-A +A

Strafrechter is gebonden aan de feiten waartoe hij gevat werd - onverminderd zijn recht tot herkwalificatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 19/01/2016
A.R.: 
P.14.1555.N

De feitenrechter is niet gebonden door de kwalificatie die de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking aan de feiten gaf, maar moet aan de feiten de juiste omschrijving geven.

De strafrechter is gevat met de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of dagvaarding ten grondslag liggen.De kwalificatie gegegven in de verwijziongsbeschikking of de dagvaarding bindt de strafrechter niet. De strafrechter zal zo nodig en volgens zijn overtuiging de feiten moeten heromschrijven 

Om tot heromschrijving te kunnen overgaan, is niet vereist dat de bestanddelen van het oorspronkelijk omschreven misdrijf en van het heromschreven misdrijf dezelfde zijn, maar vereist is, mits eerbiediging van het recht van verdediging, dat de nieuwe omschrijving hetzelfde feit tot voorwerp heeft als de materiële gebeurtenis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt, en dit ongeacht het tijdstip waarop de misdrijven zijn voltrokken.

De feitenrechter herkwalificeert onaantastbaar de juridische kwalificatie van de feiten omschreven in dagvaarding of verwijzingsbeslissing.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
342
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.14.1340.N
1. A S,
beklaagde,
2. N S,
beklaagde,
eisers,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 juni 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 202 en 203 Wetboek van Strafvordering: het arrest verzwaart de toestand van de eisers alhoewel het open-baar ministerie geen hoger beroep heeft aangetekend.

2. De eerste rechter verklaarde de eisers schuldig aan de enige telastlegging en veroordeelde hen wegens dit feit elk tot een geldboete van 100 euro, verhoogd met 50 decimes, of een vervangende gevangenisstraf van acht dagen.

3. Tegen dit vonnis hebben enkel de eisers hoger beroep ingesteld.

4. Het arrest verklaart de telastlegging, na herkwalificatie, bewezen in hoofde van de beide eisers en veroordeelt ze elk tot een gevangenisstraf van een maand en een geldboete van 26 euro, verhoogd met 50 decimes, of een vervangende ge-vangenisstraf van acht dagen.

De tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf en de geldboete opgelegd aan de ei-seres werd uitgesteld gedurende drie jaar.

5. Door de toestand van de eisers te verzwaren ofschoon het openbaar ministe-rie niet in hoger beroep was gekomen, schendt het arrest de artikelen 202 en 203

Wetboek van Strafvordering.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 166 Burgerlijk Wetboek en arti-kel 182 Wetboek van Strafvordering, alsmede een motiveringsgebrek: het arrest herkwalificeert de telastlegging van het aangaan van een schijnhuwelijk in het aanwenden van een valse huwelijksakte in de procedure tot verkrijging van ver-blijfsrecht in het Rijk en het voor te leggen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Gent, teneinde dit huwelijk te doen erkennen en over te schrijven in de registers van de bevolking; aldus veroordeelt het arrest de eisers voor andere en meerdere feiten dan het feit dat oorspronkelijk aanhangig werd gemaakt; het arrest oordeelt tegenstrijdig door, enerzijds, vast te stellen dat de eisers het vals geachte stuk bleven aanwenden in allerhande procedures en het derhalve de eisers veroor-deelt voor verschillende feiten van gebruik, en, anderzijds, vast te stellen dat het beoogde feit een feit van gebruik van een beweerdelijk vals stuk betreft, wat wijst op één enkel feit van gebruik.

7. In correctionele of politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte kwalificatie of omschrijving bij het vonnisgerecht aanhan-gig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen.

De feitenrechter is niet gebonden door de kwalificatie die de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking aan de feiten gaf, maar moet aan de feiten de juiste om-schrijving geven. Om tot heromschrijving te kunnen overgaan, is niet vereist dat de bestanddelen van het oorspronkelijk omschreven misdrijf en van het herom-schreven misdrijf dezelfde zijn. Vereist is, mits eerbiediging van het recht van verdediging, dat de nieuwe omschrijving hetzelfde feit tot voorwerp heeft als de materiële gebeurtenis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt en dit onge-acht het tijdstip waarop de misdrijven zijn voltrokken.

8. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar welke de wettelijke omschrijving is van de feiten die bedoeld zijn in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking, voor zover die omschrijving niet onverenigbaar is met die feiten.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen ge-volgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

9. De eisers werden aanvankelijk voor de correctionele rechtbank gedaagd we-gens:

"Bij inbreuk op artikel 79bis, § 1, 80 en 81 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (BS 31.12.1980) een huwelijk te hebben afgesloten in de omstan-digheden bedoeld in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek zijnde dat er geen huwelijk is wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.

Te Gent, sinds 09/08/2010 tot op heden."

10. Het arrest veroordeelt de eisers, na herkwalificatie, wegens:

"Te Gent in de periode van 9 augustus 2010 tot 28 januari 2013

Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zo-danige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon ge-pleegd worden.

Met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, gebruik te hebben ge-maakt van een valse akte of van een vals stuk wetende dat het vervalst was, namelijk door de huwelijksakte met stempel van de Franse Alliantie te Islamabad (stuk 24 strafdossier), waarbij het laten opmaken en ondertekenen van die huwelijksakte de gegeven toestemming in hoofde van [de eisers] niet gericht was op het bereiken van de bij het ondertekenen van een huwelijksakte normaal te verwachten doelstelling, zijnde het opbouwen van een duurzame levensgemeenschap, aan te wenden in de procedure tot verkrijging van verblijfsrecht in het Rijk en voor te leggen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Gent teneinde dit huwelijk te erkennen en over te schrijven in de registers van de bevolking.
Inbreuk op artikel 66, 193, 197, 213 en 214 van het Strafwetboek."

11. Op grond van de redenen die het arrest bevat, konden de appelrechters oor-delen dat de feiten van gebruik van een vals stuk die zij aldus heromschrijven en bewezen verklaren, dezelfde zijn als de materiële gebeurtenissen die het voorwerp uitmaakten van de dagvaarding. Aldus doen de appelrechters geen uitspraak over feiten die bij hen niet aanhangig waren.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

12. Voor het overige is de met het middel aangevoerde tegenstrijdigheid afge-leid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid van de herkwalificatie en is het bij-gevolg niet ontvankelijk.

Omvang van de cassatie

13. De onwettigheid van de straf tast de wettigheid van de schuldigverklaring niet aan.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers veroordeelt tot straf en tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eisers tot twee derden van de kosten en laat het overige derde ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Bepaalt de kosten op 192,28 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 19 januari 2016 uitgesproken

P.14.1340.N

Conclusie van plaatsvervangend advocaat-generaal De Swaef:

1. De eisers in cassatie werden vervolgd en in eerste aanleg veroordeeld tot een geldboete wegens inbreuk op artikel 79bis, §1, Vreemdelingenwet. In hoger beroep werden de feiten geherkwalificeerd in deelname aan het gebruik van een vals stuk en, na aanneming van verzachtende omstandigheden en met eenparigheid, veroordeelde het hof van beroep te Gent de eisers tot gevangenisstraf en geldboete. Het blijkt evenwel niet dat het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter, zodat de strafverzwaring in hoger beroep op een onwettigheid berust. Het eerste middel tot cassatie met betrekking tot de strafmaat is dan ook gegrond.

2. Het tweede middel tot cassatie verwijt de appelrechters de eisers te hebben veroordeeld voor andere feiten dan die waarvoor ze oorspronkelijk werden vervolgd.

De regelmatigheid van een rekwalificatie vereist dat wordt voldaan aan twee voorwaarden. Enerzijds moet de nieuwe kwalificatie hetzelfde feit betreffen. Voor een ander misdrijf mag de rechter niet veroordelen als het feit niet hetzelfde blijft of niet begrepen is in de feiten die het voorwerp van de vervolging uitmaken. En de rechter moet dat vaststellen. Anderzijds moet het recht van verdediging worden geëerbiedigd. Men moet zich alleen verdedigen tegen wat ten laste wordt gelegd.

Normaal vraagt dat een verwittiging - zonder formalisme - vanwege de rechter, het openbaar ministerie of de burgerlijke partij, zodat de beklaagde precies de misdrijfvorm kent waartegen hij zijn middelen kan laten gelden.(1) Aan de tweede voorwaarde is te dezen voldaan nu de appelrechters bij tussenarrest de partijen hebben uitgenodigd om zich te verdedigen op de herkwalificatie en heromschrijving van de feiten en te dien einde de debatten ambtshalve hebben heropend.

3. De eerste voorwaarde daarentegen maakt het voorwerp uit van de betwisting voor het Hof. Volgens de eisers veroordeelt het arrest hen ten onrechte voor andere en meerdere feiten dan het feit dat oorspronkelijk aanhangig werd gemaakt. Om, bij wijziging van de kwalificatie, het behoud van de identiteit en continuïteit van het feit te verzekeren moet om te beginnen worden bepaald waarin het feit van de vervolging precies bestaat. Daarover beslist de rechter in principe op onaantastbare wijze, maar met de gebruikelijke marginale controle van het Hof van Cassatie. Kon de feitenrechter (in hoger beroep) terecht in deze zaak de overtuiging hebben dat de verschillende misdrijfvormen de uitdrukking zijn van één en dezelfde feitelijke gedraging als bedoelde door de geding inleidende akte?

M.i. wel.

4. De oorspronkelijke telastlegging luidde: "Bij inbreuk op artikel 79bis, §1, 80 en 81 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (BS 31.12.1980) een huwelijk te hebben afgesloten in de omstandigheden bedoeld in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek zijnde dat er geen huwelijk is wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde, te Gent, sinds 09/08/2010 tot op heden".

De uiteindelijke veroordeling van de eisers gebeurde hoofdens: "te Gent in de periode van 9 augustus 2010 tot 28 januari 2013, om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanig hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gebruik te hebben gemaakt van een valse akte of van een vals stuk wetende dat het vervalst was, namelijk door de huwelijksakte met stempel van de Franse Alliantie te Islamabad (stuk 24 strafdossier), waar bij het laten opmaken en ondertekenen van die huwelijksakte de gegeven toestemming in hoofde van de beklaagden niet gericht was op het bereiken van de bij het ondertekenen van een huwelijksakte normaal te verwachten doelstelling, zijnde het opbouwen van een duurzame levensgemeenschap, aan te wenden in de procedure tot verkrijging van verblijfsrecht in het Rijk en voor te leggen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Gent teneinde dit huwelijk te erkennen en over te schrijven in de registers van de bevolking".

De hamvraag is derhalve welke materiële gebeurtenissen precies het voorwerp uitmaken van deze telastleggingen?

5. Artikel 79bis Vreemdelingenwet dat het schijnhuwelijk strafbaar stelt werd ingevoegd bij de wet van 12 januari 2006. Verwezen wordt daarbij naar de omstandigheden bedoeld in artikel 146bis Burgerlijk Wetboek, te weten dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op het totstandbrengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde. Artikel 79bis Vreemdelingenwet stelt aldus strafbaar ieder die een huwelijk sluit in de omstandigheden van artikel 146bis Burgerlijk Wetboek.(2)

Dit misdrijf is een ogenblikkelijk misdrijf. Het afsluiten (of de poging daartoe) van een schijnhuwelijk vormt het materieel bestanddeel van dat misdrijf, het bedrieglijk (trachten te) bekomen van een verblijfsvergunning het moreel element ervan.(3) Nu blijkt echter uit de objectieve gegevens van het bestreden arrest dat het afsluiten van het huwelijk kennelijk niet de feitelijke grondslag kan uitmaken van de strafvordering lastens de eisers. Het huwelijk tussen de eisers werd inderdaad afgesloten te Chak Sada, Tehsil, district Gujrat (Pakistan) op 22 september 2004. Maar de feiten waarop de huidige strafprocedure stoelt werden gepleegd te Gent in de periode van 9 augustus 2010 tot 28 januari 2013. Het afsluiten van eisers huwelijk valt alzo geenszins in de weerhouden delictuele periode en evenmin in de plaatsbepaling ervan. Het is namelijk op de aanvangsdatum van de telastlegging dat de eisers de huwelijksakte met stempel van de Franse Alliantie te Islamabad aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Gent aanboden teneinde registratie.

Hieruit blijkt dat de niet betwiste feitelijke omstandigheden niet overeenstemmen met de oorspronkelijke (voorlopige) telastlegging die evident berust op een verkeerde beoordeling van de toepasselijke wetsbepalingen. De rechtzetting door de rechter van een verkeerde kwalificatie kan niet leiden tot de vernietiging van zijn beslissing.

6. Het behoort immers de feitenrechter (in hoger beroep) aan de feiten de juiste kwalificatie te geven. Met de redenen die ze te dezen opgeven in randnummer 5 van het arrest hebben de appelrechters vastgesteld dat het huwelijk dat de eiseres op 22 september 2004 afsloten in Pakistan niet gericht was op het opbouwen van een duurzame levensgemeenschap en dat het aanwenden van de huwelijksakte in België tijdens de geïncrimineerde periode tot doel had een gunstiger verblijfsregeling voor de eiseres te verzilveren. Aldus konden de appelrechters wettig oordelen dat de strafvordering lastens de eisers betrekking had op het gebruik maken met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden van een vals stuk, i.c. de naar inhoud valse huwelijksakte.(4) De herkwalificatie door het arrest is naar recht verantwoord en berust volledig op de feiten van het dossier.

7. Tot slot is de in het cassatiemiddel aangevoerde grief dat het arrest tegenstrijdig oordeelt door enerzijds vast te stellen dat de eisers het vals geachte stuk bleven aanwenden in allerhande procedures en het derhalve de eisers veroordeelt voor verschillende feiten van gebruik, en anderzijds vaststelt dat het beoogde feit een feit van gebruik van een beweerdelijk vals stuk betreft, wat wijst op één enkel feit van gebruik volledig afgeleid uit de tevergeefs geuitte kritiek op de rekwalificatie en bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Overigens kunnen het misdrijf van schijnhuwelijk en valsheid in geschriften en gebruik van de valse huwelijksakte een collectief misdrijf uitmaken, nu die feiten uit eenzelfde opzet voortkomen en onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking.

(5) Kortom, wat de schuldigverklaring van de eisers betreft, is het bestreden arrest cassatiebestendig.

8. Conclusie: cassatie met verwijzing in zoverre de eisers tot straf worden veroordeeld; verwerping voor het overige.
______________________
(1) R. DECLERCQ, Feit en kwalificatie in de strafrechtspleging, in: Strafrecht voor rechtspractici - IV, L. Dupont en B. Spriet (eds.), 179 (204).
(2) A. HUYGENS, Oneigenlijke huwelijksmigratie. Schijnhuwelijken: stand van zaken anno 2006, T. Vreemd. 2006, 238.
(3) C. IDOMON, Schijnhuwelijken in: Comm. Straf, nr. 40; S. Lefebre, Schijnhuwelijken, NJW 2007, 818 (nrs. 25 ev.)
(4) Zie ook Brussel (13de k.) 13 maart 2013, T. Fam., 2013, 180, noot G. MARLIER: Ontsnapt een buitenlands schijnhuwelijk aan de Belgische strafwetgeving?
(5) C. AERTS en K. VAN HOOGENBEMT, De strafrechtelijke beteugeling van het schijnhuwelijk, ingevoerd door de wet van 12 januari 2006, E.J., 2006/4, 49.

Noot: 

Ook onderzoeksrechter gevat door de benadeelde persoon in een klacht met burgerlijke partijstelling of middels een vordering door het parket wordt gevat in rem. Dit wil zeggen dat zijn onderzoeksopdracht welbepaalde fieten betreft los van de hieraan gegeven kwalificatie waarbij hij deze kwalificatie mag wijzigen.

De onderzoeksrechter wordt niet gevat in personam, dit wil zeggen voor die bepaalde personen. Voor de feiten die hij onderzoekt, kan hij met andere woorden elke mededader of medeplichtige die hij ontdekt in verdenking stellen. De feietnrechter (lees de strafrechter) is daarentegen in rem en in personam gevat. Hij mag enkel oordelen over de personen die voor hem worden gebracht (en geen andere) en enkel over de feiten die hem worden voorgelegd. Hij is vrij in zijn kwalificatie.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 25/10/2017 - 15:44
Laatst aangepast op: wo, 25/10/2017 - 15:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.