-A +A

Strafrechter kan ontbinding vennootschap uitspreken wanneer de rechtspersoon is opgericht om misdrijven te plegen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 21/11/2017
A.R.: 
170547

 

Artikel 35, eerste lid Strafwetboek oordeelt dat de ontbinding door de rechter kan worden uitgesproken wanneer de rechtspersoon opzettelijk is opgericht om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij wordt veroordeeld of wanneer hij opzettelijk van zijn doel is afgewend om dergelijke werkzaamheden te verrichten.

De artikelen 36 en 37 Strafwetboek bepalen dat het tijdelijk of definitief verbod een werkzaamheid te verrichten of de tijdelijke of definitieve sluiting van een of meer inrichtingen van de rechtspersoon door de rechter kan worden uitgesproken in de gevallen bepaald door de wet.

De toestand waarin een rechtspersoon zich bevindt die opzettelijk werd opgericht om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij wordt veroordeeld of die opzettelijk van zijn doel is afgewend om dergelijke werkzaamheden te verrichten en die derhalve ab initio of tijdens zijn bestaan zich met onwettige activiteiten inlaat, is niet vergelijkbaar met die van een rechtspersoon die zich enkel aan bepaalde misdrijven heeft schuldig gemaakt, zonder dat hij daartoe in het bijzonder werd opgericht of afgewend.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/6
Pagina: 
501
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D E, M E G, I S, V A N D P, L R A V D P, D C M NV, K M NV, G NV, P SL B, T I B, G A G, M I A en A B - Rolnr.: P.17.0547.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 april 2017.

(…)

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
(…)

Middelen van de eiser IV.1
Eerste middel
Het middel voert schending aan van artikel 6, 1. EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 190ter Wetboek van Strafvordering en artikel 10 van de wet van 1 mei 1849 op de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: uit het dossier en uit de processen-verbaal van de rechtszittingen blijkt niet welke handelingen werden verricht op de rechtszitting van 24 november 2016 aangezien dit proces-verbaal ontbreekt; ingevolge het ontbreken van processen-verbaal van de rechtszitting tussen 21 september 2016 in de namiddag en 30 maart 2017 ontbreekt elke informatie over het lot van het dossier en de verrichte rechtshandelingen en is een controle van de regelmatigheid van de rechtspleging niet mogelijk.

In politie- en in correctionele zaken is het opstellen van een proces-verbaal van de rechtszitting niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Het ontbreken van een dergelijk proces-verbaal leidt slechts tot nietigheid van de beslissing, als deze zelf niet alle vereiste vermeldingen bevat die de regelmatigheid van de gevoerde procedure bewijzen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Met het arrest (p. 32) wordt vastgesteld dat het appelgerecht de zaak heeft behandeld op de openbare rechtszittingen van 15 september 2016, 16 september 2016, 19 september 2016, 20 september 2016 en 21 september 2016. Van die rechtszittingen werden telkens processen-verbaal opgesteld die bij het dossier zijn gevoegd. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 21 september 2016 blijkt dat de zaak op die openbare rechtszitting in beraad werd genomen.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 20 april 2017 en het arrest (p. 105) blijkt verder dat, na beraadslaging door voorzitter C.L., raadsheer J.V.E. en raadsheer A.D.S., het arrest op de openbare rechtszitting van 20 april 2017 werd uitgesproken door raadsheer A.D.S. in aanwezigheid van federaal magistraat M.C. en de griffier H.P. en het werd ondertekend door raadsheer A.D.S. en de griffier H.P., met de vaststelling dat voorzitter C.L. en raadsheer J.V.D. zich in de onmogelijkheid bevonden het arrest te ondertekenen.

De door het middel bekritiseerde afwezigheid in het dossier van de processen-verbaal van de rechtszittingen ná het in beraad nemen van de zaak en vóór het uitspreken van het arrest, belet niet dat op basis van de zich in het dossier bevindende processen-verbaal van de rechtszitting en het arrest zelf, de regelmatigheid van de rechtspleging kan worden nagegaan.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

(…)

Vierde middel van de eiseressen IV.3 tot en met IV.5
Het middel voert schending aan van artikel 11 EVRM, artikel 22 IVBPR, de artikelen 10, 11 en 27 Grondwet en artikel 35 Strafwetboek: het arrest oordeelt onwettig dat het verschil in behandeling tussen eensdeels de door artikel 35 Strafwetboek bepaalde bijkomende straf van ontbinding die steeds in de in die bepaling vermelde gevallen kan worden uitgesproken en anderdeels andere minder ingrijpende bijkomende straffen zoals het verbod een werkzaamheid te verrichten en de sluiting van een inrichting die enkel kunnen in de gevallen waarin de wet dit uitdrukkelijk mogelijk maakt, geen ongrondwettige miskenning is van het gelijkheidsbeginsel en dat er geen redenen zijn om daarover aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen.

Aan het Grondwettelijk Hof dient minstens de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: “Schendt artikel 35 Strafwetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 27 Grondwet, artikel 11 EVRM en artikel 22 IVBPR, in zover de daarin bepaalde straf van de ontbinding voor elk misdrijf kan worden uitgesproken, daar waar minder zware straffen zoals het verbod een werkzaamheid te verrichten slechts kunnen worden uitgesproken voor zover de wetgever dat uitdrukkelijk heeft bepaald?”

Artikel 35, eerste lid Strafwetboek oordeelt dat de ontbinding door de rechter kan worden uitgesproken wanneer de rechtspersoon opzettelijk is opgericht om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij wordt veroordeeld of wanneer hij opzettelijk van zijn doel is afgewend om dergelijke werkzaamheden te verrichten.

De artikelen 36 en 37 Strafwetboek bepalen dat het tijdelijk of definitief verbod een werkzaamheid te verrichten of de tijdelijke of definitieve sluiting van een of meer inrichtingen van de rechtspersoon door de rechter kan worden uitgesproken in de gevallen bepaald door de wet.

De toestand waarin een rechtspersoon zich bevindt die opzettelijk werd opgericht om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij wordt veroordeeld of die opzettelijk van zijn doel is afgewend om dergelijke werkzaamheden te verrichten en die derhalve ab initio of tijdens zijn bestaan zich met onwettige activiteiten inlaat, is niet vergelijkbaar met die van een rechtspersoon die zich enkel aan bepaalde misdrijven heeft schuldig gemaakt, zonder dat hij daartoe in het bijzonder werd opgericht of afgewend.

Met de redenen die het arrest (p. 99-100) bevat, verantwoordt het naar recht de beslissing dat er geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel is en dat er geen redenen zijn om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Er is gelet op het voorgaande voor het Hof evenmin grond om de prejudiciële vraag te stellen.

(…)

Middelen van de eiseres V
Eerste middel
Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 190 Wetboek van Strafvordering die het recht op tegenspraak en bijgevolg het recht van verdediging waarborgen: het arrest verwerpt het door de eiser V geformuleerde verzoek tot heropening van het debat gegrond op een na de sluiting van het debat door het Grondwettelijk Hof gewezen arrest met betrekking tot de bijzondere verbeurdverklaring en de aantasting van de eigendom, maar het spreekt zich wel uit over de vraag of de verbeurdverklaring het eigendomsrecht van de eiseres V aantast; door uitdrukkelijk met betrekking tot dit eigendomsrecht te oordelen zonder de eiseres V toe te laten daarover standpunt in te nemen, hoewel zij dit had gevraagd, miskent het arrest het recht van verdediging; hoewel het arrest de gevraagde heropening weigert, betrekt het blijkens de motivering bij de beoordeling de ter gelegenheid van het verzoek tot heropening van het debat overgelegde stukken, terwijl dit niet is toegelaten.

Uit de omstandigheid dat het Grondwettelijk Hof zich, nadat een rechter een zaak in beraad heeft genomen, in antwoord op een prejudiciële vraag van een andere rechter uitspreekt over de verenigbaarheid van een door de eerste rechter toe te passen wetsbepaling met door het Grondwettelijk Hof te toetsen normen, volgt voor die eerste rechter niet de verplichting het debat te heropenen.

De rechter oordeelt immers onaantastbaar in feite of een tijdens het beraad overgelegd stuk nuttig is voor zijn oordeelsvorming en of hiertoe het debat moet worden heropend.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Uit het gegeven dat de appelrechters bij hun beslissing over de lastens de eiseres V uit te spreken bijzondere verbeurdverklaring de aantasting van het eigendomsrecht betrekken, volgt niet dat zij kennis hebben genomen van de stukken die de eiseres V heeft gevoegd bij haar verzoek tot heropening van het debat.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

De overige wetsschendingen zijn afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde onwettigheden en zijn bijgevolg niet ontvankelijk.

(…)

Middel van de eiser VII
Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemene rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter overleg mag plegen met buitenlandse collega's en politiediensten om bewijzen te verzamelen en daders te vatten van feiten waarmee hij gevat is, zonder dat hij van dat overleg een proces-verbaal moet opstellen; van elke handeling die leidt of kan leiden tot bewijsverkrijging moet een weerslag terug te vinden zijn in het strafdossier; pas zo kan het recht op een eerlijk proces worden gewaarborgd en kan worden nagegaan of het vooronderzoek wettig is verlopen; de beslissing de strafvordering ontvankelijk te verklaren en de afwijzing van het verzoek om onder meer de onderzoeksrechter als getuige te horen zijn niet naar recht verantwoord.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan (beroepen vonnis, p. 31-33), blijkt dat de onderzoeksrechter, een federaal magistraat en twee Belgische politieambtenaren aanwezig waren op een overlegvergadering in Italië die als doel had overleg te plegen met de bevoegde Italiaanse anti-maffia magistraat, Italiaanse politiediensten en Amerikaanse politiediensten, de onderzoeksresultaten in de diverse lopende onderzoeken in België, Italië en de Verenigde Staten welke betrekking leken te hebben op eenzelfde criminele organisatie die zich zou bezig houden met internationale handel in verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika naar Europa via onder meer België en Italië uit te wisselen en het maken van afspraken met betrekking tot de verdere in België, Italië en de Verenigde Staten te volgen onderzoeksstrategieën.

Uit de enkele omstandigheid dat geen aan het strafdossier gevoegde geschreven neerslag bestaat van een ter uitvoering van een rechtshulpverzoek gehouden vergadering waaraan werd deelgenomen door Belgische en buitenlandse justitiële en politionele overheden om informatie uit te wisselen en afspraken te maken over de verdere oriëntering van het onderzoek, of dat de vonnisrechter weigert de op die vergadering aanwezige personen als getuige onder eed te horen op de openbare rechtszitting, volgt niet dat het recht op een eerlijk proces van een beklaagde is miskend, indien niet blijkt dat die overlegvergadering heeft geleid tot bewijs welke wordt aangewend in de tegen die beklaagde ingestelde strafvordering.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Met eigen redenen (p. 48-49) en met de redenen die het van het beroepen vonnis heeft overgenomen (p. 31-33) geeft het arrest te kennen dat die overlegvergadering niet heeft geleid tot bewijs dat tegen de eiser VII wordt aangewend en verantwoordt het de weigering de op die vergadering aanwezige Belgische politionele en justitiële overheden te horen als getuige onder eed en om de strafvordering onontvankelijk te verklaren naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

(…)

Dictum

Het Hof,

(…)

Noot: 

• S. Van Dyck, V. Franssen en F. Parrein, “De rechtspersoon als strafbare dader: een grondige analyse van tien jaar wetgeving, rechtspraak en rechtsleer – deel 1”, TRV 2008, (599), p. 652, nr. 97.

• P. Waeterinckx, De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon en zijn leidinggevenden, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 108 e.v., nrs. 161 e.v.

• F. ROGGEN, "Participation et imputabilité: l'application de ces principes à l'épreuve de la responsabilité pénale des personnes morales", Actualités de droit pénal et de procédure pénale, Jonge Balie van Brussel, mei 2001, p. 15;

• M. BURTON, Le point sur la responsabilité pénale des personnes morales, CUP Luik, dec. 2003, p. 235-236

• Van Dooren, E., « Kostenperikelen bij douanerechtelijke inbeslagnemingen », R.A.B.G., 2018/6, p. 514-518

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 10/05/2018 - 21:49
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 22:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.