-A +A

Subsidiariteit bij de controle van de vennootschap door een vennoot en deskundigenonderzoek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
don, 20/02/2014

Een vordering tot vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek kan ingesteld in een procedure ten gronde als zelfstandige rechtsvordering.

Deze op artikel 168 W.Venn. gesteunde onderzoeksmaatregel, die een uitzondering vormt op het gemeen recht, is ontegensprekelijk op maat gemaakt van de minderheidsaandeelhouder.

Het is een voorbeeld van een expertisemaatregel ad futurum, reden waarom een dergelijk onderzoek ook, zoals trouwens ook het geval in de onderhavige zaak, kan gevorderd worden als zelfstandige (hoofd)vordering.

Bedoeling is dat de minderheidsvennoot, die per definitie niet bij het bestuur van de vennootschap betrokken wordt, bewijsmateriaal zou kunnen verzamelen, zonder evenwel reeds een andere agressieve vordering (in de regel een aansprakelijkheidsvordering) te moeten instellen.

In de regel is deze vordering een voorbode van een mogelijke actio mandati.

Deze vordering vormt een equivalent van de minderheidsvordering, die voorbereid of gestoffeerd kan worden aan de hand van het (feiten)materiaal dat wordt vergaard in het raam van het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek 

Dergelijke vordering moet in een conflictuele sfeer gesitueerd worden tussen een (minderheids)aandeelhouder en de vennootschap, vertegenwoordigd door haar bestuursorgaan, die in een vertrouwenscrisis verkeert met deze minderheidsaandeelhouder, bijvoorbeeld omdat er geen of onvoldoende informatie vrijgegeven wordt over de (financiële) toestand binnen de vennootschap of omdat het bestuursorgaan er door deze minderheidsaandeelhouder van verdacht wordt de vennootschap slecht te besturen, met miskenning van het vennootschapsbelang of door behartiging van het eigenbelang.

Deze maatregel is in beginsel dan ook getint op een situatie waar een zittend bestuur gewantrouwd wordt door de (minderheids)aandeelhouder.

Meer in het bijzonder moet er minstens sprake zijn van dreigend gevaar voor de belangen van de vennootschap en moeten aanwijzingen hiervan worden aangedragen door de partij die het vennootschapsrechtelijk onderzoek vordert: bedoeling van een dergelijke onderzoeksmaatregel is de gevolgen beperken van een slecht of oneerlijk bestuur, door de feiten aan het licht te laten komen op een ogenblik dat er nog kan bijgestuurd of ingegrepen worden.

Ook de symboolwaarden en de signaalfunctie van de eis strekkende tot het bevelen van vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek speelt in bepaalde gevallen mee: de (minderheids)aandeelhouder geeft hiermee concrete juridische gestalte aan zijn ongenoegen, zodat het instellen van deze eis de facto een motie van wantrouwen oplevert ten aanzien van het gevoerde bestuur.

Bij dit alles speelt de centrale overweging dat niet om het even welke onrechtmatigheid de aanstelling van een deskundige ex artikel 168 W.Venn. rechtvaardigt: het normaal functioneren van de vennootschap moet in het gedrang zijn.

In dat verband dient opgemerkt dat een aandeelhouder ten aanzien van het bestuur als zodanig geen afdwingbaar subjectief recht op antwoord op een door hem ingediende vragenlijst kunnen laten gelden.

Alleszins kunnen eisers geen rechtens relevante middelen putten uit de beweerde miskenning van hun vraagrecht buiten het raam van de algemene vergadering(en) van aandeelhouders: bestuurders zijn immers niet verplicht om te antwoorden op vragen buiten de algemene vergadering.

In dat verband zij opgemerkt dat het vragenrecht moet worden uitgeoefend op de algemene vergadering zelf, d.w.z. dat de vragen moeten gesteld worden tijdens deze vergadering, gedurende de debatten die gehouden worden in de loop van de algemene vergadering. De finaliteit van het vraagrecht, dat kadert in de ruimere controlerechten die aan elke aandeelhouder toekomen, bestaat immers in de informatieverschaffing van de aandeelhouder, die in staat moet worden gesteld met kennis van zaken deel te nemen aan de beraadslaging en de stemming over de agendapunten van de bewuste algemene vergadering.

De uitoefening van het vraagrecht kan bepalend zijn voor het stemgedrag van de betrokken aandeelhouder, maar kan daarnaast ook een dynamiek op gang brengen tijdens de bewuste algemene vergadering waardoor eventueel ook het (stem)gedrag van andere aandeelhouders wordt beïnvloed. Het vraagrecht geldt overigens als accessorium van het vergaderings- en deelnamerecht aan de algemene vergadering.

Dat het zittend bestuur een voorgelegde vragen(lijst) voorafgaand aan een terechtzitting voor de rechtbank niet zou hebben beantwoord vormt geen reden om ipso facto te besluiten tot de gegrondheid van eenvordering tot aanstelling van een deskundige, de vraag buiten beschouwing latend in welke mate het betreffende bestuur onzorgvuldig of foutief handelt door geen tijdig antwoord te verschaffen op de alsdan gestelde vragen of ingediende vragenlijst.

Net als in het gemeenrechtelijk deskundigenonderzoek, mag het subsidiariteitsbeginsel niet genegeerd of verontachtzaamd worden: dit houdt in dat een vennoot voorafgaandelijk zijn rechten moet geldend maken langs andere (minder ingrijpende) weg, bijvoorbeeld door minnelijke verzoeken tot het bekomen van bepaalde informatie of stukken te richten aan de vennootschap, hetzij door zijn individuele onderzoeksrechten als vennoot uit te oefenen en zijn prerogatieven als aandeelhouder voorafgaandelijk uit te putten.

Deze controle- en onderzoeksbevoegdheid, waarvan de reële uitoefening een voorbeeld is van aandeelhoudersactivisme en die in de regel zonder enige rechterlijke tussenkomst mogelijk is, is evenzeer een adequate (in essentie bewijsvergarende) maatregel, ter voorbereiding van eventuele andere - meer verregaande - actiemiddelen, zoals de geschillenregeling, de eis tot nietigverklaring, de eis tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder, de actio mandati of minderheidsvordering, e.d.m.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/8
Pagina: 
664
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(R.B. e.a. / CVBA A.)

(...)

2. Voorwerp van de vorderingen
Eisers vorderen:

1. De aanstelling van een vennootschapsrechtelijke gerechtsdeskundige, zoals bedoeld in artikel 168 W.Venn., om de regelmatigheid van de boeken en de rekeningen van de vennootschap, alsook deze van de verrichtingen van haar organen na te zien, onder meer aan de hand van de volgende vragenlijst d.d. 17 april 2013 (met verwijzing naar de nummering uit die vragenlijst):

3. Op 8 december 2012 legt bestuurder P.V. aan de aandeelhouders een vereffeningsscenario voor op basis van een verondersteld surplus van 1.139.599 EUR, op basis waarvan de raad van bestuur en de algemene vergadering hebben gediscussieerd over de toekomst van de vennootschap. In die staat van actief en passief is een leverancierssaldo weerhouden van slechts 400.000 EUR.

Kan de deskundige nagaan wat de werkelijke stand van de leveranciersrekening is geweest per 30 november 2012?

Kan de deskundige de stand van de leveranciersrekening nagaan per 31 december 2002 - volgens balans - en de afwijking tussen beide nagaan c.q. verklaren?

5. Kan de deskundige onderzoeken wat de stand is van de vordering van gedaagde op haar klant INT per 31 december 2012? Is deze RC-vordering op deze klant aangezuiverd, en zo ja: hoe?

Kan de deskundige de overeenkomst tussen gedaagde en I. nagaan, en de historiek van de vorderingen en betalingen tussen deze partijen opmaken?

6. Op basis van gegevens uit e-mails menen verzoekers te weten dat gedaagde een voorziening had aangelegd van de vakantiegelden 2012 van diverse van de door haar overgenomen boekhoudkantoren.

Omdat diverse kavels (d.w.z. boekhoudkantoren) in de loop van het verlengd boekjaar 2012 opnieuw vervreemd werden, dienden die vakantiegelden aan de overnemers ter beschikking gesteld worden c.q. verrekend te worden op grond van CAO 32bis; een voorziening op de balans van gedaagde is dan niet de correcte boeking;

Kan de deskundige nagaan of de desbetreffende berekeningen bestaan en correct zijn, en nagaan of één en ander correct is geboekt, nl. als schuld aan de overnemers van kavels?

7. Op basis van overgemaakte documenten blijkt er een voorziening te zijn van 219.500 EUR; in de jaarrekening over 2011-2012: kan de deskundige de herkomst en samenstelling van deze voorziening onderzoeken; op welke risico's steunt deze voorziening?

8. In juni 2012 vertoonden de RC's in hoofde van P.Int. en P.Inv. een belangrijk debetsaldo.

Kan de deskundige de herkomst en samenstelling van deze beide RC's onderzoeken, en aan de hand van de stavingsstukken een advies geven over wat de correcte boeking voor deze posten zou moeten zijn?

18. Naar aanleiding van de fusie en opslorping van het boekhoudkantoor RO werd op rekening 288200 een vordering uit voorschot van 25.000 EUR overgedragen m.b.t. FC DE.

Kan de deskundige nagaan wat het lot van deze post is geworden?

Hoe diende de vennootschap met deze vordering boekhoudkundig om te springen?

19. Naar aanleiding van de overname door de vennootschap van de boekhoudkantoren C.B. VAN te (…): kan de deskundige de prijsafspraken i.v.m. deze overnames nagaan aan de hand van bewijskrachtige stukken, de verwerking in de boekhouding daarvan nagaan (o.m. de verkoopfacturen): er zouden opeenvolgende overeenkomsten zijn opgemaakt en ondertekend: kan de deskundige de historiek daarvan onderzoeken en de betreffende documenten doen voorleggen?

20. Naar aanleiding van de overname door de vennootschap van het boekhoudkantoor SP Antwerpen: kan de deskundige de prijsafspraak i.v.m. deze overname nagaan aan de hand van de onderliggende overeenkomsten en de verwerking in de boekhouding nagaan?

21. Bestuurder P.V. heeft aan de aandeelhouders een ontwerpbalans per 31 oktober 2012 voorgelegd, met daarbij een post te factureren prestaties ad 788.000 EUR.

Kan de deskundige de details daarvan opvragen, en onderzoeken, en vervolgens nagaan hoe en op welke grondslag daarvan nadien bedragen zijn afgeboekt?

24. Kan de deskundige in detail wedersamenstellen welke managementsvergoedingen en dito kosten de vennootschap over boekjaar 2011-2012 heeft uitbetaald?

28. Kan de deskundige het dossier opvragen en nazien van de huurverbreking per 1 januari 2013 voor de kantoren “M” te (…), en de geldelijke gevolgen daarvan in kaart brengen?

b/ ten aanzien van de correctieopgave “correctieopgave btw 1 juli 2010-31 december 2012 van 19 september 2013:

Kan de deskundige nagaan:

of de door de fiscus gemaakte opmerkingen aanwijzingen bevatten van mogelijke ontdraging van activa, en deze in voorkomend geval onderzoeken;
of de door de fiscus gemaakte opmerkingen aanwijzingen bevatten van kennelijke misslagen ten overstaan van de boekhoudwetgeving, de belastingwetgeving, de wetgeving in het algemeen, of de goede trouw, en deze in voorkomend geval onderzoeken;
of uit de door de fiscus gemaakte opmerkingen grondslagen resulteren voor het stellen door de vennootschap van vorderingen tegen derden in betaling of in terugbetaling en in voorkomend geval nagaan of het bestuur daaraan het passende gevolg heeft verleend;
welk deel van de boetes en interesten verschuldigd aan de btw bij normaal zorgvuldige bedrijfsvoering vermeden had kunnen worden.
c/ ten aanzien van de vragen en opmerkingen van de partijen die n.a.v. de werkzaamheden van de deskundige bijkomend zouden ontstaan.

2. Minstens de deskundige de opdracht te geven om hetgeen verweerster als een afdoend antwoord op de gestelde vragen presenteert aan de hand van haar boeken en andere bescheiden naar waarheid te schatten.

3. De deskundige te bevelen zijn werkzaamheden op tegensprekelijke wijze te organiseren en van zijn bevindingen een gemotiveerd verslag op te maken.

4. De termijn voor het opleveren van het verslag te bepalen op 3 maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop inzage genomen is van de bescheiden.

5, Verweerster te bevelen haar volle medewerking te verlenen aan het onderzoek, en alle nodige of nuttige bescheiden ter beschikking van de aan te stellen deskundige te stellen.

6. Het bedrag te bepalen dat ten behoeve van de door de verweerster te provisioneren expertisekosten geconsigneerd zal moeten worden.

7. Over de kosten te statueren als naar recht.

3. Samenvatting van de achtergrond van het geschil en van de standpunten van partijen
3.1. In eerste instantie kan verwezen worden naar de omvangrijke conclusies van de betrokken partijen.

3.2. De aan de grondslag van onderhavige betwisting liggende feiten zijn éénvoudig samen te vatten.

Eisers zijn aandeelhouders van verweerster, een burgerlijke vennootschap die zich toelegt op activiteiten van o.a. accountancy en belastingadvies.

Eisers, of sommige van hen, waren blijkbaar eertijds ook bestuurder van verweerster.

Eisers vragen een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek.

Volgens eisers waren zij aanwezig op alle aandeelhoudersvergaderingen en hebben zij vruchteloos gepoogd om informatie te verwerven op basis van hun individueel inzage- en controlerecht.

In hun dagvaarding en in hun conclusies halen eisers een resem feitelijkheden en onregelmatigheden aan, die volgens hen de gevorderde onderzoeksmaatregel wettigen en rechtvaardigen.

Verweerster betwist de vordering en concludeert in dat verband o.a. dat:

zij formeel alle aantijgingen van eisers betwist;
eisers accountant zijn en dus onvermijdelijk gespecialiseerd zijn in het verlenen van bijstand aan aandeelhouders in de uitoefening van hun individuele onderzoeks- en controlebevoegdheid;
2de en 3de eisers gezamenlijk lid van de raad van bestuur waren en zich dienvolgens bezwarend onwetend kunnen voorstellen ten aanzien van het bestuur, waar zij hier zelf deel van uitmaakten;
ook het negatieve eigen vermogen slaat op de bestuursperiode van eisers;
eisers neigen naar een ontlopen van hun verantwoordelijkheden binnen verweerster;
eisers zich beperken tot het louter passief formuleren van vragen en het maken van voorbehouden;
de ware reden van onderhavige procedure is dat eisers zich trachten te wapenen in een conflictsituatie die ontstaan is, zodat sprake is van een procedure die gevoerd wordt uit eigen belang van eisers;
zij, ondergeschikt, ook niet bij machte is om de zware kosten gekoppeld aan een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek te dragen;
zij, ondergeschikt, vraagt dat het verslag niet zou worden bekend gemaakt.
4. Beoordeling
4.1. Onderzoek van de bevoegdheid
4.1.1. Zelfs bij gebrek aan enige door partijen zelf voorgedragen exceptie van onbevoegdheid, dient de gevatte rechter steeds ambtshalve zijn materiële bevoegdheid - die de openbare orde raakt - na te gaan.

4.1.2. Verweerster is ontegensprekelijk een burgerlijke vennootschap.

Het betreft een vennootschap met als maatschappelijk statutaire doel de activiteiten van accountants en belastingconsulenten.

Dergelijke vennootschappen zijn duidelijk burgerlijke vennootschappen (Kh. Dendermonde 27 januari 2011, RW 2012-13, 836).

Boekhouders, fiscalisten e.d.m. worden immers door een vaststaande rechtspraak en rechtsleer - waarbij de rechtbank zich kan aansluiten - gerekend tot de intellectuele dienstverleners of vrije beroepers. De schaarse wetgeving die een definitie van het “vrij beroep” vooropstelt definieert dit door o.m. te refereren aan de daden van koophandel: een vrij beroep is dan elke zelfstandige beroepsactiviteit die dienstverlening of levering van goederen omvat welke geen daad van koophandel uitmaakt (vgl. bv. Brussel 21 januari 2003, JT 2004, 204, dat dit criterium aanhaalt).

De hoofdzakelijke criteria die rechtspraak en rechtsleer (hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie) in aanmerking nemen om het vrij beroep te karakteriseren zijn: het intellectueel karakter van deze beroepen (als men de lijst der daden van koophandel in art. 2 en 3 W.Kh. ontleedt, dan valt het op dat er geen of quasi geen diensten in voorkomen die intellectuele prestaties betreffen: dit vormt dan ook een belangrijk argument om te stellen dat dergelijke diensten burgerlijk van aard zijn), de traditionele opinie over een bepaald beroep (geldt een beroep in de gangbare maatschappelijke perceptie als een “handelaar”), het bestaan van een specifieke deontologie of een tuchtrechtelijk kader, de aard van de gepresteerde diensten, het universitair karakter van het diploma of de duur van de studies, e.d.m.

Wanneer ten slotte een specifieke wet of een wel bepaalde norm een beroep erkent, de toegang tot het beroep regelt, in tuchtrechtelijk toezicht op de uitoefening ervan voorziet en/of de titel ervan beschermt, kan men eveneens spreken van een vrij beroep, dat geen handelsactiviteiten behelst: voor boekhouders is zulks zeker het geval (zie KB 19 mei 1992 tot bescherming van het beroep van boekhouder).

Het BIBF (Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten) verbiedt trouwens tuchtrechtelijk dat hun leden een handelsstatuut aannemen.

De handelsvorm van verweerster doet aan bovenstaande overwegingen geen afbreuk.

Gezaghehbende auteurs betwijfelen of artikel 574, 1° Ger.W. kan worden ingeroepen indien het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek gevorderd wordt ten aanzien van een burgerlijke vennootschap (zie o.a.: H. Braeckmans, “Conflicten in vennootschappen en het wetboek van vennootschappen: de vlag dekt niet de lading”, TPR, 2010-4, (1603), 1667, nr. 86 alsook M. Roelants, “De drempel blijft een drempel voor het vorderen van een vennootschapsrechtelijke deskundige”, 7KV 2012, afl. 8. (689), 691. nr. 7; zie ook, zij het minder uitgesproken: J.-M. Nelissen en S. Loosveld, “Het deskundigenonderzoek in geschillen omtrent het bestuur van vennootschappen” in X, Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent, Reeks Recht en onderneming, Brugge, die Keure, 2003, (447), 453, vn. 13).

In dat verband wordt o.a. aangehaald dat artikel 168 W.Venn. een van het gemeen recht afwijkende bepaling is, waarin bovendien enkel sprake is van “de rechtbank” en waar geen expliciete melding gemaakt wordt van de rechtbank van koophandel.

Echter is de rechtbank voorstander van een soepele en mime interpretatie van artikel 574, 1° Ger.W.

Er is, volgens de bewoordingen van de dagvaarding (die bevoegdheidsbepalend zijn), bovendien wel degelijk sprake van een vennootschapsgeschil, waarbij eisers zich vragen stellen nopens de werking van de vennootschap en de wijze waarop deze wordt bestuurd, reden waarom zij een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek vorderen.

Het geschil is ontstaan uit rechtsbetrekkingen die niet zouden hebben bestaan indien de vennootschap niet was opgericht.

De stelling is ten slotte verdedigbaar dat de rechtbank van koophandel, de facto de ondernemingsrechtbank, a.h.w. de “natuurlijke” rechter is voor wat betreft conflicten in de schoot van de vennootschap, tussen actoren die - in een bepaalde mate - betrokken zijn bij het vennootschapsleven. De wetgevende evolutie (zeker de wetswijzigingen van 1999 en 2009) toont overigens aan dat het de wil van de wetgever is om de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel op grond van artikel 574, 1° Ger.W. systematisch te verruimen (zie o.a.: B. Allemeersch en J. Vananroye, “Het optreden in rechte van vennootschappen” in Actuele ontwikkelingen inzake vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, (253), p. 280, nr. 54; J. Laenens, “Ondernemingsrechtbanken”, RW 2004-05, 1597; P. Van Helmont en B. Ponet, “Pleidooi voor een ondernemingsrechtbank. Bedenkingen bij de huidige bevoegdheidsregeling van de rechtbank van koophandel”, Limb.Rechtsl. 2000, 330; D. Van Gerven, “Ook voor vennootschapsgeschillen is het tijd voor één bevoegde rechtbank”, Juristenkrant, 15 juni 2011, 11; wetsvoorstel Gedr.St. Kamer 1996-97, nr. 939/1, 3; zie ook Kh. Dendermonde 25 februari 2008, RW 2011-12, 1305).

4.1.3. De Rechtbank neemt, na ambtshalve onderzoek, haar (materiële) bevoegdheid dan ook aan.

4.2. Nopens de grond van de zaak
4.2.1. Niet betwist wordt dat alle eisers voldoen aan de minimum participatie- of drempelvereisten.

Uit die vaststelling putten zij hoedanigheid en belang.

4.2.2. Eisers vorderen een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek.

Dit kan in een procedure ten gronde als zelfstandige rechtsvordering.

Deze op artikel 168 W.Venn. gesteunde onderzoeksmaatregel, die een uitzondering vormt op het gemeen recht, is ontegensprekelijk op maat gemaakt van de minderheidsaandeelhouder.

Het is een voorbeeld van een expertisemaatregel ad futurum, reden waarom een dergelijk onderzoek ook, zoals trouwens ook het geval in de onderhavige zaak, kan gevorderd worden als zelfstandige (hoofd)vordering.

Bedoeling is dat de minderheidsvennoot, die per definitie niet bij het bestuur van de vennootschap betrokken wordt, bewijsmateriaal zou kunnen verzamelen, zonder evenwel reeds een andere agressieve vordering (in de regel een aansprakelijkheidsvordering) te moeten instellen.

In de regel is deze vordering een voorbode van een mogelijke actio mandati.

Deze vordering vormt een equivalent van de minderheidsvordering, die voorbereid of gestoffeerd kan worden aan de hand van het (feiten)materiaal dat wordt vergaard in het raam van het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek (zie o.a.: J. Vananroye, “De vordering van een aandeelhouder tot aanstelling van een deskundige” (noot onder Voorz. Kh. Ieper 22 december 2000, TRV 2001, 47 et seq.).

Dergelijke vordering moet in een conflictuele sfeer gesitueerd worden tussen een (minderheids)aandeelhouder en de vennootschap, vertegenwoordigd door haar bestuursorgaan, die in een vertrouwenscrisis verkeert met deze minderheidsaandeelhouder, bijvoorbeeld omdat er geen of onvoldoende informatie vrijgegeven wordt over de (financiële) toestand binnen de vennootschap of omdat het bestuursorgaan er door deze minderheidsaandeelhouder van verdacht wordt de vennootschap slecht te besturen, met miskenning van het vennootschapsbelang of door behartiging van het eigenbelang.

Deze maatregel is in beginsel dan ook getint op een situatie waar een zittend bestuur gewantrouwd wordt door de (minderheids)aandeelhouder.

Meer in het bijzonder moet er minstens sprake zijn van dreigend gevaar voor de belangen van de vennootschap en moeten aanwijzingen hiervan worden aangedragen door de partij die het vennootschapsrechtelijk onderzoek vordert: bedoeling van een dergelijke onderzoeksmaatregel is de gevolgen beperken van een slecht of oneerlijk bestuur, door de feiten aan het licht te laten komen op een ogenblik dat er nog kan bijgestuurd of ingegrepen worden.

Ook de symboolwaarden en de signaalfunctie van de eis strekkende tot het bevelen van vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek speelt in bepaalde gevallen mee: de (minderheids)aandeelhouder geeft hiermee concrete juridische gestalte aan zijn ongenoegen, zodat het instellen van deze eis de facto een motie van wantrouwen oplevert ten aanzien van het gevoerde bestuur.

Bij dit alles speelt de centrale overweging dat niet om het even welke onrechtmatigheid de aanstelling van een deskundige ex artikel 168 W.Venn. rechtvaardigt: het normaal functioneren van de vennootschap moet in het gedrang zijn.

4.2.3. In dat verband dient opgemerkt dat eisers ten aanzien van het bestuur als zodanig geen afdwingbaar subjectief recht op antwoord op de door hen ingediende (en initieel aan de toenmalige commissaris overhandigde) vragenlijst kunnen laten gelden.

Alleszins kunnen eisers geen rechtens relevante middelen putten uit de beweerde miskenning van hun vraagrecht buiten het raam van de algemene vergadering(en) van aandeelhouders: bestuurders zijn immers niet verplicht om te antwoorden op vragen buiten de algemene vergadering (H. Braeckmans, “Het vraagrecht van de aandeelhouder in de algemene vergadering” in Liber amicorum Lucien Simont, Brussel, Bruylant, 2002, 534. nr. 15).

In dat verband zij opgemerkt dat het vragenrecht moet worden uitgeoefend op de algemene vergadering zelf, d.w.z. dat de vragen moeten gesteld worden tijdens deze vergadering, gedurende de debatten die gehouden worden in de loop van de algemene vergadering (Kh. Dendermonde 18 april 2012, RW 2013-14, 714). De finaliteit van het vraagrecht, dat kadert in de ruimere controlerechten die aan elke aandeelhouder toekomen, bestaat immers in de informatieverschaffing van de aandeelhouder, die in staat moet worden gesteld met kennis van zaken deel te nemen aan de beraadslaging en de stemming over de agendapunten van de bewuste algemene vergadering. De uitoefening van het vraagrecht kan bepalend zijn voor het stemgedrag van de betrokken aandeelhouder, maar kan daarnaast ook een dynamiek op gang brengen tijdens de bewuste algemene vergadering waardoor eventueel ook het (stem)gedrag van andere aandeelhouders wordt beïnvloed. Het vraagrecht geldt overigens als accessorium van het vergaderings- en deelnamerecht aan de algemene vergadering (A. François, K. Byttebier, J. Fastenaekels, T. Van De Gehuchte en L. Vandenbempt, “Omgaan met conflicten in vennootschappen: regeling van geschillen is meer dan geschillenregeling” in Omgaan met conflicten in de vennootschap, Antwerpen, Intersentia, 2009, 20).

Uit de stukken blijkt dat de vragen(lijst) pas op de algemene vergadering van aandeelhouders gehouden op 10 juni 2013 voorgelegd werd(en) aan de raad van bestuur, waarbij de bewuste lijst ook aangehecht werd aan de notulen van de betreffende algemene vergadering.

Dat het zittend bestuur van verweerster de door eisers voorgelegde vragen(lijst) tot op heden nog niet zou hebben beantwoord (zie evenwel infra, gelet op de algemene vergadering van 15 januari 2014) vormt bovendien ook geen reden om ipso facto te besluiten tot de gegrondheid van de vordering van eisers, de vraag buiten beschouwing latend in welke mate het betreffende bestuur onzorgvuldig of foutief handelt door geen tijdig antwoord te verschaffen op de alsdan gestelde vragen of ingediende vragenlijst.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, net als in het gemeenrechtelijk deskundigenonderzoek, het subsidiariteitsbeginsel niet genegeerd of verontachtzaamd worden: dit houdt in dat een vennoot voorafgaandelijk zijn rechten moet geldend maken langs andere (minder ingrijpende) weg, bijvoorbeeld door minnelijke verzoeken tot het bekomen van bepaalde informatie of stukken te richten aan de vennootschap, hetzij door zijn individuele onderzoeksrechten als vennoot uit te oefenen en zijn prerogatieven als aandeelhouder voorafgaandelijk uit te putten.

Het is evenwel duidelijk dat de vordering van de eisers op gespannen voet staat met het voornoemde beginsel, aangezien - gelet op het feit dat geen commissaris meer is aangesteld - eisers zelf hun individueel controle- en onderzoeksrecht kunnen uitoefenen (zie in dat verband ook: Kh. Luik 21 januari 2005, JDSC 2006, 170-172).

Deze controle- en onderzoeksbevoegdheid, waarvan de reële uitoefening een voorbeeld is van aandeelhoudersactivisme en die in de regel zonder enige rechterlijke tussenkomst mogelijk is, is evenzeer een adequate (in essentie bewijsvergarende) maatregel, ter voorbereiding van eventuele andere - meer verregaande - actiemiddelen, zoals de geschillenregeling, de eis tot nietigverklaring, de eis tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder, de actio mandati of minderheidsvordering, e.d.m. (zie voorts ook: A. François, K. Byttebier, J. Fastenaekels, T. Van De Gehuchte en L. Vandenbempt, “Omgaan met conflicten in vennootschappen: regeling van geschillen is meer dan geschillenregeling” in Omgaan met conflicten in de vennootschap, Antwerpen, Intersentia, 2009, 52).

In weerwil van hetgeen eisers stellen in hun conclusies, is de rechtbank niet overtuigd van de - volgens eisers - reeds ondernomen pogingen om hun individueel controle- en onderzoeksrecht te laten honoreren.

De enige mogelijke conclusie luidt dan ook dat - tot nader order - door eisers geen noemenswaardige pogingen ondernomen werden om hun individueel controle- en onderzoeksrecht daadwerkelijk uit te oefenen. Alleszins volstaat het niet om een louter passieve of afwachtende houding aan te nemen, waarbij enkel en alleen een serie vragen gesteld wordt aan het bestuur. De vennoten moeten zelf “op het terrein” de volgens hen vereiste onderzoeksdaden stellen. Pas als er nadien onduidelijkheden rijzen kunnen zij opheldering en toelichting vragen aan het bestuur. Het gaat alleszins niet op dat de aandeelhouders nauwelijks inspanningen leveren en de praktische uitoefening van hun onderzoeks- en controlerechten zo maar op het bestuur afwentelen. Bij het laten gelden van het onderzoeks- en controlerecht dient ook toepassing te worden gemaakt van het proportionaliteitscriterium: de concrete uitoefening van voornoemde rechten mag het goed functioneren van de vennootschap immers niet verstoren of hinderen en mag voorts ook geen onevenredige last meebrengen voor de vennootschap.

Zelfs niet in eerste instantie op schadevergoeding gerichte vorderingen, zoals de onderzoeksmaatregel die eisers beogen, kunnen de werking van de vennootschap ernstig verstoren en wakkeren niet zelden nog meer het conflict aan.

Hier zij nog aan toegevoegd dat uit geen enkel element van het dossier blijkt dat de daadwerkelijke uitoefening van het onderzoeks- en controlerecht van de aandeelhouders/eisers onmogelijk zou worden gemaakt door verweerster of haar zittende bestuurders, c.q. de leden van het orgaan van bestuur en vertegenwoordiging van verweerster.

Aanwijzingen, laat staan bewijzen van obstructie, verhindering of het boycotten van het onderzoeks- en controlerecht van eisers als aandeelhouders ontbreken. Stuk 15 van het bundel van verweerster bevat een schrijven, ondertekend door de voltallige (actuele) raad van bestuur van verweerster, waarin een nadrukkelijk aanbod gedaan wordt aan de huidige eisers, en het controlerecht ter plaatse op de zetel te komen uitoefenen.

Bijkomend dient vastgesteld te worden door de rechtbank dat het gros van de vragen die eisers hebben boekhoudkundige bewerkingen en operaties betreft (omzetcijfers, details van boekingen, omvang van de schuld, stand rekening-courant, detail afrekeningen, …), die per definitie vrij eenvoudig kunnen vastgesteld worden bij inzage van de boekhouding.

Ook de (bewijs- en verantwoordings)stukken waarvan eisers melding maken in hun vragenlijst kunnen per definitie aangetroffen worden op de zetel van de vennootschap en kunnen door de eisers ook effectief ingezien worden, ter gelegenheid van de uitoefening van hun controlerechten. De vennoot kan in het raam van deze rechten immers - in beginsel - op elk ogenblik ter plaatse inzage nemen van de boeken, brieven, notulen en in het algemeen van alle documenten en geschriften van de vennootschap. Bovendien kan hij van het bestuursorgaan (dan wel van de gemachtigden en van de aangestelden van de vennootschap) alle ophelderingen en inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die hij nodig acht.

Een en ander geldt a fortiori voor eisers, die niet (kunnen) betwisten dat zij, vanuit hun professionele hoedanigheid (zij zijn elk IAB-lid, zo blijkt ook uit de stukken die verweerster neergelegd heeft in dat verband), meer dan voldoende technische bagage en expertise hebben om zelf met kennis van zaken de boekhouding en andere nuttige bescheiden van de vennootschap te onderzoeken.

Bijkomend gegeven is dat eisers voordien bestuursmandaten hebben uitgeoefend in verweerster, zodat zij vermoedelijk zelf actief mee betrokken werden bij een aantal beslissingen, waaromtrent zij thans vragen stellen.

Op de zitting van 23 januari 2014 heeft verweerster, in de persoon van haar raadsman, trouwens een aanvullend stuk 19 neergelegd.

Het betreft de notulen van de bijzondere algemene vergadering van verweerster, gehouden op 15 januari 2014.

Uit de inhoud van deze notulen blijkt dat, verweerster in de persoon van de leden van haar actuele raad van bestuur, een - zij het eerder summier - antwoord heeft verschaft op de bewuste onderscheiden vragen van eisers. Ook blijkt dat aan deze antwoorden een bijlage gehecht is met een groot aantal (weliswaar niet afzonderlijk geïnventariseerde) verantwoordings- en stavingsstukken.

Onverminderd hetgeen hoger is overwogen, blijkt dus dat verweerster - wellicht ingevolge de procedurele initiatieven genomen door eisers - minstens tot op zekere hoogte gevolg heeft gegeven aan het verzoek van eisers.

Ook dit gegeven neemt de rechtbank mee in overweging.

4.2.4. Ten slotte stelt de rechtbank bij studie van de onderscheiden stavingsstukken ook vast dat de vennootschap (huidige verweerster) geen enkele activiteit meer ontplooit (zie de notulen van de algemene vergadering van 10 juni 2013, waar melding gemaakt wordt van het feit dat geen activiteit meer wordt geambieerd en de cijfers in discontinuïteit opgesteld worden), zodat per definitie ook geen toekomstige exploitatieverliezen meer te vrezen vallen.

Het staat vast dat het vereffeningsscenario zich in feite opdringt, zij het dat blijkbaar geen der aandeelhouders aanstalten maakt om ook daadwerkelijk tot vereffening over te gaan. De rechtbank is anderzijds ook niet gevat met een eis tot ontbinding en vereffening van de vennootschap.

Anderzijds nemen eisers evenmin het initiatief om zichzelf als kandidaat voor het bestuur voor te stellen (zie de betreffende notulen van de algemene vergaderingen van aandeelhouders die zich in het stukkenbundel van verweerster bevinden), teneinde een koerswijziging teweeg te brengen of een - spreekwoordelijke - nieuwe wind in het beleid en bestuur van de vennootschap te laten waaien.

De vraag buiten beschouwing latend of eisers met hun vordering hun eigen financieel belang laten doorwegen op het vennootschapsbelang (zoals geopperd wordt door verweerster in conclusies), is de ratio legis voor het toekennen van een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek kennelijk niet voorhanden.

4.2.5. Niet alleen (of niet zozeer) het subsidiariteitsbeginsel inzake vennootschapsrechtelijke actiemiddelen, maar ook het subsidiariteitsbeginsel dat in het proces- en bewijsrecht geldt staat op gespannen voet met de vordering van eisers.

Met gerechtelijke procedures dient zorgvuldig omgesprongen te worden.

Dit geldt a fortiori voor procedures, waar (enkel en alleen) expertises gevorderd worden. Een expertise brengt immers aanzienlijke kosten mee, vertraagt de procedure en draagt bij tot de gerechtelijke achterstand (M. Castermans, De hervorming van het deskundigenonderzoek, Gent, Story Publishers, 2007, 12-13).

Dat het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek de rechtsgrond put uit het W.Venn. en niet uit het Gerechtelijk Wetboek (dat het gemeen recht inzake deskundigenonderzoeken bevat), doet aan het voorgaande geen afbreuk.

Enkel indien aannemelijk gemaakt wordt dat het volstrekt onmogelijk is om bepaalde bewijzen te vergaren, d.w.z. indien het bestaan van daadwerkelijke “bewijsnood” is aangetoond, kan de rechter een helpende hand uitsteken door onderzoeksmaatregelen te bevelen, die vervolgens onder zijn toezicht worden uitgeoefend.

De loutere wens van eisers dat een onafhankelijke instantie (met name een door de rechtbank aangestelde deskundige) de financiële toestand van de vennootschap zou onderzoeken levert geen voldoende verantwoording op voor de gevorderde maatregel in rechte, die onmiskenbaar in een conflictuele sfeer baadt.

In het burgerlijk proces- en bewijsrecht geldt immers het beginsel van de zgn. partijwerkzaamheid: dit houdt in dat partijen het nodige moeten doen om onderzoeksmaatregelen zo veel als mogelijk overbodig te maken. Partijen moeten zelf de nodige inspanningen leveren om de bewijslevering te faciliteren (B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 426, nr. 118).

Dit impliceert ook dat de partij die een expertise vordert (zij het, zoals thans het geval is, een specifiek vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek) in eerste instantie zelf haar bewijslast moet vervullen en niet blindelings haar toevlucht kan nemen tot een procedure strekkende tot het bevelen van een gerechtelijke expertise. Een gerechtsexpertise heeft trouwens niet als finaliteit een partij haar dossier te stofferen en zo te remediëren aan een falende of niet diligent uitgevoerde bewijsopdracht van een partij, zeker indien blijkt dat deze partij in staat geacht mag worden zijn beweringen of aanspraken op een andere wijze te staven (zie o.a.: Pol. Brugge 16 september 2011, RW 2011-12, 1310).

Voorgaande beschouwingen sporen volledig met de uitoefening van het individueel controle- en onderzoeksrecht van de aandeelhouders, die ook een eigen actieve inspanning van de geïnteresseerde aandeelhouders vergt.

4.2.6. De vordering van eisers wordt dan ook als zijnde ongegrond afgewezen.

[…]

Noot: 

Mertens, T. en Lecomte, A., « Het deskundigenonderzoek en het subsidiariteitsbeginsel in het vennootschapsrecht: concepten in balans », R.A.B.G., 2017/8, p. 655-659

Rechtsleer:

• J.-M. Nelissen Grade en S. Loosveld, “Het deskundigenonderzoek in geschillen omtrent het bestuur van vennootschappen” in G. de Leval en B. Tilleman (eds.), Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent in Recht en Onderneming, Brugge, die Keure, 2003, 453, nr. 8, 455, nr. 11;

• M. Roelants, “De drempel blijft een drempel voor het vorderen van een 'vennootschapsrechtelijke' deskundige”, TRV 2012, 690;

• J. Vananroye, “De vordering van een aandeelhouder tot aanstelling van een deskundige” (noot onder Voorz. Kh. Ieper (KG)), TRV 2001, 48-49.

• H. Braeckmans, “Conflicten in vennootschappen en het Wetboek van Vennootschappen: de vlag dekt niet de lading”, TPR 2010, afl. 4, 1657, nr. 71, 1659, nr. 75; 

• J.-M. Gollier en M. Waucquez, “Commentaire de l'art. 168 C. soc” in X, Commentaire systématique du Code des sociétés, 2016, 3-4, nr. 2;

• M. Roelants, “Specifieke kwesties in het vennootschapsrecht” in L. Bouteligier, A. Christiaens, D. Christiaens en D. De Buyst (eds.), Bestendig handboek deskundigenonderzoek, Mechelen, Kluwer, 2011, IV.4-3, nr. 25050, IV.4-13, nr. 25320.

• G.L. Ballon, Bewijs in handelszaken, Gent, Story Publishers, 2011, 114;

• M. Caluwaerts, “Expert vérificateur ou expert de droit commun?” (noot onder Kh. Dendermonde 25 februari 2008), JDSC 2013, 235;

• K. Geens, M. Wyckaert, C. Clottens, F. Parrein, S. De Dier en S. Cools, “[De naamloze vennootschap] Controle”, TPR 2012, afl. 1, 399, nr. 336

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 21/07/2017 - 21:45
Laatst aangepast op: vr, 21/07/2017 - 21:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.