-A +A

Taak van de rechter bij leemte in de wet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 05/02/2016
A.R.: 
C.15.0011.F

De rechter moet elke leemte in de wet waarvan het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid heeft vastgesteld invullen, evenals elke leemte die hieruit voortvloeit dat een wetsbepaling als ongrondwettig wordt aangemerkt, wanneer hij die leemte in het kader van de bestaande wetsbepalingen kan verhelpen teneinde de wet in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te brengen (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 2015, nr. ... .

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.15.0011.F

L.C.M. t/ M.I.V.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 18 februari 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

Volgens art. 29bis, § 1, eerste lid WAM 1989, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 januari 2001, wordt bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet.

Overeenkomstig § 3 van dat artikel, dat verwijst naar art. 1 van de wet, moet onder motorrijtuig ieder voertuig worden verstaan dat bestemd is om zich over de grond te bewegen en dat door een mechanische kracht kan worden gedreven, zonder aan spoorstaven te zijn gebonden.

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn prejudiciële arrest nr. 92/98 van 15 juli 1998 voor recht gezegd dat voornoemd art. 29bis art. 10 en 11 Gw. schendt in zoverre het de aan spoorstaven gebonden voertuigen uitsluit van de vergoedingsregeling waarin het voorziet.

Krachtens art. 10, § 1, eerste en tweede lid WAM 1989, dat is ingevoegd in het hoofdstuk betreffende aan de Staat of aan bepaalde openbare instellingen toebehorende voertuigen, zijn laatstgenoemden niet verplicht een verzekering aan te gaan voor motorrijtuigen die hun toebehoren of op hun naam zijn ingeschreven en dekken zij zelf, als er geen verzekering is, overeenkomstig de voormelde wet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven. Volgens art. 10, § 1, derde lid, eerste zin WAM 1989 hebben zij, indien zij uit hoofde van hun eigen aansprakelijkheid niet tot schadevergoeding zijn gehouden, jegens de benadeelden dezelfde verplichtingen als de verzekeraar.

Art. 10, § 2 WAM 1989 bepaalt dat de Koning de nationale of gewestelijke instellingen van openbaar nut voor gemeenschappelijk vervoer die Hij aanwijst, machtiging kan verlenen om de voor de Staat geldende regeling toe te passen.

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn prejudiciële arrest nr. 109/2002 van 26 juni 2002 voor recht gezegd dat voornoemd art. 10, § 1, tweede en derde lid, en § 2 art. 10 en 11 Gw. schendt in zoverre het, in samenhang met art. 1 van dezelfde wet, enkel betrekking heeft op de motorrijtuigen die toebehoren aan de in dat artikel bedoelde vervoersinstellingen of die op hun naam zijn ingeschreven en die niet aan spoorstaven zijn gebonden.

De rechter moet elke leemte in de wet invullen waarvan het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid heeft vastgesteld, evenals elke leemte die hieruit voortvloeit dat een wetsbepaling als ongrondwettig wordt aangemerkt, wanneer hij die leemte in het kader van de bestaande wetsbepalingen kan verhelpen teneinde de wet in overeenstemming met art. 10 en 11 te brengen.

Het bestreden arrest, dat weigert de toepassing van art. 29bis WAM 1989 uit te breiden tot een verkeersongeval waarbij een aan spoorstaven gebonden voertuig van de verweerster betrokken is, op grond dat het «de leemte betreffende de vergoedingsplichtige niet zou kunnen invullen door [...] te beslissen dat de vergoedingsplicht voorgeschreven [bij die bepaling] vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 januari 2001, op de eigenaar van dat voertuig rust», zonder te onderzoeken of de verweerster, krachtens art. 10 van de wet, jegens de benadeelde niet dezelfde verplichtingen als een verzekeraar heeft, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing om de vordering van de eiser te verwerpen.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

...

Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het Grondwettelijk Hof in zijn prejudiciële arrest nr. 92/98 van 15 juli 1998 voor recht heeft gezegd dat art. 29bis WAM 1989, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 januari 2001, art. 10 en 11 Gw. schendt in zoverre het de aan spoorstaven gebonden voertuigen uitsluit van de vergoedingsregeling waarin het voorziet.

Krachtens art. 28 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof moeten het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.

Overeenkomstig art. 26, § 2, 2o van de bijzondere wet is het rechtscollege waarvoor een dergelijke vraag wordt opgeworpen, niet ertoe gehouden die vraag opnieuw te stellen wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met een identiek onderwerp.

Uit de samenhang tussen die bepalingen volgt dat het prejudiciële arrest dat de ongrondwettigheid van art. 29bis WAM 1989 vaststelt, zonder dat het Grondwettelijk Hof de gevolgen ervan in de tijd heeft beperkt, declaratoir is en dat zowel het rechtscollege dat de vraag heeft gesteld als het rechtscollege dat die vraag niet hoefde te stellen, zich daarnaar moet voegen.

Het bestreden arrest, dat erop wijst dat «het aan de rechterlijke macht toekomt bij de uitlegging van de wet de gevolgen van de schending van de Grondwet waartoe het Grondwettelijk Hof in een antwoord op een prejudiciële vraag besluit, in de tijd te bepalen» en dat, te dezen, «de eisen van het rechtmatig vertrouwen [...] en van de rechtszekerheid eraan in de weg staan dat de vergoedingsplicht voorgeschreven bij art. 29bis, § 1, wordt toegepast op verkeersongevallen met aan spoorstaven gebonden voertuigen welke zich [...] hebben voorgedaan vóór de bekendmaking van het arrest van 15 juli 1998 van het Grondwettelijk Hof», schendt voormeld art. 26, § 2, tweede lid, 2o en voormeld art. 28.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Noot:

• Journal des tribunaux [JT] VERSTRAELEN, Sarah; Observations 'La C. cass., en audience plénière, confirme un revirement de sa jurisprudence: l'appréciation des effets dans le temps d'un arrêt rendu sur la question préjudicielle revient à la C. const.' 2016, n° 6657, p. 511-516.
• Rechtskundig Weekblad [RW] VERSTRAELEN, Sarah; Noot 'Arrest uitgesproken in voltallige zitting: ongrondwettige lacunes en de temporele werking van prejudiciële arresten onder de loep' 2016-17, nr. 36, p. 1413-1419.
• Revue Générale des Assurances et des Responsabilités [RGAR] B.D.C.; Note sous cassation. 2016, n° 7, p. 15317(1)-15317(4).
• Revue de Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles [JLMB] Pironnet, Quentin; Observations 'Lacunes extrinsèques et maintien des effets au contentieux préjudiciel: lorsque la Cour de cassation fait d'une pierre deux coups' 2016, n° 35, p. 1645-1658.

Over de bekommernis van het Hof om zich niet in de plaats van de wetgever te stellen:

• Cass. 25 november 2008, AR R.07.0345.N;

• Cass. 12 december 2008, AR C.07.0642.N,

• Cass. 2 september 2009, AR P.090458.F;

• Cass. 28 oktober 2009, AR P.09.0837.F;

• Cass. 22 december 2009, AR P.09.1256.N;

• Cass. 26 januari 2011, AR P.11.0035.F;

• Cass. 23 november 2012, AR F.11.0050.N;

• Cass. 14 juni 2013, AR C.13.0170.N;

• Cass. 4 september 2015, AR F.14.0128.F

Principiële weigering van het Hof van Cassatie een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen indien het vaststelt dat de rechter niet in staat is om de leemte in de wetgeving te verhelpen zonder tussenkomst van de wetgever

• Cass. 11 december 2008, AR C.07.0333.F;

• Cass. 4 maart 2010, AR C.08.0032.N-C.08.0033.N-C.08.0037.N;

• Cass. 7 mei 2010, AR C.09.0317.F;

• Cass. 4 juni 2012, AR C.10.0474.N;

• Cass. 14 augustus 2012, AR P.12.1293.N;

• Cass. 12 november 2013, AR P.13.1169.N;

• Cass. 12 mei 2014, AR S.13.0020.F;

• Cass. 13 november 2014, AR F.13.0145.F;

• Cass. 15 mei 2015, AR C.12.0568.N;

• M. Melchior en C. Courtoy, «Het verzuim van de wetgever of de lacune in de grondwettelijke rechtspraak», TBP 2008, 598

Noot: 

Rechtspraak 

• Cass. 14/12/2012, R.W. 2013-2014, 1577

Uittreksel

10. De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van partijen niet miskent.

Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen.

Dit houdt niet in dat de rechter ertoe gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke, maar niet-aangevoerde rechtsgronden op hun toepasselijkheid te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid dient te onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsgronden die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen.

11. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters de plicht hadden de vordering van de eiseres ambtshalve te toetsen aan de aansprakelijkheidsregels inzake niet-conforme levering, maar voert niet aan dat de toepassing van die rechtsgrond geboden was door de feiten die door de eiseres in het bijzonder werden aangevoerd.

• Cass. 06/03/2013, AR P12.1596.F, juridat

samenvatting

Bij zijn uitspraak over de vergoeding van de door het slachtoffer van een ongeval geleden schade, moet de rechter de juridische aard onderzoeken van de door de partijen aangevoerde feiten en stukken; hij kan, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen eraan hebben gegeven, de door hen opgeworpen gronden ambtshalve aanvullen door de werkelijke juridische aard van de feiten vast te stellen en te onderzoeken of de vordering van het slachtoffer, anders omschreven, vergoedbare schade kan opleveren.

tekst arrest

Nr. P.12.1596.F
I. 1. V. F.,
2. J. G.,
3. J. M.

tegen
S. C.,
 

II. S. C.,

tegen
1. V. F.,
2. J. G.,
3. J. M.,

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

A. Cassatieberoepen van V. F., J. G. en J. M.

1. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen het vonnis van 21 mei 2007
De eisers voeren geen middel aan.

2. In zoverre de cassatieberoepen gericht zijn tegen het vonnis van 7 mei 2012
(...)
Tweede middel
Tweede onderdeel
De eiseres J. G., echtgenote van het verongelukte slachtoffer, verwijt met name de appelrechters dat zij door de vergoeding te weigeren van de "préjudice d'accom-pagnement" (begeleidingsschade), het recht op volledige schadevergoeding mis-kennen, bepaald in artikel 1382 van het Franse Burgerlijk Wetboek.

De rechter moet de juridische aard onderzoeken van de door de partijen aange-voerde feiten en stukken. Hij kan, ongeacht de juridische omschrijving die de par-tijen eraan hebben gegeven, de door hen opgeworpen gronden ambtshalve aanvullen.

Artikel 1382 van het Franse Burgerlijk Wetboek, dat op de feiten van de zaak van toepassing is, legt het recht vast van het slachtoffer op volledige vergoeding van de schade die in oorzakelijk verband staat met de fout die de dader heeft begaan.

De eiseres had een uitkering gevorderd, bij wijze van "préjudice d'accompagne-ment", die hierin bestaat dat zij tijdens haar waarschijnlijk overleven niet langer op het slachtoffer kan rekenen voor het vervullen van taken die normaal op beide echtgenoten rusten.

De appelrechters hebben de vergoeding van die schade afgewezen op grond dat de aldus omschreven eis niet onder de definitie valt die het Franse recht daaraan geeft. Het vonnis verwijst dienaangaande naar een "référentiel indicatif régional" (regionale indicatieve tabel) en naar een Frans juridisch woordenboek. Met aanha-ling van die bronnen stelt het vast dat de "préjudice d'accompagnement" overeen-komt met de morele schade die de nabestaanden van het slachtoffer lijden tijdens de traumatische aandoening tot aan het overlijden. Het besluit daaruit dat, aange-zien het slachtoffer bij het ongeval is overleden, de vordering van die schade niet gegrond is.

De appelrechters hebben zodoende niet de werkelijke juridische aard van de feiten vastgesteld en hebben evenmin onderzocht of die vordering in het Franse recht, als materiële schade, vergoedbaar kon zijn.

In zoverre is het middel gegrond.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van S. C., in zoverre het ge-richt is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering die V. F. tegen hem heeft ingesteld.
Vernietigt het bestreden vonnis van 7 mei 2012 in zoverre het uitspraak doet over de vergoeding van de "préjudice d'accompagnement" van J. G en de "déficit fonc-tionnel partiel" en "préjudice professionnel permanent" van J. M.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.
Veroordeelt de eisers V. F. en S. C. tot de kosten van hun cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers J. G. en J. M. tot twee derde van de kosten van hun cassatie-beroep en S. C. tot het overige derde.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Namen, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 02/09/2017 - 15:03
Laatst aangepast op: za, 02/09/2017 - 15:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.