-A +A

Stilzwijgende toestemming schenking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 20/11/2014

Giften kunnen ontvangen worden mezt impliciete toestemming. chr. art. 1416, 1419, 1422 BW

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
379
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D. t/ B.

...

I. Relevante feitelijke elementen

1. Denise D. is de weduwe van Herman K., die op 12 januari 2008 testamentloos is overleden.

Zij huwden op 10 augustus 1955 onder een (op 8 augustus 1955) contractueel bedongen gemeenschapsstelsel met een verblijvingsbeding in de zin van het oude art. 1525 BW.

Zij hebben samen drie kinderen.

2. Denise D. en Herman K. leefden sinds medio 1989 feitelijk gescheiden. Herman K. is alsdan ingetrokken bij Nelly B. in haar woning. Herman K. en Nelly B. woonden bijgevolg gedurende nagenoeg twintig jaar feitelijk samen.

3. Denise D. en Herman K. zijn nooit uit de echt gescheiden, naar verluidt o.m. omwille van het behoud van de geldende gezinspensioenrechten.

Zij hadden samen een bedrijf (de NV I.), dat evenwel in 2001 failliet ging.

Na de afwikkeling van het faillissement werd een gemeenschappelijke aandelenportefeuille vrijgegeven, die als onderpand diende voor een eertijdse financiering van de onderneming. Deze portefeuille bestand uit 482 aandelen F./A. en 288 aandelen T.

Denise D. en Herman K. hebben deze aandelen gedeeld, zodat de helft ervan (met de aangehechte coupons) is toegekomen aan Herman K. om ze te bewaren op een effectenrekening (...) bij de bank I. op zijn naam. Bij deze effectenrekening horen een termijnrekening en een spaarboekje. Denise D. en Herman K. hebben ook het bedrag van 102.697,81 euro (en toebehoren) gedeeld dat Herman K. van de curator van een (gefailleerde) vroegere werkgever had ontvangen, zodat ze (uiteindelijk) allebei een bedrag van 52.637,73 euro hebben ontvangen.

Voorts behielden Denise D. en Herman K. een gemeenschappelijke rekening (...) bij de bank K., waarop (gezinspensioen)inkomsten terechtkwamen. Herman K. had daarnaast een eigen rekening bij dezelfde bank (met volmacht van Denise D.), waarop (pensioen)inkomsten werden doorgestort en waarop ook dividenden (van gemeenschappelijke aandelen) terechtkwamen.

4. Denise D. voert aan dat:

– de huwelijksgemeenschap K.-D. is blijven bestaan tot op de datum van het overlijden van Herman K.;

– deze huwelijksgemeenschap, gelet op het voormelde verblijvingsbeding, integraal is toegevallen aan Denise D., zodat geen vereffening-verdeling van de nalatenschap van Herman K. moet gebeuren;

– Herman K. immers, benevens wat kledij en persoonlijke spullen, geen eigen goederen had;

– Nelly B. in de laatste jaren vóór het overlijden van Herman K. heel wat gelden van de gewezen huwelijksgemeenschap K.-D. heeft afgewend inzonderheid naar een eigen rekening (...) bij bank I.;

– Nelly B. ook kort vóór het overlijden van Herman K., op een ogenblik dat hij zelf niet meer kon en door middel van bancaire technieken die hij zelf niet meer kon beheren, gelden van de gewezen huwelijksgemeenschap K.-D. heeft afgewend, inzonderheid naar een eigen rekening (...) bij de bank I.;

– Nelly B. aldus bijvoorbeeld meer concreet in de periode vanaf 2 januari 2006 tot 8 januari 2008 een totaalbedrag van 23.482,68 euro heeft overgeschreven naar een eigen rekening (...) bij de bank I.;

– Nelly B. bovendien voormelde effectenrekening (...) bij de bank I. op naam van Herman K. heeft overgezet, exclusief op haar naam;

– voormelde aandelenportefeuille, ten tijde van het overlijden van Herman K., bestaande uit 241 aandelen F./A. en 144 aandelen T., alsdan een waarde had van 241 x 17,24 = 4.154,84 euro (wat de aandelen F./A. betreft) en 144 x 57,03 = 8.212,32 euro (wat de aandelen T. betreft), terwijl einde 2007 bepaalde coupons dienden tot verwerving van drie aandelen A. en andere coupons waren uitbetaald.

II. Oorspronkelijke vordering

1. De bij dagvaarding van 19 mei 2010 ingestelde en nadien met toepassing van art. 807 Ger.W. bij conclusie uitgebreide vordering van Denise D. strekt tot:

– veroordeling van Nelly B. om aan Denise D. te betalen een bedrag van 91.860,20 euro, vermeerderd met de interesten;

– veroordeling van Nelly B. om (wat de nog niet gekende activa betreft) aan Denise D. te betalen een provisioneel bedrag van 1 euro;

– nietigverklaring van de giften die Nelly B. van Herman K. zou hebben ontvangen en minstens veroordeling van Nelly B. om aan Denise D. een schadevergoeding te betalen wegens de verduisterde gelden;

– sommatie aan Denise D. om nadere informatie te verschaffen over de ontvangen coupons van de aandelen F./A. en van de aandelen T. en over bepaalde bankrekeningen dan wel machtiging om de beoogde informatie door de betrokken banken te doen verschaffen.

2. Nelly B. neemt conclusie tot afwijzing van deze vordering.

III. Beroepen vonnis

Bij vonnis van 25 april 2012 verklaart de eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de bedoelde vordering ontvankelijk maar ongegrond.

IV. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift van 18 juli 2012 stelt Denise D. hoger beroep in. Zij past haar vordering herhaaldelijk aan met toepassing van art. 807 Ger.W.

Zij beoogt thans:

– de nietigverklaring van de giften die Nelly B. van Herman K. zou hebben ontvangen en meer precies (1) de 241 aandelen F./A.; (2) de 144 aandelen T.; (3) de drie aandelen A.; en (4) een bedrag van 42.278,00 euro;

– de veroordeling van Nelly B. om deze aandelen aan Denise D. te storten (op haar effectenrekening (...) bij de bank K.) en dit (1) op kosten van Nelly B. en (2) onder verbeurte van een dwangsom;

– de veroordeling van Nelly B. om aan Denise D. te betalen een (provisioneel op 1 euro begrote) schadevergoeding ten belope van het waardeverschil van (1) de 241 aandelen F./A.; (2) de 144 aandelen T. en (3) de drie aandelen A. in de periode tussen enerzijds de hoogste notering sinds het overlijden van Herman K. op 12 januari 2008 en anderzijds de datum van het te vellen arrest dan wel de storting ervan aan Denise D. op haar effectenrekening (...) bij de bank K.;

– de veroordeling van Nelly B. om aan Denise D. te betalen een (provisioneel op 1 euro begrote) vervangende schadevergoeding (ten belope van de waarde van de aandelen op de datum van het te vellen arrest, vermeerderd met een vergoeding voor het bedoelde waardeverschil met een eerdere hoogste notering);

– de veroordeling van Nelly B. om aan Denise D. te betalen het voormelde bedrag van 42.278 euro, vermeerderd met een bedrag van 19.440,41 euro en interesten.

2. Nelly B. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

V. Beoordeling

...

2. Centraal staat de vraag of en, zo ja, in welke mate de gewezen huwelijksgemeenschap K.-D. nog werkte in de periode na de feitelijke scheiding van de echtgenoten K.-D. medio 1989 tot aan het overlijden van Herman K.

3. Volgens Denise D. is de huwelijksgemeenschap K.-D. blijven bestaan tot op de datum van het overlijden van Herman K. Nog volgens Denise D. is deze huwelijksgemeenschap, gelet op het voormelde verblijvingsbeding, integraal toegevallen aan haar, zodat geen vereffening-verdeling van de nalatenschap van Herman K. moet gebeuren, aangezien Herman K., benevens wat kledij en persoonlijke spullen, geen eigen goederen had.

Volgens Denise D. zouden bijgevolg tot de gewezen huwelijksgemeenschap K.-D. zijn blijven behoren, onder meer:

– de, zoals aangegeven, op de eigen rekening (...) van Herman K. bij de bank K. (met volmacht van Denise D.) doorgestorte (pensioen)inkomsten;

– het, zoals aangegeven, door Denise D. en Herman K. gedeelde bedrag van 102.697,81 euro (en toebehoren) dat Herman K. van de curator van een vroegere werkgever had ontvangen, zodat ze (uiteindelijk) allebei een bedrag van 52.637,73 euro hebben ontvangen;

– de, zoals aangegeven, gedeelde aandelenportefeuille die na het faillissement van de NV I. is vrijgegeven, zodat Herman K. uiteindelijk heeft ontvangen 241 aandelen F./A. (met een waarde ten tijde van zijn overlijden van 241 x 17,24 = 4.154,84 euro) en 144 aandelen T. (met een waarde ten tijde van zijn overlijden van 144 x 57,03 = 8.212,32 euro), met de bijhorende coupons en de (daarmee) verworven aandelen A.

Om die reden vervolgt Denise D. dat, daar Nelly B. in de laatste jaren vóór het overlijden van Herman K. en zeker kort voordien, gelden van de gewezen huwelijksgemeenschap K.-D. heeft afgewend (inzonderheid naar een eigen rekening (...) bij bank I. en middels overzetting van voormelde effectenrekening (...) bij bank I. op naam van Herman K. exclusief op haar naam), een en ander thans moet terugkomen.

In zoverre Nelly B. aanvoert dat zij een en ander bij gift heeft ontvangen, reageert Denise D. met een vordering tot nietigverklaring met toepassing van art. 1419, 1422, 1o en 1423 BW.

Zodoende vordert Denise D. thans de nietigverklaring van de giften die Nelly B. van Herman K. zou hebben ontvangen en meer precies (1) de 241 aandelen F./A.; (2) de 144 aandelen T.; (3) de drie aandelen A. en (4) een bedrag van 42.278,00 euro. De verdere punten van haar vordering (die ook slaat op een bijkomend bedrag van 19.440,41 euro) koppelt zij daaraan.

4. De vordering van Denise D. kan in geen van de onderdelen slagen.

Zij kan bezwaarlijk op voormelde wijze (los van art. 1207 e.v. Ger.W. en zonder de kinderen als erfgerechtigden te blijven betrekken) een verkapte vereffening-verdeling (van de nalatenschap van Herman K.) doorvoeren, onder het (louter beweerde) mom dat:

– de huwelijksgemeenschap K.-D. is blijven bestaan tot op de datum van het overlijden van Herman K.;

– deze huwelijksgemeenschap, gelet op het voormelde verblijvingsbeding, integraal is toegevallen aan Denise D., zodat geen vereffening-verdeling van de nalatenschap van Herman K. moet gebeuren;

– Herman K. immers, benevens wat kledij en persoonlijke spullen, geen eigen goederen had.

Denise D. laat (al dan niet bewust) na precisie te verschaffen over de omvang en de samenstelling van de nalatenschap van Herman K. (inzonderheid blijkens de fiscale aangifte van deze nalatenschap).

In voormelde context van feitelijke scheiding enerzijds en feitelijke samenwoning anderzijds, telkens gedurende nagenoeg twintig jaar, kan Denise D. niet zonder meer beweren dat de gewezen huwelijksgemeenschap K.-D. nog werkte. Nelly B. schetst en illustreert de context omstandig, mede wat de bedoelde geldstransfers betreft. Anders dan Denise D. wil voordoen, moet voor de omvang en de samenstelling van die gewezen huwelijksgemeenschap in de eerste plaats worden gekeken naar het ijkpunt van de ontbinding van het tot dan werkende huwelijksvermogensstelsel. Zoals Nelly B. betoogt, gelden derhalve de omvang en de samenstelling van de gewezen huwelijksgemeenschap K.-D. ten tijde van het overlijden van Herman K. op 12 januari 2008.

Krachtens art. 1416 BW werd de huwelijksgemeenschap K.-D. (ondanks de feitelijke scheiding) bestuurd door de ene of door de andere echtgenoot die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, onder gehoudenheid van ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen (F. Buyssens, “Bestuur van het gemeenschappelijk vermogen en echtscheiding” in W. Pintens en B. Van Der Meersch (eds.), De wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels – De Wet van 14 juli 1976 – Een evaluatie, Antwerpen, Maklu, 1997, p. 158-159, nr. 233; W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 210, nr. 365 en p. 213-216, nrs. 370-375).

Met deze bepaling opteert de wetgever voor een concurrentieel bestuur van het gemeenschappelijk vermogen, wat in casu ook geldt voor het voormelde contractueel bedongen gemeenschapsstelsel. Hoewel het huwelijkscontract dateert van vóór de wet van 14 juli 1976 tot wijziging van het geldende huwelijksvermogensrecht, spelen de nieuwe artikelen 1415 e.v. BW aangaande het bestuur van het huwelijksvermogen (W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 453-154, nr. 851 en p. 456-457, nr. 857).

Denise D. en Nelly B. nemen (ook) ter terechtzitting van 30 oktober 2014 (verder nadrukkelijk) standpunt in aangaande de doorwerking van het concurrentiële bestuur van de gewezen huwelijksgemeenschap K.-D. in de zin van art. 1416 BW tijdens de feitelijke scheiding.

Nergens blijkt afdoende dat de huwelijksgemeenschap K.-D. door Herman K., zeker wat betreft de hem in onderlinge verstandhouding met Denise D. doorgestorte gelden, is bestuurd op een wijze die is ingegaan tegen de stilzwijgende toestemming van Denise D. Deze laatste en Herman K. beheerden gedurende jaren hun respectieve financiële elementen los van elkaar maar met stilzwijgend gedogen, met alle gevolgen van dien.

Denise D. en Herman K. leefden in der minne feitelijk gescheiden, Denise D. in het gewezen echtelijke huurappartement en Herman K. in de woning van Nelly B. met wie hij de facto een gemeenschappelijke huishouding voerde. Dat Herman K. aldus bestuurde, gebeurlijk in samenspraak met Nelly B., die met hem samenwoonde, kan a posteriori niet zomaar ongedaan worden gemaakt.

5. De stelling van Nelly B. dat zij een en ander bij gift heeft ontvangen, moet in voormelde context worden gezien.

De bedoelde giften gaan, gelet op de context, terug op de toestemming van Denise D., ook al zijn de bewoording “schenking” of “gift” niet als zodanig aan de orde geweest. Stilzwijgende toestemming is mogelijk (W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 220, nr. 380). Stilzwijgende toestemming was er aan de zijde van Denise D. zodat zij heeft afgezien van de mogelijkheid om met toepassing van art. 1422 BW de nietigverklaring te vorderen (W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 219-220, nr. 379).

Zoals Nelly B. aanvoert, is Denise D. in voorkomend geval sinds jaar en dag op de hoogte (ook al heeft Nelly B. zich niet met zoveel woorden op “schenkingen” of “giften” beroepen), zodat zij slecht is gekomen met een vordering tot nietigverklaring met toepassing van art. 1419, 1422, 1o en 1423 BW. De in art. 1423 BW bedoelde vervaltermijn was reeds ten tijde van de oorspronkelijke dagvaarding van 19 mei 2010 ruimschoots overschreden.

Zoals Nelly B. voorts aanvoert en illustreert, is geen onrechtmatige toe-eigening aan de orde. Bevoegdheidsafwending is evenmin bewezen. De grondslag van art. 1382-1383 BW is vergeefs.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 30/10/2015 - 17:16
Laatst aangepast op: vr, 30/10/2015 - 17:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.