-A +A

Strafrechtelijke aansprakelijkheid rechtspersoon deelneming moreel en materieel bestanddeel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 29/12/2015
A.R.: 
AR nr. P.14.1169.N

Uit art. 5 Sw. volgt dat de rechter een rechtspersoon enkel strafrechtelijk verantwoordelijk kan stellen voor een misdrijf wanneer hij bij die rechtspersoon de aanwezigheid van het voor dat misdrijf vereiste materieel en moreel bestanddeel vaststelt, zodat de schuldigverklaring van een rechtspersoon als deelnemer aan een misdrijf in de zin van art. 66 Sw. dan ook vereist dat de rechter bij die rechtspersoon vaststelt dat hij een positieve daad van deelneming aan dat misdrijf of een als zodanig geldend verzuim heeft gepleegd, als materieel misdrijfbestanddeel, en dat hij heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet of onachtzaam is geweest, als moreel misdrijfbestanddeel.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1347
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

2. Uit art. 5 Sw. volgt dat de rechter een rechtspersoon enkel strafrechtelijk verantwoordelijk kan stellen voor een misdrijf wanneer hij bij die rechtspersoon de aanwezigheid van het voor dat misdrijf vereiste materieel en moreel bestanddeel vaststelt, zodat de schuldigverklaring van een rechtspersoon als deelnemer aan een misdrijf in de zin van art. 66 Sw. dan ook vereist dat de rechter bij die rechtspersoon vaststelt dat hij een positieve daad van deelneming aan dat misdrijf of een als zodanig geldend verzuim heeft gepleegd, als materieel misdrijfbestanddeel, en dat hij heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet of onachtzaam is geweest, als moreel misdrijfbestanddeel.

3. De schuldeiser aan wie een lichamelijke roerende zaak in pand is gegeven, kan zich zoals elke bezitter beroepen op art. 2279 BW, krachtens welk bezit geldt als titel. Dit geldt ook wanneer de pandgever niet de eigenaar is van het in pand gegeven goed, voor zover de pandhoudende schuldeiser te goeder trouw is, d.w.z. dat hij kan geloven in de wettigheid van de rechten van de overdrager.

4. De translatieve werking van eigendom die verbonden is aan een verbruiklening als bedoeld in art. 1892 en 1893 BW sluit uit dat de lener zich schuldig kan maken aan het wanbedrijf misbruik van vertrouwen, dat alleen gepleegd wordt door verduistering of verspilling van andermans zaken.

AR nr. P.14.1169.N

J.R.G. en S.A.K. t/ nv G.V. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 2 juni 2014.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van art. 66 Sw., artt. 4 en 104 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut en het toezicht op de kredietinstellingen (hierna: “Wet Kredietinstellingen”) en artt. 68bis en 69, 2o bis van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt (hierna: “Wet Beleggingsinstrumenten”): het arrest verklaart de eiser schuldig als deelnemer aan de door wijlen L.G. gepleegde misdrijven van parallel bankieren, namelijk het ontvangen van terugbetaalbare gelden door een beroep te doen op het publiek, in de periode van 30 juni 2003 tot 18 april 2006; het stelt echter niet het materiële element van de strafbare deelneming in de persoon van de eiser vast; alleen een positieve daad die aan de uitvoering van het misdrijf voorafgaat of ermee samengaat, kan deelneming aan dat misdrijf opleveren; ook het bewuste en opzettelijke verzuim te handelen kan een dergelijke daad van deelneming opleveren wanneer, wegens de ermee gepaard gaande omstandigheden, dat verzuim ondubbelzinnig een aansporing betekent tot het plegen van het misdrijf op een van de in art. 66 Sw. bepaalde wijzen; het passief bijwonen van de uitvoering van een misdrijf kan enkel strafbare deelneming opleveren wanneer het zich onthouden van enige reactie de uiting is van het opzet om rechtstreeks aan de uitvoering van dat misdrijf mee te werken door bij te dragen tot het mogelijk maken of vergemakkelijken ervan; uit het feit dat de eiser vóór de misdrijfperiode, namelijk op 1 februari 2002, aan L.G. een volmacht heeft verleend voor het uitoefenen van bankzaken voor bvba G.F., kan geen positieve daad van deelneming worden afgeleid; bijgevolg wordt de eiser enkel als mededader veroordeeld omdat hij niet heeft gereageerd en in het bijzonder omdat hij de volmacht aan L.G. na 30 juni 2003 niet heeft ingetrokken; uit die gedragingen kan evenwel geen positieve daad van deelneming worden afgeleid aan de door L.G. gepleegde misdrijven.

5. Strafbare deelneming in de zin van art. 66 Sw. vereist dat de mededader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan een misdrijf of wanbedrijf verleent, weet dat hij zijn medewerking aan een bepaalde misdaad of wanbedrijf verleent en het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen.

6. Een onthouding kan de bedoelde strafbare deelneming uitmaken, onder meer wanneer op de betrokkene een positieve rechtsplicht rust om een bepaalde handeling te doen verrichten of te voorkomen en zijn onthouding opzettelijk is en hierdoor het plegen van het strafbare feit wordt bevorderd.

7. Het arrest oordeelt onder meer dat:

– de eiser de enige zaakvoerder was van bvba G.F., terwijl L.G. in die vennootschap geen bestuursmandaat bekleedde;

– L.G. regionaal bekendheid genoot als “bankier” en agent van R.B. via bvba G.F. en hij die vennootschap gebruikte om zijn wederrechtelijke praktijken van parallel bankieren te promoten en uit te oefenen;

– het personeelslid van bvba G.F. verplicht was mee te werken aan de wederrechtelijke activiteiten van L.G.;

– L.G. zijn wederrechtelijke activiteiten ook nog eens kon ontwikkelen en uitbreiden door gebruik te maken van de dienstverlening en de faciliteiten van de eiseres II en hij het personeel van die vennootschap instructies en onderrichtingen gaf over onder meer het ontvangen van terugbetaalbare gelden en dit volgens een vastgelegde methode die effectief gevolgd werd;

– de eiser reeds lang vóór het aan het licht komen van de wederrechtelijke praktijken van parallel bankieren door L.G., van die feiten op de hoogte was en meer bepaald kennis had van alle omstandigheden die aan die activiteiten het kenmerk van een misdrijf verlenen, zodat hij geen onwetendheid kan voorwenden;

– de eisers I als respectievelijk voorzitter van de raad van bestuur en bestuurder van de eiseres II niets hebben ondernomen om de vennootschap een andere koers te doen varen wat de aangeklaagde praktijken betreft;

– de eiser flagrant in strijd handelde met zijn contractuele verplichtingen met R.B. en diens rechtsvoorganger nv W. en hij voordat die bank het contract met bvba G.F. beëindigde wegens de gepleegde feiten, niets heeft ondernomen om daar paal en perk aan te stellen, terwijl hij dit als enige zaakvoerder van die vennootschap kon en ook moest doen;

– de verklaringen van het personeel van bvba G.F. en van de eiseres II wijzen op een grootschalige, systematische en methodische werkwijze van parallel bankieren, georganiseerd en geïmplementeerd door L.G., waarbij ook systematisch en methodisch gebruik werd gemaakt van personeelsleden en accommodatie van de eiseres II, zodat er geen sprake is van een passieve medewerking, maar van actieve deelname van de eisers I en II.

– er niet ernstig kan worden betwist dat de eisers I en II tijdens de hen respectievelijk ten laste gelegde misdrijfperiodes noodzakelijke hulp hebben verleend aan de activiteiten van wijlen L.G.

Met die redenen geeft het arrest te kennen, eensdeels, dat op de eiser als enige zaakvoerder van bvba G.F. en als voorzitter van de raad van bestuur van de eiseres II de positieve rechtsplicht rustte om te voorkomen dat L.G. tijdens de misdrijfperiode verder aan parallel bankieren zou doen met gebruik van de volmacht voor bvba G.F. en van de reputatie, het personeel en de accommodatie van die vennootschap en de eiseres II, anderdeels, dat door zijn langdurig nalaten gepast in te grijpen de eiser zich wetens en willens ervan heeft onthouden die rechtsplicht te vervullen en aldus de door L.G. gepleegde misdrijven heeft bevorderd. Daaruit kan het arrest afleiden dat de eiser positieve daden van deelneming heeft gesteld aan de bewezen verklaarde feiten van de telastlegging A. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

8. In zoverre het onderdeel voor het overige aanvoert dat het arrest de deelneming van de eiser aan de telastlegging A niet kan afleiden uit de vóór de misdrijfperiode aan L.G. verleende volmacht, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

...

Derde onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van art. 66 Sw., artt. 4 en 104 Wet Kredietinstellingen en artt. 68bis en 69, 2o bis Wet Beleggingsinstrumenten: met het onaantastbare oordeel dat de eiser op de hoogte was van het feit dat wijlen L.G. zich schuldig maakte aan parallel bankieren en dat niettegenstaande deze kennis de eiser geen maatregelen heeft genomen om de op 1 februari 2002 verleende volmacht in te trekken, stellen de appelrechters in zijn persoon weliswaar een verzuim om te handelen vast, maar niet dat dit verzuim, wegens de ermee gepaard gaande omstandigheden, ondubbelzinnig een aansporing betekende tot het plegen van het misdrijf; het arrest stelt integendeel vast dat de eiser niet akkoord ging met de handelwijze van zijn vader en hiertegen meermaals heeft geprotesteerd; loutere passiviteit volstaat niet om enige vorm van mededaderschap aan te nemen.

13. Een onthouding kan strafbare deelneming uitmaken wanneer op de betrokkene een positieve rechtsplicht rust om een bepaalde handeling te doen verrichten of te voorkomen en zijn onthouding opzettelijk is en hierdoor het plegen van het strafbare feit wordt bevorderd. De rechter die het bestaan van een dergelijke strafbare deelneming vaststelt, oordeelt daarmee reeds dat die onthouding een aansporing betekent om het strafbare feit te plegen of verder te plegen. Bijgevolg dient hij het bestaan van die aansporing niet bijkomend vast te stellen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

14. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel en kan het om dezelfde redenen niet worden aangenomen.

...

Derde middel van de eisers I-II

...

Eerste onderdeel

28. Het onderdeel voert schending aan artt. 5 en 66 Sw., artt. 4 en 104 Wet Kredietinstellingen en artt. 68bis en 69, 2o bis Wet Beleggingsinstrumenten: uit de feiten die het vaststelt, namelijk dat het personeel van de eiseres verplicht was medewerking te verlenen aan feiten van de telastlegging A en dat die feiten verband houden met de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van de eiseres of met de behartiging van haar belangen, kan het arrest niet afleiden dat de eiseres als rechtspersoon een positieve daad van deelneming heeft gesteld of het opzet zou hebben gehad deel te nemen aan de door L.G. gepleegde feiten van parallel bankieren; evenmin stelt het arrest ten laste van de eiseres enig verzuim vast dat beschouwd zou kunnen worden als een daad van deelneming; het feit dat L.G., als afgevaardigde bestuurder, de eiseres als instrument gebruikte door haar personeel te verplichten mee te werken aan de door hem gepleegde feiten, volstaat geenszins opdat de eiseres mededader zou zijn aan die feiten.

29. Uit art. 5 Sw. volgt dat de rechter een rechtspersoon enkel strafrechtelijk verantwoordelijk kan stellen voor een misdrijf wanneer hij bij die rechtspersoon de aanwezigheid van het voor dat misdrijf vereiste materieel en moreel bestanddeel vaststelt. De schuldigverklaring van een rechtspersoon als deelnemer aan een misdrijf in de zin van art. 66 Sw. vereist dan ook dat de rechter bij die rechtspersoon vaststelt dat:

– hij een positieve daad van deelneming aan dat misdrijf of een als zodanig geldend verzuim heeft gepleegd, als materieel misdrijfbestanddeel;

– hij heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet of onachtzaam is geweest, als moreel misdrijfbestanddeel.

...

31. Het arrest oordeelt dat:

– er niet ernstig kan worden betwist dat de eisers I en de eiseres kennis hadden van alle omstandigheden die aan de activiteiten van wijlen L.G. het kenmerk verlenen van het misdrijf, voorwerp van de telastlegging A, en dat zij daartoe tijdens de misdrijfperiode noodzakelijke hulp hebben verleend;

– de verklaringen van de personeelsleden van de eiseres, die bevestigden dat zij op de hoogte waren van de wederrechtelijke activiteiten van L.G. en ook verplicht waren hieraan actief mee te werken, wijzen op een grootschalige, systematische en methodische werkwijze van parallel bankieren, georganiseerd en geïmplementeerd door L.G., waarbij ook systematisch en methodisch gebruik werd gemaakt van personeelsleden en van de accommodatie van de eiseres, zodat er hier geen sprake meer is van een passieve medewerking, maar wel van actieve deelname van de eisers I en de eiseres.

Het arrest oordeelt verder: “Deze feiten zijn wel degelijk ook toerekenbaar aan de [eiseres], omdat het derwijze ontvangen van “terugbetaalbare gelden” met het oog op beleggingen in de meest ruime zin ook een intrinsiek verband houdt met de verwezenlijking van het doel van deze rechtspersoon of met de behartiging van haar belangen in die zin dat het kadert binnen haar maatschappelijk doel (o.m. alle bemiddelingen, tussenkomsten en adviezen inzake financiële verrichtingen, zoals plaatsen van gelden, leningen en kredieten en andere mogelijke financiële verrichtingen, zowel in België als in het buitenland) en haar ook tot voordeel strekt, omdat de klanten van L.G. doorgaans ook klant zijn van het verzekeringskantoor en er aldus een verwevenheid wordt gerealiseerd en in stand gehouden die deze klanten evenzeer aan de [eiseres] bindt, waarbij deze uiteraard ook de voorkeurpartner is die dan, naast de verzekeringen, ook de kas- of kapitalisatiebons van C. zal commercialiseren. Deze feiten zijn ook moreel toerekenbaar aan de [eiseres], omdat vanuit het bestuur van de vennootschap aan het personeel instructie werd gegeven om op systematische en georganiseerde wijze medewerking te verlenen aan de door (haar afgevaardigde bestuurder) L.G. onwettig uitgeoefende activiteit op de door deze laatste opgelegde wijze. In eerste instantie is deze onwettige activiteit binnen de vennootschap georganiseerd door de afgevaardigde bestuurder zelf (minstens sedert 2 juli 1999) en bovendien wordt (vanaf 30 juni 2003) door de voorzitter van de raad van bestuur ([de eiser I.1]) en door de overige bestuurders ([de eiseres I.2]) niets ondernomen om de vennootschap een andere koers te doen varen wat de aangeklaagde praktijken betreft.”

Het arrest dat aldus oordeelt dat de positieve daad van deelneming van de eiseres en haar deelnemingsopzet erin bestaan dat de medewerking van haar personeel aan de wederrechtelijke activiteiten van L.G. werd georganiseerd en opgelegd door haar eigen bestuur en dat door de voorzitter van de raad van bestuur en de andere bestuurder niets werd ondernomen om die praktijken te stoppen, terwijl ook voldaan is aan de andere door art. 5, eerste lid Sw. bepaalde voorwaarden voor de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon, verantwoordt de beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

...

Middel van de eiser III

Tweede onderdeel

44. Het onderdeel voert schending aan van artt. 44 en 50 Sw., art. 161 Sv., artt. 2073 en 2279 BW en art. 20, 3o Hypotheekwet: de appelrechters stellen vast dat de effecten waarvan de eiser de teruggave vorderde, effecten betroffen die L.G. aan hem in pand had gegeven, maar die aan derden toebehoorden op het moment dat zij ter bede aan L.G. waren overhandigd; zij oordelen dat die effecten dienen te worden teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaars, zijnde degenen die de aankoopbewijzen van de effecten kunnen voorleggen, zonder dat de goede trouw van de derden-verkrijgers van deze effecten, onder wie de eiser, hieraan iets verandert; de appelrechters die aldus de teruggave van de aan de eiser in pand gegeven effecten bevelen aan de oorspronkelijke eigenaars zonder vast te stellen dat de eiser niet kon geloven in de wettigheid van de rechten van de overdrager L.G. en dus te kwader trouw was, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

45. De schuldeiser aan wie een lichamelijke roerende zaak in pand is gegeven, kan zich zoals elke bezitter beroepen op art. 2279 BW, krachtens welk bezit geldt als titel. Dit geldt ook wanneer de pandgever niet de eigenaar is van het in pand gegeven goed, voor zover de pandhoudende schuldeiser te goeder trouw is, d.w.z. dat hij kan geloven in de wettigheid van de rechten van de overdrager.

46. De appelrechters die oordelen zoals het middel vermeldt, verklaren op grond van dat oordeel eisers vordering tot teruggave van de strafrechtelijk in beslag genomen effecten die hem door L.G. in pand waren gegeven en die niet aan deze laatste toebehoorden, ongegrond. Zij stellen echter niet vast dat de eiser te kwader trouw is. Aldus verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

...

Eerste middel van de eisers V

47. Het middel voert schending aan van art. 491 Sw.: het arrest oordeelt ten onrechte dat het feit dat de verweerders eigenaar waren of werden van de hen door de eisers toevertrouwde terugbetaalbare gelden, belet dat er door hen misbruik van vertrouwen werd gepleegd; het overhandigen van gelden aan een persoon met het oog om deze voor een bepaald doel aan te wenden, kan volstaan om van misbruik van vertrouwen te spreken wanneer de overige constitutieve bestanddelen zijn vervuld.

48. Het arrest oordeelt onaantastbaar dat de operatie waarbij de eisers hun gelden overmaakten aan L.G., een verbruikerslening was als bedoeld in art. 1892 BW.

In zoverre het middel opkomt tegen dat oordeel of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

49. Art. 1892 BW bepaalt dat verbruiklening een contract is waarbij de ene partij een zekere hoeveelheid zaken die door het gebruik tenietgaan, aan de andere partij afgeeft, onder verplichting voor deze om aan de eerstgenoemde even zoveel van gelijke soort en hoedanigheid terug te geven. Art. 1893 BW bepaalt dat uit kracht van deze lening, de lener eigenaar wordt van de geleende zaak.

De translatieve werking van eigendom die aldus verbonden is aan een verbruiklening, sluit uit dat de lener zich schuldig kan maken aan het wanbedrijf misbruik van vertrouwen, dat alleen gepleegd wordt door verduistering of verspilling van andermans zaken.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

50. Het arrest oordeelt dat de eisers de betrokken gelden aan L.G. hebben afgegeven opdat deze laatste die gelden, verhoogd met rente, aan hen zou terugbetalen en dat bijgevolg L.G. deze gelden, die door de afgifte zijn eigendom waren geworden, niet ten nadele van de eisers kon verspillen of verduisteren. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/05/2017 - 13:53
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 13:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.