-A +A

Strafrechtelijke aansprakelijkheid rechtspersoon lasthebber ad hoc - Aanwenden rechtsmiddelen - Vertegenwoordigingsbevoegd orgaan

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 07/02/2017
A.R.: 
P.15.0333.N

Uit de tekst van artikel 2bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de doelstelling die erin bestaan een onafhankelijke verdediging van de rechtspersoon te waarborgen, vloeit voort dat zolang de lasthebber ad hoc niet van zijn mandaat is ontlast, hij als enige bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen en de keuze te bepalen van de raadsman die voor de rechtspersoon optreedt, zodat indien namens de rechtspersoon een memorie van antwoord wordt ingediend uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan moet blijken dat de raadsman die de memorie heeft ondertekend, werd aangesteld door de lasthebber ad hoc.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/13
Pagina: 
1058
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Belgische Staat / A.D.W., Q.T. BVBA - Rolnr.: P.15.0333.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 januari 2015.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
1. Artikel 2bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Ingeval de strafvordering tegen een rechtspersoon en tegen degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, wordt ingesteld wegens dezelfde of samenhangende feiten, wijst de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de strafvordering tegen de rechtspersoon, ambtshalve of op verzoekschrift, een lasthebber ad hoc aan om deze te vertegenwoordigen.”

2. Uit de tekst van deze bepaling en de doelstelling die erin bestaan een onafhankelijke verdediging van de rechtspersoon te waarborgen, vloeit voort dat zolang de lasthebber ad hoc niet van zijn mandaat is ontlast, hij als enige bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen en de keuze te bepalen van de raadsman die voor de rechtspersoon optreedt.

3. Indien namens de rechtspersoon een memorie wordt ingediend, moet uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijken dat de raadsman die de memorie heeft ondertekend, werd aangesteld door de lasthebber ad hoc.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan:

blijkt dat voor de verweerster 2 een lasthebber ad hoc werd aangesteld;
blijkt niet dat die lasthebber ad hoc van zijn mandaat werd ontlast;
blijkt dat de voor de verweerster 2 ingediende memorie van antwoord uitgaat van “meester De Buck Jan, advocaat, kantoor houdende te (…), in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van Q.T. BVBA, (…), voorheen met als lasthebber ad hoc mr. F. De Decker, advocaat, kantoor houdende te (…)”.
5. De memorie van antwoord die niet uitgaat van een door de lasthebber ad hoc aangestelde raadsman is, in zoverre ze uitgaat van de verweerster 2, niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van de memorie
(…)

8. Uit die bepaling en haar doelstelling volgt dat het in de regel volstaat dat de eiser tijdig ter griffie van het Hof het bewijs neerlegt van de afgifte ter post van de aangetekende zending op naam van de bestemmeling, waarop een datumstempel is aangebracht. Niet is vereist dat ook een kopie van de aldus toegezonden memorie met desgevallend bijhorend schrijven wordt neergelegd. De advocaat die een dergelijk bewijs neerlegt, wordt vermoed met die zending de kwestieuze memorie te hebben toegestuurd, behoudens tegenbewijs.

9. De verweersters houden niet voor dat de aangetekende zending niet de memorie van de eiser bevatte.

De memorie is ontvankelijk.

Middel
Derde onderdeel
10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, de artikelen 12 en 14 Grondwet, de artikelen 429, § 5 en 437 programmawet van 27 december 2004, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel: het arrest verklaart ten onrechte de strafvordering onontvankelijk wegens miskenning van het legaliteitsbeginsel op grond dat er geen duidelijke wettelijke bepalingen kunnen worden teruggevonden die het ten onrechte indienen van aanvragen tot teruggave en het ontvangen van deze teruggave strafbaar maken; die feiten zijn wel degelijk strafbaar gesteld door artikel 429, § 5 programmawet van 27 december 2004, minstens voor de periode van 2005 en bestraft door artikel 437 van diezelfde programmawet.

11. De gasolie bedoeld in artikel 419, f), i) programmawet van 27 december 2004, is krachtens artikel 429, § 5, 1), van diezelfde wet vrijgesteld van de verhoging van de bijzondere accijns na 1 januari 2004, aan de hand van een terugbetaling, indien deze gasolie wordt gebruikt voor, onder meer, c) het vervoer van goederen voor eigen rekening of voor rekening van derden met een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen dat uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg en waarvan de maximaal toegelaten massa gelijk is aan of meer is dan 7,5 ton.

(…)

13. Het arrest dat oordeelt dat het ten onrechte indienen van aanvragen tot de teruggave van de verhogingen van de bijzondere accijns op gasolie en het ten onrechte ontvangen van die terugbetalingen niet strafbaar is, verantwoordt die beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Omvang van de cassatie
14. De vernietiging van de beslissing op de strafvordering brengt de vernietiging mee van de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering die er het gevolg van is.

Overige onderdelen
15. De onderdelen die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten op 383,70 EUR waarvan 192,72 EUR verschuldigd is.

Noot: 

Waeterinckx, P. en Meirens, L., « Verdere verfijningen in de cassatierechtspraak betreffende het aanwenden van rechtsmiddelen door de lasthebber ad hoc tegen de achtergrond van een wellicht te ruime interpretatie van diens beslissingsbevoegdheid », R.A.B.G., 2017/13, p. 1061-1071

• V. Truillet, “Le mandataire ad hoc, représentant incontournable de la personne morale poursuivie” (noot onder Cass. 15 juni 2016), RDPC 2017, 302.

• H. Braeckmans en R. Houben, Handboek vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 267-268; R. Dekkers en A. Verbeke, Handboek burgerlijk recht, III, Antwerpen, Intersentia, 2007, 773-774.

• D. Van Gerven, Handboek vennootschappen. Algemeen deel, Brussel, Larcier, 2016, 857.

• P. Waeterinckx, “De kosten en erelonen van de lasthebber ad hoc. Dwingt het Grondwettelijk Hof de wetgever eindelijk tot de broodnodige (liefst integrale) wijziging van artikel 2bis V.T.Sv.?”, RPS-TRV 2017, 492-494.

• J. Castiaux, “Le rôle et les pouvoirs du mandataire ad hoc” (noot onder Cass. 15 juni 2016), Dr.pén.entr. 2017, afl. 2, 121.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/12/2017 - 10:53
Laatst aangepast op: di, 19/12/2017 - 10:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.