bekijken dat een overdreven (...) schadebeding zou kunnen worden afgewezen. Dat standpunt verdient geen navolging en kan leiden tot een zo ruime invulling van het begrip openbare orde dat het iedere zin gaat verliezen. Het valt zeer te betreuren dat de mogelijkheid voor de rechter om ambtshalve op te treden wanneer een eis kennelijk ongegrond is, niet werd behouden”.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/10/2016 - 13:43
Laatst aangepast op: za, 22/10/2016 - 13:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.