-A +A

Taak van de notaris-vereffenaar – Bezwaren – Rechtsingang – Neerlegging van notariële akten – Formalisme - Regularisatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 28/05/2015

De notaris-vereffenaar die slechts in de loop van het geding overgaat tot neerlegging van zijn staat van vereffening-verdeling en het proces-verbaal van bezwaren, voldoet aan het specifieke vereiste van rechtsingang inzake gerechtelijke vereffening-verdeling. Noch de rechterlijke organisatie noch de openbare orde is daarbij in het gedrang.

De opvatting als zou de onregelmatige rechtsingang (1) niet voor regularisatie vatbaar zijn en (2) desnoods ambtshalve en tegen de wil van de partijen moeten worden doorgedreven, staat haaks op een goede rechtsbedeling en de actuele tendens tot «deformalisering» bij de uitlegging en de toepassing van de regels van het burgerlijk procesrecht. Sinds de invoering van de woorden «op straffe van nietigheid» in art. 700 Ger.W. (bij de wet van 26 april 2007) kan niet langer zonder meer worden aangenomen dat de wijze van rechtsingang de openbare orde raakt, ook niet wanneer het (zoals in casu) een alternatieve wijze van rechtsingang betreft die niet uitdrukkelijk voorkomt in art. 700 Ger.W. Los van de vraag naar de toepasselijkheid van de nietigheidsleer (gelet op het legaliteitsvereiste van art. 860 Ger.W.), kan bezwaarlijk, wegens vergetelheid van de notaris-vereffenaar, in hoger beroep tot de niet-ontvankelijkheid van de in eerste aanleg ingestelde procedure worden besloten. Een mogelijkheid tot regularisatie moet derhalve open blijven (C. Van Severen, «Rechtsingang voor de boedelnotaris bij homologatie van de staat van vereffening-verdeling» (noot onder Gent 6 februari 2014), NJW 2015, 274-275).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
349
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C. t/ V.

...

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. Noël C. (hierna: «C») en Nadine V. (hierna: «V») zijn ex-echtgenoten.

De partijen, destijds gehuwd op 30 mei 1992 onder het wettelijke huwelijksvermogensstelsel, zijn uit de echt gescheiden bij definitief vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne van 10 juni 2004, waarvan het beschikkende gedeelte is overgeschreven in de registers van de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand (art. 1278, eerste lid Ger.W.). De procedure tot echtscheiding is ingesteld bij dagvaarding van 12 juli 2001, zodat het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding van dan af is ontbonden (art. 1278, tweede lid Ger.W.).

Bij voormeld vonnis beveelt de echtscheidingsrechter de uitonverdeeldheidtreding en de gerechtelijke vereffening-verdeling van de gewezen huwelijksgemeenschap (in de zin van de oude artt. 1207 e.v. Ger.W.), met aanwijzing van M. als notaris-vereffenaar in de zin van het oude art. 1209, tweede lid Ger.W. en notaris D. als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude art. 1209, derde lid Ger.W.

2. Na voorafgaande notariële werkzaamheden met inventarisverrichtingen (blijkens processen-verbaal van 26 juni 2002, 21 mei 2003, 6 oktober 2004, 25 oktober 2005 en 2 februari 2006) komt de notaris-vereffenaar tot een staat van vereffening-verdeling van 24 maart 2009.

...

Bij gebrek aan instemming met deze staat volgt (i.h.b. blijkens het proces-verbaal van 24 maart 2009) een procedure «beweringen en zwarigheden». De bezwaren van C. zijn opgenomen in een brief van 5 juli 2008 met bijkomende stukken. De bezwaren van V. zijn opgenomen in een brief van 24 maart 2009.

Bij akte van 24 juli 2009 beantwoordt de notaris-vereffenaar deze bezwaren om er aldus beperkt op in te gaan.

3. Op 22 februari 2006 en derhalve tijdens de werkzaamheden van gerechtelijke vereffening-verdeling verzendt de notaris de processen-verbaal van 25 oktober 2005 en 2 februari 2006 aan de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne.

Op die manier initieert de notaris-vereffenaar blijkbaar naar analogie met het oude art. 1219, § 2 Ger.W. een tussentijdse bezwarenprocedure, terwijl C. dienaangaande tegelijk bij dagvaarding van 10 februari 2006 een geding instelt.

Bij tussenvonnis van 28 juni 2006 stelt de rechtbank een deskundige en meer precies architect D. aan.

...

Op 17 februari 2007 legt de deskundige zijn eindverslag ter griffie van de rechtbank neer.

...

4. Op 12 augustus 2009 verzendt de notaris-vereffenaar blijkbaar enkel eensdeels de processen-verbaal van 26 juni 2002, 21 mei 2003, 6 oktober 2004, 25 oktober 2005 en 2 februari 2006 en anderdeels voormelde akte van 24 juli 2009 aan de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne (oud art. 1219, § 2 Ger.W.). Noch de staat van vereffening-verdeling van 24 maart 2009 noch het proces-verbaal van bezwaren van (eveneens) 24 maart 2009 wordt overgezonden.

5. Bij tussenvonnis van 22 december 2010 heropent de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne het debat teneinde de partijen/de notaris-vereffenaar in staat te stellen de ontbrekende notariële akten van 24 maart 2009 toe te zenden.

De rechtbank stelt de zaak in voortzetting ter terechtzetting van 12 januari 2011. Op die terechtzetting verschijnt blijkbaar enkel C. De rechtbank sluit het debat opnieuw en neemt de zaak opnieuw in beraad.

Bij navolgend tussenvonnis van 9 februari 2011 heropent de rechtbank het debat opnieuw, omdat zij vaststelt dat de partijen sinds de overeenkomstig art. 747, § 2 Ger.W. gewezen beschikking van 16 november 2009 geen conclusie hebben genomen. Zij acht het aan de partijen om dienaangaande «klaarheid» te brengen. De rechtbank stelt de zaak in voortzetting ter terechtzitting van 9 maart 2011 en vervolgens ter terechtzitting van 23 maart 2011 (voor neerlegging van een dossier met stukken).

II. Beroepen vonnis

1. Bij vonnis van 4 mei 2011 oordeelt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne dat enkel de conclusie van V. van 17 augustus 2009 tijdig en regelmatig is genomen en bijgevolg wordt beschouwd als een syntheseconclusie in de zin van art. 748bis Ger.W. De overige conclusies weert zij uit het debat.

Zij behandelt op beperkte wijze de bedoelde bezwaren van V. om er zeer gedeeltelijk op in te gaan en de zaak terug te verzenden naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting van de werkzaamheden van vereffening-verdeling en zodoende met het oog op herwerking/afwerking van de staat van vereffening-verdeling van 24 maart 2009 met toepassing van het oude art. 1223 Ger.W.

2. Het vonnis van 4 mei 2011 wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10 juni 2011.

III. Hogere beroepen

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 11 juli 2011 stelt C. hoger beroep in tegen voormeld vonnis van 4 mei 2011. Met zijn hoger beroep beoogt C., met hervorming van het beroepen vonnis, (1) de integrale afwijzing van de bezwaren van V. (terwijl de eerste rechter ze gedeeltelijk heeft ingewilligd) (2) de inwilliging van zijn bezwaren (terwijl de eerste rechter er niet op is ingegaan) teneinde om die reden een herwerking van de staat van vereffening-verdeling van 24 maart 2009 te bevelen.

2. De rechtsopvolgers van V. nemen conclusie tot (gedeeltelijke) afwijzing van het hoger beroep. Bij wijze van incidenteel hoger beroep beogen zij, met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van de bezwaren van V. (terwijl de eerste rechter ze niet heeft ingewilligd).

...

IV. Beoordeling

...

B. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke procedure

1. Zoals reeds aangegeven:

– verzond de notaris-vereffenaar aanvankelijk enkel eensdeels de processen-verbaal van 26 juni 2002, 21 mei 2003, 6 oktober 2004, 25 oktober 2005 en 2 februari 2006 en anderdeels voormelde akte van 24 juli 2009 aan de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne;

– werd aanvankelijk noch de staat van vereffening-verdeling van 24 maart 2009 noch het proces-verbaal van bezwaren van (eveneens) 24 maart 2009 toegezonden.

Zoals beide partijen bij conclusie beamen, zijn voormelde notariële akten van 24 maart 2009 in de loop van het geding in eerste aanleg toegezonden, zodat uiteindelijk is voldaan aan het in het oude art. 1219, § 2 Ger.W. bedoelde vereiste van rechtsingang (zie over de bedoelde notariële akten bij wijze van rechtsingang: P. Dauw, «Commentaar bij art. 700 Ger.W.» in Comm.Ger. 2011, p. 9, nr. 12).

2. Noch de rechterlijke organisatie noch de openbare orde is daarbij in het gedrang, integendeel (C. Declerck, «Kroniek familiaal vermogensrecht – secundair huwelijksvermogensrecht» in W. Pintens en C. Declerck (eds.), Patrimonium 2014, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 14-15, nr. 22). De opvatting als zou de onregelmatige rechtsingang (1) niet voor regularisatie vatbaar zijn en (2) desnoods ambtshalve en tegen de wil van de partijen moeten worden doorgedreven, staat haaks op een goede rechtsbedeling en de actuele tendens tot «deformalisering» bij de uitlegging en de toepassing van de regels van het burgerlijk procesrecht. Sinds de invoering van de woorden «op straffe van nietigheid» in art. 700 Ger.W. (bij de wet van 26 april 2007) kan niet langer zonder meer worden aangenomen dat de wijze van rechtsingang de openbare orde raakt, ook niet wanneer het (zoals in casu) een alternatieve wijze van rechtsingang betreft die niet uitdrukkelijk voorkomt in art. 700 Ger.W. Los van de vraag naar de toepasselijkheid van de nietigheidsleer (gelet op het legaliteitsvereiste van art. 860 Ger.W.), kan bezwaarlijk, wegens vergetelheid van de notaris-vereffenaar, in hoger beroep tot de niet-ontvankelijkheid van de in eerste aanleg ingestelde procedure worden besloten. Een mogelijkheid tot regularisatie moet derhalve open blijven (C. Van Severen, «Rechtsingang voor de boedelnotaris bij homologatie van de staat van vereffening-verdeling» (noot onder Gent 6 februari 2014), NJW 2015, 274-275).

C. Bezwaren

1. Voorts is de discussie over de mate waarin de eerste rechter al dan niet terecht (1) tot wering uit het debat van bepaalde in eerste aanleg genomen conclusies is overgegaan en (2) zodoende op bepaalde bezwaren niet is ingegaan, inmiddels inhoudelijk achterhaald.

Punt is wel (zoals C. terecht aangeeft) dat het beroepen vonnis dienaangaande is behept met een manifest tegenstrijdige motivering, zodat de eerste rechter de in art. 149 Gw. bedoelde formele motiveringsverplichting miskent en het beroepen vonnis alleen al daarom moet worden vernietigd.

2. De wijze waarop in eerste aanleg is recht gedaan, roept overigens vragen op, en dit los van de al dan niet behoorlijke wijze waarop de zaak door de notaris-vereffenaar (met toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W.) en de partijen (door middel van conclusies) is aangebracht.

Na de inleidingszitting van 7 oktober 2009 bepaalt de eerste rechter een agenda van conclusietermijnen bij beschikking van 16 november 2009, met bepaling van de rechtsdag van 24 februari 2010. De zaak wordt behandeld en, na sluiting van het debat, in beraad genomen. Tien maanden later en meer precies op 22 december 2010 volgt een tussenvonnis. De rechtbank heropent het debat teneinde de partijen en de notaris-vereffenaar de mogelijkheid te bieden de ontbrekende notariële akten van 24 maart 2009 toe te zenden, waarop de rechtbank de zaak in voortzetting stelt ter terechtzitting van 12 januari 2001. De rechtbank sluit het debat opnieuw en neemt de zaak opnieuw in beraad. Een maand later en meer precies op 9 februari 2011 volgt nog een tussenvonnis. Ditmaal heropent de rechtbank het debat, omdat zij vaststelt dat de partijen sinds de overeenkomstig art. 747, § 2 Ger.W. gewezen beschikking van 16 november 2009 geen conclusies hebben genomen. Zij is van oordeel dat het aan de partijen toekomt om dienaangaande «klaarheid» te brengen. De rechtbank stelt de zaak in voortzetting ter terechtzitting van 9 maart 2011 en vervolgens ter terechtzitting van 23 maart 2011 (voor neerlegging van een dossier met stukken). Dan volgt het thans beroepen vonnis van 4 mei 2011, waarbij de rechtbank met een manifest tegenstrijdige motivering overgaat tot wering uit het debat van bepaalde in eerste aanleg genomen conclusies, om zodoende de bedoelde bezwaren zeer fragmentair te behandelen.

Daarbij komt dat het zittingsblad van deze zaak en dat aangaande de tussentijdse bezwarenprocedure, die leidde tot het tussenvonnis van 28 juni 2006, kriskras door elkaar lopen, zodat het geheel een uiterst moeilijk te ontwarren kluwen is geworden.

3. Zoals reeds aangegeven, slaat het hof acht op de bezwaren m.b.t. de staat van vereffening-verdeling in het licht van:

– het notariële proces-verbaal van 24 maart 2009 met verwijzing naar (1) de bezwaren van C. zoals opgenomen in een brief van 5 juli 2008 met bijkomende stukken en (2) de bezwaren van V. zoals opgenomen in een brief van 24 maart 2009;

– de notariële akte van advies van 24 juli 2009, waarbij de notaris-vereffenaar deze bezwaren beantwoordt om er aldus beperkt op in te gaan;

– de conclusie van C. van 16 maart 2015 en de bijhorende stukken;

– de conclusie van V. van 9 april 2015 en de bijhorende stukken.

Noot: 

contra: Gent 6 februari 2014, NJW 2015, 272, kritische noot C. Van Severen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 25/10/2017 - 16:53
Laatst aangepast op: wo, 25/10/2017 - 16:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.