-A +A

Substantiële elementen van de overeenkomst

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 16/01/2012

De substantiële elementen van een overeenkomst zijn die elementen die objectief gezien van bijkomstig belang zijn, maar die door (één van) de partijen als essentieel worden beschouwd.

Art. 1583 BW bepaalt dat de koop tussen partijen voltrokken is zodra er overeenkomst is over de zaak en de prijs. Het is evenwel algemeen aanvaard dat voor de totstandkoming van de overeenkomst niet alleen een wilsovereenstemming moet bestaan over bovenvermelde elementen, maar over alle essentiële en substantiële elementen (zie o.m. Cass. 12 juni 1980, Arr.Cass. 1979-80, 1263; art. 1582-1583 in Comm.Bijz.Ov.).
 

Krachtens art. 1315 BW dient hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan te bewijzen.

Voor alle zaken die de som van 375 euro te boven gaan, dient een akte voor een notaris of een onderhandse akte te worden opgemaakt (art. 1341 BW). In casu werd geen notariële akte verleden.

Een aanbod is een vast en precies voorstel tot contracteren. Een aanbod vereist enerzijds de bedoeling van de aanbieder om in geval van aanvaarding gebonden te zijn door de overeenkomst en anderzijds de voldoende nauwkeurige bepaling van alle essentiële en substantiële elementen van het voorgestelde contract (S. Stijns en B. Tilleman, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: Koop en aanneming (1999-2006)” TPR 2008, 1450).

Zo kan er maar sprake zijn van een werkelijk aanbod bij voorlegging van een compromis waarin rekening is gehouden met de vooraf gevraagde opmerkingen van de kandidaat-koper (zie o.m.: K. Swerts, J. Deene, G. Van Malderen, S. Vereecken en K. Marchand, “Toestemming. De overeenkomst: geldigheidsvoorwaarden” in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, II 4-35; Rb. Brugge 24 maart 1997, T.Not. 1998, 54, noot).

Een beginselakkoord is een akkoord tussen partijen om verder te onderhandelen, waarbij daartoe diverse maatregelen worden getroffen. Dit bindt de partijen van zodra er wilsovereenstemming bestaat over de voor de beoogde overeenkomst essentiële elementen, en partijen kunnen niet meer terugkomen op de gemaakte afspraken. (zie o.m.: M. Bollen, “Precontractuele aansprakelijkheid voor het afspringen van onderhandelingen, in het bijzonder m.b.t. een acquisitieovereenkomst”, TBBR 2003, nrs. 21 e.v.).

De precontractuele fase is de periode voorafgaand aan de sluiting van een contract waarbij partijen in elkaars rechtssfeer treden. Hierbij is het niet van belang of uiteindelijk al dan niet een overeenkomst wordt gesloten (zie o.m. K. Swerts, J. Deene, G. Van Malderen, S. Vereecken en K. Marchand, “Toestemming. De overeenkomst: geldigheidsvoorwaarden” in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, II 4-45).

Het wordt algemeen aanvaard dat partijen steeds vrij zijn om de onderhandelingen af te breken tot aan het effectieve sluiten van de overeenkomst. Het stopzetten van de onderhandelingen kan in bepaalde omstandigheden wel een precontractuele fout inhouden. Het is evenwel niet het afbreken van onderhandelingen op zich dat als onrechtmatig zal worden beschouwd, maar de omstandigheden waarin of de wijze waarop dit is gebeurd (zie o.m. M. Bollen, “Precontractuele aansprakelijkheid voor het afspringen van onderhandelingen, in het bijzonder m.b.t. een acquisitieovereenkomst”, TBBR 2003, nr. 4; A. De Boeck, “Precontractuele aansprakelijkheid” in Comm.Bijz.Ov. IV. Commentaar, Verbintenissenrecht, Titel II, Hoofdstuk 3, Afdeling 6, III.A).

Economische motieven kunnen wel degelijk een geldige reden zijn voor het afbreken van onderhandelingen.

Het afbreken van de onderhandelingen wegens een interessanter aanbod van een andere koper wordt door de rechtspraak als niet foutief beschouwd. De contractvrijheid impliceert het recht gelijktijdige en opeenvolgende onderhandelingen aan te gaan (zie o.m. Kh. Brussel 19 januari 1990, TBH 1990, 555; Luik 20 oktober 1989, TBH 1990, 521; Luik 21 september 2006, JLMB 2007, 364; Bergen 14 oktober 2008, JT 2008, 758).

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
589
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

J. Van S. en S.B. t/ K.P. en M.V.

1. Relevante feiten en antecedenten

Eisers hadden in de maand februari 2010 interesse voor de aankoop van een onroerend goed gelegen te (...). Deze woning was eigendom van verweerders. Het goed werd te koop aangeboden via een vastgoedmakelaar, zijnde E.T.T. De oorspronkelijke vraagprijs bedroeg 350.000 euro.

De woning werd, in aanwezigheid van de makelaar, door eisers bezocht.

Op 22 februari 2010 hebben eisers aan de makelaar telefonisch een bod gedaan van 335.000 euro.

Per e-mail van 23 februari 2010 hebben eisers hun bod aan de makelaar als volgt bevestigd:

“Geachte heer T.

Zoals telefonisch afgesproken, bevestigen wij hierbij het door u aanvaarde bod van 335.000 euro voor de woning (...). Ik bevestig hierbij ook ons bezoek deze avond om 17 u 15. Ik zal samen met onze architect komen (...)”.

Om 22 u 34 verstuurden eisers volgend e-mailbericht aan de heer T.:

“Zoals afgesproken met mijn echtgenoot, gelieve hieronder onze gegevens te vinden: (...). We laten u zo spoedig de naam van onze notaris weten; gelieve ons te laten weten indien u nog meer informatie nodig heeft (...)”.

Op 24 februari 2010 bezorgde de makelaar een ontwerp van de verkoopovereenkomst met bijlagen aan tweede verweerster, de notaris van verweersters en aan eisers met het verzoek ten aanzien van deze laatsten hun opmerkingen en de keuze van hun notaris te laten geworden evenals een voorstel voor de ondertekening van de overeenkomst en de betaling van het voorschot.

Diezelfde avond stuurden eisers de naam van hun notaris door naar de makelaar en werd gemeld hem daags nadien te zullen contacteren in verband met de andere vragen.

Op 25 februari 2010 stuurde de makelaar een ontwerp naar de door eisers gekozen notaris eveneens met de vraag om eventuele opmerkingen te laten geworden.

Bij e-mail van 25 februari 2010 lieten eisers aan de heer T. het volgende weten:

“Zoals besproken aan de telefoon

– kunnen we 5% voorschot betalen i.p.v. 10%?

– kunnen we de compromis ondertekenen in de week van 8 maart 2010?

– indien nodig, staan we open om te bespreken of de mevrouw eventueel langer in haar huis wil blijven;

– graag in de compromis dat de architect enkele malen in het huis kan langsgaan om op te meten, vóór de akte is ondertekend (in overleg met huidige eigenaar uiteraard);

– graag in de compromis dat de architect enkele malen in het huis kan langsgaan voor offerte met aannemers, vóór de akte is ondertekend;

– graag in de compromis dat de architect de bouwaanvraag mag indienen, vóór de akte is ondertekend;

– we hebben maandag 1 maart ’s avonds een afspraak met onze notaris; hierna zullen we u verdere opmerkingen doorsturen;

– gelieve ons te contacteren indien u nog verdere vragen heeft (...)”.

Bij e-mail van 27 februari 2010 antwoordde de heer T. hierop als volgt:

“Betreffende uw opmerkingen is de verkoper met alles akkoord, d.w.z. met het voorschot van 5% zijn ze ook akkoord als er als tegenprestatie wordt toegestaan dat mevrouw in de woning mag blijven wonen tot 1 september 2010, d.w.z. dat de akte ten laatste omstreeks 10 juli verleden zou worden en dat mevrouw nog tot maximum 1 september zou blijven wonen, maar ze kan ook vroeger reeds de woning verlaten hebben als de verbouwingen van haar nieuwe woning eerder klaar zijn”.

Bij e-mail van 1 maart 2010 antwoordden eisers het volgende aan de makelaar:

“(...) Na overleg met notaris V. graag nog volgende aanpassingen in de onderhandse verkoopovereenkomst:

...

2.1. Wij zullen 10% voorschot betalen. Wat ons betreft, kan de akte op 1 augustus 2010 ondertekend worden en kan de huidige eigenares er tot dan in blijven wonen. Als ze tot 1 september wenst te blijven, kan dat mits een reductie van 1.000 euro op de verkoopprijs (334.000 i.p.v. 335.000) wordt toegestaan; dit stemt overeen met onze extra kosten die maand. Maar sowieso stellen wij voor om de akte op 1 augustus 2010 te ondertekenen bij notaris V.

...

8. Graag nalatigheidsinterest verminderen van 1% per maand naar 0,5% per maand.

– 12.7 Wij verwachten bij akte een keurings- en/of conformiteitsattest van de stookolietank.

– 12.9 Bij akte verwachten wij een proces-verbaal van onderzoek van de elektrische installaties.

Graag ontvang ik van u de gewijzigde verkoopovereenkomst met de nodige aanpassingen. Wij zijn bereid om volgende week (liefst dinsdagavond) de verkoopovereenkomst te tekenen. Ook notaris V. zal hier proberen op aanwezig te zijn. (...)”.

Op 5 maart 2010 verstuurden eisers volgende e-mail naar de notaris van verweersters:

“(...) Met dit e-mailbericht willen wij u inlichten dat wij vernomen hebben dat uw cliënten (...) het huis (...) voor een tweede maal wensen te verkopen. Wij willen er u op attent maken dat de verkoop van het huis aan ons reeds is voltooid. (...). Voor de goede orde melden wij dat, als uw cliënten de afgesloten verkoop met ons nakomen, wij deze zaak als afgesloten zullen beschouwen, en het huis zoals afgesproken zullen kopen tegen de overeengekomen prijs van 335.000 euro (...)”.

Op 6 maart 2010 stelde de raadsman van eisers eerste verweerster in gebreke om binnen veertien dagen de onderhandse akte te ondertekenen.

Op 10 maart 2010 reageerde de raadsman van verweersters hierop en werd de inhoud van de ingebrekestelling betwist.

Hierna werd nog heen en weer geschreven tussen de raadslieden van partijen.

Op 10 juni 2010 gingen eisers over tot dagvaarding van verweersters.

2. Vorderingen van partijen

Bij aanvullende en syntheseconclusies vragen eisers:

– primair: de koopovereenkomst aangaande het onroerend goed (...) tegen een verkoopprijs van 335.000 euro, vervat in het ontwerp van compromis dat op 25 februari 2010 aan hun notaris werd bezorgd, te ontbinden ten laste van gedaagden; gedaagden solidair, minstens in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot het betalen aan hen van een schadevergoeding gelijk aan 10% van de koopsom, zijnde 33.500 euro, te vermeerderen met de interesten aan de wettelijke interestvoet tot algehele betaling; gedaagden solidair, minstens in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot het betalen aan hen van een schadevergoeding voor het verlies van de kans op gunstige rentevoorwaarden, provisioneel bepaald op 52.000 euro, onder uitdrukkelijk voorbehoud van vermindering of vermeerdering in de loop van het geding.

– subsidiair: gedaagden solidair, minstens in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot het betalen aan hen van een schadevergoeding wegens het ontijdig verbreken van onderhandelingen of culpa in contrahendo van 25.000 euro ex aequo et bono; gedaagden solidair, minstens in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot het betalen aan hen van een schadevergoeding voor het verlies van de kans op gunstige rentevoorwaarden, provisioneel bepaald op 52.000 euro, onder uitdrukkelijk voorbehoud van vermindering of vermeerdering in de loop van het geding.

Bij aanvullende en syntheseconclusie vragen verweersters de vordering van eisers ontvankelijk maar ongegrond te verklaren; (...).

3. In rechte

...

3.2. Contractuele fase?

1. Volgens eisers was er een verkoopovereenkomst tot stand gekomen en hebben verweersters, door de notariële akte niet te laten verlijden, een contractuele wanprestatie begaan waardoor zij hen een schadevergoeding verschuldigd zijn.

Verweersters betwisten dit en zijn van oordeel dat er geen overeenkomst bestond met betrekking tot alle essentiële en substantiële bestanddelen van de verkoop.

2. Krachtens art. 1315 BW dient hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan te bewijzen.

Voor alle zaken die de som van 375 euro te boven gaan, dient een akte voor een notaris of een onderhandse akte te worden opgemaakt (art. 1341 BW). In casu werd geen notariële akte verleden.

Eisers verwijzen naar hun briefwisseling met de makelaar en de verkoopcompromis om aan te tonen dat een overeenkomst werd bereikt.

3. Art. 1583 BW bepaalt dat de koop tussen partijen voltrokken is zodra er overeenkomst is over de zaak en de prijs. Het is evenwel algemeen aanvaard dat voor de totstandkoming van de overeenkomst niet alleen een wilsovereenstemming moet bestaan over bovenvermelde elementen, maar over alle essentiële en substantiële elementen (zie o.m. Cass. 12 juni 1980, Arr.Cass. 1979-80, 1263; art. 1582-1583 in Comm.Bijz.Ov.).

De substantiële elementen zijn die elementen die objectief gezien van bijkomstig belang zijn, maar die door (één van) de partijen als essentieel worden beschouwd.

Uit de stukken blijkt dat er geen sprake kan zijn van een verkoopovereenkomst, omdat partijen geen eensgezindheid bereikten over al deze elementen.

Op 23 februari 2010 bevestigden eisers hun bod aan de makelaar ten belope van 335.000 euro (vraagprijs was 350.000 euro). Hierna deelden eisers hem hun gegevens mee en de dag nadien werd een ontwerp van compromis doorgestuurd.

Het is niet betwist dat partijen akkoord gingen over de geboden prijs.

De compromis werd evenwel nooit ondertekend.

Er werden hierop door de eisers namelijk verschillende opmerkingen geformuleerd.

Op 25 februari 2010 gebeurde dit een eerste maal en werd onder meer gevraagd het voorschot te verminderen van 10 naar 5%.

Hierop werd door de makelaar geantwoord dat de verkopers akkoord gingen met alle overige opmerkingen en m.b.t. de vermindering van het voorschot zouden akkoord gaan, op voorwaarde dat mevrouw V. er kon blijven wonen na de ondertekening van de akte, namelijk tot 1 september 2010.

Als reactie hierop stelden de eisers op 1 maart dan toch weer voor een voorschot van 10% te betalen, maar werd als datum voor ondertekening 1 augustus vooropgesteld alsook dat, wanneer mevrouw V. erna nog in de woning zou blijven, de verkoopprijs zou moeten worden gereduceerd met 1.000 euro.

Naast het te betalen voorschot, de datum van ondertekening van de akte en de bewoning erna, maakten de eisers ook nog volgende bemerkingen m.b.t. de verkoopcompromis:

– vermindering nalatigheidsinterest van 1% naar 0,5% per maand;

– bepaalde aanvullingen omtrent stedenbouw, stookolietank en elektrische installaties.

De verkopers gingen niet akkoord met de vraag om aanpassing van de overeenkomst in die zin. Als voornaamste reden hiervoor verwijzen zij naar het feit niet kosteloos te kunnen blijven wonen tot 1 september 2010. Bovendien voeren zij aan dat eisers hen de indruk gaven wispelturig te zijn en steeds wijzigingen te zullen blijven vragen.

Uit de stukken blijkt dat de verdere bewoning voor verweersters van in het begin essentieel was (zie e-mailbericht van 27 februari, zijnde vier dagen na het uitgebrachte bod en de reactie van eisers per e-mail van 1 maart: zij betwistten alsdan niet dat dit door hen nog niet geweten was).

Bij gebreke van wilsovereenstemming met betrekking tot dit element, was er dan ook geen sprake van een overeenkomst.

4. In casu was er evenmin reeds sprake van een aanbod. Dit is namelijk een vast en precies voorstel tot contracteren. Een aanbod vereist enerzijds de bedoeling van de aanbieder om in geval van aanvaarding gebonden te zijn door de overeenkomst en anderzijds de voldoende nauwkeurige bepaling van alle essentiële en substantiële elementen van het voorgestelde contract (S. Stijns en B. Tilleman, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: Koop en aanneming (1999-2006)” TPR 2008, 1450).

Zo kan er maar sprake zijn van een werkelijk aanbod bij voorlegging van een compromis waarin rekening is gehouden met de vooraf gevraagde opmerkingen van de kandidaat-koper (zie o.m.: K. Swerts, J. Deene, G. Van Malderen, S. Vereecken en K. Marchand, “Toestemming. De overeenkomst: geldigheidsvoorwaarden” in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, II 4-35; Rb. Brugge 24 maart 1997, T.Not. 1998, 54, noot). Dit is hier niet het geval. De compromis werd niet aangepast aan de opmerkingen van eisers van 1 maart. Zo is er onder meer nog sprake van een bewoning tot 1 juli 2010, terwijl de ondertekening volgens de laatste opmerkingen pas zou gebeuren op 1 augustus.

In casu betrof het dus slechts een ontwerp van verkoopovereenkomst dat werd doorgestuurd met het verzoek om opmerkingen te maken. Dit betreft dan slechts een voorstel tot contracteren en is niet meer dan een vrijblijvende uitnodiging aan de wederpartij om te onderhandelen over een bepaalde overeenkomst. Het voorstel bevat namelijk geen volledige informatie over de wezenlijke elementen van het contract; de partijen moeten verdere besprekingen voeren om tot een overeenkomst te kunnen komen (zie o.m.: M. Bollen, “Precontractuele aansprakelijkheid voor het afspringen van onderhandelingen, in het bijzonder m.b.t. een acquisitieovereenkomst”, TBBR 2003, nr. 5; S. Stijns en B. Tilleman, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: Koop en aanneming 1999-2006”, TPR 2008, p. 1451; Rb. Brugge 24 maart 1997, T.Not. 1998, p. 54; Rb. Veurne 16 december 1999, TWVR 1999, 166).

Volgens eisers maakt de compromis waarschijnlijk dat alle essentiële elementen voor een verkoop aanwezig waren. Uit hetgeen hiervoor al werd uiteengezet blijkt echter dat er geen akkoord was over de essentiële en substantiële elementen van de verkoop.

Terecht betogen verweersters dan ook dat eisers geen onderscheid maken tussen een bod enerzijds en een aanbod anderzijds. Het feit dat de door eisers geboden prijs werd aanvaard, neemt niet weg dat ook over andere substantiële elementen een overeenkomst moest worden bereikt.

5. Ten slotte is er evenmin sprake van een beginselakkoord (zie o.m.: M. Bollen, “Precontractuele aansprakelijkheid voor het afspringen van onderhandelingen, in het bijzonder m.b.t. een acquisitieovereenkomst”, TBBR 2003, nrs. 21 e.v.). Dit is een akkoord tussen partijen om verder te onderhandelen, waarbij daartoe diverse maatregelen worden getroffen. Dit bindt de partijen van zodra er wilsovereenstemming bestaat over de voor de beoogde overeenkomst essentiële elementen, en partijen kunnen niet meer terugkomen op de gemaakte afspraken.

Uit het bovenstaande blijkt dat dit geenszins het geval was. Partijen waren nog volop aan het onderhandelen. Er werd heen en weer gecommuniceerd over de hoogte van het te betalen voorschot, en ook de uiteindelijke koopprijs stond nog niet vast, omdat de kopers er in hun e-mailbericht van 1 maart nog 1.000 euro wilden van afhouden voor de verdere bewoning gedurende één maand van één van de verkopers.

Bijgevolg bevonden partijen zich nog in de precontractuele fase en kan er geen sprake zijn van een contractuele wanprestatie.

3.3. Precontractuele fase?

1. Subsidiair voeren de eisers aan dat verweersters de onderhandelingen ontijdig hebben verbroken waardoor zij een schadevergoeding verschuldigd zouden zijn.

Verweersters betogen geen precontractuele fout te hebben begaan door de onderhandelingen stop te zetten, omdat zij door eisers in een dergelijke positie zouden zijn gedreven door onder meer aan de substantiële voorwaarde van bewoning plots nog financiële consequenties te koppelen.

2. De precontractuele fase is de periode voorafgaand aan de sluiting van een contract waarbij partijen in elkaars rechtssfeer treden. Hierbij is het niet van belang of uiteindelijk al dan niet een overeenkomst wordt gesloten (zie o.m. K. Swerts, J. Deene, G. Van Malderen, S. Vereecken en K. Marchand, “Toestemming. De overeenkomst: geldigheidsvoorwaarden” in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, II 4-45).

Het wordt algemeen aanvaard dat partijen steeds vrij zijn om de onderhandelingen af te breken tot aan het effectieve sluiten van de overeenkomst. Het stopzetten van de onderhandelingen kan in bepaalde omstandigheden wel een precontractuele fout inhouden. Het is evenwel niet het afbreken van onderhandelingen op zich dat als onrechtmatig zal worden beschouwd, maar de omstandigheden waarin of de wijze waarop dit is gebeurd (zie o.m. M. Bollen, “Precontractuele aansprakelijkheid voor het afspringen van onderhandelingen, in het bijzonder m.b.t. een acquisitieovereenkomst”, TBBR 2003, nr. 4; A. De Boeck, “Precontractuele aansprakelijkheid” in Comm.Bijz.Ov. IV. Commentaar, Verbintenissenrecht, Titel II, Hoofdstuk 3, Afdeling 6, III.A).

De rechtbank is van oordeel dat partijen nog volop in onderhandeling waren, waarbij er over en weer voorstellen tot aanpassing van de compromis werden geformuleerd.

Zoals reeds vermeld, blijkt de voornaamste reden van stopzetting van de onderhandelingen het feit dat de bewoning na de ondertekening van de akte niet gratis zou zijn.

Bovendien verwijzen verweersters eveneens naar de mogelijkheid om de overeenkomst te sluiten met een derde tegen betere voorwaarden.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerster aangevoerde redenen voor stopzetting van de onderhandelingen gegrond zijn en geen culpa in contrahendo uitmaken. Economische motieven kunnen wel degelijk een geldige reden zijn voor het afbreken van onderhandelingen.

Op geen enkele manier hadden verweersters bovendien reeds laten uitschijnen dat de overeenkomst, met de aanpassingen zoals gevraagd door eisers, zou worden gesloten.

Hiervoor kan ook worden verwezen naar andere rechtspraak in die zin waarbij het afbreken van de onderhandelingen wegens een interessanter aanbod van een andere koper als niet foutief wordt beschouwd. De contractvrijheid impliceert het recht gelijktijdige en opeenvolgende onderhandelingen aan te gaan (zie o.m. Kh. Brussel 19 januari 1990, TBH 1990, 555; Luik 20 oktober 1989, TBH 1990, 521; Luik 21 september 2006, JLMB 2007, 364; Bergen 14 oktober 2008, JT 2008, 758).

Noot: 

De overeenkomst - Geldigheidsvoorwaarden] Toestemming, X., Bestendig Handboek Verbintenissenrecht , II.4-34 - II.4-70e (65 p.) [jurabibliotheek]

Inhoud:

I. Inleiding
II. Totstandkoming van de toestemming
A. Begrip en draagwijdte aanbod en aanvaarding
B. Modaliteiten van aanbod en aanvaarding
C. Aanvaarding van algemene voorwaarden
D. Plaats en tijdstip van contractvorming
E. Contracteren via vertegenwoordiging
F. Precontractuele aansprakelijkheid
III. Problemen inzake toestemming
A. Gebreken in de wilsvorming
B. Toestemmingsgebreken

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/12/2014 - 22:10
Laatst aangepast op: vr, 08/06/2018 - 12:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.