-A +A

Taak van de raadkamer bestaan van voldoende bezwaren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 26/01/2016
A.R.: 
P.15.0892.N

Op grond van artikel 128 Wetboek van Strafvordering heeft de raadkamer en, binnen de door de wet bepaalde grenzen, de kamer van inbeschuldigingstelling in hoger beroep de rechtsmacht en de verplichting te onderzoeken of, op grond van de door het gerechtelijk onderzoek opgeleverde gegevens, de aan de inverdenkinggestelde ten laste gelegde feiten een misdrijf opleveren.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.0892.N
J G,
burgerlijke partij,
eiser,

tegen
1. A M L H T,
inverdenkinggestelde, e.a.2 tot7
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 juni 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het exploot van de betekening van het cassatieberoep aan de verweerder 4 is ter griffie van het Hof neergelegd op 12 augustus 2015, dit is meer dan twee maanden na het op 11 juni 2015 ingestelde cassatieberoep.
In zoverre tegen die verweerder ingesteld, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat tegen de verweerders 2, 3, 5, 6 en 7 geen bezwaren bestaan als mede-daders van het misdrijf onttrekking van kinderen (telastlegging A) omdat die ver-weerders niet het opzet hadden de kinderen te onttrekken; aldus steunt het arrest het oordeel over de afwezigheid van bezwaren in hoofde van die verweerders ten onrechte op het feit dat zij niet het opzet hadden om zelf het misdrijf zelf te ple-gen; artikel 66 Strafwetboek vereist echter enkel dat de mededader een door dat artikel bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, hij weet dat hij daaraan zijn medewerking verleent en hij het opzet heeft daaraan zijn medewer-king te verlenen, zonder dat alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf moe-ten begrepen zijn in de deelnemingshandelingen.

3. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het onderdeel vermeldt. Met overname van de redenen van de beroepen beschikking oordeelt het ook dat:
- er in hoofde van de verweerders 2 en 3 onvoldoende bezwaren zijn in verband met actieve deelnemingsdaden aan het feit van de telastlegging A;
- er bezwaren dienen te zijn die aanwijzen dat de verweerders 2 en 3 wisten dat zij hun medewerking verleenden aan het misdrijf en het opzet hadden aan dat misdrijf mee te werken;
- het feit dat de verweerders 2 en 3 hun kind in het buitenland financieel steun-den geen aanwijzing is dat zij het opzet hadden bij te dragen aan een ontvoe-ring; het feit dat zij wisten dat de verweerster 1 en de kinderen zich in een cha-let bevonden niet wil zeggen dat zij wisten dat de verweerster 1 zich daar be-vond om naar Kroatië te vertrekken; het feit dat de kosten van het tropisch in-stituut betaald werden door de verweerder 2 en dat de verweerster 3 een dag-boek bijhield, geen bezwaar vormen om te zeggen dat zij actief meededen aan het misdrijf;
- de verweerders 2 en 3 weliswaar wisten dat de verweerster 1 iets van plan was, maar het onvoldoende vaststaat dat zij wisten dat ze effectief naar Kroatië ging vertrekken, en zelfs als ze dat wel wisten, dit niet wil zeggen dat zij met opzet actief meewerkten en noodzakelijke hulp boden;
- de hiervoor vermelde feiten en het feit dat de verweerders 2 en 3 ter plaatse contact hebben opgenomen met de verweerster 1, te licht wegen om als be-zwaar voor mededaderschap aan ouderlijke ontvoering te gelden;
- hetzelfde geldt voor de verweerders 5, 6 en 7, daar uit niets blijkt dat zij nood-zakelijke hulp boden en actief en met opzet mede het misdrijf van ouderlijke ontvoering hielpen voltooien;
- het feit dat men soms geld betaalde of een telefoon ter beschikking stelde of het mogelijk maakte dat de verweerster 1 met haar ouders kon communiceren, te licht weegt om een bezwaar te zijn voor mededaderschap aan ouderlijke ont-voering.

Uit die redenen, die het arrest enkel preciseert en vervolledigt, blijkt dat het arrest met de in het onderdeel vermelde reden niet bedoelt dat deze verweerders het opzet dienden te hebben om zelf het misdrijf te plegen, maar wel dat zij niet het op-zet hadden deel te nemen aan het misdrijf op een in artikel 66, derde lid, Strafwet-boek bepaalde wijze. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 67 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat tegen de verweerders 2, 3, 5, 6 en 7 geen bezwaren bestaan als mede-plichtigen van het misdrijf onttrekking van kinderen omdat die verweerders niet het opzet hadden de kinderen te onttrekken; aldus steunt het arrest het oordeel over de afwezigheid van bezwaren in hoofde van die verweerders ten onrechte op het feit dat zij niet het opzet hadden om zelf het misdrijf zelf te plegen; artikel 67 Strafwetboek vereist echter enkel dat de medeplichtige een door dat artikel be-paalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, hij weet dat hij daaraan zijn medewerking verleent en hij het opzet heeft daaraan zijn medewerking te ver-lenen, zonder dat alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf moeten begre-pen zijn in de deelnemingshandelingen.

5. Het arrest dat oordeelt zoals vermeld in het eerste onderdeel en deze redenen in die zin aanvult dat er ten laste van de verweerders 2, 3, 5, 6 en 7 ook geen bezwaren betreffende medeplichtigheid aan de telastlegging A bestaan, bedoelt met de in dit onderdeel vermelde reden evenmin dat de vermelde verweerders het opzet dienden te hebben om zelf het misdrijf te plegen, maar wel dat zij niet het opzet hadden deel te nemen aan het misdrijf op een in artikel 67 Strafwetboek bepaalde wijze. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het betalen van de inentingen van de kinderen door de ver-weerder 2 , voorafgaand aan hun onttrekking door de verweerster 1, geen bezwaar vormt voor mededaderschap omdat deze handeling plaatsvond vóór de incrimina-tieperiode; door aldus te oordelen dat een deelnemingsdaad enkel gelijktijdig met of na het misdrijf zou kunnen worden gepleegd, schendt het arrest die bepalingen.

7. Met de in het onderdeel vermelde reden oordeelt het arrest niet dat een deelnemingsdaad enkel gelijktijdig met of na het misdrijf kan worden gepleegd, maar wel dat de verweerder 2 voor het bedoelde feit niet wordt vervolgd.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 130, 179 en 229 Wet-boek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat er tegen de verweerders 2, 3, 5, 6 en 7 onvoldoende bezwaren bestaan omdat de inentingen om andere redenen dan de onttrekking van de kinderen kunnen hebben plaatsgevonden en omdat die ver-weerders met betrekking tot andere handelingen niet het vereiste opzet hadden of geen daad van noodzakelijke hulp hebben gesteld; door aldus te oordelen dat de feiten niet bewezen zijn op grond van een beoordeling van de grond van de zaak en op basis daarvan te besluiten tot een gebrek aan bezwaren, plegen de appel-rechters machtsoverschrijding.

9. Het arrest oordeelt dat het betalen van de inentingen van de kinderen door de verweerder 2 plaatsvond vóór de incriminatieperiode en dus niet het voorwerp van de vervolging uitmaakt. Die zelfstandige reden draagt de beslissing.
In zoverre het middel gericht is tegen een overtollige reden, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

10. Krachtens artikel 128 Wetboek van Strafvordering verklaart de raadkamer dat er geen reden is tot vervolging, onder meer indien zij van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert. Op grond van die bepaling heeft de raadkamer en, binnen de door de wet bepaalde grenzen, de kamer van inbeschuldigingstelling in hoger beroep de rechtsmacht en de verplichting te onderzoeken of, op grond van de door het gerechtelijk onder-zoek opgeleverde gegevens, de aan de inverdenkinggestelde ten laste gelegde fei-ten een misdrijf opleveren.
In zoverre het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Vijfde onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede misken-ning van het recht van verdediging: met de summiere redenen die het bevat, waar-onder de algemene overweging "met overname van de correcte redengeving van de eerste rechter", stelt het arrest de eiser niet in staat te begrijpen waarom het de middelen afwijst die hij heeft aangevoerd tot staving van zijn eis dat de verweer-ders 2, 3, 5, 6 en 7 feiten van mededaderschap of medeplichtigheid aan de ont-trekking van kinderen hebben gepleegd; evenmin beantwoordt het aldus zijn con-clusie; bovendien heeft de beroepen beschikking niet geoordeeld over de bezwa-ren in verband met de medeplichtigheid van de verweerders 2 en 3; het arrest is ook tegenstrijdig gemotiveerd omdat het enerzijds oordeelt dat de verweerders 2 en 3 geen handelingen hebben gesteld en anderdeels vaststelt dat de verweerder 2 betaalde voor de inenting van de kinderen, de verweerders 2 en 3 de verweerster 1 bezochten op haar onderduikadres te Oud-Turnhout en zij later geld en goederen naar Kroatië overmaakten; met de reden "doet aan dit alles geen afbreuk", beant-woordt het arrest evenmin op begrijpelijke wijze waarom het eisers middel over het mededaderschap van de verweerders 2 en 3 door onthouding afwijst.

12. Met de reden dat het de correcte redengeving van de beroepen beschikking overneemt, oordelen de appelrechters dat zij zich de redenen eigen maken op grond waarvan die beschikking eisers middelen afwijst. Aldus stellen zij de eiser in staat hun beslissing te begrijpen en beantwoorden zij zijn conclusie.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

13. De verplichting van het onderzoeksgerecht de beslissing tot buitenvervol-gingstelling met redenen te omkleden, houdt niet in dat dit gerecht moet antwoor-den op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar geen af-zonderlijk middel vormt.

14. Na de in het eerste onderdeel vermelde redenen van de beroepen beschik-king te hebben overgenomen, oordeelt het arrest voor wat de telastlegging A be-treft ook met eigen redenen dat:
- het bijhouden van de kinderen tijdens de arrestatie van de verweerster 1 tegen de verweerders 2 en 3 geen bezwaar oplevert omdat uit niets blijkt dat zij het opzet hadden de kinderen te onttrekken;
- het feit dat de verweerders 2 en 3 de verweerster 1 en de kinderen zouden heb-ben bezocht in de chalet geen daad van noodzakelijke hulp uitmaakt;
- het enkele feit dat de verweerders 2 en 3 wisten dat de verweerster 1 zou vluchten naar Kroatië geen bezwaar oplevert omdat zij geen handelingen hebben gesteld en de verweerster 1 de beslissing heeft genomen zonder hun beïnvloeding;
- het hebben van contact met de verweerster 1 en de kinderen in Kroatië en de beperkte overmaking van bepaalde goederen en gelden in hoofde van de ver-weerders 2 en 3 evenmin enig bezwaar oplevert, vermits dit louter kaderde in een bezorgdheid over de kleinkinderen en er geen opzet aanwezig was de kin-deren te onttrekken;
- het veelvuldig verwijzen door de eiser dat deze verweerders gehouden waren tot mededeling van elke informatie over de verblijfplaats aan dit alles geen af-breuk doet en het voorwerp uitmaakt van andere juridische procedures;
- de door de eiser aan die verweerders verweten handelingen evenmin bezwaren opleveren inzake medeplichtigheid omdat er geen opzet aanwezig was de kin-deren te onttrekken;
- de beperkte communicatie en eenmalige overmaking van gelden door de ver-weerders 6 en 7 kadert in een bezorgdheid over de kinderen en er geen opzet aanwezig was de kinderen te onttrekken, zodat er van mededaderschap of me-deplichtigheid geen sprake is;
- de beperkte handelingen van de verweerder 5, die erin zouden bestaan de communicatie te verzorgen, geen bezwaren van mededaderschap of medeplich-tigheid opleveren bij gebrek aan enig opzet de kinderen te onttrekken.

Met het geheel van die overgenomen en eigen redenen beantwoordt het arrest de in het onderdeel vermelde middelen van de eiser en stelt het hem in staat de voornaamste redenen te kennen van de beslissing tot buitenvervolgingstelling.
In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen.

15. Het arrest dat eensdeels oordeelt dat de verweerders 2 en 3 geen handelin-gen hebben gesteld waardoor zij de verweerster 1 hebben beïnvloed of aangezet om naar Kroatië te vertrekken en anderdeels het bestaan vaststelt van bepaalde door de verweerders 2 en 3 gestelde handelingen, waarvan het oordeelt dat die geen dergelijke beïnvloeding of aanzetting uitmaken, bevat geen tegenstrijdigheid.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Tweede middel

Eerste onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 130, 179 en 229 Wet-boek van Strafvordering: het arrest oordeelt met betrekking tot de telastlegging G dat uit de stukken van het strafdossier niet blijkt dat de verweerster 1 de kinderen voedsel of verzorging zou hebben onthouden, zodat er geen bezwaar is; door al-dus te oordelen dat de feiten niet bewezen zijn op grond van een beoordeling van de grond van de zaak en op basis daarvan te besluiten tot een gebrek aan bezwa-ren, plegen de appelrechters machtsoverschrijding.

17. Krachtens artikel 128 Wetboek van Strafvordering verklaart de raadkamer dat er geen reden is tot vervolging, onder meer indien zij van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert. Op grond van die bepaling heeft de raadkamer en, binnen de door de wet bepaalde grenzen, de kamer van inbeschuldigingstelling in hoger beroep de rechtsmacht en de plicht te onderzoeken of, op grond van de door het gerechtelijk onderzoek op-geleverde gegevens, de aan de inverdenkinggestelde ten laste gelegde feiten een misdrijf opleveren.
In zoverre het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede onderdeel

18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat tegen de verweerster 1 geen bezwaren bestaan dat zij misbruik van vertrouwen heeft gepleegd omdat het niet blijkt dat zij de kindergel-den zou hebben verspild en niet zou hebben aangewend voor een bepaald doel, alsmede dat eisers standpunt dat de gelden niet aan hem werden overgemaakt, hieraan geen afbreuk doet; de verweerster 1 heeft de kindergelden enkel ontvan-gen om ze aan de eiser over te maken, zodat het niet-overmaken ervan een consti-tutief bestanddeel van misbruik van vertrouwen uitmaakt.

19. Het onderdeel dat opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede misken-ning van het recht van verdediging: met de summiere redenen die het bevat, be-antwoordt het arrest niet eisers conclusie betreffende de telastleggingen F tot J en laat het hem niet toe de voornaamste redenen voor de beslissing te begrijpen.

21. De verplichting van het onderzoeksgerecht de beslissing tot buitenvervol-gingstelling met redenen te omkleden, houdt niet in dat dit gerecht moet antwoor-den op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar geen af-zonderlijk middel vormt.

22. Met de redenen die het overneemt van de beroepen beschikking (p. 7) en deze die het zelf bevat, beantwoordt het arrest eisers conclusie en stelt het hem in staat de voornaamste redenen te kennen van de beslissing tot buitenvervolging-stelling.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

23. Het middel voert schending aan van artikel 128 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte tot het betalen van een rechtsple-gingsvergoeding aan de verweerders 2, 3, 5, 6 en 7; de eiser heeft de strafvorde-ring immers niet op gang gebracht wegens het feit van de telastlegging A, waar-voor die verweerders buiten vervolging zijn gesteld; dat feit is na eisers klacht met burgerlijkepartijstelling door de procureur des Konings toegevoegd aan de feiten die door middel van die klacht bij de onderzoeksrechter zijn aanhangig gemaakt.

24. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser op 9 maart 2010 klacht met burgerlijkepartijstelling heeft gedaan tegen de verweerster 1 wegens een aantal feiten, maar niet wegens het feit van de telastlegging A. Dat feit maakt het voorwerp uit van een uitbreidende vordering van 7 september 2010 van de procureur des Konings, die aldus met betrekking tot dat feit de strafvorde-ring heeft ingesteld. In zijn eindvordering heeft de procureur des Koning de ver-wijzing van de verweerders 2, 3, 5, 6 en 7 naar de correctionele rechtbank gevor-derd wegens het bestaan van voldoende bezwaren betreffende enkel de telastleg-ging A.

25. Artikel 128 Wetboek van Strafvordering bepaalt:
"Indien de raadkamer van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging.

In dat geval en indien het onderzoek werd ingeleid door de burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter, wordt de burgerlijke partij veroordeeld tot het aan de inverdenkinggestelde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek."

Die bepaling laat het onderzoeksgerecht niet toe degene door wiens klacht het ge-rechtelijk onderzoek is ingeleid, te veroordelen tot het betalen van een rechtsple-gingsvergoeding aan de inverdenkinggestelde die het buiten vervolging stelt we-gens een feit waarvoor niet die klager, maar wel het openbaar ministerie tijdens het onderzoek de strafvordering heeft op gang gebracht. Bijgevolg verantwoordt het arrest de beslissing waarbij het de eiser veroordeelt tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerders 2, 3, 5, 6 en 7 op grond van hun buitenvervolgingstelling wegens het feit van de telastlegging A, niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerders 2, 3, 5, 6 en 7.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat.
Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.
Bepaalt de kosten op 1.534 euro waarvan 85,31 euro verschuldigd is en 1.448,72 euro betaald werd.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Noot: 

E. Van Dooren De accijnsrechtelijk geldboete na het vernietigingsarrest van 30 oktober 2008, RABG 2014/1, 24

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 18/11/2016 - 17:01
Laatst aangepast op: vr, 18/11/2016 - 17:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.