-A +A

Strafvordering kan gestart op basis van politionele inlichtingen zonder bewijswaarde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 27/09/2016
A.R.: 
P.15.0852.N

De bepalingen van de artikelen 15, 4° , 44/1 en 44/6 Wet Politieambt vormen het wettelijk kader waarin de politie inlichtingen kan inwinnen die van aard zijn om een opsporingsonderzoek of een vooronderzoek te doen starten.

De door de politie vergaarde informaties die aanleiding kunnen geven tot nadere opsporing zijn slechts gewone inlichtingen die door het opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek moeten worden nagegaan en noch het recht van verdediging, noch het recht op een eerlijk proces, noch het recht op de persoonlijke levenssfeer worden miskend en geen enkele wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling wordt geschonden door de omstandigheid dat de aanwijzingen dat een misdrijf werd gepleegd, voortvloeien uit dergelijke al dan niet geïdentificeerde inlichtingen die in het proces-verbaal worden bestempeld als 'informatie'; het feit dat zulke inlichtingen als dusdanig geen bewijswaarde hebben en dus als bewijs niet worden gebruikt, belet immers niet dat op grond hiervan autonoom bewijzen kunnen worden vergaard, zonder dat concreet moet worden verduidelijkt hoe de inlichtingen werden verkregen, voor zover niet aannemelijk wordt gemaakt dat zulks op onregelmatige wijze is geschied.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.0852.N
C F C B,
beklaagde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 21 mei 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, de artikelen 14 en 17 IVBPR, de artikelen 7, 8, 47 en 48 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna Handvest Grondrechten), de artikelen 15, 22 en 149 Grondwet, artikel 26, § 2, 2°, laatste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, de artikelen 28bis, 56, § 1, 87, 89bis, 189ter, 195 en 235ter, Wetboek van Strafvor-dering en de artikelen 5, 6, 14, 15 en 40 Wet Politieambt, alsook miskenning van de motiveringsverplichting: de appelrechters hebben eisers conclusie niet op af-doende wijze beantwoord, daar de motivering van het arrest de conclusie van de eiser niet weerlegt; een huiszoeking is pas mogelijk als er ernstige aanwijzingen van schuld aanwezig zijn; in dit geval was er geen aanleiding om een gerechtelijk onderzoek te starten; de controle op de inwinning en verwerking van informatie vereist een toelichting door het openbaar ministerie; bij gebrek hieraan worden de rechten van verdediging miskend; zowel het beroepen vonnis als het arrest spreken zich tegen door enerzijds te stellen dat er voldoende ernstige aanwijzingen van schuld moeten zijn om onder meer een huiszoeking uit te voeren, doch anderzijds te stellen dat de informatie geen bewijswaarde heeft waardoor verder onderzoek noodzakelijk is; het strafdossier bevat geen enkel stuk over de vergaring van de oorspronkelijke informatie, zodat geen tegenspraak mogelijk is; door de afwe-zigheid van enige informatie over de herkomst van deze informatie is het niet uit-gesloten dat deze afkomstig is van proactieve recherche; het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, vereist in de gegeven omstan-digheden dat minstens geweten is welk wettelijk kader van toepassing is op de door de politie verkregen informatie; zonder meer aanvaarden dat alle informatie afkomstig van de politie rechtmatig werd vergaard is strijdig met de duidelijke wil van de wetgever; doordat informatie voortvloeiend uit proactieve recherche of in-formantenverwerking wordt benoemd als "politionele informatie" kan de rechter de oorsprong niet achterhalen en kan hij niet nagaan aan welke procedureregels het verkrijgen van deze informatie dient te worden getoetst; dergelijke informatie zou hierdoor aan iedere rechterlijke controle ontsnappen; het ontbreken van iedere rechterlijke controle op de regelmatigheid van het huiszoekingsbevel volstaat als dusdanig om tot de onregelmatigheid van de strafrechtspleging te besluiten; bij gebrek aan duiding van het wettelijk kader waarin de informatie vergaard werd dient besloten te worden dat de strafvordering onontvankelijk is; aangezien er geen zaken werden aangetroffen die bijdroegen tot de waarheidsvinding betref-fende de in het huiszoekingsbevel bedoelde misdrijven, is de beslissing om een huiszoeking of ruimer onderzoek te verrichten op basis van een politionele infor-matie waarvan de herkomst wettelijk niet omkaderd wordt en waarvan gebleken is dat deze integraal verzonnen werd, niet naar recht verantwoord; de appelrechters geven geen antwoord op de vragen wie de opdracht tot het vergaren van de informatie gaf, waarop deze gesteund is, waar de gegevens vandaan komen en welke daarvan de oorsprong is; als gevolg hiervan is de motivering gebrekkig; in onder-geschikte orde kan tot de ongegrondheid van de strafvordering besloten worden door uitsluiting van de huiszoeking wegens onwettigheid of onregelmatigheid van de huiszoeking; het arrest veroordeelt de eiser tot straf terwijl hij in aanmerking komt voor de opschorting van de uitspraak van de veroordeling; het arrest laat na te motiveren waarom de gevraagde gunstmaatregel niet kan worden toegekend.

Het middel verzoekt twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof als volgt samengevat:

1) Schenden de artikelen 28bis, 56 § 1, 87 en 89bis Wetboek van Strafvordering, alsmede de artikelen 5 tot 6, 14, 15 en 40 Wet Politieambt, zowel afzonderlijk als in samenhang gelezen met artikel 4, § 1.1, Wet Arbeidsinspectie, de artikelen 197 en 198, § 3, AWDA, met artikel 4, 1°, van de wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter en met artikel 19, § 1, 1°, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van in-tellectuele eigendomsrechten, de artikelen 10, 11, 15, 22 en 23 Grondwet, het al-gemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk pro-ces zowel afzonderlijk als samen gelezen met de artikelen 6 en 8 EVRM en de ar-tikelen 14 en 17 IVBPR en artikelen 7, 8, 47 en 48 van het Handvest Grondrech-ten?

2) Schenden de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering de artike-len 10, 11, 15, 22 en 23 Grondwet, het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces zowel afzonderlijk als gelezen in sa-menhang met de artikelen 6 en 8 EVRM, de artikelen 14 en 17 IVBPR en de artikelen 7, 8, 47 en 48 Handvest Grondrechten?

2. In zoverre het middel kritiek heeft op het gerechtelijk onderzoek, het optre-den van het openbaar ministerie en het beroepen vonnis, is het niet gericht tegen het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

3. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering schendt.
In zoverre het middel schending van die wetsbepalingen aanvoert, is het onduide-lijk, mitsdien niet ontvankelijk.

4. Krachtens artikel 51 Handvest Grondrechten zijn de bepalingen van die akte gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de Lidstaten.

Hieruit volgt dat de artikelen 7, 8, 47 en 48 Handvest Grondrechten slechts kun-nen worden ingeroepen bij de toepassing van het Unierecht, wat hier niet het geval is.

In zoverre het schending van die bepalingen aanvoert, faalt het middel naar recht.

5. Artikel 44/1 Wet Politieambt, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat de politie-diensten, bij het vervullen van de opdrachten die hun zijn toevertrouwd, gegevens van persoonlijke aard en inlichtingen kunnen inwinnen en verwerken, meer be-paald met betrekking tot de gebeurtenissen, de groeperingen en de perso¬nen die een concreet belang vertonen voor de uitoefening van hun op¬drachten van be-stuurlijke politie en voor de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie overeenkomstig de artikelen 28bis, 28ter, 55 en 56 Wetboek van Strafvorde-ring.

Artikel 15, 4°, Wet Politieambt geeft aan de politiediensten bij het vervullen van hun opdrachten van gerechtelijke politie ook de taak om verslag van hun opdrachten en de inlichtingen die zij naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de be-voegde overheden te bezorgen. Volgens artikel 44/6 Wet Politieambt, zoals hier toepasselijk, delen de politiediensten bij de uitvoering van hun opdrachten van ge-rechtelijke politie de inlichtingen en gegevens bedoeld in artikel 44/1, eerste lid, zoals hier toepasselijk, mee aan de bevoegde gerech¬telijke overheden overeen-komstig wat is bepaald bij de artikelen 28bis, 28ter, 55 en 56 Wetboek van Strafvordering.

Deze bepalingen vormen het wettelijk kader waarin de politie inlichtingen kan inwinnen die van aard zijn om een opsporingsonderzoek of een vooronderzoek te doen starten.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat dit wettelijk kader niet kan worden achter-haald, faalt het naar recht.

6. De door de politie vergaarde informaties die aanleiding kunnen geven tot nadere opsporing zijn slechts gewone inlichtingen die door het opsporingsonder-zoek of een gerechtelijk onderzoek moeten worden nagegaan. Noch het recht van verdediging, noch het recht op een eerlijk proces, noch het recht op de persoonlijke levenssfeer worden miskend en geen enkele wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling wordt geschonden door de omstandigheid dat de aanwijzingen dat een misdrijf werd gepleegd, voortvloeien uit dergelijke al dan niet geïdentificeerde in-lichtingen die in het proces-verbaal worden bestempeld als "informatie". Het feit dat zulke inlichtingen als dusdanig geen bewijswaarde hebben en dus als bewijs niet worden gebruikt, belet immers niet dat op grond hiervan autonoom bewijzen kunnen worden vergaard, zonder dat concreet moet worden verduidelijkt hoe de inlichtingen werden verkregen, voor zover niet aannemelijk wordt gemaakt dat zulks op onregelmatige wijze is geschied. Hieruit kan niet worden afgeleid dat een huiszoeking bevolen op grond van aanwijzingen voortvloeiend uit politionele in-lichtingen aan ieder gerechtelijke controle zou ontsnappen.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het eveneens naar recht.

7. Om te beoordelen of de zaak eerlijk werd behandeld als bedoeld bij artikel 6 EVRM, moet worden nagegaan of die behandeling in haar geheel eerlijk is verlo-pen. Wanneer de vervolgde persoon de mogelijkheid heeft gekregen om voor de vonnisrechter vrij tegenspraak te voeren over de tegen hem door de vervolgende partij aangebrachte gegevens, kan hij niet beweren dat hij geen recht gehad heeft op een eerlijk proces.

8. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis stelt het arrest on-aantastbaar vast dat de mededeling van de door de politie ingewonnen inlichtingen is gebeurd met het proces-verbaal GE.14.F1.008922-2011 en neemt het aan dat dit proces-verbaal voldoende en gedetailleerde aanwijzingen inhoudt dat een misdrijf werd gepleegd en dat de onderzoeksrechter op grond hiervan een huiszoeking vermocht te be¬velen. Aldus beantwoordt het eisers conclusie in verband met de aanwezigheid van aanwijzingen dat een misdrijf werd gepleegd en de re-gelmatigheid van deze huiszoekingen en is het regelmatig met redenen omkleed.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

9. Informatie bestaat uit één of meerdere feitelijke gegevens van aard om een opsporingsonderzoek te starten en wordt meestal teruggevonden in het aanvanke-ijk proces-verbaal. Het voeren van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek heeft als doel deze informatie te verifiëren. De resultaten van de onderzoekshandelingen zijn dan bewijselementen, zijnde de al dan niet geverifieerde en bevestigde informatie.

Er bestaat bijgevolg geen tegenstrijdigheid door eensdeels te oordelen dat er vol-doende ernstige aanwijzingen van een gepleegd misdrijf moeten zijn om een onderzoekshandeling zoals een huiszoeking uit te voeren en anderdeels aan te nemen dat de informatie geen bewijswaarde heeft waardoor verder onderzoek noodzakelijk is.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

10. Wanneer de beklaagde een conclusie heeft ingediend met een aanvraag tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling, beantwoordt de appelrechter die conclusie regelmatig door met opgave van redenen een straf op te leggen.

Het arrest oordeelt dat:
- de eerste rechter terecht niet is ingegaan op de vraag tot het gelasten van de op-schorting van de uitspraak van de veroordeling;
- enkel de opgelegde geldboete de eiser in de hoedanigheid van jager op effec-tieve wijze het belang van de toepasselijke regelgeving zal doen inzien;
- deze veroordeling hem in zijn beroep als opvoeder niet zal worden aangere-kend;
- de veroordeling tot een geldboete de jachtactiviteiten van de eiser niet zal ra-ken;
- de opgelegde geldboete evenredig is met de aard en ernst van de bewezen mis-drijven.

Met die redenen geeft het arrest te kennen waarom een straf en geen opschorting van de uitspraak van de veroordeling verantwoord is. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest eisers verzoek en verantwoordt het de opgelegde straf naar recht.

In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen.

11. Voor het overige komt het middel op tegen de beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.

12. De eerste prejudiciële vraag gaat uit hetzij van onjuiste premissen en hypo-theses, hetzij van onjuiste rechtsopvattingen en wordt bijgevolg niet gesteld.

13. De tweede prejudiciële vraag is gesteund op een grief die niet-ontvankelijk wordt verklaard om redenen die vreemd zijn aan hetgeen het voorwerp uitmaakt van de vraag en wordt bijgevolg evenmin gesteld.

Tweede middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 189 en 191 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de bewijslast en van het algemeen rechtsbeginsel "in dubio pro reo": het arrest verklaart ten onrechte de eiser schuldig aan de telastlegging C; er ligt geen bewijs voor dat het product Corvitox vermeld in de telastlegging als een vergif of een giftig of verdovend lok-aas dient beschouwd te worden; er bestaat evenmin zekerheid dat de eiser dit product ten aanzien van eksters of kraaien heeft gebruikt; de uitleg van de eiser dat hij het bedoelde product enkel voor mollen heeft gebruikt, is geloofwaardig en de waarheid; er bestaat twijfel over de schuld van de eiser voor de telastlegging C, zodat het vermoeden van onschuld in zijn voordeel dient te spelen.

15. Met de redenen die het bevat (rechtsoverwegingen 5 en 6 blz. 8), stelt het arrest de feitelijke gegevens vast op grond waarvan het onaantastbaar oordeelt dat eisers schuld aan de hem ten laste gelegde feiten A, B.1 en C vaststaat. Aldus sluit het arrest iedere twijfel uit en miskent het geenszins het vermoeden van onschuld, maar is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

16. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbaar oordeel van de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Derde middel

17. Het middel voert miskenning aan van het redelijkheidsbeginsel: gelet op het gebrek aan toelichting waarop het strafrechtelijk onderzoek gestart werd, de omstandigheden waarin de feiten zich voordeden, het eenmalig karakter van de in-breuk en het feit dat slechts het bezit en niet het gebruik aangenomen werd, zijn de gevolgen van de veroordeling buiten proportie en onmogelijk als redelijk te be-schouwen.

18. Het middel komt volledig op tegen de onaantastbare beoordeling in feite van de strafmaat door de appelrechters of verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 80,91 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 27 september 2016 uitgesproken 

Noot: 

Voor een ontleding van dit vonnis, zie Luc Arnou, Ook informatie "uit betrouwbare bron ontsnapt niet aan rechterlijke controle", De juristenkrant, 27 juni 2012, 3

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 28/11/2017 - 14:55
Laatst aangepast op: di, 28/11/2017 - 14:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.