-A +A

Stilzwijgende en uitdrukkelijke berusting in een vonnis

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 13/06/2008

• Een stilzwijgende berusting kan enkel worden afgeleid uit handelingen of feiten die wijzen op een zekere en ondubbelzinnige instemming met de beslissing van de eerste rechter. Door hoger beroep aan te tekenen, heeft de appellant in dit geval duidelijk aangegeven niet te berusten in de betreffende beslissing. Het verstreken tijdsverloop sinds het instellen van het hoger beroep maakt deze actieve daad van niet-berusting niet ongedaan.

 

•  Een uitdrukkelijke afstand van geding vereist, met uitzondering van de advocaten bij het Hof van Cassatie, een bijzondere volmacht en kan bijgevolg niet worden gedaan door de raadsman van een partij in het raam van diens mandaat ad litem. Een stilzwijgende afstand van hoger beroep kan slechts worden afgeleid uit akten en met elkaar overeenstemmende feiten waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen. Een op een gegeven ogenblik geuit voornemen om afstand te doen, staat niet gelijk met de afstand zelf. De inactiviteit van een partij kan als rechtsverwerking of als een afstand van recht worden uitgelegd wanneer, in het licht van de begeleidende omstandigheden van de zaak, het rechtmatig vertrouwen van de wederpartij door het stilzitten wordt verschalkt.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
924
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

II. Relevante feitelijke antecedenten

De geïntimeerden (hierna: de consoorten S.) zijn de eigenaars van een aanzienlijk deel van de gelijkvloerse verdieping van het appartementsgebouw “Residentie C.D.”, en dit ingevolge het proces-verbaal van definitieve toewijzing ingevolge openbare verkoop van 5 juni 2003. Zodoende maken de consoorten S. (voor 1.609/11.756sten of 13,68%) deel uit van de mede-eigendomsstructuur van voormelde residentie.

De betwisting tussen de partijen behelst de rekeningen van het boekjaar 2004 en (de redactie van) de verslaggeving (de beslissingen) daaromtrent door de algemene vergadering van de mede-eigendom “Residentie C.D.”.

Benevens de vormelijke aspecten (de wijze van verslaggeving), zijn de partijen het niet eens over:

– de rekeningen op basis van de facturatie van het waterverbruik voor de periode vanaf 14 november 2001 tot en met 13 januari 2004;

– de rekeningen tot verdeling van de elektriciteitskosten met betrekking tot de lift;

– de bestemming/verdeling van een beschikbaar (reserve- dan wel werk)kapitaal ten bedrage van 24.669,24 euro onder de eigenaars, al dan niet met inbegrip van de consoorten S.

III. Vordering

De oorspronkelijke vordering van de consoorten S., ingesteld bij dagvaarding van 14 juli 2005, strekt tot nietigverklaring van bepaalde beslissingen van de algemene vergadering.

De vordering strekt voorts tot het verkrijgen van (inhoudelijk) nieuwe beslissingen met betrekking tot voormelde punten van betwisting:

– een beperktere bijdrage in de rekeningen op basis van de facturatie van het waterverbruik voor de periode vanaf 14 november 2001 tot en met 13 januari 2004;

– geen bijdrage in de elektriciteitskosten met betrekking tot de lift;

– de bestemming/verdeling van een beschikbaar (reserve)kapitaal ten bedrage van 24.669,24 euro onder de eigenaars, met inbegrip van de consoorten S.

De mede-eigendom “Residentie C.D.” (thans: de appellant) stelt geen tegenvordering in.

IV. Bestreden beslissing

In het bestreden vonnis van 12 juni 2006 verklaart de vrederechter van het eerste kanton te Gent de vordering van de consoorten S. gedeeltelijk gegrond. De vrederechter gaat inzonderheid in op de gevraagde nietigverklaring van de bedoelde beslissingen van de algemene vergadering en op de gevraagde inhoudelijke bijsturing van de opnieuw te nemen beslissing aangaande de bestemming/verdeling van een beschikbaar (reserve- dan wel werk)kapitaal ten bedrage van 24.669,24 euro onder de eigenaars. Wat dit laatste betreft, oordeelt de vrederechter meer precies dat het bedrag van 24.669,24 euro al dan niet zal worden verdeeld tussen de actuele eigenaars, met inbegrip van de consoorten S. De vrederechter oordeelt met andere worden dat de consoorten S. moeten worden betrokken bij de bestemming/verdeling van het beschikbare (reserve)kapitaal ten bedrage van 24.669,24 euro onder de eigenaars.

...

VI. Beoordeling

1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep (hoofdberoep)

Het bestreden vonnis werd betekend op 11 oktober 2006. Het op 8 november 2006 ingestelde hoofdberoep is derhalve tijdig (art. 1051, eerste lid, Ger. W.).

De vraag rijst evenwel of de mede-eigendom “Residentie C.D.” in het bestreden vonnis heeft berust.

De consoorten S. werpen zulks ook nadrukkelijk op bij appelconclusie.

Luidens art. 1044 Ger. W. is “berusten in een beslissing” afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend (Cass. 19 juni 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1254).

Toegepast inzake hoger beroep betreft berusting een persoonlijke, eenzijdige en onherroepelijke rechtshandeling, houdende de afstand van het recht op hoger beroep in se (K. Broeckx, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, p. 324, nrs. 722-723; A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit, d’économie et de sciences sociales de Liège, 1987, p. 473-474, nrs. 698-701). Het is een daad van beschikking, waarbij men het rechtsmiddel van hoger beroep zelf prijsgeeft. Deze afstand (van verdere rechtsvordering) doet het recht teniet om verder (anders) te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de eerste rechter is gebracht (art. 821, tweede lid, Ger. W.; K. Broeckx, o.c., p. 329-330, nrs. 732-734).

Krachtens art. 1045, eerste lid, Ger. W. kan een dergelijke berusting uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn, waarna het derde lid preciseert dat “de stilzwijgende berusting alleen (kan) worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing”.

De stilzwijgende berusting door een partij in een gewezen rechterlijke beslissing kan derhalve enkel worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende handelingen of feiten, waaruit blijkt dat die partij het vaste en ondubbelzinnige voornemen heeft haar instemming te betuigen met die beslissing (Cass. 15 april 1982, Arr. Cass. 1981-82, 993; Cass. 23 april 1982, Arr. Cass. 1981-82, 1024; Cass. 24 juni 1982, Arr. Cass. 1981-82, 1341; Cass. 26 januari 1984, Arr. Cass. 1983-84, 620; Cass. 19 juni 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1254; Cass. 26 oktober 1989, Arr. Cass. 1989-90, 284; Cass. 2 juni 1994, Arr. Cass. 1994, 569).

Daar de afstand van een recht strikt moet worden uitgelegd en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn, is de rechtspraak veelal moeilijk te vinden voor een stilzwijgende berusting (zie inzonderheid: Cass. 4 maart 1982, Arr. Cass. 1981-82, 835: de spontane uitvoering “onder voorbehoud” van een veroordeling; Cass. 24 juni 1982, Arr. Cass. 1981-82, 1341: het verzoek tot uitbreiding van een deskundigenopdracht; Cass. 22 oktober 1982, Arr. Cass. 1982-83, 279: de spontane uitvoering van een veroordeling; Cass. 7 januari 1983, Arr. Cass. 1982-83, 587: zich naar de wijsheid gedragen; Cass. 24 november 1983, Arr. Cass. 1983-84, 359: de spontane uitvoering van een veroordeling, een brief van een niet bijzonder gevolmachtigde advocaat; Cass. 1 december 1983, Arr. Cass. 1983-84, 385: een brief van een niet bijzonder gevolmachtigde advocaat; Cass. 26 maart 1984, Arr. Cass. 1983-84, 975; de spontane uitvoering van een veroordeling; Cass. 13 februari 1985, Arr. Cass. 1984-85, 805: de betaling in uitvoering van een bij voorraad uitvoerbare beslissing; Cass. 10 november 1988, Arr. Cass. 1988-89, 287: doorhaling van de zaak van de rol; Cass. 19 juni 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1254; Cass. 26 oktober 1989, Arr. Cass. 1989-90, 84: de betekening van een vonnis zonder voorbehoud; Cass. 27 oktober 1989, Arr. Cass. 1989-90, 285: een nieuwe dagvaarding in eerste aanleg; Cass. 18 december 1989, Arr. Cass. 1989-90, 544: de betaling door de veroordeelde partij op verzoek van de tegenpartij, na een brief van de advocaat van de veroordeelde partij waarvoor geen bijzondere volmacht blijkt; Cass. 10 juni 1991, Arr. Cass. 1990-91, 997: het zonder voorbehoud meewerken aan de uitvoering van een deskundigenonderzoek, het verzoek tot aanstelling van een college van deskundigen; Cass. 27 juni 1991, Arr. Cass. 1990-91, 938: de enkele omstandigheid dat de veroordeelde partij de beslissing gedeeltelijk heeft uitgevoerd; Cass. 16 januari 1992, Arr. Cass. 1991-92, 433: de betaling van de gerechtskosten, brieven van de advocaat waarvoor geen bijzondere volmacht blijkt; Cass. 3 mei 2000, Arr. Cass. 2000, 829: het zonder voorbehoud vragen de verrichtingen van het deskundigenonderzoek te starten; zie ook: K. Broeckx, o.c., p. 325-326, nrs. 725-726).

Toch ligt ook voldoende rechtspraak voor die besluit tot een stilzwijgende berusting (Cass. 29 oktober 1987, Arr. Cass. 1987-88, 273: de betekening, zonder protest noch voorbehoud, van een vonnis met bevel tot betaling, voorafgaand aan een uitvoerend beslag; Cass. 2 juni 1994, Arr. Cass. 1994, 569: de uitdrukkelijke beperking van het voorwerp van het hoger beroep; Cass. 8 januari 1998, R.W. 1998-99, 1121: de wil om een conversie te doen van een nietige rechtshandeling in een geldige rechtshandeling met afstand van de nietigheidssanctie). Zo besliste het Hof van Cassatie dat de feitenrechter de stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing kan afleiden uit de omstandigheid dat appellant in de gevoerde briefwisseling de tegen hem uitgesproken veroordeling op geen enkel punt aanvecht, enkel om gemak van betaling verzoekt en vervolgens zonder enig voorbehoud betalingen verricht tot het voldoen van de gehele schuld (Cass. 25 april 2002, P&B 2002, 111).

Met de consoorten S. is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval (minstens) een stilzwijgende berusting aan de zijde van de mede-eigendom “Residentie C.D.” voorligt. De hierna volgende feiten/elementen zijn immers, naar het oordeel van de rechtbank, voor geen andere interpretatie vatbaar.

Nadat het bestreden vonnis (van 12 juni 2006) werd geveld, beslist de (bijzondere) algemene vergadering van de mede-eigendom “Residentie C.D.” van 6 juli 2006 (na twijfel) bij meerderheid van stemmen om hoger beroep aan te tekenen. De NV I. fungeert op dat ogenblik als syndicus.

Kort nadien, en meer specifiek in een brief van 2 augustus 2006 meldt de syndicus (de NV I.) evenwel openlijk (zo ook aan de consoorten S.) dat voormelde beslissing komt te vervallen, omdat nazicht van de rekeningen van de vorige syndicus leert dat er wel degelijk een reservekapitaal bestaat.

Gelet op dit formele schrijven dat mede toekomt aan de consoorten S., mogen zij ervan uitgaan dat de mede-eigendom “Residentie C.D.” voormelde beslissing van de vrederechter (dat de consoorten S. moeten worden betrokken bij de bestemming/verdeling van het beschikbare (reserve)kapitaal ten bedrage van 24.669,24 euro onder de eigenaars) bijvalt.

De mede-eigendom “Residentie C.D.” betwist niet dat de syndicus (de NV I.) afdoende mandaat had om zulks formeel te kennen te geven. Minstens mogen de consoorten S. van een afdoende (schijn)mandaat uitgaan.

Hoe dan ook, vindt het voormelde schrijven bekrachtiging in de navolgende (bijzondere) algemene vergadering van de mede-eigendom “Residentie C.D.” van 28 augustus 2006.

Hierbij wordt, onder meer wat betreft de rekeningen van het boekjaar 2004, unaniem beslist een einde te maken aan de discussie over het bestaan en de bestemming van het litigieuze (reserve)kapitaal. Voorts besluit de (bijzondere) algemene vergadering van de mede-eigendom “Residentie C.D.” unaniem dat het reservekapitaal ten bedrage van 24.669,24 euro (op een spaarrekening) toebehoort aan alle actuele eigenaars (met inbegrip van de consoorten S.) elk voor hun aandeel in de mede-eigendom.

Gelet op deze (bijzondere) algemene vergadering (en de dienovereenkomstige verslaggeving), mogen de consoorten S. er eens te meer van uitgaan dat de mede-eigendom “Residentie C.D.” voormelde beslissing van de vrederechter (dat de consoorten S. moeten worden betrokken bij de bestemming/verdeling van het beschikbare (reserve)kapitaal ten bedrage van 24.669,24 euro onder de eigenaars) bijvalt en erin berust.

Dat deze (bijzondere) algemene vergadering (van 28 augustus 2006) ook (zonder meer) goedkeuring verleent aan het verslag van voormelde (bijzondere) algemene vergadering van 6 juli 2006 (waarbij nog wordt beslist om hoger beroep aan te tekenen), doet geen afbreuk aan de beslissing om te berusten in het vonnis van 12 juni 2006. Het verslag van 6 juli 2006 maakt immers niet meer het voorwerp van stemming uit; benevens de rechtzetting van gebeurlijke materiële vergissingen zijn wijzigingen a posteriori overigens uitgesloten (R. Timmermans, “De algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars”, in Onroerend goed in de praktijk, 2004, dossier XIV.Q, p. 236, nr. 57).

Dat deze beslissing van de (bijzondere) algemene vergadering van de mede-eigendom “Residentie C.D.” van 28 augustus 2006 zeer zeker hierop neerkomt dat geen hoger beroep wordt aangetekend tegen (en zodoende wordt berust in) het vonnis van 12 juni 2006, blijkt voorts uit het verslag van de bijzondere algemene vergadering van de mede-eigendom “Residentie C.D.” van 6 november 2006.

Deze berusting is onherroepelijk.

De consoorten S. kunnen zich hiernaar richten.

De (bijzondere) algemene vergadering van 6 november 2006 kan derhalve bezwaarlijk op voormelde afstand van het recht op hoger beroep terugkomen.

Het hoger beroep (hoofdberoep) is niet ontvankelijk.

2. Ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep

Hoewel het hoofdberoep, gelet op de berusting, niet ontvankelijk is, is het incidenteel hoger beroep ontvankelijk.

Het is tijdig ingesteld en naar de vorm regelmatig (art. 1054, eerste lid, Ger. W.; zie ook: Cass. 30 september 1996, Arr. Cass. 1996, 818; Cass. 25 mei 1998, Arr. Cass. 1998, 595; Cass. 5 februari 2004, inzake A.R. nr. C.01.0372.N).

Art. 1054, tweede lid, Ger. W. bepaalt weliswaar dat het incidenteel hoger beroep (enkel) niet kan worden toegelaten, wanneer het hoofdberoep nietig is of te laat is ingesteld.

Het thans voorliggende hoofdberoep is, zoals voormeld, tijdig en geenszins nietig.

Het thans voorliggende hoofdberoep is weliswaar, gelet op de berusting, niet ontvankelijk. Maar zulks heeft geen invloed op de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep (zie overigens: Cass. 25 januari 1991, Arr. Cass. 1990-91, 566: incidenteel hoger beroep ontvankelijk niettegenstaande de niet-ontvankelijkheid van het hoofdberoep bij gebrek aan belang; Cass. 4 mei 2001, R.W. 2001-02, 376: incidenteel hoger beroep ontvankelijk niettegenstaande de niet-ontvankelijkheid van het hoofdberoep bij gebrek aan hoedanigheid en belang; K. Broeckx, o.c., p. 209-210, nrs. 459-460).

...
 


• Hof van Beroep te Brussel, 3e Kamer – 28 april 2010, RW 2012-2013, 1215

A.V. t/ M.B.

Antecedenten en bestreden vonnis

Partijen zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Zele op 7 mei 1971.

Bij het bestreden vonnis van 12 januari 1998 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven werd:

– de echtscheiding tussen partijen uitgesproken op grond van feitelijke scheiding van meer dan vijf jaar;

– de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap bevolen;

– geïntimeerde veroordeeld om te betalen aan haar een maandelijkse onderhoudsuitkering van 694,10 euro (28.000 fr.), jaarlijks te indexeren door aanpassing aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van januari 1998.

Appellante tekende op 10 maart 1998 beperkt hoger beroep aan tegen dit vonnis, enkel voor wat de onderhoudsuitkering na echtscheiding betreft.

De echtscheiding werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Zele op 2 april 1998.

De vereffening en verdeling werd beëindigd bij notariële akte van dading en toebedeling van onroerend goed verleden op 2 mei 2002.

De zaak werd op de openbare zitting van 8 december 2003 ambtshalve weggelaten van de algemene rol.

Op verzoek van appellante werd de zaak opnieuw ingeschreven op de algemene rol.

Bij brief van 6 april 2009 waarvan het onderwerp in de aanhef als volgt werd gespecificeerd “Verzoek tot fixatie met het oog op afstand van hoger beroep”, verzocht de raadsman van appellante “de zaak te willen fixeren en akte te willen verlenen van de afstand van hoger beroep van cliënte met toepassing van art. 820 Ger.W.”, hieraan toevoegend dat in deze zaak niet werd geconcludeerd.

Bij conclusie van 24 april 2009 tekende geïntimeerde incidenteel hoger beroep aan teneinde de oorspronkelijke tegeneis van appellante tot het verkrijgen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding te doen afwijzen.

Voorwerpen van de hogere beroepen

I. Hoofdberoep

Overeenkomstig haar laatste conclusie voor het hof vordert appellante de hervorming van het bestreden vonnis teneinde geïntimeerde te doen veroordelen haar een maandelijkse onderhoudsuitkering na echtscheiding van 1.487,36 euro (60.000 fr.) te betalen met ingang van april 1998, met dien verstande dat de (principiële) maandelijkse onderhoudsuitkering de maximumgrens van 1/3 van de inkomsten van geïntimeerde niet kan overschrijden, en jaarlijks te indexeren door aanpassing aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen voor het eerst in april 1999, uitgaande van het indexcijfer van de maand april 1998 als basisindexcijfer.

Geïntimeerde vordert het hoofdberoep als onontvankelijk minstens als ongegrond af te wijzen.

II. Incidenteel hoger beroep

Bij in conclusie regelmatig ingesteld incidenteel hoger beroep vordert geïntimeerde de tegeneis van appellante tot het verkrijgen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding ongegrond te doen verklaren en haar oorspronkelijke tegeneis af te wijzen.

Appellante vraagt het incidenteel hoger beroep als onontvankelijk minstens ongegrond af te wijzen.

Mocht het hof van oordeel zijn dat zij geen recht meer heeft op een onderhoudsuitkering na echtscheiding sinds haar vader overleden is, vraagt appellante subsidiair te zeggen voor recht dat alle ontvangen onderhoudsuitkeringen gestort door geïntimeerde tot augustus 2005 haar blijven toebehoren en niet moeten worden terugbetaald.

Beoordeling

Aangaande de ontvankelijkheid van het hoger beroep

Overwegende dat geïntimeerde aanvoert dat het hoger beroep van appellante onontvankelijk is om reden dat zij in het bestreden vonnis heeft berust;

Dat hij aansluitend aanvoert dat zij afstand van hoger beroep heeft gedaan;

Dat geïntimeerde de impliciete berusting in het vonnis van 12 januari 1998 van appellante afleidt uit volgende omstandigheden:

– een brief van appellante van 23 november 2004 waarin appellante aangeeft dat zij de correcte naleving van het vonnis van 12 januari 1998 op het vlak van de aan haar verschuldigde onderhoudsuitkering na echtscheiding wenst;

– het voornemen tot afstand van hoger beroep van appellante zoals verwoord in de brief van haar raadsman van 6 april 2009;

– het feit dat appellante, zelfs na de mededeling dat haar geen onderhoudsuitkering na echtscheiding meer zou worden uitbetaald, gedurende jaren heeft stilgezeten alvorens de procedure opnieuw te activeren;

Dat geïntimeerde, wat de afstand van hoger beroep betreft, verwijst naar de intentie daartoe zoals verwoord in de brief van appellante van 6 april 2009;

Overwegende dat appellante dit standpunt betwist, aanvoerende dat zij de procedure slechts om proceseconomische redenen heeft laten rusten, dat zij om dezelfde reden bereid was afstand van hoger beroep te doen en dat zij geen afstand heeft gedaan van haar recht om deze procedure verder te zetten;

Dat zij voorts argumenteert dat, zo haar eigen vordering onontvankelijk of ongegrond zou zijn, dit ook geldt voor het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde;

Overwegende dat krachtens art. 1044 en 1045 Ger.W. berusting inhoudt dat een partij afstand doet van de rechtsmiddelen die zij tegen sommige of alle punten van een rechterlijke beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend;

Dat de berusting uitdrukkelijk of stilzwijgend kan zijn en zij in het eerste geval moet uitgaan van de partij zelf of haar bijzondere gevolmachtigde (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 637-639, nrs. 1397-1400; A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de Droit de Liège, 1987, p. 472-478, nrs. 687-704);

Dat, zoals hierboven reeds werd betoogd, geïntimeerde ervan uitgaat dat appellante stilzwijgend heeft berust in de beslissing van de eerste rechter;

Dat de stilzwijgende berusting enkel kan worden afgeleid uit handelingen of feiten die wijzen op een zekere en ondubbelzinnige instemming met de betreffende beslissing;

Dat appellante door hoger beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de eerste rechter duidelijk heeft aangegeven niet te berusten;

Dat immers het feit zelf van hoger beroep aan te tekenen de uiting is van de zekere en vaste bedoeling niet te berusten in de bestreden beslissing;

Dat noch de brief van appellante van 23 november 2004 noch het tijdsverloop sedert het instellen van het hoger beroep noch de brief van de raadsman van appellante van 6 april 2009 deze actieve daad van niet berusting ongedaan maken;

Dat wat de afstand van hoger beroep betreft, art. 824, tweede lid Ger.W. bepaalt dat de uitdrukkelijke afstand van geding kan worden gedaan bij een gewone akte ondertekend door de partij zelf dan wel door haar gemachtigde “die, tenzij de wet anders bepaalt, een bijzondere volmacht heeft, en die aan de tegenpartij betekend wordt, indien deze de afstand niet vooraf heeft aangenomen”;

Dat een uitdrukkelijke afstand van geding niet kan worden gedaan door de raadsman van een partij in het raam van diens mandaat at litem;

Dat daartoe een bijzondere volmacht vereist is;

Dat het voorbehoud “tenzij de wet anders bepaalt” onder meer de advocaten bij het Hof van Cassatie beoogt die, krachtens art. 479 Ger.W., de partij op geldige wijze vertegenwoordigen in alle zaken die aan het Hof worden onderworpen, zonder dat zij van enige volmacht moeten doen blijken;

Dat

in casu door de raadsman van appellante geen bijzondere volmacht wordt voorgelegd;

Dat in de gegeven omstandigheden door appellante geen geldige uitdrukkelijke afstand van hoger beroep werd gedaan;

Overwegende dat een stilzwijgende afstand van hoger beroep slechts kan worden afgeleid uit akten en met elkaar overeenstemmende feiten waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen;

Dat deze akten of feiten niet aan bijzondere vormvereisten onderworpen zijn en het bewijs ervan kan worden geleverd met alle middelen van recht waarover de rechter op onaantastbare wijze oordeelt;

Dat in casu aan de hand van de bijgebrachte stukken en feiten niet kan worden afgeleid dat appellante zelf daadwerkelijk stilzwijgend afstand van hoger beroep heeft gedaan;

Dat geïntimeerde dit overigens zelf aanvoert, maar beweert dat appellante alleszins de intentie had afstand van hoger beroep te doen;

Dat deze intentie echter enkel werd geuit bij monde van haar raadsman, die hier in latere conclusies expliciet op is teruggekomen, en hoe dan ook het op een bepaald ogenblik geuite voornemen afstand te doen niet gelijkstaat met de afstand zelf;

Dat appellante aldus noch in het vonnis van 12 januari 1998 heeft berust, noch afstand van hoger beroep heeft gedaan.

Aangaande de rechtsverwerking, minstens foutieve handelwijze van appellante

Overwegende dat geïntimeerde aanvoert dat appellante door haar langdurig stilzitten sedert het instellen van het hoger beroep haar aanspraken niet meer kan opeisen;

Dat haar talmende houding een schadeverwekkende gedraging uitmaakt die niet overeenstemt met wat men van een “goede huisvader” mag verwachten;

Dat deze onrechtmatige handelwijze aanleiding kan geven tot een afwijzing van de vordering dan wel tot de betaling van een schadevergoeding;

Dat op grond hiervan de periode tijdens welke appellante onderhoudsgerechtigd is zou kunnen worden beperkt en in elk geval geen interesten kunnen worden toegekend op de eventueel met betrekking tot deze periode van stilzitten verschuldigde bedragen;

Overwegende dat appellante dit standpunt bestrijdt om reden dat, toen zij in de periode van maart 1998 tot september 2005, toen geïntimeerde vrijwillig de conform het vonnis a quo aan haar verschuldigde onderhoudsbijdrage betaalde, om proceseconomische redenen afzag van het verderzetten van de procedure, zij nadien problemen heeft gehad met haar voormalige raadsman die geen initiatieven nam en het beweerde stilzitten haar dan ook niet ten kwade kan worden geduid;

Overwegende dat rechtsverwerking niet wordt vermoed en slechts uitzonderlijk kan worden aangenomen;

Dat het louter stilzitten van een partij geen rechtsverwerking doet intreden, aangezien dit immers afbreuk zou doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring;

Dat de inactiviteit van een partij in het licht van de begeleidende omstandigheden van de zaak door de rechter als rechtsverwerking of als een afstand van recht zou kunnen worden uitgelegd; dat dit het geval kan zijn wanneer het rechtmatig vertrouwen van de wederpartij door dit stilzitten wordt verschalkt (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Antwerpen, Kluwer, p. 330, nr. 530 en p. 332, nr. 538);

Dat de door appellante gegeven verklaring voor haar stilzitten geloofwaardig is en aantoont dat zij geenszins zinnens was haar recht prijs te geven of er afstand van te doen;

Dat het stilzitten van appellante nadat zij hoger beroep had aangetekend weliswaar jaren heeft geduurd, maar dit in de gegeven omstandigheden geen onrechtmatig karakter vertoont;

Dat ten slotte niets geïntimeerde belette zo hij enige twijfel zou hebben gehad betreffende de intentie van appellante m.b.t. het door haar ingestelde hoger beroep, zich hiervan te vergewissen.

Aangaande de onderhoudsuitkering na echtscheiding

a) De begroting

1° De te beoordelen periode

Overwegende dat, gelet op de betekening op 16 februari 1998 en de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand te Zele op 2 april 1998 van het echtscheidingsvonnis van 12 januari 1998 waartegen op dat vlak geen hoger beroep werd aangetekend, het huwelijk is ontbonden sedert 17 maart 1998; dat geïntimeerde in principe aanspraak kan maken op een onderhoudsuitkering na echtscheiding vanaf deze datum.

2° De gelijkwaardige levensstandaard als tijdens het samenleven

Overwegende dat aan de hand van de verklaringen van partijen en de door hen bijgebrachte stukken blijkt dat zij tijdens het samenleven, na een tewerkstelling van drie jaar van appellante in het begin van het huwelijk, hun inkomsten putten uit de beroepsbezigheden van geïntimeerde, die een loopbaan uitbouwde in de magistratuur, en zij tevens over inkomsten uit beleggingen beschikten;

Dat partijen drie kinderen hebben;

Dat partijen met voormelde inkomsten een ruime woning in Antwerpen kochten die in het raam van de vereffening-verdeling van het gemeenschappelijk vermogen en van de tussen hen bestaande onverdeeldheid werd toebedeeld aan appellante, die deze woning tot op heden bewoont, en zij hiermee tevens instonden voor het onderhoud van hun gezin;

Dat aan de hand van de bijgebrachte stukken blijkt dat partijen een relatief hoge levensstandaard genoten;

3° De financiële situatie van appellante sedert 2 april 1998

Overwegende dat appellante, thans 63 jaar, medisch secretaresse van opleiding is en zij na drie jaar te hebben gewerkt is thuis gebleven om zich te wijden aan het huishouden en in te staan voor de opvoeding van de kinderen;

Dat zij geïntimeerde in het begin van zijn loopbaan heeft bijgestaan op administratief vlak en later bij de voorbereiding van zijn opdrachten als parketmagistraat;

Dat zij kosteloos het mandaat van bestuurder in de NV V. waarnam en in de buitengewone algemene vergadering van 17 februari 2006 werd aangesteld als onbezoldigd vereffenaar van deze vennootschap;

Dat appellante op het ogenblik van de echtscheiding 51 jaar oud was en nagenoeg geen professionele ervaring had;

Dat zij van de ene kant weliswaar geen bewijzen van effectieve sollicitaties voorlegt maar zij van de andere kant, rekening houdende met haar geringe beroepservaring en haar leeftijd, toch voldoende aannemelijk maakt dat in de gegeven omstandigheden haar tewerkstellingsmogelijkheden beperkt zijn;

b) Overwegende dat, zoals werd gesteld, appellante de voormalige gezinswoning bewoont;

Dat ook één van de kinderen van partijen aldaar gehuisvest is;

Dat de betreffende woning een ruim herenhuis is, gelegen in het centrum van Antwerpen;

Dat de woning, blijkens de door geïntimeerde bijgebrachte schattingsverslagen, slecht onderhouden is;

Dat uit het door het studie- en adviesbureau (die het kwestieuze pand aan de binnenzijde niet heeft bezichtigd) op 13 oktober 2009 in opdracht van geïntimeerde opgestelde schattingsverslag onder meer blijkt dat:

– volgens het schattingsverslag van 11 januari 1999 de toestand van het pand op het vlak van onderhoud niet al te best was.

– er sinds deze schatting niets meer aan de woning werd gedaan, zodat de onderhoudstoestand van de woning nog moet zijn verslechterd;

– de voorgevel en het bultenschrijnwerk in zeer slechte staat zijn;

– er zeer zwaar moet worden geïnvesteerd om deze vrij ruime burgerwoning te renoveren en ervoor te zorgen dat zij beschikt over modern comfort en dat zij aangepast is aan de thans geldende woonnormen;

Dat geïntimeerde uit het feit dat de woning zes slaapkamers telt en dat in het schattingsverslag van 11 januari 1999 vermeld is dat één slaapkamer op de tweede verdieping “voorheen” als studentenkamer werd verhuurd en dat de meerderjarige zoon van partijen, die zelf beroepsactief is, kosteloos bij appellante inwoont, afleidt dat appellante door gehele of gedeeltelijke verhuring uit deze woning inkomsten zou kunnen putten en dat, zo zij dit niet doet, dit haar eigen keuze is waarmee hier geen rekening kan worden gehouden;

Dat geïntimeerde – uitgaande van de in het schattingsverslag van 11 januari 1999 bepaalde huurwaarde van het pand – de actuele huurwaarde schat op 1.890 euro;

Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, meer bepaald de staat van het pand en het gegeven dat belangrijke investeringen nodig zijn om het goed aan de actuele woonnormen aan te passen, waarvan niet kan worden verwacht dat appellante (voor zover zij hiertoe over de nodige middelen zou beschikken) dit op 63-jarige leeftijd nog zou doen op risico deze investering in de toekomst niet te kunnen recupereren, laat staan er winst uit te halen, niet kan worden aangenomen dat appellante uit het pand dat zij bewoont inkomsten kan putten;

c) Overwegende dat appellante, die sedert 1991 de blote eigenaar was van een opbrengsteigendom gelegen te Antwerpen, (...), waarvan haar vader het vruchtgebruik had, ingevolge het overlijden van haar vader op 28 april 2005 de volle eigendom van dit pand heeft verworven;

Dat appellante onder verwijzing naar stukken opgave doet van de netto-inkomsten die zij uit dit pand zou ontvangen, meer bepaald op maandbasis voor 2005 671, 99 euro, voor 2006 1.302,83 euro, voor 2007 662,40 euro, voor 2008 1.289,68 euro en voor 2009 1.157,92 euro;

Overwegende dat geïntimeerde uitgaande van een schattingsverslag van de CVBA S. (die dit gebouw van binnen niet heeft bezichtigd) van 13 oktober 2009 en van een afschrijvingspercentage van 10% aanvoert dat de netto-opbrengst van het gebouw moet worden gecorrigeerd in die zin dat er een hogere opbrengst is;

Dat hij aanvoert dat:

– appellante over voldoende middelen beschikt om het goed te laten renoveren, waardoor zij bijkomende inkomsten zou kunnen genereren;

– zij het goed ook zou kunnen verkopen en het geïnde kapitaal vervolgens anders zou kunnen investeren dan wel ervan leven;

– de door appellante met betrekking tot de in dit pand uitgevoerde herstellings- en renoveringswerken bijgebrachte stukken niet bewijskrachtig zijn;

– er rekening moet worden gehouden met een langere afschrijvingsperiode;

Overwegende dat de CVBA S. bij de begroting van de huurwaarde van het pand gelegen aan de (...) te Antwerpen is uitgegaan van:

– een voorafgaande renovatiekost van 132.000 euro;

– een jaarlijkse bruto huurprijs van 31.449 euro waarvan 2,5 maanden huuropbrengst wordt afgetrokken voor de kosten;

– een resterende economische levensduur na werken van 27 jaar;

– een huurderving van gemiddeld zes maanden huurinkomsten gedurende het eerste jaar voor de te verwachten mindere inkomsten tijdens de uitvoering van de werken;

Overwegende dat, gelet op het feit dat de door de CVBA S. vermelde renovatiewerken tot op heden nog niet zijn uitgevoerd, ervan uitgegaan moet worden dat de op grond hiervan bepaalde huurwaarde thans niet gerealiseerd kan worden;

Dat niet kan of moet verwacht worden dat appellante dergelijke belangrijke investeringen zou doen en evenmin dat zij deze ingevolge erfenis verkregen zekere belegging zou inruilen voor een andere dan wel dat zij het geld gewoonweg zou opleven;

Dat de door appellante bijgebrachte stukken tot staving van in dit gebouw uitgevoerde herstellingswerken, gelet op hun aard (...), weliswaar slechts een indicatieve waarde hebben, maar dit niet belet dat de door appellante vermelde opgave van de netto-opbrengst van dit onroerend goed aannemelijk is, aangezien zij te situeren is rond de 70% van de totaal geïnde huurprijs, wat redelijk is;

d) 1. Overwegende dat appellante tevens inkomsten heeft uit onlichamelijke roerende goederen waarvan de hoegrootheid een bron van betwisting uitmaakt;

Dat appellante opgave doet van haar roerende inkomsten en desbetreffend stavingsstukken voorlegt;

Overwegende dat de argumentatie van geïntimeerde toegespitst is op de kapitalen waaruit appellante deze inkomsten put en op de stijging van de inkomsten (en dus ook van de achterliggende kapitalen) in 2006 en 2007;

Dat geïntimeerde aandringt op de productie van stukken waaruit blijkt welke de hoegrootheid is van de kapitalen die appellante belegt, en voorstelt ingeval een deskundigenonderzoek zou worden bevolen, dit te beperken tot het roerend vermogen van appellante en de hieruit geputte inkomsten voor de periode 2006 tot en met 2009;

Overwegende dat het hof aan de hand van de door partijen bijgebrachte stukken en de verstrekte toelichtingen voldoende is voorgelicht m.b.t. het roerend inkomen van appellante en er geen behoefte is aan bijkomende stukken, laat staan aan een deskundigenonderzoek teneinde in deze zaak een beslissing te nemen;

Dat, terwijl er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de opgave van de door appellante genoten roerende inkomsten, deze opgave in het licht van de aan het hof verstrekte gegevens m.b.t. door appellante ontvangen kapitalen evenwel niet als volledig kan worden beschouwd;

Dat er met name ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens en indicaties zijn dat appellante niet al haar inkomsten uit kapitalen in rekening heeft gebracht, naast het feit dat zij mogelijk ook haar financiële mogelijkheden op het vlak van investering/belegging niet steeds passend heeft benut;

Dat, zelfs indien in het raam van huidige procedure niet moet worden uitgemaakt of appellante haar kapitaal wel optimaal heeft belegd en of zij dit beter zou kunnen besteden, bv. door het aan te wenden ter renovatie van een opbrengsteigendom, er toch kan van worden uitgegaan dat het kapitaal waarover appellante beschikt een inkomen zou moeten kunnen genereren berekend op grond van een realistische nettorente van 2,5%;

2. Overwegende dat geïntimeerde, wat de in vereffening gestelde NV V. betreft, het terechte vermoeden heeft geuit dat appellante hieruit belangrijke kapitalen zou hebben ontvangen;

Dat appellante overigens niet ontkent gelden uit de vereffening-verdeling van de NV V. te hebben ontvangen, maar zonder enig bewijsstuk voor te brengen beweert dat zij deze heeft geplaatst op de rekeningen waarvan zij opgave heeft gedaan en dat zij aldus niet over verborgen kapitalen beschikt;

Overwegende dat, gelet op de hoegrootheid van het in het raam van de vereffening aan appellante toekomende aandeel, meer bepaald 93.004 euro, en bij gebrek aan bewijs van wat daadwerkelijk met dit kapitaal is gebeurd, de verklaring van appellante in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak niet geloofwaardig overkomt;

3. Overwegende dat geïntimeerde zich vervolgens vragen stelt bij de mogelijkheden waarover appellante beschikt om via de uit de nalatenschap van haar vader geïnde tegoeden inkomsten te verwerven en hij in conclusies de voorlegging van de aangifte van nalatenschap van wijlen de heer V. heeft gevorderd;

Overwegende dat appellante een niet-ondertekende aangifte van nalatenschap heeft neergelegd; dat hieruit onder meer blijkt dat er een batig saldo is van (192.505,78 euro (actiefpost) – 17.693,09 euro (passiefpost) = 174.812,69 euro);

Dat de verklaring van appellante dat zij van haar vader ongeveer 35.000 euro (wat overeenstemt met ongeveer één vijfde van voormeld batig saldo) heeft geërfd, aannemelijk is;

Dat echter ook hier niet wordt aangetoond wat met deze gelden is gebeurd;

Dat hetzelfde geldt voor het bedrag van 16.571 euro dat aan appellante toekwam ingevolge de veroordeling tot terugbetaling van B.V. bij arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 9 oktober 1996;

...

e) Overwegende dat de gemiddelde totale eigen inkomsten van appellante in de bedoelde periode volgens haar eigen beweringen als volgt zouden moeten worden bepaald:

– in de periode van 1998 tot 2004: 79 euro per maand (afgerond);

– in het jaar 2005: 768 euro per maand (afgerond);

– vanaf 2006: 1.417 euro per maand (afgerond);

Dat echter, zoals hierboven reeds werd aangenomen, er aan de hand van de bijgebrachte stukken en de aan het hof schriftelijk en mondeling verstrekte toelichtingen ernstige vermoedens zijn dat appellante hogere inkomsten heeft genoten, meer in het bijzonder in de periode tot het jaar 2004;

Dat het hof opmerkt dat appellante, die tijdens het huwelijk een zeer behoorlijke levenstandaard genoot, gedurende jaren genoegen nam met een onderhoudsuitkering na echtscheiding van 694,10 euro (28.000 fr.) geïndexeerd (cf. haar brief aan geïntimeerde van 23 november 2004 waarin zij duidelijk verklaart dat zij niet van plan is er een rechtszaak van te maken en het haar voornamelijk te doen is om de berekeningswijze van de te betalen uitkering na echtscheiding), terwijl zij in de periode van 1998 tot 2004 overeenkomstig haar eigen berekening slechts over eigen inkomen van gemiddeld 79 euro per maand zou hebben beschikt;

Dat zo appellante daadwerkelijk dermate lage inkomsten zou hebben gehad, een dergelijke houding volkomen onbegrijpelijk zou zijn; dat hieruit dan ook slechts kan worden afgeleid dat appellante in die periode hogere inkomsten genoot; dat uitgaande van de aan het hof verstrekte gegevens haar inkomen in die periode minstens moet worden begroot op 750 euro per maand;

f) Overwegende wat de lasten betreft, dat appellante zoals hierboven reeds werd aangenomen, de voormalige echtelijke woning bewoont, die volledig afbetaald is, zodat zij geen vaste woonkosten (hypothecaire aflossingen of huurlasten) heeft;

Dat zij tot 30 september 2001 een onderhoudsbijdrage heeft ontvangen voor de gemeenschappelijke zoon van partijen, K., maar hiermee thans geen rekening kan worden gehouden, omdat dit door de vader als onderhoudsplichtige ouder betaalde bedrag louter bestemd was voor de opvang en het onderhoud van het kind en derhalve geen inkomsten voor appellante vormde.

4o De financiële situatie van geïntimeerde sedert 2 april 1998

a) Overwegende dat geïntimeerde eerst enkele jaren aan de balie was, waarna hij een loopbaan in de magistratuur uitbouwde die uitmondde in de functie van parketmagistraat bij (...);

Dat geïntimeerde sedert 1 september 2006 met pensioen is;

Overwegende dat appellante de juistheid van de cijfers met betrekking tot zijn inkomsten uit zijn beroepswerkzaamheden/pensioen en tot zijn roerende inkomsten zoals door hem weergegeven, niet in twijfel trekt;

Overwegende dat het hof vaststelt dat in deze berekening niet enkel rekening werd gehouden met de totale inkomsten van geïntimeerde (meer bepaald enerzijds zijn wedde, later zijn pensioen en anderzijds zijn roerende inkomsten), maar ook met de jaarlijkse belastingteruggave die geïntimeerde eerder uit de berekening van zijn inkomsten had geweerd en met de betaling van achterstallen en van vervroegd vakantiegeld die eigenlijk een inkomen uitmaken, zodat deze als uitgangspunt voor de bepaling van zijn maandelijkse inkomsten in de betrokken periode kan worden gehanteerd;

b) Overwegende dat op vlak van de uitgaven geïntimeerde tot 30 september 2001 een onderhoudsbijdrage voor de gemeenschappelijke zoon van partijen betaalde (die fiscaal aftrekbaar is ten belope van 80%); dat deze onderhoudsbijdrage voor de jaren 1998-2000 gemiddeld 287 euro (afgerond) bedroeg en 222 euro voor het jaar 2001; dat deze uitgave niet wordt betwist;

Overwegende dat geïntimeerde als woonlasten de huurprijs van een appartement aan (...) moet dragen, die in 2009 755 euro (afgerond) per maand bedraagt;

Dat aan de hand van de stukken en volgens zijn eigen niet tegengesproken verklaring blijkt dat geïntimeerde sedert 16 maart 2009 kostendelend samenwoont, zodat zijn vaste woonlasten vanaf die datum gehalveerd zijn en derhalve 755 euro / 2 = 377 euro per maand (afgerond) bedragen.

5° Conclusie

Overwegende dat op basis van wat voorafgaat de respectieve financiële situatie van partijen vanaf 2 april 1998 als volgt kan worden samengevat (alle bedragen per maand en afgerond op de euro):

Appellante:

– inkomsten:

– van 1998 tot 2004: gemiddeld 750 euro per maand (geschat)

– in het jaar 2005: 768 euro per maand (afgerond)

– vanaf 2006: gemiddeld 1.417 euro per maand (afgerond)

– woonlasten: nihil

Beschikbaar inkomen: tot 2004: 750 euro, in 2005 768 euro, vanaf 2006; 1.417 euro

Geïntimeerde:

– inkomsten:

– van 1998 tot 2002: gemiddeld 3.542 euro

– van 2003 tot 2006: gemiddeld 4.311 euro

– vanaf 2007: gemiddeld 3.157 euro

– woonlasten:

– tot 15 maart 2009: gemiddeld 755 euro:

– vanaf 16 maart 2009: gemiddeld 377 euro:

– onderhoudsbijdrage voor K. (aftrekbaar ten bedrage van 80%):

– van 1998 tot 2000: 287 euro

– in 2001: 222 euro

Beschikbaar inkomen:

– van 1998 tot 2001: 2.500 euro

– in 2001: 2.565 euro

– in 2002: 2.787 euro

– van 2003 tot 2006: 3.556 euro

– van 2007 tot 15 maart 2009: 2.402 euro

– vanaf 16 maart 2009: 2.780 euro

Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, appellante recht heeft op een onderhoudsuitkering na echtscheiding teneinde na de echtscheiding een levensstandaard te voeren die gelijkwaardig is aan die tijdens het samenwonen;

Overwegende dat de door de eerste rechter toegekende onderhoudsuitkering na echtscheiding redelijk voorkomt voor de periode lopende vanaf de echtscheiding tot 2005;

Dat, rekening houdende met de substantiële verhoging van de eigen inkomsten van appellante vanaf 2006 en met de verlaging van het inkomen van geïntimeerde vanaf zijn oppensioenstelling, de aan geïntimeerde toekomende onderhoudsuitkering na echtscheiding naar redelijkheid kan worden bepaald op 250 euro per maand geïndexeerd; vertrekkend van dezelfde basisindex als in het bestreden vonnis (= januari 1998);

Dat uit wat hierboven werd aangegeven voldoende blijkt dat geïntimeerde in staat is dit bedrag te betalen en dit bedrag lager is dan één derde van zijn netto-inkomen, zoals hierboven opgegeven;

Dat het incidenteel hoger beroep dan ook deels gegrond is.


• Hof van Beroep te Brussel, 20e Kamer – 10 december 2012, RW 2013-2014, 1465

Samenvatting

Men kan berusten in een vonnis door zonder voorbehoud deel te nemen en mede te werken aan expertise bevolen door de rechtbank.

Inhoud

S. t/ R.

...

III. De vorderingen en de bestreden beslissing

A. Eerste aanleg

7. Op 20 september 2011 stelde opdrachtgever R. een inleidende vordering in tegen aannemer S. tot:

– ontbinding van de aannemingsovereenkomst in het nadeel van aannemer S. met betaling van een schadevergoeding, provisioneel geraamd op 10.000 euro;

– aanstelling van een deskundige voor advies nopens de contractuele tekortkomingen en de geleden schade, en nopens de afrekening.

Aannemer S. besloot tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering wegens gebrek aan belang (...).

In de conclusies voor aannemer S. wordt op dat ogenblik aangevoerd dat S. aannemingswerken uitvoerde “tegen een relatief forfaitaire prijs” [thans luidt het in de beroepsconclusies dat een “mondelinge aannemingsovereenkomst” tot stand kwam, waarbij de gedetailleerde kostenraming van de architect F. “als leidraad” werd gebruikt; er zou sprake zijn van een “aanneming zonder prijsafspraak”].

De eerste rechter was van oordeel dat het “in de gegeven omstandigheden” gepast voorkwam een deskundige aan te stellen “onder voorbehoud van alle rechten van partijen” en stelde architect De K. aan als deskundige voor advies nopens de afrekening tussen de partijen op basis van de gedetailleerde meetstaat van architect F. en nopens de contractuele schade.

Het eerste plaatsbezoek vond plaats op 10 november 2011.

Op 13 januari 2012 werd een voorverslag opgesteld en op 23 april 2012 een eindverslag, dat op 25 april 2012 werd neergelegd ter griffie.

B. Hoger beroep

8. Op 18 mei 2012, dit is na de neerlegging van het eindverslag van de gerechtelijke deskundige, stelde aannemer S. hoger beroep in, teneinde de oorspronkelijke vordering van opdrachtgever R. ongegrond te horen verklaren.

De zaak werd ingeleid ter zitting van 18 juni 2012. Niemand verscheen er voor aannemer S., wat tot gevolg had dat de procedure tot gerechtelijke instaatstelling moest worden gevolgd.

9. Opdrachtgever R. besluit tot de berusting door aannemer S. in het bestreden vonnis, minstens tot de ongegrondheid van het principaal hoger beroep. Bovendien vordert hij een schadevergoeding van 3.000 euro met toepassing van art. 780bis Ger.W., vermeerderd met de gerechtelijke interesten en een verhoogde rechtsplegingsvergoeding van 2.640 euro voor de procedure in hoger beroep.

IV. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

De berusting in het bestreden vonnis

10.1. Berusting kan slechts worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende handelingen of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing (art. 145 Ger.W.). Deze handelingen of feiten mogen voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.

10.2. In de bestreden beslissing van 21 oktober 2011 werd op geen enkele wijze enige uitspraak in rechte gedaan. De eerste rechter was uitsluitend van oordeel dat het “in de gegeven omstandigheden” gepast voorkwam een deskundige aan te stellen “onder voorbehoud van alle rechten van partijen”.

Aannemer S. was aanwezig op de eerste bijeenkomst van de partijen ter plaatse en volgde de expertise zonder enig voorbehoud. Meer zelfs, tijdens de expertise was aannemer S. bereid een aantal tekortkomingen af te werken. Het hoger beroep tegen de beslissing tot aanstelling werd aangetekend na de neerlegging van het eindverslag van de gerechtelijke deskundige.

Het hof is van oordeel dat het ontbreken van enig voorbehoud bij de aanvang van het deskundigenonderzoek en de volgehouden houding van aannemer S. tijdens het deskundigenonderzoek in de procedurele omstandigheden van deze zaak moeten worden begrepen als feiten waaruit blijkt dat aannemer S. instemde met de beslissing tot aanstelling van een deskundige. Deze feiten zijn, in alle redelijkheid en in de omstandigheden eigen aan de zaak, niet voor enige andere uitlegging vatbaar.

In dit verband verwijst het hof naar art. 980 Ger.W. dat een wettelijke toepassing uitmaakt van berusting en dat een analoge situatie viseert (deelname aan een expertise na verstekbeslissing).

De schadevergoeding met toepassing van art. 780bis Ger.W.

11. De uitoefening van een rechtsmiddel is tergend, niet alleen wanneer zij met kwaadwillige bedoelingen of uit boosaardigheid geschiedt of wanneer een partij het oogmerk heeft een andere partij te schaden, maar ook wanneer deze partij haar recht om in rechte op te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtige en zorgvuldige persoon kennelijk te buiten gaat.

De uitoefening van een rechtsmiddel is roekeloos, wanneer zij lichtvaardig geschiedt. Een vordering wordt lichtvaardig ingesteld wanneer dit gebeurt, ook te goeder trouw, ingevolge een vergissing in de appreciatie van de zaak, die zodanig duidelijk is dat zij behoorde te worden opgemerkt en vermeden door elk voorzichtig en bedachtzaam persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden.

Het instellen van hoger beroep in de omstandigheden hierboven geschetst in randnummer 10.2, gebeurde op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtige en zorgvuldige persoon kennelijk te buiten gaat.

12. De toepassing van art. 780bis Ger.W. ontslaat de eiser niet van het bewijs van de geleden schade.

Geïntimeerde R. vordert een schadevergoeding van 3.000 euro, maar zij verduidelijkt niet welke schade hiermee wordt vergoed.

Sinds het op 1 januari 2008 in werking treden van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, kan een partij boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding niet worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij.

Geïntimeerde R. bewijst geen andere schade dan de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat.

...

 

Noot: 

• Cassatie 24 juni 2010, RW 2012-2013, 211

De berusting in een beslissing die gegrond is op een bepaling van openbare orde, is nietig.

Is van openbare orde de wetgeving die de wezenlijke belangen van de staat of de gemeenschap betreft of die, in het privaatrecht, de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde van de samenleving berust.

De herroeping van het gewijsde is een buitengewoon rechtsmiddel dat ertoe strekt een in kracht van gewijsde gegane beslissing, die door de wet als een uitdrukking van de waarheid wordt gezien, te herroepen.

De kracht van gewijsde van een rechterlijke beslissing behoort omwille van de rechtszekerheid en de maatschappelijke rust tot de juridische grondslagen waarop de economische of morele orde van de samenleving berust, zodat ook de door de wet bepaalde gronden waarop een in kracht van gewijsde gegane beslissing kan worden herroepen, de openbare orde raken.

De appelrechters vermochten dan ook naar recht te oordelen dat een beslissing waarbij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt herroepen, uitspraak doet op grond van een bepaling van openbare orde en dat de berusting in een dergelijke beslissing nietig is.

Noot onder dit arrest van Frédéric Dupon in het RW 2012-2013, 211

De onmogelijkheid om te berusten in een vonnis tot herroeping van gewijsde. De ene berusting is de andere niet

• Hof van Beroep te Brussel, 8e Kamer – 8 november 2011, RW 2012-2013, 906

samenvatting

Een advocaat kan namens zijn cliënt niet geldig berusten in een rechterlijke beslissing, tenzij bewezen is dat de advocaat daartoe van zijn cliënt een bijzondere lastgeving heeft ontvangen. Dit bewijs kan door alle middelen van recht worden geleverd.

tekst arrest

L. t/ NV D.

...

II. Betreffende de ontvankelijkheid van het hoger beroep

5. Geïntimeerde betoogt dat het hoger beroep onontvankelijk is omdat appellant heeft berust in het bestreden vonnis.

Krachtens art. 1045 Ger.W. kan de berusting uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn. De uitdrukkelijke berusting geschiedt bij eenvoudige akte, ondertekend door de partij of haar bijzondere gemachtigde. De stilzwijgende berusting kan alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

6. Geïntimeerde wenst in dit verband gebruik te maken van een brief van 25 maart 2009 die door de toenmalige raadsman van appellant aan de raadsman van geïntimeerde werd gestuurd. In deze brief wordt meegedeeld dat appellant berust in het in eerste aanleg gevelde vonnis. Van deze mededeling wordt akte genomen door de raadsman van geïntimeerde bij officiële brief van 2 april 2009.

Appellant betoogt dat de brief van 25 maart 2009 niet mag worden gebruikt in onderhavige procedure en vraagt de wering uit het debat. Briefwisseling tussen advocaten is vertrouwelijk en mag enkel worden overgelegd met toestemming van de stafhouder. In voorliggend geval ligt er geen toestemming voor.

7. Art. 2 van het Reglement Belgische Nationale Orde van Advocaten van 6 juni 1970 betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten luidt als volgt:

“Verliezen nochtans hun vertrouwelijk karakter, zodat ze zonder toelating van de stafhouder mogen overgelegd worden:

1o elke mededeling die een akte van rechtspleging uitmaakt of vervangt;

(...)

3o elke mededeling zonder voorbehoud en niet vertrouwelijk gedaan, ten verzoeke van een partij, om er kennis van te geven aan een andere partij, op voorwaarde dat de geadresseerde ze uitdrukkelijk aanvaardt als zijnde niet-vertrouwelijk;

(...).”

Zijn dan ook uit hun aard niet-vertrouwelijk, voor zover ze niets anders bevatten, “(...) de aankondiging van een betekening, een uitvoeringsmaatregel of een berusting” (R. De Puydt, “Overzicht van rechtspraak. Professioneel recht Vlaamse advocatuur (1987-2007)”, TPR 2007, p. 1785, nr. 69).

De desbetreffende brief van 25 maart 2009 betreft niets meer dan een neutrale mededeling dat er berust wordt. De vermelding in de brief “in tegenstelling tot hetgeen meegedeeld bij brief van 3 maart ll.”, doet hieraan geen afbreuk. De toenmalige raadsman van appellant kondigt in de brief enkel aan dat zijn cliënt zal berusten in het in eerste aanleg gevelde vonnis en dat de gerechtskosten zullen worden betaald.

Minstens is de brief van 25 maart 2009 een mededeling van partij tot partij die uitdrukkelijk als niet-vertrouwelijk is aanvaard door de raadsman van geïntimeerde bij brief van 2 april 2009.

Het verzoek van appellant tot wering van deze brief uit het debat is bijgevolg ongegrond.

8. Een advocaat kan namens zijn cliënt niet geldig berusten in een rechterlijke beslissing, indien hij daartoe geen bijzondere volmacht heeft gekregen.

De brief van de toenmalige raadsman van appellant van 25 maart 2009, kan geen geldige berusting uitmaken, tenzij het bewijs wordt geleverd dat de raadsman beschikte over een bijzondere lastgeving van appellant. Dit bewijs kan door alle middelen van recht worden geleverd (P. Vanlersberghe, “Berusting en afstand van geding”, RABG 2010, 713).

De tekst van de brief van 25 maart 2009 luidt als volgt:

“In tegenstelling tot hetgeen medegedeeld bij brief van 3 maart ll. heeft cliënt na bijkomend onderhoud mij medegedeeld te zullen berusten in de tussengekomen beschikking van de voorzitter in de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 4 februari 2009.

“In de gegeven omstandigheid zullen de gerechtskosten waartoe veroordeeld en begroot bij uw brief van 17 februari 200(8) in de loop van de komende dagen worden betaald door middel van storting op uw derdenrekening”.

De gerechtskosten werden daaropvolgend door appellant persoonlijk en vrijwillig betaald door storting van het verschuldigde bedrag op de derdenrekening van de raadsman van geïntimeerde.

9. Gelet op het feit dat appellant een bijkomend onderhoud heeft gehad met zijn voormalige raadsman, waarna laatstgenoemde aan de raadsman van geïntimeerde meedeelt dat appellant zal berusten en de gerechtskosten zal betalen, en gelet op de navolgende betaling van deze gerechtskosten door appellant persoonlijk, oordeelt het hof dat appellant door uitvoering van deze betaling in de gegeven omstandigheden, de door zijn toenmalige raadsman gestelde rechtshandeling van berusting heeft bekrachtigd. De voormalige raadsman van appellant heeft dan ook geldig berust in het bestreden vonnis.

Al deze elementen, met name de bijkomende vergadering, de brief van de toenmalige raadsman van appellant en de persoonlijke betaling door appellant, alsook de onderlinge samenhang tussen al deze elementen, doen met zekerheid de wil om te berusten blijken en leiden ertoe dat appellant berust heeft in het bestreden vonnis.

10. De latere vraag van de raadsman van geïntimeerde om een door appellant ondertekende berustingsakte te mogen ontvangen en de latere betekening van het bestreden vonnis bij gebrek aan een dergelijke berustingsakte, doen geen afbreuk aan de vaststelling dat appellant berust had in het bestreden vonnis. De berusting is onherroepelijk. De partij die in een beslissing heeft berust kan hierop naderhand niet meer terugkomen. De raadsman van geïntimeerde heeft enkel ten overvloede gevraagd om een ondertekende berustingsakte over te leggen in een poging toekomstige discussies te vermijden. Dit kan zich noch tegen geïntimeerde noch tegen haar raadsman keren.

Geïntimeerde bewijst bijgevolg dat appellant berust heeft in het bestreden vonnis, zodat het hoger beroep van appellant niet kan worden ontvangen.

Evenwel:

• Hof van Beroep te Brussel, 3e Kamer – 28 april 2010, RW  2012-2013, 1215

samenvatting

• Stilzwijgende berusting kan enkel worden afgeleid uit handelingen of feiten die wijzen op een zekere en ondubbelzinnige instemming met de beslissing van de eerste rechter. Hoger beroep aantekenen, is een duidelijk sinaal dat de appellant in dit geval duidelijk aangeeft niet te berusten. Het verstreken tijdsverloop sinds het instellen van het hoger beroep maakt deze actieve daad van niet-berusting niet ongedaan.

 

• Uitdrukkelijke afstand van geding vereist, met uitzondering van de advocaten bij het Hof van Cassatie, een bijzondere volmacht en kan bijgevolg niet worden gedaan door de raadsman van een partij in het raam van diens mandaat ad litem. Een stilzwijgende afstand van hoger beroep kan slechts worden afgeleid uit akten en met elkaar overeenstemmende feiten waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen. Een voornemen om afstand te doen, staat niet gelijk met de afstand zelf. De inactiviteit van een partij kan als rechtsverwerking of als een afstand van recht slechts worden uitgelegd wanneer, in het licht van de begeleidende omstandigheden van de zaak, het rechtmatig vertrouwen van de wederpartij door het stilzitten wordt verschalkt.

Tekst arrest:

A.V. t/ M.B.

 

Antecedenten en bestreden vonnis

 

Partijen zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Zele op 7 mei 1971.

 

 

Bij het bestreden vonnis van 12 januari 1998 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven werd:

 

 

– de echtscheiding tussen partijen uitgesproken op grond van feitelijke scheiding van meer dan vijf jaar;

 

 

– de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap bevolen;

 

 

– geïntimeerde veroordeeld om te betalen aan haar een maandelijkse onderhoudsuitkering van 694,10 euro (28.000 fr.), jaarlijks te indexeren door aanpassing aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van januari 1998.

 

 

Appellante tekende op 10 maart 1998 beperkt hoger beroep aan tegen dit vonnis, enkel voor wat de onderhoudsuitkering na echtscheiding betreft.

 

 

De echtscheiding werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Zele op 2 april 1998.

 

 

De vereffening en verdeling werd beëindigd bij notariële akte van dading en toebedeling van onroerend goed verleden op 2 mei 2002.

 

 

De zaak werd op de openbare zitting van 8 december 2003 ambtshalve weggelaten van de algemene rol.

 

 

Op verzoek van appellante werd de zaak opnieuw ingeschreven op de algemene rol.

 

 

Bij brief van 6 april 2009 waarvan het onderwerp in de aanhef als volgt werd gespecificeerd “Verzoek tot fixatie met het oog op afstand van hoger beroep”, verzocht de raadsman van appellante “de zaak te willen fixeren en akte te willen verlenen van de afstand van hoger beroep van cliënte met toepassing van art. 820 Ger.W.”, hieraan toevoegend dat in deze zaak niet werd geconcludeerd.

 

 

Bij conclusie van 24 april 2009 tekende geïntimeerde incidenteel hoger beroep aan teneinde de oorspronkelijke tegeneis van appellante tot het verkrijgen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding te doen afwijzen.

 

 

Voorwerpen van de hogere beroepen

 

 

I. Hoofdberoep

 

 

Overeenkomstig haar laatste conclusie voor het hof vordert appellante de hervorming van het bestreden vonnis teneinde geïntimeerde te doen veroordelen haar een maandelijkse onderhoudsuitkering na echtscheiding van 1.487,36 euro (60.000 fr.) te betalen met ingang van april 1998, met dien verstande dat de (principiële) maandelijkse onderhoudsuitkering de maximumgrens van 1/3 van de inkomsten van geïntimeerde niet kan overschrijden, en jaarlijks te indexeren door aanpassing aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen voor het eerst in april 1999, uitgaande van het indexcijfer van de maand april 1998 als basisindexcijfer.

 

 

Geïntimeerde vordert het hoofdberoep als onontvankelijk minstens als ongegrond af te wijzen.

 

 

II. Incidenteel hoger beroep

 

 

Bij in conclusie regelmatig ingesteld incidenteel hoger beroep vordert geïntimeerde de tegeneis van appellante tot het verkrijgen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding ongegrond te doen verklaren en haar oorspronkelijke tegeneis af te wijzen.

 

 

Appellante vraagt het incidenteel hoger beroep als onontvankelijk minstens ongegrond af te wijzen.

 

 

Mocht het hof van oordeel zijn dat zij geen recht meer heeft op een onderhoudsuitkering na echtscheiding sinds haar vader overleden is, vraagt appellante subsidiair te zeggen voor recht dat alle ontvangen onderhoudsuitkeringen gestort door geïntimeerde tot augustus 2005 haar blijven toebehoren en niet moeten worden terugbetaald.

 

 

Beoordeling

 

 

Aangaande de ontvankelijkheid van het hoger beroep

 

 

Overwegende dat geïntimeerde aanvoert dat het hoger beroep van appellante onontvankelijk is om reden dat zij in het bestreden vonnis heeft berust;

 

 

Dat hij aansluitend aanvoert dat zij afstand van hoger beroep heeft gedaan;

 

 

Dat geïntimeerde de impliciete berusting in het vonnis van 12 januari 1998 van appellante afleidt uit volgende omstandigheden:

 

 

– een brief van appellante van 23 november 2004 waarin appellante aangeeft dat zij de correcte naleving van het vonnis van 12 januari 1998 op het vlak van de aan haar verschuldigde onderhoudsuitkering na echtscheiding wenst;

 

 

– het voornemen tot afstand van hoger beroep van appellante zoals verwoord in de brief van haar raadsman van 6 april 2009;

 

 

– het feit dat appellante, zelfs na de mededeling dat haar geen onderhoudsuitkering na echtscheiding meer zou worden uitbetaald, gedurende jaren heeft stilgezeten alvorens de procedure opnieuw te activeren;

 

 

Dat geïntimeerde, wat de afstand van hoger beroep betreft, verwijst naar de intentie daartoe zoals verwoord in de brief van appellante van 6 april 2009;

 

 

Overwegende dat appellante dit standpunt betwist, aanvoerende dat zij de procedure slechts om proceseconomische redenen heeft laten rusten, dat zij om dezelfde reden bereid was afstand van hoger beroep te doen en dat zij geen afstand heeft gedaan van haar recht om deze procedure verder te zetten;

 

 

Dat zij voorts argumenteert dat, zo haar eigen vordering onontvankelijk of ongegrond zou zijn, dit ook geldt voor het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde;

 

 

Overwegende dat krachtens art. 1044 en 1045 Ger.W. berusting inhoudt dat een partij afstand doet van de rechtsmiddelen die zij tegen sommige of alle punten van een rechterlijke beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend;

 

 

Dat de berusting uitdrukkelijk of stilzwijgend kan zijn en zij in het eerste geval moet uitgaan van de partij zelf of haar bijzondere gevolmachtigde (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 637-639, nrs. 1397-1400; A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de Droit de Liège, 1987, p. 472-478, nrs. 687-704);

 

 

Dat, zoals hierboven reeds werd betoogd, geïntimeerde ervan uitgaat dat appellante stilzwijgend heeft berust in de beslissing van de eerste rechter;

 

 

Dat de stilzwijgende berusting enkel kan worden afgeleid uit handelingen of feiten die wijzen op een zekere en ondubbelzinnige instemming met de betreffende beslissing;

 

 

Dat appellante door hoger beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de eerste rechter duidelijk heeft aangegeven niet te berusten;

 

 

Dat immers het feit zelf van hoger beroep aan te tekenen de uiting is van de zekere en vaste bedoeling niet te berusten in de bestreden beslissing;

 

 

Dat noch de brief van appellante van 23 november 2004 noch het tijdsverloop sedert het instellen van het hoger beroep noch de brief van de raadsman van appellante van 6 april 2009 deze actieve daad van niet berusting ongedaan maken;

 

 

Dat wat de afstand van hoger beroep betreft, art. 824, tweede lid Ger.W. bepaalt dat de uitdrukkelijke afstand van geding kan worden gedaan bij een gewone akte ondertekend door de partij zelf dan wel door haar gemachtigde “die, tenzij de wet anders bepaalt, een bijzondere volmacht heeft, en die aan de tegenpartij betekend wordt, indien deze de afstand niet vooraf heeft aangenomen”;

 

 

Dat een uitdrukkelijke afstand van geding niet kan worden gedaan door de raadsman van een partij in het raam van diens mandaat at litem;

 

 

Dat daartoe een bijzondere volmacht vereist is;

 

 

Dat het voorbehoud “tenzij de wet anders bepaalt” onder meer de advocaten bij het Hof van Cassatie beoogt die, krachtens art. 479 Ger.W., de partij op geldige wijze vertegenwoordigen in alle zaken die aan het Hof worden onderworpen, zonder dat zij van enige volmacht moeten doen blijken;

 

 

Dat

in casu door de raadsman van appellante geen bijzondere volmacht wordt voorgelegd;

 

Dat in de gegeven omstandigheden door appellante geen geldige uitdrukkelijke afstand van hoger beroep werd gedaan;

Overwegende dat een stilzwijgende afstand van hoger beroep slechts kan worden afgeleid uit akten en met elkaar overeenstemmende feiten waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen;

Dat deze akten of feiten niet aan bijzondere vormvereisten onderworpen zijn en het bewijs ervan kan worden geleverd met alle middelen van recht waarover de rechter op onaantastbare wijze oordeelt;

Dat in casu aan de hand van de bijgebrachte stukken en feiten niet kan worden afgeleid dat appellante zelf daadwerkelijk stilzwijgend afstand van hoger beroep heeft gedaan;

Dat geïntimeerde dit overigens zelf aanvoert, maar beweert dat appellante alleszins de intentie had afstand van hoger beroep te doen;

Dat deze intentie echter enkel werd geuit bij monde van haar raadsman, die hier in latere conclusies expliciet op is teruggekomen, en hoe dan ook het op een bepaald ogenblik geuite voornemen afstand te doen niet gelijkstaat met de afstand zelf;

Dat appellante aldus noch in het vonnis van 12 januari 1998 heeft berust, noch afstand van hoger beroep heeft gedaan.

Aangaande de rechtsverwerking, minstens foutieve handelwijze van appellante

Overwegende dat geïntimeerde aanvoert dat appellante door haar langdurig stilzitten sedert het instellen van het hoger beroep haar aanspraken niet meer kan opeisen;

Dat haar talmende houding een schadeverwekkende gedraging uitmaakt die niet overeenstemt met wat men van een “goede huisvader” mag verwachten;

Dat deze onrechtmatige handelwijze aanleiding kan geven tot een afwijzing van de vordering dan wel tot de betaling van een schadevergoeding;

Dat op grond hiervan de periode tijdens welke appellante onderhoudsgerechtigd is zou kunnen worden beperkt en in elk geval geen interesten kunnen worden toegekend op de eventueel met betrekking tot deze periode van stilzitten verschuldigde bedragen;

Overwegende dat appellante dit standpunt bestrijdt om reden dat, toen zij in de periode van maart 1998 tot september 2005, toen geïntimeerde vrijwillig de conform het vonnis a quo aan haar verschuldigde onderhoudsbijdrage betaalde, om proceseconomische redenen afzag van het verderzetten van de procedure, zij nadien problemen heeft gehad met haar voormalige raadsman die geen initiatieven nam en het beweerde stilzitten haar dan ook niet ten kwade kan worden geduid;

Overwegende dat rechtsverwerking niet wordt vermoed en slechts uitzonderlijk kan worden aangenomen;

Dat het louter stilzitten van een partij geen rechtsverwerking doet intreden, aangezien dit immers afbreuk zou doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring;

Dat de inactiviteit van een partij in het licht van de begeleidende omstandigheden van de zaak door de rechter als rechtsverwerking of als een afstand van recht zou kunnen worden uitgelegd; dat dit het geval kan zijn wanneer het rechtmatig vertrouwen van de wederpartij door dit stilzitten wordt verschalkt (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Antwerpen, Kluwer, p. 330, nr. 530 en p. 332, nr. 538);

Dat de door appellante gegeven verklaring voor haar stilzitten geloofwaardig is en aantoont dat zij geenszins zinnens was haar recht prijs te geven of er afstand van te doen;

Dat het stilzitten van appellante nadat zij hoger beroep had aangetekend weliswaar jaren heeft geduurd, maar dit in de gegeven omstandigheden geen onrechtmatig karakter vertoont;

 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/01/2012 - 23:05
Laatst aangepast op: wo, 15/02/2017 - 18:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.